5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Als niets hebbende, en nochtans alles bezittende.
2 Korinthe 6:10
Hoe bezitten wij alles? Door Christus te bezitten, Die de erfgenaam is van alle dingen. Indien wij Christus bezitten, wat hebben wij niet in Hem? Wij hebben wijsheid om ons te onderrichten, rechtvaardigmaking om ons te rechtvaardigen, heiligmaking om ons te heiligen, en verlossing om ons van zonde, dood en hel te bevrijden. Als wij Hem hebben, hebben wij de gunst en de liefde van God; wij hebben de vergeving onzer zonden, de verzoening van onze persoon, het werpen van al onze overtredingen achter Gods rug, en een aanspraak op een hemelse troon.
Als wij Hem hebben, hebben wij alles in Hem, want Christus is ons, en Christus is Gode. Daarom — in Hem bezitten wij alles. Wij zullen genoeg hebben om ons aan het graf te brengen. Hij wil ons alles geven wat goed, en ons niets onthouden wat weldadig voor ons is. Als wij Hem bezitten, wat hebben wij niet in Hem!
En als de dood komt, wat heeft de wereld dan? Niets anders dan de toorn Gods en een vreselijk oordeel. Maar als de dood komt tot de heilige Gods, waarop mag deze dan zien? Op een kroon des levens, op een woning in de hemelen, op een vriendelijk God, en op een zalige verzekering dat hij zal aanzitten aan de bruiloft des Lams. Ofschoon dan de heiligen Gods niets hebben, toch bezitten zij alle dingen, en zo zij een hemelse kroon bezitten, wat kan God hun meer geven?
Verheug het volk, verblijd hen allen, Heer,
die naar U zoeken t’elke stond’.
Leg steeds uw vrienden in de mond:
„De grote God zij eeuwig lof en eer!”
Schoon ’k arm ben en ellendig, denkt God aan mij bestendig.
Gij zijt mijn hulp, mijn kracht, mijn redder, o mijn God,
bestierder van mijn lot,
vertoef niet, hoor mijn klacht!
Ps. 40:8
Aan de lezer…
Voelt u zich arm, lezer? Kijkt u in uw hart en in uw handen en vindt u er niets, geen wijsheid, geen gerechtigheid, geen kracht? Dan staat u misschien dichter bij dit woord dan u denkt: „als niets hebbende”. Het is geen schande arm te zijn voor God; het is de plaats waar Christus gevonden wordt. Want wie Hem bezit, mist niets dat waarlijk goed is.
In Hem is wijsheid om u te onderrichten, rechtvaardigmaking om u te rechtvaardigen, heiligmaking om u te heiligen, en verlossing van zonde, dood en hel. De wereld heeft haar schatten, maar als de dood komt, blijft er voor haar niets over. Zoek dan niet in uzelf wat alleen in Hem te vinden is. Vraag Hem, met lege handen, dat Hij Zich aan u wil schenken. Hij onthoudt niets wat weldadig is aan wie Hem toebehoren, en Hij zal genoeg geven om u tot aan het graf te brengen, en daarna een kroon des levens.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Als niets hebbende, en nochtans alles bezittende.
2 Korinthe 6:10
Hoe bezitten wij alles? Door Christus te bezitten, Die de Erfgenaam is van alle dingen. Als wij Christus bezitten, wat hebben wij dan niet in Hem? Wij hebben wijsheid om ons te onderrichten, rechtvaardigmaking om ons te rechtvaardigen, heiligmaking om ons te heiligen, en verlossing om ons te bevrijden van zonde, dood en hel. Als wij Hem hebben, hebben wij de gunst en de liefde van God. Wij hebben de vergeving van onze zonden, de verzoening van onze persoon, het werpen van al onze overtredingen achter Gods rug, en een aanspraak op een hemelse troon.
Als wij Hem hebben, hebben wij alles in Hem, want Christus is van ons, en Christus is van God. Daarom bezitten wij in Hem alles. Wij zullen genoeg hebben om ons tot aan het graf te brengen. Hij wil ons alles geven wat goed is en ons niets onthouden wat heilzaam voor ons is. Als wij Hem bezitten, wat hebben wij dan niet in Hem!
En wanneer de dood komt, wat heeft de wereld dan? Niets anders dan de toorn van God en een vreselijk oordeel. Maar wanneer de dood tot de heilige van God komt, waarop mag hij dan zien? Op een kroon van het leven, op een woning in de hemel, op een vriendelijk God, en op een zalige verzekering dat hij zal aanzitten aan de bruiloft van het Lam. Hoewel de heiligen van God dus niets hebben, bezitten zij toch alle dingen. En als zij een hemelse kroon bezitten, wat kan God hun dan nog meer geven?
Verheug het volk, verblijd hen allen, Heer,
die naar U zoeken t’elke stond’.
Leg steeds uw vrienden in de mond:
„De grote God zij eeuwig lof en eer!”
Schoon ’k arm ben en ellendig, denkt God aan mij bestendig.
Gij zijt mijn hulp, mijn kracht, mijn redder, o mijn God,
bestierder van mijn lot,
vertoef niet, hoor mijn klacht!
Ps. 40:8
Aan de lezer…
Voelt u zich arm, lezer? Kijkt u in uw hart en in uw handen en vindt u er niets: geen wijsheid, geen gerechtigheid, geen kracht? Dan staat u misschien dichter bij dit woord dan u denkt: „als niets hebbende”. Het is geen schande om arm te zijn voor God; het is de plaats waar Christus gevonden wordt. Want wie Hem bezit, mist niets wat werkelijk goed is.
In Hem is wijsheid om u te onderrichten, rechtvaardigmaking om u te rechtvaardigen, heiligmaking om u te heiligen, en verlossing van zonde, dood en hel. De wereld heeft haar schatten, maar wanneer de dood komt, blijft er voor haar niets over. Zoek dan niet in uzelf wat alleen in Hem te vinden is. Vraag Hem met lege handen of Hij Zich aan u wil schenken. Hij onthoudt niets wat heilzaam is aan wie Hem toebehoren, en Hij zal genoeg geven om u tot aan het graf te brengen, en daarna een kroon van het leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
As having nothing, and yet possessing all things.
2 Corinthians 6:10
How do we possess all things? In possessing Christ Who is heir of all things. If we possess Christ, what have we not in Him? We have wisdom to teach us, righteousness to justify us, sanctification to make us holy, and redemption to deliver us from sin, death, and hell. If we have Him, we have the favor and love of God; we have the pardon of our sins, the reconciliation of our persons, the casting behind God’s back of all our backslidings, and a title to a heavenly crown. If we have Him, we have everything in Him, for Christ is ours, and Christ is God’s. Therefore in Him we possess all things.
We shall have in providence things sufficient to carry us to the grave. He will give us everything that is for our good, and keep back nothing that is for our benefit. If we possess Him, what have we not in Him?
Now the world, when death comes, what has it? Nothing to look to but the anger of God, and a fearful judgment. But the saint of God, when death comes to him, what has he to look to? A crown of life, a mansion in the skies, a smiling God, and a blessed assurance that he shall sit down at the marriage supper of the Lamb. Thus though the saints of God have nothing, yet they possess all things; and possessing a heavenly crown, what more can God give them?
To the reader…
Do you feel poor, dear reader? Do you look into your heart and into your hands and find nothing there: no wisdom, no righteousness, no strength? Then perhaps you stand closer to this word than you think: “as having nothing.” It is no shame to be poor before God; it is the place where Christ is found. For whoever possesses Him lacks nothing that is truly good.
In Him is wisdom to teach you, righteousness to justify you, sanctification to make you holy, and redemption from sin, death and hell. The world has its treasures, but when death comes, nothing is left for it. So do not look in yourself for what is found only in Him. Ask Him with empty hands to give Himself to you. He withholds nothing that is for the good of those who belong to Him, and He will give enough to bring you to the grave, and after that a crown of life.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Como no teniendo nada, mas poseyéndolo todo.
2 Corintios 6:10
¿Cómo lo poseemos todo? Poseyendo a Cristo, Quien es heredero de todo. Si poseemos a Cristo, ¿qué no tenemos en Él? Tenemos sabiduría para enseñarnos, justicia para justificarnos, santificación para hacernos santos, y redención para librarnos del pecado, de la muerte y del infierno. Si le tenemos a Él, tenemos el favor y el amor de Dios; tenemos el perdón de nuestros pecados, la reconciliación de nuestras personas, el echar Dios tras Sus espaldas todas nuestras rebeliones, y un título a una corona celestial. Si le tenemos a Él, lo tenemos todo en Él, porque Cristo es nuestro, y Cristo es de Dios. Por tanto, en Él lo poseemos todo.
Tendremos en la providencia lo suficiente para llevarnos hasta la tumba. Él nos dará todo lo que sea para nuestro bien, y no retendrá nada que sea para nuestro provecho. Si le poseemos a Él, ¿qué no tenemos en Él?
Ahora bien, el mundo, cuando llega la muerte, ¿qué tiene? Nada que esperar sino la ira de Dios y un juicio espantoso. Pero el santo de Dios, cuando la muerte le llega, ¿qué tiene que esperar? Una corona de vida, una morada en los cielos, un Dios sonriente, y una bienaventurada seguridad de que se sentará en la cena de las bodas del Cordero. Así, aunque los santos de Dios no tienen nada, sin embargo lo poseen todo; y poseyendo una corona celestial, ¿qué más puede darles Dios?
Al lector…
¿Se siente pobre, querido lector? ¿Mira en su corazón y en sus manos y no halla nada allí: ni sabiduría, ni justicia, ni fuerza? Entonces quizá esté más cerca de esta palabra de lo que piensa: “como no teniendo nada”. No es vergüenza ser pobre delante de Dios; es el lugar donde se halla a Cristo. Porque quien le posee a Él no carece de nada que sea verdaderamente bueno.
En Él hay sabiduría para enseñarle, justicia para justificarle, santificación para hacerle santo, y redención del pecado, la muerte y el infierno. El mundo tiene sus tesoros, pero cuando llega la muerte, nada le queda. No busque, pues, en usted mismo lo que solo se halla en Él. Pídale con las manos vacías que se dé a Sí mismo a usted. Él no retiene nada que sea para el bien de los que le pertenecen, y le dará lo suficiente para llevarle hasta la tumba, y después una corona de vida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ opstanding
Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding.
Filippensen 3:10
Een van de grootste zegeningen die voortkomen uit de bevindelijke kennis van de kracht van Zijn opstanding, is de zichtbare rechtvaardiging erdoor van iedereen die in de Zoon van God gelooft, overeenkomstig de woorden: „Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking” (Rom. 4:25). We hebben de uitdrukking „de zichtbare rechtvaardiging” gebruikt, want de uitverkorenen worden niet werkelijk door Christus’ opstanding gerechtvaardigd, maar door de toeschrijving van Zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid, zoals de apostel zegt: „Zo dan, gelijk door een misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die ene mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigen gesteld worden” (Rom. 5:18, 19).
De opstanding van Jezus uit de doden is daarom niet de oorzaak van de rechtvaardiging, maar het zichtbare bewijs dat Zijn gehoorzaamheid aan de wet ter wille van hen werd aanvaard, en dat zij samen met Hem werden opgewekt als gerechtvaardigde mensen, want „in de HEERE”, dat wil zeggen, ingevolge vereniging met Hem, „zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad van Israël” (Jes. 45:25). En dit werden zij op zichtbare wijze toen hun Verbondshoofd werd opgewekt en openlijk van alle wettelijke beschuldigingen werd vrijgesproken.
Welnu, zoals de opstanding van Christus de zichtbare rechtvaardiging van hun persoon was, zo is kennis van haar kracht de zichtbare rechtvaardiging van hun geweten. Want tot Christus aan de ziel wordt geopenbaard als opgewekt uit de doden, zit zij opgesloten onder de wet, vol schuld en veroordeling, een gevangene in de kuil waar geen water in is (Gen. 37:24). Als Hij echter wordt geopenbaard, of liever gezegd, als Hij Zichzelf openbaart — hetgeen Hij niet zou kunnen doen tenzij Hij levend was geworden uit de doden — bezegelt Hij het geweten met rechtvaardiging. „Ik breng,” zegt Hij, „Mijn gerechtigheid nabij” (Jes. 46:13), hetgeen Hij doet als Hij de ziel met de klederen des heils bekleedt en haar de mantel der gerechtigheid omdoet (Jes. 61:10).
Lezen: 2 Korinthe 5:11-12
Aan de lezer…
Wat een troost is dit woord voor wie nog gevangen zit in de kuil waar geen water in is, opgesloten onder de wet, vol schuld en veroordeling! Zit u daar nog, dan is dit een woord voor u. De Heere Jezus is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Niet Zijn opstanding maakt de zondaar rechtvaardig, maar Zijn gehoorzaamheid; doch Zijn opstanding is het zichtbare bewijs dat die gehoorzaamheid ter wille van de Zijnen is aanvaard. Het Verbondshoofd werd openlijk van alle beschuldigingen vrijgesproken, en zij met Hem.
Wat de opstanding voor hun persoon is, dat is de kennis van haar kracht voor het geweten. Een levende Christus kan Zichzelf openbaren, en als Hij dat doet, bezegelt Hij het geweten met vrijspraak. „Ik breng Mijn gerechtigheid nabij,” zegt Hij. Wacht daarom niet tot u zelf iets van gerechtigheid kunt aanbrengen. Vraag Hem dat Hij u met de klederen des heils bekleedt en u de mantel der gerechtigheid omdoet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding.
Filippensen 3:10
Een van de grootste zegeningen die voortkomen uit de bevindelijke kennis van de kracht van Zijn opstanding, is dat daardoor ieder die in de Zoon van God gelooft zichtbaar gerechtvaardigd wordt, naar de woorden: „Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking” (Rom. 4:25). We gebruiken de uitdrukking „zichtbare rechtvaardiging”, want de uitverkorenen worden niet eigenlijk door Christus’ opstanding gerechtvaardigd, maar door de toerekening van Zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid. Zo zegt de apostel: „Zo dan, gelijk door een misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die ene mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigen gesteld worden” (Rom. 5:18, 19).
De opstanding van Jezus uit de doden is dus niet de oorzaak van de rechtvaardiging. Zij is het zichtbare bewijs dat Zijn gehoorzaamheid aan de wet ter wille van hen werd aanvaard, en dat zij samen met Hem als gerechtvaardigden werden opgewekt. Want „in de HEERE”, dat wil zeggen door de vereniging met Hem, „zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad van Israël” (Jes. 45:25). Dat werden zij op zichtbare wijze toen hun Verbondshoofd werd opgewekt en openlijk van alle wettelijke beschuldigingen werd vrijgesproken.
Welnu, zoals de opstanding van Christus de zichtbare rechtvaardiging van hun persoon was, zo is de kennis van haar kracht de zichtbare rechtvaardiging van hun geweten. Want totdat Christus aan de ziel wordt geopenbaard als opgewekt uit de doden, zit zij opgesloten onder de wet, vol schuld en veroordeling, een gevangene in de kuil waarin geen water is (Gen. 37:24). Maar wanneer Hij wordt geopenbaard, of liever gezegd, wanneer Hij Zichzelf openbaart — wat Hij niet zou kunnen doen als Hij niet uit de doden was opgestaan — bezegelt Hij het geweten met de rechtvaardiging. „Ik breng,” zegt Hij, „Mijn gerechtigheid nabij” (Jes. 46:13). Dat doet Hij wanneer Hij de ziel met de klederen des heils bekleedt en haar de mantel der gerechtigheid omdoet (Jes. 61:10).
Lezen: 2 Korinthe 5:11-12
Aan de lezer…
Wat een troost is dit woord voor wie nog gevangen zit in de kuil waarin geen water is, opgesloten onder de wet, vol schuld en veroordeling! Zit u daar nog, dan is dit een woord voor u. De Heere Jezus is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Niet Zijn opstanding maakt de zondaar rechtvaardig, maar Zijn gehoorzaamheid; maar Zijn opstanding is het zichtbare bewijs dat die gehoorzaamheid ter wille van de Zijnen is aanvaard. Het Verbondshoofd werd openlijk van alle beschuldigingen vrijgesproken, en zij met Hem.
Wat de opstanding is voor hun persoon, dat is de kennis van haar kracht voor het geweten. Een levende Christus kan Zichzelf openbaren, en als Hij dat doet, bezegelt Hij het geweten met vrijspraak. „Ik breng Mijn gerechtigheid nabij,” zegt Hij. Wacht daarom niet tot u zelf iets van gerechtigheid kunt aanbrengen. Vraag Hem dat Hij u met de klederen des heils bekleedt en u de mantel der gerechtigheid omdoet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That I may know Him, and the power of His resurrection.
Philippians 3:10
One of the greatest blessings that flow from an experimental knowledge of the power of His resurrection is that thereby every one who believes in the Son of God is manifestly justified, according to the words, “Who was delivered for our offences, and was raised again for our justification” (Romans 4:25). We use the expression “manifestly justified,” for the elect are not, properly speaking, justified by Christ’s resurrection, but by the imputation of His active and passive obedience. So the apostle says, “Therefore as by the offence of one judgment came upon all men to condemnation; even so by the righteousness of one the free gift came upon all men unto justification of life. For as by one man’s disobedience many were made sinners, so by the obedience of One shall many be made righteous” (Romans 5:18,19).
The resurrection of Jesus from the dead is therefore not the cause of justification. It is the manifest proof that His obedience to the law was accepted on their behalf, and that they were raised up together with Him as justified. For “in the LORD,” that is, by union with Him, “shall all the seed of Israel be justified, and shall glory” (Isaiah 45:25). That they were manifestly when their Covenant Head was raised up and openly acquitted of all legal charges.
Now, as the resurrection of Christ was the manifest justification of their persons, so the knowledge of its power is the manifest justification of their conscience. For until Christ is revealed to the soul as risen from the dead, it is shut up under the law, full of guilt and condemnation, a prisoner in the pit wherein is no water (Genesis 37:24). But when He is revealed, or rather, when He reveals Himself, which He could not do had He not risen from the dead, He seals justification upon the conscience. “I bring near,” He says, “My righteousness” (Isaiah 46:13). This He does when He clothes the soul with the garments of salvation and covers it with the robe of righteousness (Isaiah 61:10).
Reading: 2 Corinthians 5:11-12
To the reader…
What a comfort this word is for one who still sits imprisoned in the pit wherein is no water, shut up under the law, full of guilt and condemnation! If you are still sitting there, then this is a word for you. The Lord Jesus was delivered for our offences and raised again for our justification. It is not His resurrection that makes the sinner righteous, but His obedience; yet His resurrection is the manifest proof that this obedience was accepted on behalf of His own. The Covenant Head was openly acquitted of every charge, and they with Him.
What the resurrection is for their persons, the knowledge of its power is for the conscience. A living Christ can reveal Himself, and when He does, He seals acquittal upon the conscience. “I bring near My righteousness,” He says. Do not wait, therefore, until you can bring some righteousness of your own. Ask Him to clothe you with the garments of salvation and to cover you with the robe of righteousness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A fin de conocerle, y la virtud de Su resurrección.
Filipenses 3:10
Una de las mayores bendiciones que fluyen de un conocimiento experimental del poder de Su resurrección es que por ella todo el que cree en el Hijo de Dios es manifiestamente justificado, según las palabras: “El Cual fue entregado por nuestros delitos, y resucitado para nuestra justificación” (Romanos 4:25). Usamos la expresión “manifiestamente justificado”, porque los elegidos no son, propiamente hablando, justificados por la resurrección de Cristo, sino por la imputación de Su obediencia activa y pasiva. Así dice el apóstol: “Así que, de la manera que por un delito vino la culpa a todos los hombres para condenación, así por una justicia vino la gracia a todos los hombres para justificación de vida. Porque como por la desobediencia de un hombre los muchos fueron constituidos pecadores, así por la obediencia de Uno los muchos serán constituidos justos” (Romanos 5:18, 19).
La resurrección de Jesús de los muertos no es, pues, la causa de la justificación. Es la prueba manifiesta de que Su obediencia a la ley fue aceptada en favor de ellos, y de que fueron resucitados juntamente con Él como justificados. Porque “en Jehová”, es decir, por la unión con Él, “será justificada y se gloriará toda la generación de Israel” (Isaías 45:25). Eso lo fueron manifiestamente cuando su Cabeza del pacto fue resucitada y públicamente absuelta de todas las acusaciones legales.
Ahora bien, así como la resurrección de Cristo fue la justificación manifiesta de sus personas, así el conocimiento de su poder es la justificación manifiesta de su conciencia. Porque hasta que Cristo es revelado al alma como resucitado de los muertos, ella está encerrada bajo la ley, llena de culpa y condenación, presa en la cisterna en que no hay agua (Génesis 37:24). Pero cuando Él es revelado, o más bien, cuando Él se revela a Sí mismo, lo cual no podría hacer si no hubiera resucitado de los muertos, sella la justificación sobre la conciencia. “Haré que se acerque Mi justicia”, dice Él (Isaías 46:13). Esto lo hace cuando viste al alma de vestidos de salud y la rodea de manto de justicia (Isaías 61:10).
Lectura: 2 Corintios 5:11-12
Al lector…
¡Qué consuelo es esta palabra para el que todavía está preso en la cisterna en que no hay agua, encerrado bajo la ley, lleno de culpa y condenación! Si usted todavía está allí, esta es una palabra para usted. El Señor Jesús fue entregado por nuestros delitos y resucitado para nuestra justificación. No es Su resurrección la que hace justo al pecador, sino Su obediencia; pero Su resurrección es la prueba manifiesta de que esa obediencia fue aceptada en favor de los Suyos. La Cabeza del pacto fue públicamente absuelta de toda acusación, y ellos con Él.
Lo que la resurrección es para sus personas, el conocimiento de su poder lo es para la conciencia. Un Cristo vivo puede revelarse a Sí mismo, y cuando lo hace, sella la absolución sobre la conciencia. “Haré que se acerque Mi justicia”, dice Él. No espere, pues, hasta poder traer alguna justicia propia. Pídale que le vista de vestidos de salud y le rodee de manto de justicia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.
Johannes 15:3
Hetgeen God doet, doet Hij door het Woord Zijner genade en de invloeden die dit Woord vergezellen; want houdt in gedachten dat God niets doet dan door Zijn Woord. Daarom worden de heiligende en reinigende werkingen die het Woord Zijner genade vergezellen, voorgesteld te geschieden met het bad des waters door het Woord (Efeze 5:26). Het „Woord” is het geschreven Woord; het „water” is de kracht des Heiligen Geestes; het „wassen” is de reinigende uitwerking van de toepassing van het Woord.
Laat mij u deze vraag stellen, zo gij mijn woorden zoudt betwijfelen: Hoe worden wij van de last en de schuld onzer zonden op onze consciëntie, van de bevlekking van ons gemoed die de zonde veroorzaakt, van de dienstbaarheid des geestes die de zonde schept, van de vrees en schrik der ziel die de zonde werkt, ontslagen? Gij zult zeggen: Door het geloof in Jezus Christus; want gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben wij vrede met God. Dit is waar; maar hoe kunnen wij in Jezus Christus geloven, dat wij deze vrede vinden? Door het Woord Zijner genade, vergezeld gaande met de bijzondere invloed, zalving en dauw des Heiligen Geestes, dat ons ontdekt en bekend maakt met de verzoening en aanneming bij God, waarvan gesproken wordt als gewassen te worden door het Woord.
Want gelijk het water het lichaam reinigt, zo reinigt het Woord der waarheid de ziel. Het wast de schuld en vuilheid en de besmetting der zonde af. Gelijk de Heere zegt: „Gij zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.” En wederom: „Hij, die gewassen wordt, heeft niet nodig dan de voeten te wassen en is geheel rein.” Dus gelijk het water, toegepast, het lichaam van de natuurlijke onreinheid reinigt, zo doet het Woord der belofte, het Woord der waarheid, het Woord der zaligheid. Het ontdekt het dierbaar bloed van de Zaligmaker en reinigt de consciëntie van de schuld, de onreinheid en de besmetting der zonde.
Aan de lezer…
Herkent u dit? De schuld van uw zonden drukt u neer. Voelt u de bevlekking van uw gemoed, de dienstbaarheid des geestes, de vrees en schrik die de zonde in de ziel werkt? U weet misschien wel dat wij door het geloof in Jezus Christus vrede met God hebben, maar u vraagt u af hoe dat geloof ooit in u zal komen. Hier ligt het antwoord: door het Woord Zijner genade, vergezeld van de zalving en dauw des Heiligen Geestes.
Wacht dan niet op iets buiten het Woord, maar houd aan bij het Woord. Lees het, hoor het, en smeek dat de Geest het in uw consciëntie toepast. Want gelijk het water het lichaam reinigt, zo reinigt het Woord der waarheid de ziel. Het ontdekt het dierbaar bloed van de Zaligmaker en wast de schuld, de onreinheid en de besmetting der zonde af. Wie zo gewassen wordt, mag het van Hem horen: „Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.
Johannes 15:3
Wat God doet, doet Hij door het Woord van Zijn genade en de invloeden die dat Woord begeleiden; want onthoud dat God niets doet dan door Zijn Woord. Daarom worden de heiligende en reinigende werkingen die het Woord van Zijn genade begeleiden, voorgesteld als iets wat gebeurt door het bad des waters door het Woord (Efeze 5:26). Het „Woord” is het geschreven Woord; het „water” is de kracht van de Heilige Geest; het „wassen” is de reinigende uitwerking van de toepassing van het Woord.
Laat mij u, voor het geval u mijn woorden zou betwijfelen, deze vraag stellen: hoe worden wij verlost van de last en de schuld van onze zonden op ons geweten, van de bevlekking van ons gemoed die de zonde veroorzaakt, van de dienstbaarheid van de geest die de zonde teweegbrengt, van de vrees en schrik van de ziel die de zonde werkt? U zult zeggen: door het geloof in Jezus Christus, want gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben wij vrede met God. Dat is waar. Maar hoe kunnen wij zo in Jezus Christus geloven dat wij deze vrede vinden? Door het Woord van Zijn genade, vergezeld van de bijzondere invloed, zalving en dauw van de Heilige Geest. Dat Woord ontdekt ons aan de verzoening en de aanneming bij God en maakt ons daarmee bekend, en daarvan wordt gesproken als gewassen worden door het Woord.
Want zoals het water het lichaam reinigt, zo reinigt het Woord der waarheid de ziel. Het wast de schuld en vuilheid en de besmetting van de zonde af. Zoals de Heere zegt: „Gij zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.” En opnieuw: „Hij, die gewassen wordt, heeft niet nodig dan de voeten te wassen en is geheel rein.” Zoals het water, wanneer het wordt toegepast, het lichaam van natuurlijke onreinheid reinigt, zo doet dat ook het Woord van de belofte, het Woord der waarheid, het Woord van de zaligheid. Het ontdekt het dierbare bloed van de Zaligmaker en reinigt het geweten van de schuld, de onreinheid en de besmetting van de zonde.
Aan de lezer…
Herkent u dit? De schuld van uw zonden drukt u neer. Voelt u de bevlekking van uw gemoed, de dienstbaarheid van de geest, de vrees en schrik die de zonde in de ziel werkt? U weet misschien wel dat wij door het geloof in Jezus Christus vrede met God hebben, maar u vraagt zich af hoe dat geloof ooit in u zal komen. Hier ligt het antwoord: door het Woord van Zijn genade, vergezeld van de zalving en dauw van de Heilige Geest.
Wacht dan niet op iets buiten het Woord, maar houd vast aan het Woord. Lees het, hoor het, en smeek of de Geest het in uw geweten wil toepassen. Want zoals het water het lichaam reinigt, zo reinigt het Woord der waarheid de ziel. Het ontdekt het dierbare bloed van de Zaligmaker en wast de schuld, de onreinheid en de besmetting van de zonde af. Wie zo gewassen wordt, mag het van Hem horen: „Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Now ye are clean through the word which I have spoken unto you.”
John 15:3
What God does, He does by the Word of His grace and the influences which accompany that Word; forever bear in mind that God does nothing but by His Word. The sanctifying, cleansing effects therefore which attend the Word of His grace under the operations of the Spirit are spoken of as “the washing of water by the word” (Eph. 5:26). “The word” is the written Scripture; the “water” is the power of the Holy Spirit; the “washing” is the cleansing effect of the application of the Word.
Let me ask you this question, if you doubt my words, How are we to get the burden and guilt of our sins off our conscience, the defilement of mind which sin produces, the bondage of spirit which sin creates, the fears and alarm of the soul which sin works? You will say, “By believing in Jesus Christ, for being justified by faith we have peace with God.” That is true; but how can we believe in Jesus Christ, so as to find this peace? By the Word of His grace, accompanied by the special influence, unction, and dew of the Holy Spirit revealing and making known pardon and acceptance with God, which is therefore spoken of as “the washing of water by the word.”
For as water washes the body, so the Word of truth washes the soul, by washing away the guilt and filth and defilement of sin. As the blessed Lord said, “You shall know the truth, and the truth shall make you free.” And again, “He that is washed needs not save to wash his feet, but is clean every whit.” Thus as water when applied cleanses the body from natural filth, so does the word of promise, the Word of truth, the word of salvation revealing and making known the Savior’s precious blood, cleanse the conscience from the guilt, filth, and defilement of sin.
To the reader…
Do you recognize this? The guilt of your sins weighs you down. Do you feel the defilement of your mind, the bondage of spirit, the fear and alarm that sin works in the soul? You may well know that through faith in Jesus Christ we have peace with God, but you wonder how that faith will ever come into you. Here is the answer: through the Word of His grace, accompanied by the unction and dew of the Holy Spirit.
Do not wait, then, for something outside the Word, but hold fast to the Word. Read it, hear it, and plead that the Spirit may apply it to your conscience. For as water cleanses the body, so the Word of truth cleanses the soul. It reveals the precious blood of the Savior and washes away the guilt, the filth and the defilement of sin. Whoever is washed in this way may hear it from Him: “Now ye are clean through the word which I have spoken unto you.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ya vosotros sois limpios por la palabra que os he hablado.
Juan 15:3
Lo que Dios hace, lo hace por la Palabra de Su gracia y por las influencias que acompañan a esa Palabra; tenga siempre presente que Dios no hace nada sino por Su Palabra. Por eso los efectos santificadores y purificadores que acompañan a la Palabra de Su gracia bajo las operaciones del Espíritu se describen como “el lavacro del agua por la palabra” (Efesios 5:26). “La palabra” es la Escritura escrita; el “agua” es el poder del Espíritu Santo; el “lavacro” es el efecto purificador de la aplicación de la Palabra.
Permítame hacerle esta pregunta, si duda de mis palabras: ¿Cómo hemos de quitar de nuestra conciencia la carga y la culpa de nuestros pecados, la contaminación de la mente que el pecado produce, la servidumbre del espíritu que el pecado crea, los temores y la alarma del alma que el pecado obra? Usted dirá: “Creyendo en Jesucristo, porque justificados por la fe tenemos paz para con Dios.” Eso es verdad; pero ¿cómo podemos creer en Jesucristo de modo que hallemos esta paz? Por la Palabra de Su gracia, acompañada por la influencia especial, la unción y el rocío del Espíritu Santo, que revela y da a conocer el perdón y la aceptación ante Dios; por eso se habla de ello como “el lavacro del agua por la palabra”.
Porque así como el agua lava el cuerpo, así la Palabra de verdad lava el alma, lavando la culpa, la inmundicia y la contaminación del pecado. Como dijo el bendito Señor: “Conoceréis la verdad, y la verdad os libertará.” Y otra vez: “El que está lavado, no necesita sino que lave los pies, mas está todo limpio.” Así, como el agua aplicada limpia el cuerpo de la suciedad natural, así la palabra de promesa, la Palabra de verdad, la palabra de salvación que revela y da a conocer la preciosa sangre del Salvador, limpia la conciencia de la culpa, la inmundicia y la contaminación del pecado.
Al lector…
¿Reconoce usted esto? La culpa de sus pecados le abruma. ¿Siente la contaminación de su mente, la servidumbre del espíritu, el temor y la alarma que el pecado obra en el alma? Bien puede saber que por la fe en Jesucristo tenemos paz para con Dios, pero se pregunta cómo llegará jamás esa fe a usted. He aquí la respuesta: por la Palabra de Su gracia, acompañada por la unción y el rocío del Espíritu Santo.
No espere, pues, algo fuera de la Palabra, sino aférrese a la Palabra. Léala, óigala, y suplique que el Espíritu la aplique a su conciencia. Porque así como el agua limpia el cuerpo, así la Palabra de verdad limpia el alma. Revela la preciosa sangre del Salvador y lava la culpa, la inmundicia y la contaminación del pecado. Quien es lavado de esta manera puede oírlo de Sus labios: “Ya vosotros sois limpios por la palabra que os he hablado.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl