6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Daarom, alzo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
Hebreeën 12:28
Genade is de grondslag van het onbeweeglijk koninkrijk. Het is alles genade, van het begin tot het einde. Door genade worden wij behouden; door genade worden wij geroepen; door genade zijn wij wat wij zijn. Om dus ons deelgenootschap aan het onbeweeglijk koninkrijk te handhaven, moeten wij de genade vasthouden; want zodra wij ophouden dit te doen, verliezen wij onze troostrijke vooruitzichten op, en ons deelgenootschap aan, dit koninkrijk en zijn hemelse zegeningen. Het is een koninkrijk van tegenwoordige genade en toekomende heerlijkheid, daarom geheel gebouwd op genade en niet op verdienste; geheel op de gunst van God en niet op de werken van het schepsel. Zolang wij dus de genade vasthouden, houden wij het koninkrijk vast; want het koninkrijk is op genade gegrondvest.
Maar waartoe zou deze vermaning nodig zijn? Is het niet zeer gemakkelijk de genade vast te houden? Ja, zeer gemakkelijk, wanneer er niets is om het te beproeven; en dat is het middel waardoor zij vastgehouden wordt: in het hoofd, niet in het hart. Maar de ware deelgenoten van het leven Gods worden overal in verzoeking gebracht om het vasthouden der genade te laten varen: door de macht der wereld, de kracht der zonde, de sluwheid van haar onvermoeide tegenstanders, en door ongeloof, ontrouw en moedeloosheid van het boze hart. Dus worden wij somtijds in verzoeking gebracht het onbeweeglijk koninkrijk de rug toe te keren en tot lagere dingen af te dalen; om óf op die aarde te staan, die onder onze voeten is, óf in die hemel, die Farizese hemel, die boven ons hoofd is bewogen en daardoor verloren is gegaan onder de overblijfselen dier dingen die beweeglijk zijn.
Daarom vermaant ons de apostel die genade vast te houden waardoor wij het eerst deel krijgen aan het onbeweeglijk koninkrijk, waardoor wij tot de kennis en het bezit ervan worden gebracht en waardoor wij het alleen tot aan het einde kunnen vasthouden. Wat gij dan ook doen moogt, hoe laag gij moogt zinken en vallen, laat nimmer de genade los. Zij is nooit kostelijker dan wanneer zij vastgehouden wordt door een stervende hand en omvat door een stervende ademtocht.
Ps. 66:10
Aan de lezer…
Wordt u van alle kanten bestookt om de genade los te laten? Trekt de wereld aan u, drukt de zonde u neer, fluistert het ongeloof dat het toch alles tevergeefs is? Wees niet verwonderd. Een genade die alleen in het hoofd zit, laat zich gemakkelijk vasthouden, want niets beproeft haar. Maar waar de genade in het hart leeft, daar komt de strijd, en juist daarom roept de apostel ons toe: „Laat ons de genade vasthouden.”
Het koninkrijk is van het begin tot het einde op genade gegrondvest, niet op uw verdienste. Daarom mag u zich, juist wanneer u laag zinkt en valt, aan niets anders vastklemmen dan aan die vrije gunst van God. Laat haar nimmer los. Wat beweeglijk is, zal voorbijgaan, maar dit koninkrijk kan niet bewogen worden, en de genade is nooit kostelijker dan wanneer zij vastgehouden wordt door een stervende hand.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarom, alzo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
Hebreeën 12:28
Genade is de grondslag van het onbeweeglijk koninkrijk. Het is allemaal genade, van het begin tot het einde. Door genade worden wij behouden, door genade worden wij geroepen, door genade zijn wij wat wij zijn. Om ons deel aan het onbeweeglijk koninkrijk te bewaren, moeten wij dus de genade vasthouden. Want zodra wij daarmee ophouden, verliezen wij onze troostrijke vooruitzichten op dit koninkrijk en onze deelname aan dit koninkrijk en zijn hemelse zegeningen. Het is een koninkrijk van genade nu en heerlijkheid straks, en daarom helemaal gebouwd op genade en niet op verdienste, helemaal op de gunst van God en niet op de werken van het schepsel. Zolang wij de genade vasthouden, houden wij dus het koninkrijk vast, want het koninkrijk is op genade gegrondvest.
Maar waarom zou deze vermaning nodig zijn? Is het niet heel gemakkelijk om de genade vast te houden? Ja, heel gemakkelijk, wanneer er niets is wat haar op de proef stelt; en zo wordt zij dan ook vastgehouden: in het hoofd, niet in het hart. Maar wie werkelijk deel heeft aan het leven van God, wordt van alle kanten verzocht om de greep op de genade los te laten. Dat gebeurt door de macht van de wereld, de kracht van de zonde, de sluwheid van haar onvermoeide tegenstanders, en door het ongeloof, de ontrouw en de moedeloosheid van het boze hart.
Zo worden wij soms verzocht om het onbeweeglijk koninkrijk de rug toe te keren en af te dalen naar lagere dingen. Dan willen wij óf staan op de aarde die onder onze voeten is, óf in die hemel, die Farizese hemel, die boven ons hoofd bewogen is en daardoor verloren is gegaan tussen de overblijfselen van de dingen die beweeglijk zijn.
Daarom vermaant de apostel ons die genade vast te houden waardoor wij eerst deel krijgen aan het onbeweeglijk koninkrijk, waardoor wij tot de kennis en het bezit ervan gebracht worden, en waardoor alleen wij het tot het einde toe kunnen vasthouden. Wat u ook doet, hoe diep u ook zinkt en valt, laat de genade nooit los. Zij is nooit kostbaarder dan wanneer zij vastgehouden wordt door een stervende hand en omklemd wordt met een stervende adem.
Ps. 66:10
Aan de lezer…
Wordt u van alle kanten bestookt om de genade los te laten? Trekt de wereld aan u, drukt de zonde u neer, fluistert het ongeloof dat het toch allemaal tevergeefs is? Wees daar niet verwonderd over. Een genade die alleen in het hoofd zit, laat zich gemakkelijk vasthouden, want niets stelt haar op de proef. Maar waar de genade in het hart leeft, daar komt de strijd, en juist daarom roept de apostel ons toe: „Laat ons de genade vasthouden.”
Het koninkrijk is van het begin tot het einde op genade gegrondvest, niet op uw verdienste. Daarom mag u zich, juist wanneer u diep zinkt en valt, aan niets anders vastklemmen dan aan die vrije gunst van God. Laat haar nooit los. Wat beweeglijk is, zal voorbijgaan, maar dit koninkrijk kan niet bewogen worden, en de genade is nooit kostbaarder dan wanneer zij vastgehouden wordt door een stervende hand.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore we receiving a kingdom which cannot be moved, let us have grace, whereby we may serve God acceptably with reverence and godly fear.
Hebrews 12:28
Grace is the very foundation of the kingdom which cannot be moved. It is all of grace, from first to last. By grace we are saved; by grace we are called; by grace we are what we are. In order, therefore, to maintain our interest clear in the kingdom which cannot be shaken, we must hold grace fast; for as soon we cease to do this, we lose our comfortable prospects of this kingdom, and of our own participation in it and its heavenly blessings. It is a kingdom of present grace and of future glory, therefore built wholly upon grace and not upon merit; wholly upon the favor of God and not upon the works of the creature. As long, then, as we hold fast grace, we hold the kingdom; for the kingdom stands in grace.
But why should this exhortation be needed? Is it not very easy to hold fast grace? Yes, very, when there is nothing to test it; and that is the way that most hold it—in the head, not in the heart. But the real partakers of the life of God are tempted on every hand to renounce their hold of grace, through the power of the world, the strength of sin, the subtlety of their unwearied adversary, the unbelief, infidelity, and despondency of their wretched heart. Thus sometimes we are tempted to look away from the kingdom which cannot be shaken, and descend to lower things; to stand either upon that earth which has been shaken under our feet, or that heaven, that Pharisee’s heaven which has been shaken over our heads, and thus get lost and bewildered among the wreck and ruin of those things which have been shaken and are removed.
The Apostle therefore exhorts us to hold fast that grace whereby in the first instance we came to have a saving interest in the kingdom not to be shaken; whereby we were introduced into an experimental knowledge and possession of it; and whereby alone we can maintain a firm hold of it to the end. Whatever you do, then, however low you may sink and fall, never relinquish your firm hold of grace. It will never be more precious than when clasped by a dying hand, and clung to with expiring breath.
To the reader…
Are you assailed on every side to let go of grace? Does the world pull at you, does sin weigh you down, does unbelief whisper that it is all in vain after all? Do not be surprised at that. A grace that lives only in the head is easy to hold, for nothing puts it to the test. But where grace lives in the heart, there the conflict comes, and that is precisely why the apostle calls to us, “Let us have grace.”
The kingdom is founded on grace from first to last, not on your merit. That is why, just when you sink low and fall, you may cling to nothing else but that free favour of God. Never let it go. What can be shaken will pass away, but this kingdom cannot be moved, and grace is never more precious than when it is clasped by a dying hand.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así que, tomando el reino inmóvil, vamos, tengamos gracia, por la cual sirvamos a Dios agradándole con temor y reverencia.
Hebreos 12:28
La gracia es el mismo fundamento del reino inmóvil. Todo es por gracia, de principio a fin. Por gracia somos salvos; por gracia somos llamados; por gracia somos lo que somos. Por tanto, para mantener clara nuestra parte en el reino que no puede ser conmovido, tenemos que retener firmemente la gracia; porque tan pronto como dejamos de hacerlo, perdemos nuestras consoladoras perspectivas de este reino y de nuestra propia participación en él y en sus bendiciones celestiales. Es un reino de gracia presente y de gloria futura, edificado por tanto enteramente sobre la gracia y no sobre el mérito; enteramente sobre el favor de Dios y no sobre las obras de la criatura. Mientras retengamos, pues, la gracia, retenemos el reino; porque el reino consiste en la gracia.
Pero ¿por qué habría de necesitarse esta exhortación? ¿No es muy fácil retener la gracia? Sí, muy fácil, cuando no hay nada que la pruebe; y así es como la mayoría la retiene: en la cabeza, no en el corazón. Pero los verdaderos participantes de la vida de Dios son tentados por todas partes a soltar la gracia, por el poder del mundo, la fuerza del pecado, la astucia de su incansable adversario, y la incredulidad, la infidelidad y el abatimiento de su miserable corazón. Así, a veces somos tentados a apartar la vista del reino que no puede ser conmovido y a descender a cosas más bajas; a apoyarnos, o bien en esa tierra que ha sido conmovida bajo nuestros pies, o bien en ese cielo, ese cielo de fariseo, que ha sido conmovido sobre nuestras cabezas; y así quedar perdidos y desconcertados entre los escombros y la ruina de aquellas cosas que han sido conmovidas y son quitadas.
Por eso el apóstol nos exhorta a retener firmemente esa gracia por la cual, en primer lugar, llegamos a tener una parte salvadora en el reino que no puede ser conmovido; por la cual fuimos introducidos en un conocimiento experimental y en la posesión de él; y por la cual solamente podemos mantenernos firmemente asidos a él hasta el fin. Haga lo que haga, pues, por bajo que se hunda y caiga, nunca suelte su firme asidero de la gracia. Nunca será más preciosa que cuando la aprieta una mano moribunda y se aferra a ella el último aliento.
Al lector…
¿Es usted asaltado por todas partes para que suelte la gracia? ¿Tira de usted el mundo, le abate el pecado, le susurra la incredulidad que al fin y al cabo todo es en vano? No se extrañe de ello. Una gracia que solo vive en la cabeza es fácil de retener, porque nada la pone a prueba. Pero donde la gracia vive en el corazón, allí viene la lucha, y precisamente por eso el apóstol nos llama: “Tengamos gracia”.
El reino está fundado sobre la gracia de principio a fin, no sobre su mérito. Por eso, justamente cuando usted se hunde y cae, puede aferrarse a nada más que a ese libre favor de Dios. Nunca lo suelte. Lo que puede ser conmovido pasará, pero este reino es inmóvil, y la gracia nunca es más preciosa que cuando la aprieta una mano moribunda.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.
1 Johannes 3:23
De Heere beveelt ons te geloven in de Naam van Zijn geliefde Zoon, zoals de apostel Johannes schrijft. Maar we kunnen niet geloven in de Naam van Jezus, net zomin als we een wereld kunnen scheppen, tot God het mogelijk maakt. Geloven in Jezus! Hem ontvangen door het dierbaar geloof in mijn hart! De werkzaamheid van Zijn verzoenend bloed in mijn geweten ervaren! Mijn ziel in de heerlijke vreugde van Zijn sterfelijke liefde baden! Doe ik dit? Voordat ik dit zelf kan doen, moet ik kunnen zeggen: „Er zij licht”, en er wordt licht.
Maar als de Heere door Zijn genade en Geest het hart verruimt; als Hij Zijn dauw, zalf en geur in mijn ziel laat druppen; als Hij dichter bij mijn ziel komt en haar dichter bij Hem doet komen; als de gezegende Zon der gerechtigheid door de donkere wolk heen schijnt en de koude, donkere ziel verwarmt, dan kan zij net zomin niet in Hem geloven als ze voordien wél in Hem kon geloven. We kunnen net zomin weigeren te geloven als het geloof in het hart geschonken wordt, als we wél kunnen geloven voordat het geloof wordt geschonken. Als God het hart verruimt en liefdevolle gevoelens opwekt, dan lopen we de weg van Zijn gebod.
We geloven niet uit plicht; we geloven niet uit bevel; noch geloven we zelfs als voorrecht. Maar we geloven als een zegening. We geloven zoals we een voorwerp met onze ogen zien. Dus als het geloof de ogen opent, ziet de ziel Jezus; zij kan niet anders dan Hem zien.
Lezen: 1 Johannes 3:10-24
Aan de lezer…
Herkent u dit? U hebt geworsteld om te geloven, en gemerkt dat het u even onmogelijk was als een wereld te scheppen. Hebt u uzelf het geloof bevolen als een plicht, en bleef het hart koud en donker? Wees dan niet verbaasd en wanhoop niet. Het geloof is geen werk van onze hand, maar een gave Gods; voordat Hij spreekt: „Er zij licht”, is er geen licht.
Maar laat de Heere door Zijn genade en Geest uw hart verruimen, laat de Zon der gerechtigheid door de donkere wolk heen schijnen, en u zult niet anders kunnen dan in Hem geloven. Dan ziet de ziel Jezus, zoals het oog een voorwerp ziet, en zij kan niet anders dan Hem zien. Zoek het daarom niet in uzelf, maar zucht tot Hem, Die het licht gebiedt, dat Hij Zijn dauw en zalf in uw ziel laat druppen. Dan wordt Zijn gebod geen last, maar een zegening, en loopt u met een ruim hart de weg van Zijn geboden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.
1 Johannes 3:23
De Heere beveelt ons te geloven in de Naam van Zijn geliefde Zoon, zoals de apostel Johannes schrijft. Maar we kunnen niet in de Naam van Jezus geloven, net zomin als we een wereld kunnen scheppen, totdat God het mogelijk maakt. Geloven in Jezus! Hem door het dierbare geloof in mijn hart ontvangen! De werking van Zijn verzoenend bloed in mijn geweten ervaren! Mijn ziel baden in de heerlijke vreugde van Zijn stervende liefde! Doe ik dat? Voordat ik dit uit mijzelf kan doen, moet ik kunnen zeggen: „Er zij licht”, en dan wordt het licht.
Maar wanneer de Heere door Zijn genade en Geest het hart verruimt; wanneer Hij Zijn dauw, zalf en geur in mijn ziel laat druppen; wanneer Hij dichter bij mijn ziel komt en haar dichter bij Hem brengt; wanneer de gezegende Zon der gerechtigheid door de donkere wolk heen schijnt en de koude, donkere ziel verwarmt, dan kan zij net zomin nalaten in Hem te geloven als zij vroeger wél in Hem kon geloven. Wanneer het geloof in het hart geschonken wordt, kunnen we net zomin weigeren te geloven als we wél kunnen geloven voordat het geloof geschonken wordt. Wanneer God het hart verruimt en liefdevolle gevoelens opwekt, dan lopen we de weg van Zijn gebod.
We geloven niet uit plicht; we geloven niet op bevel; we geloven zelfs niet als een voorrecht. Maar we geloven als een zegen. We geloven zoals we met onze ogen een voorwerp zien. Zo ziet de ziel Jezus wanneer het geloof de ogen opent; zij kan niet anders dan Hem zien.
Lezen: 1 Johannes 3:10-24
Aan de lezer…
Herkent u dit? U hebt geworsteld om te geloven en gemerkt dat het voor u even onmogelijk was als een wereld te scheppen. Hebt u uzelf het geloof als een plicht opgelegd, terwijl het hart koud en donker bleef? Wees dan niet verbaasd en wanhoop niet. Het geloof is geen werk van onze hand, maar een gave van God; voordat Hij spreekt: „Er zij licht”, is er geen licht.
Maar wanneer de Heere door Zijn genade en Geest uw hart verruimt en de Zon der gerechtigheid door de donkere wolk heen laat schijnen, zult u niet anders kunnen dan in Hem geloven. Dan ziet de ziel Jezus, zoals het oog een voorwerp ziet, en zij kan niet anders dan Hem zien. Zoek het daarom niet in uzelf, maar zucht tot Hem, Die het licht gebiedt, dat Hij Zijn dauw en zalf in uw ziel laat druppen. Dan wordt Zijn gebod geen last, maar een zegen, en loopt u met een ruim hart de weg van Zijn geboden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And this is His commandment, That we should believe on the name of His Son Jesus Christ, and love one another, as He gave us commandment.
1 John 3:23
The Lord commands us to believe on the name of His beloved Son, as the apostle John writes. But we can no more believe on the name of Jesus than we can create a world, until God makes it possible. To believe in Jesus! To receive Him into my heart by precious faith! To feel the application of His atoning blood to my conscience! To bathe my soul in the blessed joy of His dying love! Do I do that? Before I can do this of myself, I must be able to say, “Let there be light”, and there is light.
But when the Lord by His grace and Spirit enlarges the heart; when He lets His dew, unction and savour drop into my soul; when He comes nearer to my soul and draws it nearer to Him; when the blessed Sun of righteousness shines through the dark cloud and warms the cold, dark soul, then it can no more help believing in Him than it could believe in Him before. When faith is given in the heart, we can no more refuse to believe than we can believe before faith is given. When God enlarges the heart and stirs up loving affections, then we run the way of His commandment.
We do not believe as a duty; we do not believe by command; we do not even believe as a privilege. But we believe as a blessing. We believe as we see an object with our eyes. So the soul sees Jesus when faith opens the eyes; it cannot but see Him.
Reading: 1 John 3:10-24
To the reader…
Do you recognise this? You have struggled to believe and found that it was as impossible for you as to create a world. Have you laid faith upon yourself as a duty, while the heart remained cold and dark? Then do not be surprised and do not despair. Faith is no work of our hand, but a gift of God; until He speaks, “Let there be light”, there is no light.
But when the Lord by His grace and Spirit enlarges your heart and lets the Sun of righteousness shine through the dark cloud, you will not be able to help believing in Him. Then the soul sees Jesus, as the eye sees an object, and it cannot but see Him. Do not look for it in yourself, therefore, but sigh to Him Who commands the light, that He would let His dew and unction drop into your soul. Then His commandment is no burden, but a blessing, and you run the way of His commandments with an enlarged heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y este es Su mandamiento: Que creamos en el nombre de Su Hijo Jesucristo, y nos amemos unos a otros como nos lo ha mandado.
1 Juan 3:23
El Señor nos manda creer en el nombre de Su amado Hijo, como escribe el apóstol Juan. Pero no podemos creer en el nombre de Jesús, como tampoco podemos crear un mundo, hasta que Dios lo hace posible. ¡Creer en Jesús! ¡Recibirle en mi corazón por la fe preciosa! ¡Sentir la aplicación de Su sangre expiatoria a mi conciencia! ¡Bañar mi alma en el bendito gozo de Su amor que murió por mí! ¿Hago yo eso? Antes de poder hacerlo por mí mismo, tendría que poder decir: “Sea la luz”, y fue la luz.
Pero cuando el Señor, por Su gracia y Su Espíritu, ensancha el corazón; cuando deja caer en mi alma Su rocío, Su unción y Su sabor; cuando se acerca más a mi alma y la atrae más hacia Sí; cuando el bendito Sol de justicia brilla a través de la nube oscura y calienta el alma fría y oscura, entonces esta no puede dejar de creer en Él, como antes tampoco podía creer en Él. Cuando la fe es dada en el corazón, no podemos negarnos a creer, como tampoco podemos creer antes de que la fe sea dada. Cuando Dios ensancha el corazón y despierta afectos de amor, entonces corremos por el camino de Su mandamiento.
No creemos como un deber; no creemos por mandato; ni siquiera creemos como un privilegio. Sino que creemos como una bendición. Creemos como vemos un objeto con nuestros ojos. Así el alma ve a Jesús cuando la fe abre los ojos; no puede sino verle.
Lectura: 1 Juan 3:10-24
Al lector…
¿Reconoce usted esto? Ha luchado por creer y ha hallado que le era tan imposible como crear un mundo. ¿Se ha impuesto la fe como un deber, mientras el corazón seguía frío y oscuro? Entonces no se sorprenda ni se desespere. La fe no es obra de nuestra mano, sino un don de Dios; hasta que Él dice: “Sea la luz”, no hay luz.
Pero cuando el Señor, por Su gracia y Su Espíritu, ensancha su corazón y hace brillar el Sol de justicia a través de la nube oscura, no podrá dejar de creer en Él. Entonces el alma ve a Jesús, como el ojo ve un objeto, y no puede sino verle. No lo busque, pues, en sí mismo, sino suspire a Aquel que manda la luz, para que deje caer en su alma Su rocío y Su unción. Entonces Su mandamiento no es una carga, sino una bendición, y usted corre por el camino de Sus mandamientos con el corazón ensanchado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof.
Filippenzen 3:9
Hier zijn twee gerechtigheden duidelijk neergelegd. In één van beide moeten wij allen voor God staan: de gerechtigheid of rechtvaardigheid die uit de wet is, of de gerechtigheid die uit God is door het geloof in Christus. Maar let goed op dat een rechtvaardigheid waarmee wij voor God bestaan kunnen, een volkomen rechtvaardigheid zijn moet. Deze rechtvaardigheid heeft nooit enig mens door zijn eigen gehoorzaamheid aan de wet voortgebracht, en kan ook nooit enig mens voortbrengen, want geen mens heeft ooit God liefgehad met geheel zijn hart en ziel en geest en alle krachten, en zijn naaste als zichzelf. En indien iemand God als zodanig niet liefheeft, en ook niet zijn naaste, dan is hij alrede door deze rechtvaardige wet vervloekt en veroordeeld, want vervloekt is de mens die niet blijft in al hetgeen in het boek der wet geschreven is, om dat te doen.
Nu, de apostel ontwaarde dat hij, gelijk deze gerechtigheid door hem als gevallen zondaar niet kon worden opgebracht, noodzakelijk moest vallen onder de veroordeling en de vloek der heilige wet. Derhalve, vrezende in zijn consciëntie en gevoelende de toorn Gods tegen hem en alle ongerechtvaardigde zondaren, geopenbaard in een verbroken wet, en wetende dat hij voor eeuwig moest wegzinken onder het vreselijk ongenoegen Gods indien hij geen andere bedekking had voor zijn ontblote, naakte ziel dan alleen zijn eigen rechtvaardigheid, liet hij deze varen om rechtvaardigheid, barmhartigheid en vrede te vinden in de rechtvaardigheid van Christus. Vandaar dat hij niets wenste te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd, en zo werd Jezus voor hem alles in allen. Eenmaal beweldadigd geweest zijnde met een gezicht op de rechtvaardigheid van de Zoon van God, wenste hij geen andere voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Door het geloof zag hij de woorden en werken van de Godmens, en hij beschouwde de Godheid afgedrukt op iedere gedachte, ieder woord en werk van de zuivere mensheid waarmede zij verenigd was, en waarin zij ontdekt werd als hebbende een verdienste tot aanbrengen van de rechtvaardigheid, die alle bevatting of uitdrukking van mensen en engelen te boven gaat. Hij zag Hem door het geloof, dragende zijn zonden in Zijn lichaam op het hout, en door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid een gerechtigheid werkende die Gode aangenaam was; een zodanige waardoor hij en al de verlosten zonder vlek of rimpel konden staan voor de grote, witte troon.
Zoals een reiziger die door een vreselijk onweer overvallen wordt, met blijdschap wijkt in een huis dat aan de kant van de weg staat, om verberging of beschutting te vinden voor de bliksemstralen en de stortende regen; of gelijk een schip dat bedreigd wordt door een geweldige stormwind, alle zeilen bijzet om bijtijds de haven van toevlucht te bereiken; zo zal de ziel, bedreigd door de donder en het lichten van de rechtvaardige wet Gods, toevlucht zoeken in de doorstoken zijde van Jezus en zich verbergen onder Zijn rechtvaardigende gehoorzaamheid. De gerechtigheid of rechtvaardigheid wordt hier genoemd „de rechtvaardigheid Gods”, want God de Vader heeft ze uitgevonden, God de Zoon heeft ze uitgewerkt en God de Heilige Geest past ze toe. En nu wordt er gezegd: „door het geloof”, omdat het geloof ze bespiedt en aanneemt en aan de ziel haar aandeel daarin te kennen geeft.
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd in welke gerechtigheid u denkt voor God te staan. Er zijn er maar twee: die uit de wet en die uit God door het geloof. Hebt u God liefgehad met geheel uw hart en ziel en geest en alle krachten, en uw naaste als uzelf? U weet het antwoord, en de wet weet het ook. Hoe eerder u uw eigen rechtvaardigheid laat varen, hoe beter, want zij kan uw naakte ziel niet bedekken voor de grote, witte troon.
Maar zie dan naar het huis aan de kant van de weg, naar de haven van toevlucht. Christus heeft de zonden van Zijn volk in Zijn lichaam op het hout gedragen en door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid een gerechtigheid gewerkt die Gode aangenaam is. Rent daarheen als een reiziger in het onweer, als een schip in de storm. Zoek uw toevlucht in Zijn doorstoken zijde, en vraag de Heilige Geest dat Hij u die gerechtigheid toepast, opdat ook u in Hem gevonden wordt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof.
Filippenzen 3:9
Hier worden twee gerechtigheden duidelijk naast elkaar gezet. In één van beide moeten wij allemaal voor God staan: de gerechtigheid of rechtvaardigheid die uit de wet is, of de gerechtigheid die uit God is door het geloof in Christus. Maar let er goed op dat een rechtvaardigheid waarmee wij voor God kunnen bestaan, een volkomen rechtvaardigheid moet zijn. Zo’n rechtvaardigheid heeft nooit enig mens door zijn eigen gehoorzaamheid aan de wet voortgebracht, en kan ook nooit enig mens voortbrengen. Want geen mens heeft ooit God liefgehad met heel zijn hart en ziel en verstand en al zijn krachten, en zijn naaste als zichzelf. En als iemand God niet zo liefheeft, en ook zijn naaste niet, dan is hij door deze rechtvaardige wet al vervloekt en veroordeeld, want vervloekt is de mens die niet blijft in al hetgeen in het boek der wet geschreven is, om dat te doen.
De apostel merkte dat hij, omdat hij deze gerechtigheid als gevallen zondaar niet kon opbrengen, noodzakelijk onder de veroordeling en de vloek van de heilige wet moest vallen. Hij vreesde in zijn geweten en voelde de toorn van God tegen hem en tegen alle ongerechtvaardigde zondaren, geopenbaard in een gebroken wet. Hij wist dat hij voor eeuwig moest wegzinken onder het vreselijk ongenoegen van God als hij voor zijn ontblote, naakte ziel geen andere bedekking had dan alleen zijn eigen rechtvaardigheid. Daarom liet hij die varen, om rechtvaardigheid, barmhartigheid en vrede te vinden in de rechtvaardigheid van Christus. Daarom wilde hij niets weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd, en zo werd Jezus voor hem alles in allen. Toen hij eenmaal begenadigd was met een gezicht op de rechtvaardigheid van de Zoon van God, wilde hij geen andere meer, voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Door het geloof zag hij de woorden en werken van de Godmens. Hij zag de Godheid afgedrukt op iedere gedachte, ieder woord en ieder werk van de zuivere mensheid waarmee zij verenigd was, en waarin zij bleek een verdienste te hebben voor het aanbrengen van de rechtvaardigheid die alle bevatting of uitdrukking van mensen en engelen te boven gaat. Hij zag Hem door het geloof Zijn zonden dragen in Zijn lichaam op het hout, en door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid een gerechtigheid werken die Gode aangenaam was: een gerechtigheid waardoor hij en alle verlosten zonder vlek of rimpel konden staan voor de grote, witte troon.
Zoals een reiziger die door een vreselijk onweer overvallen wordt, blij een huis aan de kant van de weg binnengaat om beschutting te vinden tegen de bliksemstralen en de stortregen; of zoals een schip dat door een geweldige storm bedreigd wordt, alle zeilen bijzet om op tijd de haven van toevlucht te bereiken: zo zal de ziel, bedreigd door de donder en de bliksem van Gods rechtvaardige wet, toevlucht zoeken in de doorstoken zijde van Jezus en zich verbergen onder Zijn rechtvaardigende gehoorzaamheid. Deze gerechtigheid of rechtvaardigheid wordt hier „de rechtvaardigheid Gods” genoemd, want God de Vader heeft haar bedacht, God de Zoon heeft haar uitgewerkt en God de Heilige Geest past haar toe. En er wordt gezegd: „door het geloof”, omdat het geloof haar ontdekt en aanneemt en de ziel haar aandeel daarin laat kennen.
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd in welke gerechtigheid u denkt voor God te staan. Er zijn er maar twee: die uit de wet en die uit God door het geloof. Hebt u God liefgehad met heel uw hart en ziel en verstand en al uw krachten, en uw naaste als uzelf? U weet het antwoord, en de wet weet het ook. Hoe eerder u uw eigen rechtvaardigheid laat varen, hoe beter, want zij kan uw naakte ziel niet bedekken voor de grote, witte troon.
Maar zie dan naar het huis aan de kant van de weg, naar de haven van toevlucht. Christus heeft de zonden van Zijn volk in Zijn lichaam op het hout gedragen en door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid een gerechtigheid gewerkt die Gode aangenaam is. Ren daarheen als een reiziger in het onweer, als een schip in de storm. Zoek uw toevlucht in Zijn doorstoken zijde, en vraag de Heilige Geest dat Hij u die gerechtigheid toepast, opdat ook u in Hem gevonden wordt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And be found in Him, not having mine own righteousness, which is of the law, but that which is through the faith of Christ, the righteousness which is of God by faith.
Philippians 3:9
Here are the two righteousnesses clearly laid down—in one or the other of which we must all stand before God—the righteousness which is of the law, and the righteousness which is of God by faith in Christ. But bear this in mind, that a righteousness to be available before God must be a perfect righteousness. This righteousness no man ever did or could produce by his own obedience to the law, for no man ever yet loved God “with all his heart and soul and mind and strength, and his neighbor as himself;” and if a man does not thus love God and thus love his neighbor, he is accursed and condemned already by that righteous law which curses “every one who continues not in all things which are written in the book of the law to do them.”
Now the Apostle felt that as this righteousness could not be yielded by himself as a fallen sinner, he must necessarily fall under the condemnation and curse attached to that holy law. Trembling, therefore, in his conscience, as feeling that the wrath of God was revealed against him, and all unjustified sinners in a broken law, and knowing that he must sink for ever under the terrible indignation of the Almighty, if he had no covering for his needy, naked soul but his own righteousness, he fled out of it to find justification and acceptance, mercy and peace in the righteousness of Christ. Thenceforth he “was determined to know nothing, save Jesus Christ and Him crucified,” and Jesus became to him his “all in all.”
When once he had been favored with a view of the righteousness of the Son of God, he wanted no other for time or eternity. He saw by faith the words and works of the God-man, and he beheld Deity stamped upon every thought, word, and action of that pure humanity with which it was in union, and thus investing them with a merit beyond all conception or expression of men or angels. He saw Him by faith bearing his sins in His own body on the tree, and by His active and passive obedience working out a righteousness acceptable to God, and such as he and all the redeemed could stand in before the great white throne without spot or blemish.
As a traveler overtaken by a violent thunderstorm gladly flies to a house by the wayside wherein he may find shelter from the lightning-stroke and the sweeping rain; or as a ship threatened with a hurricane bends every sail to reach the harbor of refuge in time, so does the soul terrified by the thunders and lightnings of God’s righteous law, seek for shelter in the wounded side of Jesus, and hide itself beneath His justifying obedience. This righteousness is here called “the righteousness of God;” for God the Father contrived it, God the Son performed it, and God the Holy Spirit applies it; and it is said to be “by faith” and “through the faith of Christ” because faith views it, believes in it, receives it, and gives the soul a manifested saving interest in it.
To the reader…
Today you are asked in which righteousness you think you will stand before God. There are only two: that which is of the law, and that which is of God by faith. Have you loved God with all your heart and soul and mind and strength, and your neighbor as yourself? You know the answer, and the law knows it too. The sooner you let go of your own righteousness, the better, for it cannot cover your naked soul before the great white throne.
But look, then, to the house by the wayside, to the harbor of refuge. Christ has borne the sins of His people in His own body on the tree and, by His active and passive obedience, has wrought out a righteousness acceptable to God. Run there like a traveler in the thunderstorm, like a ship in the gale. Seek your refuge in His wounded side, and ask the Holy Spirit to apply that righteousness to you, so that you too may be found in Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ser hallado en Él, no teniendo mi justicia, que es por la ley, sino la que es por la fe de Cristo, la justicia que es de Dios por la fe.
Filipenses 3:9
Aquí están claramente expuestas las dos justicias, en una u otra de las cuales todos hemos de comparecer delante de Dios: la justicia que es por la ley, y la justicia que es de Dios por la fe en Cristo. Pero tenga esto presente: una justicia que haya de valer delante de Dios tiene que ser una justicia perfecta. Esta justicia ningún hombre la produjo ni pudo producirla jamás por su propia obediencia a la ley, porque ningún hombre ha amado todavía a Dios “de todo su corazón, y de toda su alma, y de toda su mente, y de todas sus fuerzas, y a su prójimo como a sí mismo”; y si un hombre no ama así a Dios ni ama así a su prójimo, ya está maldito y condenado por aquella justa ley que maldice a “todo aquel que no permaneciere en todas las cosas que están escritas en el libro de la ley, para hacerlas.”
Ahora bien, el Apóstol sentía que, no pudiendo él mismo, como pecador caído, rendir esta justicia, necesariamente había de caer bajo la condenación y la maldición unidas a aquella santa ley. Temblando, pues, en su conciencia, sintiendo que la ira de Dios estaba revelada contra él y contra todos los pecadores no justificados bajo una ley quebrantada, y sabiendo que había de hundirse para siempre bajo la terrible indignación del Todopoderoso si no tenía para su alma necesitada y desnuda otra cobertura que su propia justicia, huyó de ella para hallar justificación y aceptación, misericordia y paz en la justicia de Cristo. Desde entonces “no se propuso saber algo, sino a Jesucristo, y a este crucificado,” y Jesús llegó a ser para él su “todo en todos.”
Una vez favorecido con una visión de la justicia del Hijo de Dios, no quiso otra para el tiempo ni para la eternidad. Vio por la fe las palabras y las obras del Dios-hombre, y contempló la Deidad impresa en cada pensamiento, palabra y acción de aquella pura humanidad con la que estaba unida, revistiéndolos así de un mérito que excede toda concepción o expresión de hombres o ángeles. Le vio por la fe llevando sus pecados en Su propio cuerpo sobre el madero, y obrando, por Su obediencia activa y pasiva, una justicia aceptable a Dios, y tal que él y todos los redimidos pudieran estar en ella delante del gran trono blanco sin mancha ni defecto.
Así como un viajero sorprendido por una violenta tormenta huye gustoso a una casa junto al camino donde pueda hallar refugio del rayo y de la lluvia torrencial; o como una nave amenazada por un huracán despliega todas sus velas para alcanzar a tiempo el puerto de refugio, así el alma aterrada por los truenos y relámpagos de la justa ley de Dios busca refugio en el costado herido de Jesús, y se esconde bajo Su obediencia justificadora. Esta justicia se llama aquí “la justicia que es de Dios”; porque Dios el Padre la ideó, Dios el Hijo la cumplió y Dios el Espíritu Santo la aplica; y se dice que es “por la fe” y “por la fe de Cristo” porque la fe la contempla, cree en ella, la recibe y da al alma una parte salvadora manifiesta en ella.
Al lector…
Hoy se le pregunta en qué justicia piensa usted comparecer delante de Dios. Solo hay dos: la que es por la ley, y la que es de Dios por la fe. ¿Ha amado usted a Dios de todo su corazón, y de toda su alma, y de toda su mente, y de todas sus fuerzas, y a su prójimo como a sí mismo? Usted sabe la respuesta, y la ley también la sabe. Cuanto antes suelte su propia justicia, mejor, porque no puede cubrir su alma desnuda delante del gran trono blanco.
Pero mire entonces a la casa junto al camino, al puerto de refugio. Cristo ha llevado los pecados de Su pueblo en Su propio cuerpo sobre el madero y, por Su obediencia activa y pasiva, ha obrado una justicia aceptable a Dios. Corra allí como un viajero en la tormenta, como una nave en el temporal. Busque su refugio en Su costado herido, y pida al Espíritu Santo que le aplique esa justicia, para que también usted sea hallado en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl