gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zo zegt de Heere: een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom; maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent.
Jeremia 9:23-24
Zo is het ons geoorloofd te roemen. Maar waarin en in wie? Niet in onszelf; die roem is voor eeuwig uitgesloten. De Heere heeft voorgenomen over alle menselijke roem Zijn verachting uit te storten, opdat niemand zoude roemen in zichzelf, wie hij ook zij of wat hij ook hebbe. Maar wanneer een mens ziet op de Zone Gods in Zijn schoonheid, in Zijn algenoegzaamheid, in Zijn hemelse genade en goddelijke heerlijkheid, dan kan en mag hij roemen in de Heere.
Hij kan zeggen: „O welk een Heere is daarboven! Hoe heerlijk is Hij in Zijn majesteit, in Zijn algenoegzaamheid, in Zijn volzaligheid; hoe heerlijk Zijn wijsheid, Zijn gerechtigheid, Zijn heiligmaking en Zijn verlossing! Dat al mijn roem zich tot Hem bepale; dat ik geen enkel stofje ervan voor mijzelf neme. Zo ik wijs ben, Hem dan de eer, Die mijn wijsheid is; zo ik rechtvaardig ben, Hem dan de eer, Die mijn gerechtigheid is; zo ik enige vrucht des Geestes heb, Hem dan de eer, Die mijn heiligmaking is; indien ik verlost ben van dood en hel, Hem dan de eer, Die mijn verlossing is.” Zodoende doen wij wat God wil: wij roemen in Zijn lieve Zoon.
En de Heere zal vroeg of laat al Zijn volk op die plaats brengen. Hij zal hun zulk een gezicht geven op de uitwerkselen van de val, van de ellende der zonde en van hun eigen onmacht, en zal hun zulk een heerlijk gezicht geven op Zijn lieve Zoon, en hen spenen van te roemen in het schepsel, en hen leren roemen in de Heere als al hun zaligheden, hun enig verlangen. Het zal wel een lange leertijd zijn, maar de Heere zal al Zijn volk daarheen brengen, want Hij wil dat Zijn Zoon verheerlijkt worde; en als wij Hem zo kunnen verheerlijken, dan hebben wij de Geest van Christus en doen wij de wil van God.
Daarom, o Heer, zal ik U eer bewijzen,
bij ’t heidendom uw naam eerbiedig prijzen
met psalmgezang, waar ’t hart door wordt geraakt.
Hij heeft het heil zijns Konings groot gemaakt.
Hij wil zijn gunst aan zijn Gezalfde schenken,
aan David en zijn nakroost eeuwig denken.
Psalm 18:15
Aan de lezer…
Deze woorden vragen ook u: waarin roemt u? Misschien niet in rijkdom of sterkte, maar wellicht stilletjes in uw eigen inzicht, uw vroomheid of de vrucht die u meent voort te brengen. De Heere heeft voorgenomen over alle menselijke roem Zijn verachting uit te storten, en wie Hij liefheeft, die speent Hij daarvan, ook al is het een lange en pijnlijke leertijd.
Wordt u nu ontdekt aan de ellende der zonde en aan uw eigen onmacht? Dat is niet om u terneder te laten liggen, maar om u een heerlijk gezicht te geven op Zijn lieve Zoon. Hebt u enige wijsheid, gerechtigheid of vrucht des Geestes, geef Hem dan de eer, want Hij is het alles voor u. Bid dat Hij u leren moge geen stofje roem voor uzelf te nemen, maar te roemen in de Heere alleen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo zegt de Heere: een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom; maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent.
Jeremia 9:23-24
Zo is het ons toegestaan te roemen. Maar waarin en in wie? Niet in onszelf; die roem is voor eeuwig uitgesloten. De Heere heeft Zich voorgenomen Zijn verachting over alle menselijke roem uit te storten, opdat niemand in zichzelf zou roemen, wie hij ook is of wat hij ook heeft. Maar wanneer een mens ziet op de Zoon van God in Zijn schoonheid, in Zijn algenoegzaamheid, in Zijn hemelse genade en Goddelijke heerlijkheid, dan kan en mag hij roemen in de Heere.
Hij kan zeggen: „O, wat een Heere is daarboven! Hoe heerlijk is Hij in Zijn majesteit, in Zijn algenoegzaamheid, in Zijn volzaligheid; hoe heerlijk zijn Zijn wijsheid, Zijn gerechtigheid, Zijn heiligmaking en Zijn verlossing! Laat al mijn roem alleen op Hem gericht zijn; laat ik er geen enkel stofje van voor mijzelf nemen. Als ik wijs ben, dan komt Hem de eer toe, Die mijn wijsheid is; als ik rechtvaardig ben, dan komt Hem de eer toe, Die mijn gerechtigheid is; als ik enige vrucht van de Geest heb, dan komt Hem de eer toe, Die mijn heiligmaking is; als ik verlost ben van dood en hel, dan komt Hem de eer toe, Die mijn verlossing is.” Zo doen wij wat God wil: wij roemen in Zijn lieve Zoon.
En de Heere zal vroeg of laat heel Zijn volk op die plaats brengen. Hij zal hun zo’n gezicht geven op de gevolgen van de val, op de ellende van de zonde en op hun eigen onmacht, en Hij zal hun zo’n heerlijk gezicht geven op Zijn lieve Zoon, dat Hij hen afleert te roemen in het schepsel. Hij zal hen leren roemen in de Heere als al hun zaligheid en hun enige verlangen. Het zal wel een lange leertijd zijn, maar de Heere zal heel Zijn volk daar brengen, want Hij wil dat Zijn Zoon verheerlijkt wordt. En als wij Hem zo kunnen verheerlijken, dan hebben wij de Geest van Christus en doen wij de wil van God.
Daarom, o Heer, zal ik U eer bewijzen,
bij ’t heidendom uw naam eerbiedig prijzen
met psalmgezang, waar ’t hart door wordt geraakt.
Hij heeft het heil zijns Konings groot gemaakt.
Hij wil zijn gunst aan zijn Gezalfde schenken,
aan David en zijn nakroost eeuwig denken.
Psalm 18:15
Aan de lezer…
Deze woorden vragen ook u: waarin roemt u? Misschien niet in rijkdom of sterkte, maar wellicht stilletjes in uw eigen inzicht, uw vroomheid of de vrucht die u meent voort te brengen. De Heere heeft Zich voorgenomen Zijn verachting over alle menselijke roem uit te storten, en wie Hij liefheeft, die leert Hij dat af, ook al is het een lange en pijnlijke leertijd.
Wordt u nu ontdekt aan de ellende van de zonde en aan uw eigen onmacht? Dat is niet om u terneergeslagen te laten liggen, maar om u een heerlijk gezicht te geven op Zijn lieve Zoon. Hebt u enige wijsheid, gerechtigheid of vrucht van de Geest, geef Hem dan de eer, want Hij is dat alles voor u. Bid dat Hij u wil leren geen stofje roem voor uzelf te nemen, maar te roemen in de Heere alleen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thus saith the Lord, Let not the wise man glory in his wisdom, neither let the mighty man glory in his might, let not the rich man glory in his riches: but let him that glorieth glory in this, that he understandeth and knoweth me.
Jeremiah 9:23-24
So we are allowed to glory. But in what and in whom? Not in ourselves; that is forever disannulled. The Lord has purposed to pour contempt upon all human glory, that none should glory in himself, whatever he be or whatever he has. But when a man has a view of the Son of God in His beauty, in His suitability, in His heavenly grace and divine glory, then he can and may glory in the Lord.
He can say, “O what a Lord there is above! How glorious is He in His excellency, in His suitability, and in His blessedness; how glorious His wisdom, His righteousness, His sanctification, and His redemption. Let my whole glory be there; let me not take to myself a single atom of it. If I am wise, let me give Him the glory of being my wisdom; if righteous, let me give Him the glory of being my righteousness; if I have any fruit of the Spirit, let me give Him the glory of being my sanctification; if I am redeemed from death and hell, let the glory of my redemption be His.” This is doing as God would have us to do, glorying in His dear Son.
And the Lord will bring all His people to this spot sooner or later. He will give them such views of the effects of the fall, of the misery of sin, and of their own helplessness; and will give them such gracious views of His dear Son, as shall wean them from glorying in the creature and make them glory in the Lord as all their salvation and all their desire. It may be by a long course of severe discipline, but the Lord will eventually bring all His people there; for He has determined to glorify His dear Son, and when we can thus glorify Him, then we have the mind of Christ, and are doing the will of God.
To the reader…
These words ask you too: what do you glory in? Perhaps not in riches or might, but perhaps quietly in your own insight, your piety or the fruit you think you bear. The Lord has purposed to pour contempt upon all human glory, and those whom He loves He teaches to unlearn it, even if it is a long and painful schooling.
Are you now being shown the misery of sin and your own helplessness? That is not to leave you lying cast down, but to give you a glorious view of His dear Son. If you have any wisdom, righteousness or fruit of the Spirit, give Him the glory, for He is all that for you. Pray that He will teach you not to take a single atom of glory for yourself, but to glory in the Lord alone.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así dijo Jehová: No se alabe el sabio en su sabiduría, ni en su valentía se alabe el valiente, ni el rico se alabe en sus riquezas. Mas alábese en esto el que se hubiere de alabar: en entenderme y conocerme.
Jeremías 9:23-24
Así pues, se nos permite gloriarnos. Pero ¿en qué y en quién? No en nosotros mismos; eso queda anulado para siempre. El Señor se ha propuesto echar menosprecio sobre toda gloria humana, para que nadie se gloríe en sí mismo, sea lo que sea o tenga lo que tenga. Pero cuando un hombre tiene una visión del Hijo de Dios en Su hermosura, en Su idoneidad, en Su gracia celestial y en Su gloria divina, entonces puede y le es lícito gloriarse en el Señor.
Puede decir: “¡Oh, qué Señor hay en lo alto! ¡Cuán glorioso es en Su excelencia, en Su idoneidad y en Su bienaventuranza; cuán gloriosas Su sabiduría, Su justicia, Su santificación y Su redención! Esté allí toda mi gloria; no tome yo para mí ni un solo átomo de ella. Si soy sabio, déjeme darle la gloria de ser mi sabiduría; si soy justo, déjeme darle la gloria de ser mi justicia; si tengo algún fruto del Espíritu, déjeme darle la gloria de ser mi santificación; si soy redimido de la muerte y del infierno, sea Suya la gloria de mi redención”. Esto es hacer como Dios quiere que hagamos: gloriarnos en Su amado Hijo.
Y el Señor llevará a todo Su pueblo a este punto, tarde o temprano. Les dará tales visiones de los efectos de la caída, de la miseria del pecado y de su propia impotencia, y les dará tales visiones llenas de gracia de Su amado Hijo, que los desteten de gloriarse en la criatura y les hagan gloriarse en el Señor como toda su salvación y todo su deseo. Puede ser por un largo curso de severa disciplina, pero el Señor llevará finalmente allí a todo Su pueblo; porque ha determinado glorificar a Su amado Hijo, y cuando podemos glorificarle así, entonces tenemos la mente de Cristo y hacemos la voluntad de Dios.
Al lector…
Estas palabras le preguntan también a usted: ¿en qué se gloría? Quizá no en riquezas ni en valentía, pero tal vez calladamente en su propio entendimiento, en su piedad o en el fruto que cree llevar. El Señor se ha propuesto echar menosprecio sobre toda gloria humana, y a los que ama les enseña a desaprenderla, aunque sea una escuela larga y dolorosa.
¿Se le está mostrando ahora la miseria del pecado y su propia impotencia? No es para dejarle abatido, sino para darle una visión gloriosa de Su amado Hijo. Si tiene alguna sabiduría, justicia o fruto del Espíritu, dele a Él la gloria, porque Él es todo eso para usted. Pida que Él le enseñe a no tomar para sí ni un solo átomo de gloria, sino a gloriarse solo en el Señor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gerechtigheden en sterkte
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Gods kinderen komen tot Hem omdat Hij hun enige hoop is, de enige toevlucht voor hun schuldige, met zonden beladen ziel. Ze komen ook ernstig in verzoeking gebracht tot Hem, waarbij ze de kracht van de zonde voortdurend in zich voelen werken. Ze komen met het besef van een overvloed aan zonde in hun vleselijke geest, van de laagste begeerten en smerigste verdorvenheden. Ze komen, bestookt door satans godslasteringen in hun vleselijke geest; met allerlei zondige gedachten tegen God en godvruchtigheid; met allerlei verachtelijke wensen; met hun hart en geest soms vervuld van verwarring; met in zichzelf niets anders dan ellende en narigheid. Maar toch komen ze, en ze zien en ervaren, als het de Heere belieft het hun te tonen, de geschiktheid, de heerlijkheid, de louterende, verheerlijkende en scheppende genade in de Heere Jezus Christus.
Ze voelen dat, als Hij hen maar zal ontvangen, naar hun ziel zal kijken en glimlachen, als Hij hun maar een bemoedigend woord zal toefluisteren, zoals: „Vrees niet, want Ik heb u liefgehad”, of: „Vrees niet, want Ik heb u verlost” (Jes. 43:1), in één tel alles wat krom is, wordt rechtgemaakt, en al wat hobbelachtig is, tot een vallei. Hun harten verblijden zich in Hem met onzegbare vreugde en vervuld van heerlijkheid. Ze komen, niet slechts uit noodzaak gedwongen, niet slechts met een zware last van schuld; ze komen en zien in Hem onzegbare rijkdommen, die precies op al hun behoeften zijn afgestemd. Hun ogen worden door de Geest van God verlicht, en ze zien in Hem onzegbare schoonheid en geschiktheid, die ze niet kunnen beschrijven, maar die toch op elke plek in hun hart wordt gevoeld.
Dezen komen tot Hem in het besef dat Hij alleen hun ziel geestelijk goed kan doen. Hoe komen ze? Met uitroepen, gekerm en tranen die over hun wangen lopen, en hartverscheurend gesnik dat uit hun borst opwelt. Ze komen tot Hem en verzoeken Hem dringend om Zijn eigen belofte. Ze komen overdag en ’s nachts tot Hem, als het Hem belieft om deze smeekbeden in hun ziel op te wekken. Ze komen tot Hem met hun ogen op Hem gericht, en al hun begeerte is dat Hij maar bereid zal zijn Zijn glimlach aan hun ziel te schenken, dat Hij bereid is Zijn aanwezigheid te openbaren, Zijn liefde in hun hart uit te storten en hun te verzekeren dat ze Hem eeuwig toebehoren.
Welnu, als u merkt dat dit alles in uw ziel omgaat, hebt u een schriftuurlijk bewijs dat u tot het zaad van Israël behoort, van wie gezegd wordt: „Maar in de HEERE zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad van Israël” (Jes. 45:25).
Lezen: Jeremia 31:1-17
Aan de lezer…
U die tot de Heere komt met een hart vol verwarring, bestookt door gedachten die u aan niemand durft te noemen, en die in uzelf niets vindt dan ellende en narigheid, meen niet dat u daarom niet tot Hem kunt komen. Zo komen Gods kinderen: met gekerm en tranen, met de zonde die in hen werkt, omdat Hij hun enige hoop en hun enige toevlucht is.
Blijf dan komen, bij dag en bij nacht, en houd Hem Zijn eigen belofte voor. Eén woord uit Zijn mond, „Vrees niet, want Ik heb u verlost”, kan in één tel het kromme recht maken. En merkt u dat dit hongeren, dit roepen en dit uitzien naar Zijn glimlach in uw ziel omgaat? Dan hebt u een schriftuurlijk bewijs dat u behoort tot het zaad van Israël, dat in de HEERE gerechtvaardigd zal worden en zich in Hem zal beroemen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Gods kinderen komen tot Hem omdat Hij hun enige hoop is, de enige toevlucht voor hun schuldige, met zonden beladen ziel. Ze komen ook zwaar aangevochten tot Hem, terwijl ze de kracht van de zonde voortdurend in zich voelen werken. Ze komen met het besef van een overvloed aan zonde in hun vleselijke geest, van de laagste begeerten en de smerigste verdorvenheden. Ze komen terwijl satan hun vleselijke geest met godslasteringen bestookt; met allerlei zondige gedachten tegen God en godvruchtigheid; met allerlei verachtelijke wensen; met een hart en geest die soms vol verwarring zijn; met in zichzelf niets anders dan ellende en narigheid. Maar toch komen ze, en als het de Heere behaagt het hun te tonen, zien en ervaren ze de geschiktheid, de heerlijkheid, de louterende, verheerlijkende en scheppende genade in de Heere Jezus Christus.
Ze voelen het: als Hij hen maar wil ontvangen, naar hun ziel wil kijken en glimlachen, als Hij hun maar een bemoedigend woord wil toefluisteren, zoals: „Vrees niet, want Ik heb u liefgehad”, of: „Vrees niet, want Ik heb u verlost” (Jes. 43:1), dan wordt in één tel alles wat krom is recht, en al wat hobbelig is wordt een vallei. Hun hart verblijdt zich in Hem met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Ze komen niet alleen omdat de nood hen dwingt, niet alleen met een zware last van schuld; ze komen en zien in Hem onuitsprekelijke rijkdommen, die precies op al hun behoeften zijn afgestemd. Hun ogen worden door de Geest van God verlicht, en ze zien in Hem een onuitsprekelijke schoonheid en geschiktheid, die ze niet kunnen beschrijven, maar die toch op elke plek in hun hart wordt gevoeld.
Zij komen tot Hem in het besef dat alleen Hij hun ziel geestelijk goed kan doen. Hoe komen ze? Met uitroepen, gekerm en tranen die over hun wangen lopen, en met hartverscheurend gesnik dat uit hun borst opwelt. Ze komen tot Hem en houden Hem dringend Zijn eigen belofte voor. Ze komen dag en nacht tot Hem, als het Hem behaagt deze smeekbeden in hun ziel op te wekken. Ze komen tot Hem met hun ogen op Hem gericht, en al hun begeerte is dat Hij maar bereid zal zijn Zijn glimlach aan hun ziel te schenken, Zijn aanwezigheid te openbaren, Zijn liefde in hun hart uit te storten en hun te verzekeren dat ze voor eeuwig van Hem zijn.
Welnu, als u merkt dat dit alles in uw ziel omgaat, hebt u een schriftuurlijk bewijs dat u behoort tot het zaad van Israël, van wie gezegd wordt: „Maar in de HEERE zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad van Israël” (Jes. 45:25).
Lezen: Jeremia 31:1-17
Aan de lezer…
U die tot de Heere komt met een hart vol verwarring, bestookt door gedachten die u aan niemand durft te noemen, en die in uzelf niets vindt dan ellende en narigheid: denk niet dat u daarom niet tot Hem kunt komen. Zo komen Gods kinderen: met gekerm en tranen, met de zonde die in hen werkt, omdat Hij hun enige hoop en hun enige toevlucht is.
Blijf dan komen, dag en nacht, en houd Hem Zijn eigen belofte voor. Eén woord uit Zijn mond, „Vrees niet, want Ik heb u verlost”, kan in één tel het kromme recht maken. En merkt u dat dit hongeren, dit roepen en dit uitzien naar Zijn glimlach in uw ziel omgaat? Dan hebt u een schriftuurlijk bewijs dat u behoort tot het zaad van Israël, dat in de HEERE gerechtvaardigd zal worden en zich in Hem zal beroemen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Surely, shall one say, in the LORD have I righteousness and strength: even to Him shall men come.
Isaiah 45:24
God’s children come to Him because He is their only hope, the only refuge for their guilty, sin-laden souls. They come to Him, too, sorely tempted, while they feel the power of sin continually working within them. They come with a sense of an abundance of sin in their carnal mind, of the basest lusts and the vilest corruptions. They come while Satan assails their carnal mind with blasphemies; with all manner of sinful thoughts against God and godliness; with all manner of vile desires; with a heart and mind sometimes full of confusion; with nothing in themselves but misery and wretchedness. But still they come, and when it pleases the Lord to show it to them, they see and feel the suitability, the glory, the purifying, glorifying and creating grace that is in the Lord Jesus Christ.
They feel it: if He will but receive them, look upon their souls and smile, if He will but whisper to them an encouraging word, such as, “Fear not, for I have loved thee,” or, “Fear not: for I have redeemed thee” (Isa. 43:1), then in a moment all that is crooked is made straight, and all that is rough becomes a valley. Their hearts rejoice in Him with joy unspeakable and full of glory. They do not come only because necessity compels them, not only with a heavy load of guilt; they come and see in Him unsearchable riches, exactly suited to all their wants. Their eyes are enlightened by the Spirit of God, and they see in Him an inexpressible beauty and suitability, which they cannot describe, but which is nevertheless felt in every corner of their hearts.
They come to Him feeling that He alone can do their souls spiritual good. How do they come? With cries, groans and tears running down their cheeks, and with heart-rending sobs welling up from their bosoms. They come to Him and urgently plead with Him His own promise. They come to Him day and night, as it pleases Him to stir up these supplications in their souls. They come to Him with their eyes fixed upon Him, and all their desire is that He would but be willing to give His smile to their souls, to manifest His presence, to shed abroad His love in their hearts and to assure them that they are His for ever.
Now if you find all this going on in your soul, you have a scriptural evidence that you belong to the seed of Israel, of whom it is said, “In the LORD shall all the seed of Israel be justified, and shall glory” (Isa. 45:25).
Reading: Jeremiah 31:1-17
To the reader…
You who come to the Lord with a heart full of confusion, assailed by thoughts you dare not name to anyone, and who find nothing in yourself but misery and wretchedness: do not think that for this reason you cannot come to Him. This is how God’s children come: with groans and tears, with sin working within them, because He is their only hope and their only refuge.
Keep coming, then, day and night, and plead with Him His own promise. One word from His mouth, “Fear not: for I have redeemed thee,” can in a moment make the crooked straight. And do you find this hungering, this crying and this looking for His smile going on in your soul? Then you have a scriptural evidence that you belong to the seed of Israel, which shall be justified in the LORD and shall glory in Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y diráse de Mí: Ciertamente en Jehová está la justicia y la fuerza: a Él vendrán.
Isaías 45:24
Los hijos de Dios vienen a Él porque Él es su única esperanza, el único refugio para sus almas culpables y cargadas de pecado. Vienen a Él, además, duramente tentados, mientras sienten el poder del pecado obrando continuamente dentro de ellos. Vienen con el sentimiento de una abundancia de pecado en su mente carnal, de las más bajas concupiscencias y de las más viles corrupciones. Vienen mientras Satanás asalta su mente carnal con blasfemias; con toda clase de pensamientos pecaminosos contra Dios y la piedad; con toda clase de deseos viles; con un corazón y una mente a veces llenos de confusión; sin nada en sí mismos sino miseria y desdicha. Pero aun así vienen, y cuando al Señor le place mostrárselo, ven y sienten la idoneidad, la gloria, la gracia purificadora, glorificadora y creadora que hay en el Señor Jesucristo.
Lo sienten: si Él tan solo los recibe, mira sus almas y sonríe, si tan solo les susurra una palabra de aliento, como: “No temas, porque te he amado”, o: “No temas, porque Yo te redimí” (Isaías 43:1), entonces en un momento todo lo torcido se endereza, y todo lo áspero se allana. Sus corazones se alegran en Él con gozo inefable y glorificado. No vienen solo porque la necesidad los obliga, ni solo con una pesada carga de culpa; vienen y ven en Él riquezas inescrutables, exactamente adecuadas a todas sus necesidades. Sus ojos son alumbrados por el Espíritu de Dios, y ven en Él una hermosura e idoneidad inexpresables, que no pueden describir, pero que sin embargo se sienten en cada rincón de sus corazones.
Vienen a Él sintiendo que solo Él puede hacer bien espiritual a sus almas. ¿Cómo vienen? Con clamores, gemidos y lágrimas que corren por sus mejillas, y con sollozos desgarradores que brotan de sus pechos. Vienen a Él y le presentan con urgencia Su propia promesa. Vienen a Él día y noche, según a Él le place despertar estas súplicas en sus almas. Vienen a Él con los ojos puestos en Él, y todo su deseo es que Él quiera tan solo dar Su sonrisa a sus almas, manifestar Su presencia, derramar Su amor en sus corazones y asegurarles que son Suyos para siempre.
Ahora bien, si halla todo esto sucediendo en su alma, tiene una evidencia bíblica de que pertenece a la simiente de Israel, de la cual se dice: “En Jehová será justificada y se gloriará toda la generación de Israel” (Isaías 45:25).
Lectura: Jeremías 31:1-17
Al lector…
Usted que viene al Señor con un corazón lleno de confusión, asaltado por pensamientos que no se atreve a nombrar a nadie, y que no halla en sí mismo nada sino miseria y desdicha: no piense que por eso no puede venir a Él. Así es como vienen los hijos de Dios: con gemidos y lágrimas, con el pecado obrando dentro de ellos, porque Él es su única esperanza y su único refugio.
Siga viniendo, pues, día y noche, y preséntele Su propia promesa. Una sola palabra de Su boca, “No temas, porque Yo te redimí”, puede en un momento enderezar lo torcido. ¿Y halla que esta hambre, este clamor y este buscar Su sonrisa suceden en su alma? Entonces tiene una evidencia bíblica de que pertenece a la simiente de Israel, que será justificada en Jehová y se gloriará en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Die in de Zoon Gods gelooft, heeft het getuigenis in zichzelf.
1 Johannes 5:10
De grote zaak die in iemands gemoed tot klaarheid moet zijn gebracht, is of hij deel heeft aan Christus of niet; en dit is het grote vraagstuk dat niemand dan de Heere Zelf kan oplossen. Gelukzalig is hij die het getuigenis in zichzelf heeft, en dit kan hij slechts hebben wanneer hij gelooft in de Zoon van God, gelijk Johannes spreekt: „Die in de Zoon Gods gelooft, heeft het getuigenis in zichzelf.” Dit is het inwendige getuigenis van de Geest, gelijk ook de apostel verklaart: „De Geest Zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.”
Wat getuigenis hebt gij ooit in uw ziel gehad dat gij een kind van God zijt? Of indien gij dit bijzonder getuigenis niet hadt, welke tekenen ten goede heeft de Heere u dan gegeven? Kunt gij u niet iets te binnen brengen wat de Heere voor u gedaan heeft in verleden dagen, toen Hij u enige belofte toepaste, een bewijs gaf van Zijn tegenwoordigheid, een blijkje van Zijn liefde, een zachte aanraking van Zijn genadige hand, hetwelk u in het stof deed buigen en een zoete vrede en verzekering in uw ziel met zich bracht? Het moge niet lang geduurd hebben, of ook niet zeer diep geweest zijn, maar het was, toen gij het beleefdet, een bewijs dat gij Christus toebehoordet.
Gij kunt u de tijd en de omstandigheden wel te binnen brengen, de duisternis, de ellende en dienstbaarheid die voorafgingen, en de zoete vrijheid die gij toen genoot; evenwel zijt gij niet voldaan. Gij hebt behoefte dat de Heere andermaal verschijnt; het is nodig dat Hij u bij vernieuwing toelacht, dat gij een woordje, een nieuwe blik, een nieuwe belofte, een ander bewijs van Zijn gunst ontvangt; en waar dit uitblijft, brengt het uw ziel dikwijls in twijfel en vrees.
Nu, dit is het pad waarin de meesten van Gods kinderen wandelen. Ik wil niet zeggen allen, omdat sommigen meer begunstigd worden met een bijblijvend getuigenis, ofschoon ook dezen grote inzinkingen en zware beproevingen kunnen hebben. Maar de meesten hebben een veelbewogen leven. Zo worden zij soms verrast met een toeknik, en dan weer worden zij overvallen met zulk een duisternis des geestes dat zij nauwelijks een enkel bewijs kunnen vaststellen. Dan schijnt de zon weer eens, doch de duisternis valt weer spoedig in en zij zinken bij vernieuwing in twijfel, schuld en vrees terneder.
Doch daarop verschijnt de Heere bij vernieuwing, en zij beminnen en hopen en verheugen zich wederom. En zo gaan zij voort; het toneel verandert menigmaal, evenals een dag in de maand april. Zo gaan zij zachtkens voort, totdat zij komen waar de tijd wordt afgesloten en de Heere gewoonlijk verschijnt, waarin Hij al hun twijfelingen en vrees en duisternis wegneemt en hun een gezegende ontvangst in Zijn boezem bereidt, alwaar zij eeuwig vrede en rust genieten zullen.
Aan de lezer…
Wanneer uw weg is als een dag in april, nu eens zonneschijn en dan weer duisternis, is dit woord voor u. Hebt u eens een zoete aanraking van Zijn genadige hand gevoeld, en zinkt u nu toch weer weg in twijfel, schuld en vrees? Verwerp dan niet wat de Heere eens aan u deed. Het moge kort geduurd hebben, het was toch een blijkje van Zijn liefde.
Dat u niet voldaan bent met een herinnering, maar uitziet naar een nieuwe blik en een nieuw woord, is geen teken van verwerping. Het is het pad waarin de meesten van Gods kinderen wandelen. Vraag dan dat de Heere andermaal verschijne en u bij vernieuwing toelache, en zie op de Zoon Gods; die in Hem gelooft, heeft het getuigenis in zichzelf. Eens zal Hij alle twijfel en duisternis wegnemen, en zult u eeuwig rust genieten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die in de Zoon Gods gelooft, heeft het getuigenis in zichzelf.
1 Johannes 5:10
De grote zaak die iemand voor zichzelf helder moet krijgen, is of hij deel heeft aan Christus of niet; en dat is de grote vraag die niemand dan de Heere Zelf kan beantwoorden. Gelukkig is hij die het getuigenis in zichzelf heeft, en dat kan hij alleen hebben wanneer hij gelooft in de Zoon van God, zoals Johannes zegt: „Die in de Zoon Gods gelooft, heeft het getuigenis in zichzelf.” Dit is het inwendige getuigenis van de Geest, zoals ook de apostel verklaart: „De Geest Zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.”
Welk getuigenis hebt u ooit in uw ziel gehad dat u een kind van God bent? Of als u dit bijzondere getuigenis niet had, welke goede tekenen heeft de Heere u dan gegeven? Kunt u zich niet iets herinneren wat de Heere in vroegere dagen voor u gedaan heeft, toen Hij u een belofte toepaste, u een bewijs gaf van Zijn tegenwoordigheid, een blijk van Zijn liefde, een zachte aanraking van Zijn genadige hand, die u in het stof deed buigen en een zoete vrede en zekerheid in uw ziel bracht? Het mag niet lang geduurd hebben of niet zo diep gegaan zijn, maar toen u het beleefde, was het een bewijs dat u Christus toebehoorde.
U kunt u de tijd en de omstandigheden wel herinneren, de duisternis, de ellende en de dienstbaarheid die eraan voorafgingen, en de zoete vrijheid die u toen genoot; toch bent u niet voldaan. U hebt er behoefte aan dat de Heere opnieuw verschijnt; het is nodig dat Hij u opnieuw toelacht, dat u een woordje, een nieuwe blik, een nieuwe belofte, een ander bewijs van Zijn gunst ontvangt. En waar dat uitblijft, brengt het uw ziel vaak in twijfel en vrees.
Dit is nu het pad waarop de meeste kinderen van God gaan. Ik zeg niet allemaal, want sommigen worden meer begunstigd met een blijvend getuigenis, al kunnen ook zij grote inzinkingen en zware beproevingen hebben. Maar de meesten hebben een veelbewogen leven. Soms worden zij verrast met een vriendelijke wenk, en dan weer worden zij overvallen door zo’n duisternis van geest dat zij nauwelijks één enkel bewijs kunnen vasthouden. Dan schijnt de zon weer eens, maar al snel valt de duisternis opnieuw in en zinken zij weer weg in twijfel, schuld en vrees.
Maar daarna verschijnt de Heere opnieuw, en zij hebben weer lief, hopen weer en verheugen zich weer. En zo gaan zij verder; het toneel verandert vaak, net als op een dag in april. Zo gaan zij rustig verder, totdat zij komen waar de tijd wordt afgesloten en de Heere gewoonlijk verschijnt. Dan neemt Hij al hun twijfels, vrees en duisternis weg en bereidt Hij hun een gezegende ontvangst in Zijn boezem, waar zij eeuwig vrede en rust zullen genieten.
Aan de lezer…
Wanneer uw weg is als een dag in april, nu eens zonneschijn en dan weer duisternis, is dit woord voor u. Hebt u eens een zoete aanraking van Zijn genadige hand gevoeld, en zinkt u nu toch weer weg in twijfel, schuld en vrees? Verwerp dan niet wat de Heere eens aan u deed. Het mag kort geduurd hebben, het was toch een blijk van Zijn liefde.
Dat u niet tevreden bent met een herinnering, maar uitziet naar een nieuwe blik en een nieuw woord, is geen teken van verwerping. Het is het pad waarop de meeste kinderen van God gaan. Vraag dan of de Heere opnieuw wil verschijnen en u opnieuw wil toelachen, en zie op de Zoon van God; wie in Hem gelooft, heeft het getuigenis in zichzelf. Eens zal Hij alle twijfel en duisternis wegnemen, en zult u eeuwig rust genieten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“He that believeth on the Son of God hath the witness in himself.”
1 John 5:10
The grand point to have decided in a man’s bosom is, whether he is Christ’s or not; and this is a problem which none but the Lord Himself can solve. Blessed is he who has the witness in himself; and this he can only have by believing on the Son of God, as John speaks, “He who believes on the Son of God has the witness in himself.” This is the internal witness of the Spirit, as the Apostle declares, “The Spirit Himself bears witness with our spirit, that we are the children of God.”
What witness have you ever had in your bosom that you are a child of God? Or if you have not had this special witness, what marks or evidences, what tokens for good has the Lord bestowed upon you? Can you not remember something that the Lord has done for you in times past, some promise applied, some manifestation of His presence, some look of love, some softening touch of His gracious hand, which melted you into the dust, and brought sweet peace and assurance with it? It might not last long, or be very deep, but it was an evidence when felt that you belonged to Christ.
You remember the time and the circumstances, the darkness, distress and bondage before, and the deliverance into sweet liberty then enjoyed; but still you are dissatisfied. You want the Lord once more to appear; you want another smile, another word, another look, another promise, another testimony, and without it your soul often sinks down into doubt and fear.
Now this is the path in which most of God’s saints walk; I will not say all, because some are more favored with an abiding testimony, though even they have great sinkings and heavy trials. But with most it is a very chequered path. Thus, sometimes they are indulged with a smile, and then such darkness of mind falls upon them that they can scarcely see a single evidence. Then the sun shines again; but darkness once more covers the scene, and down they sink again into doubt, guilt, and fear.
Then the Lord appears again, and then they love, and hope, and rejoice again; and so they go on, the scene ever changing, like an April day. Still on they go until they come at last to the closing scene, when the Lord usually appears, scatters all their doubts and fears and darkness, and gives them a blessed dismissal into His own bosom of eternal rest and peace.
To the reader…
When your path is like an April day, now sunshine and then darkness again, this word is for you. Did you once feel a sweet touch of His gracious hand, and do you nevertheless sink away again into doubt, guilt and fear? Then do not throw away what the Lord once did for you. It may have lasted only a short while, yet it was a token of His love.
That you are not satisfied with a memory, but long for a new look and a new word, is no sign of rejection. It is the path in which most of the children of God walk. Ask, then, whether the Lord will appear again and smile on you again, and look to the Son of God; whoever believes on Him has the witness in himself. One day He will take away all doubt and darkness, and you will enjoy rest forever.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“El que cree en el Hijo de Dios, tiene el testimonio en sí mismo.”
1 Juan 5:10
El gran asunto que ha de quedar decidido en el pecho de un hombre es si es de Cristo o no; y este es un problema que nadie sino el Señor mismo puede resolver. Bienaventurado el que tiene el testimonio en sí mismo; y esto solo puede tenerlo creyendo en el Hijo de Dios, como dice Juan: “El que cree en el Hijo de Dios, tiene el testimonio en sí mismo.” Este es el testimonio interior del Espíritu, como declara el Apóstol: “Porque el mismo Espíritu da testimonio a nuestro espíritu que somos hijos de Dios.”
¿Qué testimonio ha tenido usted jamás en su pecho de que es hijo de Dios? O, si no ha tenido este testimonio especial, ¿qué marcas o evidencias, qué señales para bien le ha concedido el Señor? ¿No puede recordar algo que el Señor hizo por usted en tiempos pasados, alguna promesa aplicada, alguna manifestación de Su presencia, alguna mirada de amor, algún toque enternecedor de Su mano llena de gracia, que le derritió hasta el polvo y trajo consigo dulce paz y seguridad? Quizá no duró mucho, o no fue muy profundo, pero mientras se sintió fue una evidencia de que usted pertenecía a Cristo.
Usted recuerda el tiempo y las circunstancias, las tinieblas, la angustia y la servidumbre de antes, y la liberación a la dulce libertad que entonces disfrutó; pero aun así está insatisfecho. Quiere que el Señor aparezca una vez más; quiere otra sonrisa, otra palabra, otra mirada, otra promesa, otro testimonio, y sin ello su alma se hunde a menudo en la duda y el temor.
Ahora bien, este es el camino por el que anda la mayoría de los santos de Dios; no diré todos, porque algunos son más favorecidos con un testimonio permanente, aunque aun ellos tienen grandes decaimientos y pesadas pruebas. Pero para la mayoría es un camino muy variado. Así, a veces se les concede una sonrisa, y luego cae sobre su mente tal oscuridad que apenas pueden ver una sola evidencia. Después el sol vuelve a brillar; pero las tinieblas cubren otra vez la escena, y de nuevo se hunden en la duda, la culpa y el temor.
Luego el Señor aparece de nuevo, y entonces vuelven a amar, a esperar y a regocijarse; y así siguen, con la escena siempre cambiante, como un día de abril. Aun así prosiguen hasta que llegan por fin a la escena final, cuando el Señor suele aparecer, disipa todas sus dudas, temores y tinieblas, y les da una bendita despedida hacia Su propio seno de eterno descanso y paz.
Al lector…
Cuando su camino es como un día de abril, ahora sol y luego otra vez tinieblas, esta palabra es para usted. ¿Sintió una vez un dulce toque de Su mano llena de gracia, y aun así vuelve a hundirse en la duda, la culpa y el temor? Entonces no deseche lo que el Señor hizo una vez por usted. Quizá duró solo un breve tiempo, pero fue una señal de Su amor.
Que no se contente con un recuerdo, sino que anhele una nueva mirada y una nueva palabra, no es señal de rechazo. Es el camino por el que anda la mayoría de los hijos de Dios. Pida, pues, que el Señor aparezca de nuevo y le sonría otra vez, y mire al Hijo de Dios; el que cree en Él tiene el testimonio en sí mismo. Un día Él quitará toda duda y oscuridad, y usted gozará de descanso para siempre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl