October 14
En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof.
Filippenzen 3:9
Hier zijn twee gerechtigheden duidelijk neergelegd. In één van beide moeten wij allen voor God staan: de gerechtigheid of rechtvaardigheid die uit de wet is, of de gerechtigheid die uit God is door het geloof in Christus. Maar let goed op dat een rechtvaardigheid waarmee wij voor God bestaan kunnen, een volkomen rechtvaardigheid zijn moet. Deze rechtvaardigheid heeft nooit enig mens door zijn eigen gehoorzaamheid aan de wet voortgebracht, en kan ook nooit enig mens voortbrengen, want geen mens heeft ooit God liefgehad met geheel zijn hart en ziel en geest en alle krachten, en zijn naaste als zichzelf. En indien iemand God als zodanig niet liefheeft, en ook niet zijn naaste, dan is hij alrede door deze rechtvaardige wet vervloekt en veroordeeld, want vervloekt is de mens die niet blijft in al hetgeen in het boek der wet geschreven is, om dat te doen.
Nu, de apostel ontwaarde dat hij, gelijk deze gerechtigheid door hem als gevallen zondaar niet kon worden opgebracht, noodzakelijk moest vallen onder de veroordeling en de vloek der heilige wet. Derhalve, vrezende in zijn consciëntie en gevoelende de toorn Gods tegen hem en alle ongerechtvaardigde zondaren, geopenbaard in een verbroken wet, en wetende dat hij voor eeuwig moest wegzinken onder het vreselijk ongenoegen Gods indien hij geen andere bedekking had voor zijn ontblote, naakte ziel dan alleen zijn eigen rechtvaardigheid, liet hij deze varen om rechtvaardigheid, barmhartigheid en vrede te vinden in de rechtvaardigheid van Christus. Vandaar dat hij niets wenste te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd, en zo werd Jezus voor hem alles in allen. Eenmaal beweldadigd geweest zijnde met een gezicht op de rechtvaardigheid van de Zoon van God, wenste hij geen andere voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Door het geloof zag hij de woorden en werken van de Godmens, en hij beschouwde de Godheid afgedrukt op iedere gedachte, ieder woord en werk van de zuivere mensheid waarmede zij verenigd was, en waarin zij ontdekt werd als hebbende een verdienste tot aanbrengen van de rechtvaardigheid, die alle bevatting of uitdrukking van mensen en engelen te boven gaat. Hij zag Hem door het geloof, dragende zijn zonden in Zijn lichaam op het hout, en door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid een gerechtigheid werkende die Gode aangenaam was; een zodanige waardoor hij en al de verlosten zonder vlek of rimpel konden staan voor de grote, witte troon.
Zoals een reiziger die door een vreselijk onweer overvallen wordt, met blijdschap wijkt in een huis dat aan de kant van de weg staat, om verberging of beschutting te vinden voor de bliksemstralen en de stortende regen; of gelijk een schip dat bedreigd wordt door een geweldige stormwind, alle zeilen bijzet om bijtijds de haven van toevlucht te bereiken; zo zal de ziel, bedreigd door de donder en het lichten van de rechtvaardige wet Gods, toevlucht zoeken in de doorstoken zijde van Jezus en zich verbergen onder Zijn rechtvaardigende gehoorzaamheid. De gerechtigheid of rechtvaardigheid wordt hier genoemd „de rechtvaardigheid Gods”, want God de Vader heeft ze uitgevonden, God de Zoon heeft ze uitgewerkt en God de Heilige Geest past ze toe. En nu wordt er gezegd: „door het geloof”, omdat het geloof ze bespiedt en aanneemt en aan de ziel haar aandeel daarin te kennen geeft.
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd in welke gerechtigheid u denkt voor God te staan. Er zijn er maar twee: die uit de wet en die uit God door het geloof. Hebt u God liefgehad met geheel uw hart en ziel en geest en alle krachten, en uw naaste als uzelf? U weet het antwoord, en de wet weet het ook. Hoe eerder u uw eigen rechtvaardigheid laat varen, hoe beter, want zij kan uw naakte ziel niet bedekken voor de grote, witte troon.
Maar zie dan naar het huis aan de kant van de weg, naar de haven van toevlucht. Christus heeft de zonden van Zijn volk in Zijn lichaam op het hout gedragen en door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid een gerechtigheid gewerkt die Gode aangenaam is. Rent daarheen als een reiziger in het onweer, als een schip in de storm. Zoek uw toevlucht in Zijn doorstoken zijde, en vraag de Heilige Geest dat Hij u die gerechtigheid toepast, opdat ook u in Hem gevonden wordt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof.
Filippenzen 3:9
Hier worden twee gerechtigheden duidelijk naast elkaar gezet. In één van beide moeten wij allemaal voor God staan: de gerechtigheid of rechtvaardigheid die uit de wet is, of de gerechtigheid die uit God is door het geloof in Christus. Maar let er goed op dat een rechtvaardigheid waarmee wij voor God kunnen bestaan, een volkomen rechtvaardigheid moet zijn. Zo’n rechtvaardigheid heeft nooit enig mens door zijn eigen gehoorzaamheid aan de wet voortgebracht, en kan ook nooit enig mens voortbrengen. Want geen mens heeft ooit God liefgehad met heel zijn hart en ziel en verstand en al zijn krachten, en zijn naaste als zichzelf. En als iemand God niet zo liefheeft, en ook zijn naaste niet, dan is hij door deze rechtvaardige wet al vervloekt en veroordeeld, want vervloekt is de mens die niet blijft in al hetgeen in het boek der wet geschreven is, om dat te doen.
De apostel merkte dat hij, omdat hij deze gerechtigheid als gevallen zondaar niet kon opbrengen, noodzakelijk onder de veroordeling en de vloek van de heilige wet moest vallen. Hij vreesde in zijn geweten en voelde de toorn van God tegen hem en tegen alle ongerechtvaardigde zondaren, geopenbaard in een gebroken wet. Hij wist dat hij voor eeuwig moest wegzinken onder het vreselijk ongenoegen van God als hij voor zijn ontblote, naakte ziel geen andere bedekking had dan alleen zijn eigen rechtvaardigheid. Daarom liet hij die varen, om rechtvaardigheid, barmhartigheid en vrede te vinden in de rechtvaardigheid van Christus. Daarom wilde hij niets weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd, en zo werd Jezus voor hem alles in allen. Toen hij eenmaal begenadigd was met een gezicht op de rechtvaardigheid van de Zoon van God, wilde hij geen andere meer, voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Door het geloof zag hij de woorden en werken van de Godmens. Hij zag de Godheid afgedrukt op iedere gedachte, ieder woord en ieder werk van de zuivere mensheid waarmee zij verenigd was, en waarin zij bleek een verdienste te hebben voor het aanbrengen van de rechtvaardigheid die alle bevatting of uitdrukking van mensen en engelen te boven gaat. Hij zag Hem door het geloof Zijn zonden dragen in Zijn lichaam op het hout, en door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid een gerechtigheid werken die Gode aangenaam was: een gerechtigheid waardoor hij en alle verlosten zonder vlek of rimpel konden staan voor de grote, witte troon.
Zoals een reiziger die door een vreselijk onweer overvallen wordt, blij een huis aan de kant van de weg binnengaat om beschutting te vinden tegen de bliksemstralen en de stortregen; of zoals een schip dat door een geweldige storm bedreigd wordt, alle zeilen bijzet om op tijd de haven van toevlucht te bereiken: zo zal de ziel, bedreigd door de donder en de bliksem van Gods rechtvaardige wet, toevlucht zoeken in de doorstoken zijde van Jezus en zich verbergen onder Zijn rechtvaardigende gehoorzaamheid. Deze gerechtigheid of rechtvaardigheid wordt hier „de rechtvaardigheid Gods” genoemd, want God de Vader heeft haar bedacht, God de Zoon heeft haar uitgewerkt en God de Heilige Geest past haar toe. En er wordt gezegd: „door het geloof”, omdat het geloof haar ontdekt en aanneemt en de ziel haar aandeel daarin laat kennen.
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd in welke gerechtigheid u denkt voor God te staan. Er zijn er maar twee: die uit de wet en die uit God door het geloof. Hebt u God liefgehad met heel uw hart en ziel en verstand en al uw krachten, en uw naaste als uzelf? U weet het antwoord, en de wet weet het ook. Hoe eerder u uw eigen rechtvaardigheid laat varen, hoe beter, want zij kan uw naakte ziel niet bedekken voor de grote, witte troon.
Maar zie dan naar het huis aan de kant van de weg, naar de haven van toevlucht. Christus heeft de zonden van Zijn volk in Zijn lichaam op het hout gedragen en door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid een gerechtigheid gewerkt die Gode aangenaam is. Ren daarheen als een reiziger in het onweer, als een schip in de storm. Zoek uw toevlucht in Zijn doorstoken zijde, en vraag de Heilige Geest dat Hij u die gerechtigheid toepast, opdat ook u in Hem gevonden wordt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And be found in Him, not having mine own righteousness, which is of the law, but that which is through the faith of Christ, the righteousness which is of God by faith.
Philippians 3:9
Here are the two righteousnesses clearly laid down—in one or the other of which we must all stand before God—the righteousness which is of the law, and the righteousness which is of God by faith in Christ. But bear this in mind, that a righteousness to be available before God must be a perfect righteousness. This righteousness no man ever did or could produce by his own obedience to the law, for no man ever yet loved God “with all his heart and soul and mind and strength, and his neighbor as himself;” and if a man does not thus love God and thus love his neighbor, he is accursed and condemned already by that righteous law which curses “every one who continues not in all things which are written in the book of the law to do them.”
Now the Apostle felt that as this righteousness could not be yielded by himself as a fallen sinner, he must necessarily fall under the condemnation and curse attached to that holy law. Trembling, therefore, in his conscience, as feeling that the wrath of God was revealed against him, and all unjustified sinners in a broken law, and knowing that he must sink for ever under the terrible indignation of the Almighty, if he had no covering for his needy, naked soul but his own righteousness, he fled out of it to find justification and acceptance, mercy and peace in the righteousness of Christ. Thenceforth he “was determined to know nothing, save Jesus Christ and Him crucified,” and Jesus became to him his “all in all.”
When once he had been favored with a view of the righteousness of the Son of God, he wanted no other for time or eternity. He saw by faith the words and works of the God-man, and he beheld Deity stamped upon every thought, word, and action of that pure humanity with which it was in union, and thus investing them with a merit beyond all conception or expression of men or angels. He saw Him by faith bearing his sins in His own body on the tree, and by His active and passive obedience working out a righteousness acceptable to God, and such as he and all the redeemed could stand in before the great white throne without spot or blemish.
As a traveler overtaken by a violent thunderstorm gladly flies to a house by the wayside wherein he may find shelter from the lightning-stroke and the sweeping rain; or as a ship threatened with a hurricane bends every sail to reach the harbor of refuge in time, so does the soul terrified by the thunders and lightnings of God’s righteous law, seek for shelter in the wounded side of Jesus, and hide itself beneath His justifying obedience. This righteousness is here called “the righteousness of God;” for God the Father contrived it, God the Son performed it, and God the Holy Spirit applies it; and it is said to be “by faith” and “through the faith of Christ” because faith views it, believes in it, receives it, and gives the soul a manifested saving interest in it.
To the reader…
Today you are asked in which righteousness you think you will stand before God. There are only two: that which is of the law, and that which is of God by faith. Have you loved God with all your heart and soul and mind and strength, and your neighbor as yourself? You know the answer, and the law knows it too. The sooner you let go of your own righteousness, the better, for it cannot cover your naked soul before the great white throne.
But look, then, to the house by the wayside, to the harbor of refuge. Christ has borne the sins of His people in His own body on the tree and, by His active and passive obedience, has wrought out a righteousness acceptable to God. Run there like a traveler in the thunderstorm, like a ship in the gale. Seek your refuge in His wounded side, and ask the Holy Spirit to apply that righteousness to you, so that you too may be found in Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ser hallado en Él, no teniendo mi justicia, que es por la ley, sino la que es por la fe de Cristo, la justicia que es de Dios por la fe.
Filipenses 3:9
Aquí están claramente expuestas las dos justicias, en una u otra de las cuales todos hemos de comparecer delante de Dios: la justicia que es por la ley, y la justicia que es de Dios por la fe en Cristo. Pero tenga esto presente: una justicia que haya de valer delante de Dios tiene que ser una justicia perfecta. Esta justicia ningún hombre la produjo ni pudo producirla jamás por su propia obediencia a la ley, porque ningún hombre ha amado todavía a Dios “de todo su corazón, y de toda su alma, y de toda su mente, y de todas sus fuerzas, y a su prójimo como a sí mismo”; y si un hombre no ama así a Dios ni ama así a su prójimo, ya está maldito y condenado por aquella justa ley que maldice a “todo aquel que no permaneciere en todas las cosas que están escritas en el libro de la ley, para hacerlas.”
Ahora bien, el Apóstol sentía que, no pudiendo él mismo, como pecador caído, rendir esta justicia, necesariamente había de caer bajo la condenación y la maldición unidas a aquella santa ley. Temblando, pues, en su conciencia, sintiendo que la ira de Dios estaba revelada contra él y contra todos los pecadores no justificados bajo una ley quebrantada, y sabiendo que había de hundirse para siempre bajo la terrible indignación del Todopoderoso si no tenía para su alma necesitada y desnuda otra cobertura que su propia justicia, huyó de ella para hallar justificación y aceptación, misericordia y paz en la justicia de Cristo. Desde entonces “no se propuso saber algo, sino a Jesucristo, y a este crucificado,” y Jesús llegó a ser para él su “todo en todos.”
Una vez favorecido con una visión de la justicia del Hijo de Dios, no quiso otra para el tiempo ni para la eternidad. Vio por la fe las palabras y las obras del Dios-hombre, y contempló la Deidad impresa en cada pensamiento, palabra y acción de aquella pura humanidad con la que estaba unida, revistiéndolos así de un mérito que excede toda concepción o expresión de hombres o ángeles. Le vio por la fe llevando sus pecados en Su propio cuerpo sobre el madero, y obrando, por Su obediencia activa y pasiva, una justicia aceptable a Dios, y tal que él y todos los redimidos pudieran estar en ella delante del gran trono blanco sin mancha ni defecto.
Así como un viajero sorprendido por una violenta tormenta huye gustoso a una casa junto al camino donde pueda hallar refugio del rayo y de la lluvia torrencial; o como una nave amenazada por un huracán despliega todas sus velas para alcanzar a tiempo el puerto de refugio, así el alma aterrada por los truenos y relámpagos de la justa ley de Dios busca refugio en el costado herido de Jesús, y se esconde bajo Su obediencia justificadora. Esta justicia se llama aquí “la justicia que es de Dios”; porque Dios el Padre la ideó, Dios el Hijo la cumplió y Dios el Espíritu Santo la aplica; y se dice que es “por la fe” y “por la fe de Cristo” porque la fe la contempla, cree en ella, la recibe y da al alma una parte salvadora manifiesta en ella.
Al lector…
Hoy se le pregunta en qué justicia piensa usted comparecer delante de Dios. Solo hay dos: la que es por la ley, y la que es de Dios por la fe. ¿Ha amado usted a Dios de todo su corazón, y de toda su alma, y de toda su mente, y de todas sus fuerzas, y a su prójimo como a sí mismo? Usted sabe la respuesta, y la ley también la sabe. Cuanto antes suelte su propia justicia, mejor, porque no puede cubrir su alma desnuda delante del gran trono blanco.
Pero mire entonces a la casa junto al camino, al puerto de refugio. Cristo ha llevado los pecados de Su pueblo en Su propio cuerpo sobre el madero y, por Su obediencia activa y pasiva, ha obrado una justicia aceptable a Dios. Corra allí como un viajero en la tormenta, como una nave en el temporal. Busque su refugio en Su costado herido, y pida al Espíritu Santo que le aplique esa justicia, para que también usted sea hallado en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl