6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw poorten van robijnstenen, en uw ganse landpalen van aangename stenen.
Jesaja 54:12
De Zon der Gerechtigheid beschijnt Zion niet in al haar glans, zolang zij op aarde is; haar kristallen vensters zijn, zolang zij in het vlees zijn, in glans getemperd. Haar inzichten zijn ook niet geheel en al zuiver en helder; zoals de apostel zegt: „Wij zien door (of in) een spiegel duister”; wij hebben niet die heldere blik welke de heiligen hebben in heerlijkheid, waar zij Jezus zien van aangezicht tot aangezicht. Wij hebben soms, hoop ik, in onze ziel gezichten op God en Christus en de hemelse heerlijkheid; maar die gezichten zijn maar half doorschijnend, gestreept en dof gelijk een venster van agaat, niet zo helder en klaar als een vensterruit van glas. Maar evenals Daniël zijn vensters opende naar Jeruzalem, opdat hij door het geloof zien mocht wat hij door het oog niet kon aanschouwen, zo moeten ook wij trachten naar het hemels Jeruzalem te zien, opdat wij door het geloof „Hem mochten aanschouwen, Die onzichtbaar is.”
Maar de Heere spreekt van Zions „poorten”. „En uw poorten van robijnstenen.” De robijn heeft een gloedrode kleur; en waarom zou de Heere juist voor Zions poorten die kleur gekozen hebben? Mogen wij niet, zonder het beeld te verwringen, aannemen dat er een verborgen zinspeling is op het bloed des Lams? Evenals door Mozes scharlaken en wol werd genomen wanneer hij het volk besprengde, en evenals Rachabs huis getekend werd door een scharlaken draad, kan er dan ook niet een betekenis liggen in de kleur der poorten? Maar „poorten” of deuren geven niet alleen uitgang, maar ook ingang. Hoe hoort God het gebed, en hoe verhoort Hij het ook? Alleen door de „poort van robijn”. Het gebed klimt op door Jezus, en de antwoorden dalen af door Jezus; door Jezus komen de zuchten in de oren van de Heere Sebaoth, en door diezelfde bloedende poort der barmhartigheid druppelen de antwoorden in de ziel. Ons arm, eigengerechtig hart kan dit nauwelijks begrijpen; wij menen dat wij een goede gestalte moeten hebben, of een goed werk moeten aanbrengen, of iets goeds in onszelf, om onze gebeden Gode aangenaam te maken. Weg met die gedachte! Zij is niets dan een broedsel der eigengerechtigheid. De „poorten van robijn”, de open wonden van het Lam: door deze alleen moeten alle gebeden opstijgen, door deze elk antwoord afdalen; en zo wij iets anders willen of een poort maken van menselijke verdienste, bespotten wij de Geest van God en storten smaad uit over de genade van het bloed des Lams.
„En uw ganse landpalen van aangename stenen.” Gods voorzienige bedelingen, die dikwijls de uitwendige omlijsting vormen van Zijn inwendige barmhartigheden, zijn van aangename stenen. Noord, zuid, oost en west: al Zions muren zijn van kostelijke stof. De dagelijkse gebeurtenissen des levens, de omstandigheden van huisgezin, stand, beroep, voorspoed of het tegendeel, de banden der huiselijke liefde, met al die menigvuldige omstandigheden die veeleer de muren en voorhoven dan het binnenste heiligdom der genadige bevinding schijnen te zijn — dit alles is toch van Goddelijke stof en Goddelijk maaksel. Door het geloof gezien, is elke gebeurtenis, elke omstandigheid in het leven, hoe smartelijk die ook schijne, een aangename steen; want Zion is een Koningsdochter, en de minste harer zalen is gemaakt van aangename stenen. Want van de wijsheid, dat is, van het leven Gods, lezen wij: „Haar wegen zijn bekoorlijke wegen, en al haar paden zijn vrede.”
Ps. 136:4
Aan de lezer…
Klaagt u, lezer, dat uw gezichten op God en Christus zo dof zijn, half doorschijnend als een venster van agaat? Wees niet ontmoedigd; zolang Zion in het vlees is, ziet zij door een spiegel duister. Doe dan als Daniël en open uw vensters naar Jeruzalem; wat het oog niet kan aanschouwen, mag het geloof soms zien.
En zoekt u een ingang tot God, zie dan naar de poorten van robijn, de open wonden van het Lam. Door deze alleen stijgen de gebeden op en dalen de antwoorden af; maak u geen andere poort van eigen verdienste. Is uw weg nu smartelijk, door het geloof gezien is ook die omstandigheid een aangename steen in de landpalen van de Koningsdochter. Want van haar wegen staat geschreven: „Haar wegen zijn bekoorlijke wegen, en al haar paden zijn vrede.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw poorten van robijnstenen, en uw ganse landpalen van aangename stenen.
Jesaja 54:12
De Zon der Gerechtigheid beschijnt Sion niet in al haar glans zolang zij op aarde is. Haar kristallen vensters laten, zolang haar kinderen in het vlees zijn, maar een getemperde glans door. Ook haar inzichten zijn niet helemaal zuiver en helder. Zoals de apostel zegt: „Wij zien door (of in) een spiegel duister”. We hebben niet die heldere blik die de heiligen in de heerlijkheid hebben, waar zij Jezus zien van aangezicht tot aangezicht. Soms hebben we, hoop ik, in onze ziel een gezicht op God en Christus en de hemelse heerlijkheid. Maar die gezichten zijn slechts half doorschijnend, gestreept en dof als een venster van agaat, niet zo helder en klaar als een ruit van glas. Maar zoals Daniël zijn vensters opende naar Jeruzalem, om door het geloof te zien wat hij met het oog niet kon aanschouwen, zo moeten ook wij proberen naar het hemelse Jeruzalem te zien, zodat wij door het geloof „Hem mochten aanschouwen, Die onzichtbaar is.”
Maar de Heere spreekt ook van Sions „poorten”. „En uw poorten van robijnstenen.” De robijn heeft een gloedrode kleur. Waarom zou de Heere juist die kleur voor Sions poorten gekozen hebben? Mogen we niet, zonder het beeld te verwringen, aannemen dat hier een verborgen toespeling is op het bloed van het Lam? Mozes nam scharlaken en wol wanneer hij het volk besprenkelde, en Rachabs huis werd getekend door een scharlaken draad. Kan er dan ook geen betekenis liggen in de kleur van de poorten? Maar „poorten” of deuren geven niet alleen uitgang, maar ook toegang. Hoe hoort God het gebed, en hoe verhoort Hij het ook? Alleen door de „poort van robijn”. Het gebed stijgt op door Jezus, en de antwoorden dalen neer door Jezus. Door Jezus komen de zuchten in de oren van de Heere Sabaoth, en door diezelfde bloedende poort van barmhartigheid druppelen de antwoorden in de ziel. Ons arme, eigengerechtige hart kan dat nauwelijks bevatten. We denken dat we een goede gestalte moeten hebben, een goede daad moeten meebrengen of iets goeds in onszelf moeten hebben om ons gebed voor God aangenaam te maken. Weg met die gedachte! Die is niets anders dan een broedsel van eigengerechtigheid. De „poorten van robijn” zijn de open wonden van het Lam. Alleen daardoor moeten alle gebeden opstijgen en elk antwoord neerdalen. Als we iets anders willen, of een poort maken van menselijke verdienste, bespotten we de Geest van God en werpen we smaad op de genade van het bloed van het Lam.
„En uw ganse landpalen van aangename stenen.” Gods voorzienige leidingen, die vaak de uiterlijke omlijsting vormen van Zijn innerlijke barmhartigheden, zijn van aangename stenen. Noord, zuid, oost en west: alle muren van Sion zijn van kostbaar materiaal. De dagelijkse gebeurtenissen van het leven, de omstandigheden van gezin, positie, werk, voorspoed of tegenspoed, de banden van huiselijke liefde, met al die verschillende omstandigheden die eerder de muren en voorhoven lijken te zijn dan het binnenste heiligdom van de bevinding van de genade: dat alles is toch van Goddelijk materiaal en door God Zelf gemaakt. Wanneer we het met het oog van het geloof zien, is elke gebeurtenis, elke omstandigheid in het leven, hoe pijnlijk die ook lijkt, een aangename steen. Want Sion is een Koningsdochter, en de minste van haar zalen is gemaakt van aangename stenen. Want van de wijsheid, dat is van het leven van God, lezen we: „Haar wegen zijn bekoorlijke wegen, en al haar paden zijn vrede.”
Ps. 136:4
Aan de lezer…
Klaagt u, lezer, dat uw gezichten op God en Christus zo dof zijn, half doorschijnend als een venster van agaat? Wees niet ontmoedigd; zolang Sion in het vlees is, ziet zij door een spiegel duister. Doe dan als Daniël en open uw vensters naar Jeruzalem; wat het oog niet kan aanschouwen, mag het geloof soms zien.
En zoekt u een toegang tot God, kijk dan naar de poorten van robijn, de open wonden van het Lam. Alleen daardoor stijgen de gebeden op en dalen de antwoorden neer; maak uzelf geen andere poort van eigen verdienste. Is uw weg nu pijnlijk, dan is ook die omstandigheid, met het oog van het geloof gezien, een aangename steen in de landpalen van de Koningsdochter. Want van haar wegen staat geschreven: „Haar wegen zijn bekoorlijke wegen, en al haar paden zijn vrede.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I will make thy windows of agates, and thy gates of carbuncles, and all thy borders of pleasant stones.
Isaiah 54:12
Upon Zion in her time-state “the Sun of righteousness” does not shine in all His brightness; the “windows of agate,” while she is in the flesh, temper His rays. Her prospects, also, are not fully bright and clear; as the Apostle speaks, “We see through” (or in) “a glass darkly;” we have not those clear views which the saints have in glory, where they see Jesus face to face. We have prospects sometimes, I hope, in our souls, of God, and Christ, and heavenly glory; but still these views are but semi-transparent, streaked and clouded like a window of agate, not bright and clear as a pane of plate glass. But as Daniel opened his windows toward Jerusalem, that he might see by faith what he could not see by sight, so should we aim to look towards the heavenly Jerusalem, that by faith we may there “see Him Who is invisible.”
But the Lord speaks of Zion’s “gates.” “And your gates of carbuncles.” The carbuncle is of a blood-red color; and why should the Lord have chosen that Zion’s gates should be of this peculiar hue? May we not, without wresting the figure too closely, believe that there is some mystic allusion here to the blood of the Lamb? As scarlet wool was taken by Moses, when he sprinkled the people, and as Rahab’s house was marked by a scarlet thread, may there not be something here significant in the color of the gates?
But “gates,” or doors, not only give exit, but admission. How does God hear prayer, and answer it too? Only through the “gate of carbuncle.” Prayer ascends through Jesus, and answers descend through Jesus; groans through Jesus enter the ears of the God of Sabaoth, and through the same bleeding gate of mercy do answers drop into the soul. Our poor self-righteous hearts can hardly comprehend this; we think we must have a good frame, or bring a good deed, or something good in ourselves, to make our prayers acceptable to God.
Perish the thought! It is nothing but the spawn of self-righteousness. The “gates of carbuncle,” the open wounds of the Lamb, through these every prayer ascends, through these every answer comes down; and if we set up anything else, or make a gate of human merit, we do despite to the Spirit of God, and pour contempt upon the grace and blood of the Lamb.
“And all thy borders of pleasant stones.” God’s providential dealings, which often form the outer setting of His inward mercies, are of pleasant stones. North, south, east, west, all Zion’s walls are of precious materials. The daily events of life, the circumstances of family, station, employment, success, or the contrary, the ties of domestic affection, with all those varied circumstances which seem rather the walls and outer courts than the inner sanctuary of gracious experience—yet all these are of divine material and workmanship.
Viewed by faith, every event and circumstance of life, however apparently grievous, is a pleasant stone; for Zion is a King’s daughter, and the lowest of all her courts is made of pleasant stones. For of wisdom, that is, vital godliness, we read, “Her ways are ways of pleasantness, and all her paths are peace.”
To the reader…
Reader, do you complain that your views of God and of Christ are so dim, half transparent like a window of agate? Do not be discouraged; as long as Zion is in the flesh, she sees through a glass darkly. Do, then, as Daniel did, and open your windows toward Jerusalem; what the eye cannot behold, faith may sometimes see.
And if you are seeking a way of access to God, look to the gates of carbuncle, the open wounds of the Lamb. Only through them do prayers ascend and answers come down; do not make yourself any other gate of your own merit. If your way is painful now, then that circumstance too, seen with the eye of faith, is a pleasant stone in the borders of the King’s daughter. For of her ways it is written: “Her ways are ways of pleasantness, and all her paths are peace.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y tus ventanas pondré de ágatas, tus puertas de piedras de carbunclo, y todo tu término de piedras de buen gusto.
Isaías 54:12
Sobre Sion, en su estado temporal, “el Sol de justicia” no brilla con todo Su resplandor; las “ventanas de ágata”, mientras ella está en la carne, templan Sus rayos. Sus perspectivas tampoco son del todo resplandecientes y claras; como dice el apóstol: “Ahora vemos por espejo, en obscuridad”; no tenemos aquellas vistas claras que tienen los santos en la gloria, donde ven a Jesús cara a cara. Tenemos a veces, espero, perspectivas en nuestras almas de Dios, de Cristo y de la gloria celestial; pero aun así estas vistas no son más que semitransparentes, veteadas y nubladas como una ventana de ágata, no resplandecientes y claras como un cristal de luna. Pero así como Daniel abría sus ventanas hacia Jerusalén, para ver por la fe lo que no podía ver con la vista, así deberíamos procurar mirar hacia la Jerusalén celestial, para que allí, por la fe, “veamos al Invisible”.
Pero el Señor habla de las “puertas” de Sion: “Y tus puertas de piedras de carbunclo”. El carbunclo es de color rojo sangre; ¿y por qué habría elegido el Señor que las puertas de Sion fueran de este color peculiar? ¿No podemos creer, sin forzar demasiado la figura, que hay aquí alguna alusión mística a la sangre del Cordero? Así como Moisés tomó lana escarlata cuando roció al pueblo, y así como la casa de Rahab fue señalada con un cordón de grana, ¿no habrá aquí algo significativo en el color de las puertas?
Pero las “puertas” no solo dan salida, sino también entrada. ¿Cómo oye Dios la oración, y cómo la contesta también? Solo por la “puerta de carbunclo”. La oración sube por Jesús, y las respuestas descienden por Jesús; los gemidos entran por Jesús en los oídos del Dios de los ejércitos, y por la misma puerta sangrante de la misericordia caen las respuestas en el alma. Nuestros pobres corazones llenos de justicia propia apenas pueden comprender esto; pensamos que debemos tener una buena disposición, o traer una buena obra, o algo bueno en nosotros mismos, para hacer nuestras oraciones aceptables a Dios.
¡Lejos tal pensamiento! No es otra cosa que fruto de la justicia propia. Las “puertas de carbunclo”, las heridas abiertas del Cordero: por ellas sube toda oración, por ellas desciende toda respuesta; y si levantamos cualquier otra cosa, o hacemos una puerta de mérito humano, hacemos afrenta al Espíritu de Dios y echamos menosprecio sobre la gracia y la sangre del Cordero.
“Y todo tu término de piedras de buen gusto”. Los tratos providenciales de Dios, que a menudo forman el engaste exterior de Sus misericordias interiores, son de piedras de buen gusto. Al norte, al sur, al este y al oeste, todos los muros de Sion son de materiales preciosos. Los acontecimientos diarios de la vida, las circunstancias de la familia, de la posición, del empleo, del éxito o de lo contrario, los lazos del afecto doméstico, con todas aquellas variadas circunstancias que parecen más bien los muros y los atrios exteriores que el santuario interior de la experiencia de la gracia: todas ellas son, sin embargo, de material y hechura divinos.
Visto por la fe, cada acontecimiento y circunstancia de la vida, por penoso que parezca, es una piedra de buen gusto; porque Sion es hija del Rey, y el más bajo de todos sus atrios está hecho de piedras de buen gusto. Porque de la sabiduría, es decir, de la piedad vital, leemos: “Sus caminos son caminos deleitosos, y todas sus veredas paz”.
Al lector…
Lector, ¿se queja de que sus vistas de Dios y de Cristo son tan oscuras, semitransparentes como una ventana de ágata? No se desanime; mientras Sion está en la carne, ve por espejo, en obscuridad. Haga, pues, como Daniel, y abra sus ventanas hacia Jerusalén; lo que el ojo no puede contemplar, la fe puede verlo a veces.
Y si busca un camino de acceso a Dios, mire a las puertas de carbunclo, las heridas abiertas del Cordero. Solo por ellas suben las oraciones y descienden las respuestas; no se haga ninguna otra puerta de su propio mérito. Si su camino es ahora doloroso, también esa circunstancia, vista con el ojo de la fe, es una piedra de buen gusto en el término de la hija del Rey. Porque de sus caminos está escrito: “Sus caminos son caminos deleitosos, y todas sus veredas paz”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Bevinding
Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
Psalm 66:16
Bestaat er zoiets als „christelijke ervaring”? Elke van God geleerde ziel zal onmiddellijk antwoorden: „Ja, die bestaat, en ik hoop dat ik haar heb ondervonden.” Maar is die ervaring erg belangrijk? „Ja,” zal dezelfde godgeleerde ziel antwoorden, „van oneindig groot belang; want hemel of hel hangen af van het wel of niet bezitten ervan.” Maar als dit het geval is, hoe komt het dan dat sommigen haar ontkennen en anderen haar belachelijk maken? Hieraan liggen met name twee oorzaken ten grondslag: onwetendheid aan de ene kant, en de vijandschap van het menselijk hart aan de andere kant.
Men zal van nature datgene ontkennen waarvan men niets afweet. En het menselijk hart zit zo vol wanhopige, onverzoenlijke vijandschap tegen God, dat het altijd zal vechten tegen alles wat Zijn beeltenis draagt. We hoeven ons er dus niet over te verwonderen dat ervaring — het werk van God aan de ziel — in al haar verschillende vormen door sommigen wordt ontkend, en door anderen belachelijk gemaakt en veracht.
Maar wat een zegen is het, niet alleen soms iets van een ware christelijke ervaring in ons hart te ervaren, maar deze ook zo duidelijk en gezegend in het Woord Gods beschreven te vinden! Dit zijn twee getuigen: de getuige vanbinnen en de getuige in het Woord der Waarheid. „In de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan” (2 Kor. 13:1). Het is dus een zegen, een onuitsprekelijke zegen voor de Kerk van God, dat elk gevoel dat door de gezegende Geest in het hart van de levende Kerk wordt opgewekt, in Gods boek kan worden teruggevonden. En het is in twee opzichten een zegen.
Het is in de eerste plaats een zegen omdat we soms, als we ons verzetten tegen die waarheden, naar het Woord Gods kunnen wijzen en zeggen: „Het staat hier — kunt u ontkennen wat God Zelf heeft beweerd?” En het is in de tweede plaats een zegen, als we ons afvragen of onze eigen ervaring wel echt en oprecht is, dat zij overeenstemt met het Woord Gods, en dat we zo bewijs hebben dat zij in ons hart is teweeggebracht door dezelfde Geest van God, Die haar in het Woord der Waarheid heeft geopenbaard.
Lezen: Psalm 66
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor u, als u zich soms afvraagt of wat er in uw hart is omgegaan wel echt en oprecht is. Hebt u iets gevoeld van schuld, van vrees, van hoop, van uitzien naar God, en durft u toch niet te zeggen dat het Zijn werk was? Wees er dan niet verlegen mee dat de wereld zulke ervaring ontkent of belachelijk maakt. Men ontkent van nature wat men niet kent, en het menselijk hart vecht tegen alles wat Gods beeltenis draagt.
Maar breng uw ervaring tot het Woord. Daar staat de tweede getuige naast de getuige vanbinnen. Vindt u uw zuchten, uw strijd en uw verlangen in Gods boek terug, dan hebt u een zegen die niet gering is: een bewijs dat dezelfde Geest, Die het Woord geopenbaard heeft, ook in uw hart gewerkt heeft. Hemel of hel hangen daaraan; zoek het dus met ernst, en vertel, als Hij het u geeft, wat Hij aan uw ziel gedaan heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
Psalm 66:16
Bestaat er zoiets als „christelijke ervaring”? Iedere ziel die door God geleerd is, zal onmiddellijk antwoorden: „Ja, die bestaat, en ik hoop dat ik haar heb ondervonden.” Maar is die ervaring erg belangrijk? „Ja,” zal dezelfde door God geleerde ziel antwoorden, „van oneindig groot belang; want hemel of hel hangen af van het wel of niet bezitten ervan.” Maar als dat zo is, hoe komt het dan dat sommigen haar ontkennen en anderen haar belachelijk maken? Daar liggen vooral twee oorzaken aan ten grondslag: onwetendheid aan de ene kant, en de vijandschap van het menselijk hart aan de andere kant.
Van nature ontkent men wat men niet kent. En het menselijk hart zit zo vol wanhopige, onverzoenlijke vijandschap tegen God, dat het altijd zal vechten tegen alles wat Zijn beeltenis draagt. We hoeven ons er dus niet over te verwonderen dat de ervaring — het werk van God aan de ziel — in al haar verschillende vormen door sommigen wordt ontkend, en door anderen belachelijk gemaakt en veracht.
Maar wat een zegen is het om niet alleen soms iets van een ware christelijke ervaring in ons hart te ondervinden, maar die ook zo duidelijk en gezegend in het Woord van God beschreven te vinden! Dat zijn twee getuigen: de getuige vanbinnen en de getuige in het Woord der Waarheid. „In de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan” (2 Kor. 13:1). Het is dus een zegen, een onuitsprekelijke zegen voor de Kerk van God, dat elk gevoel dat de gezegende Geest in het hart van de levende Kerk opwekt, in Gods boek kan worden teruggevonden. En het is in twee opzichten een zegen.
In de eerste plaats is het een zegen omdat we soms, als men zich tegen die waarheden verzet, naar het Woord van God kunnen wijzen en zeggen: „Het staat hier — kunt u ontkennen wat God Zelf heeft beweerd?” En in de tweede plaats is het een zegen wanneer we ons afvragen of onze eigen ervaring wel echt en oprecht is. Dan blijkt dat zij overeenstemt met het Woord van God, en zo hebben we het bewijs dat zij in ons hart is teweeggebracht door dezelfde Geest van God, Die haar in het Woord der Waarheid heeft geopenbaard.
Lezen: Psalm 66
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor u, als u zich soms afvraagt of wat er in uw hart is omgegaan wel echt en oprecht is. Hebt u iets gevoeld van schuld, van vrees, van hoop, van uitzien naar God, en durft u toch niet te zeggen dat het Zijn werk was? Laat u dan niet van uw stuk brengen doordat de wereld zulke ervaring ontkent of belachelijk maakt. Van nature ontkent men wat men niet kent, en het menselijk hart vecht tegen alles wat Gods beeltenis draagt.
Maar breng uw ervaring bij het Woord. Daar staat de tweede getuige naast de getuige vanbinnen. Vindt u uw zuchten, uw strijd en uw verlangen in Gods boek terug, dan hebt u een zegen die niet gering is: een bewijs dat dezelfde Geest, Die het Woord geopenbaard heeft, ook in uw hart gewerkt heeft. Hemel of hel hangen daarvan af. Zoek het dus met ernst, en vertel, als Hij het u geeft, wat Hij aan uw ziel gedaan heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Come and hear, all ye that fear God, and I will declare what He hath done for my soul.
Psalm 66:16
Is there such a thing as “Christian experience”? Every God-taught soul will at once answer, “Yes, there is, and I hope I have known it.” But is that experience very important? “Yes,” the same God-taught soul will answer, “of infinite importance; for heaven or hell hangs upon the possession or the want of it.” But if that be so, how is it that some deny it and others ridicule it? Two causes chiefly lie at the root of this: ignorance on the one hand, and the enmity of the human heart on the other.
By nature men deny what they do not know. And the human heart is so full of desperate, irreconcilable enmity against God that it will always fight against everything that bears His image. We need not wonder, then, that experience — the work of God upon the soul — in all its various forms is denied by some, and ridiculed and despised by others.
But what a blessing it is not only sometimes to feel something of a true Christian experience in our hearts, but also to find it so clearly and blessedly described in the Word of God! These are two witnesses: the witness within and the witness in the Word of truth. “In the mouth of two or three witnesses shall every word be established” (2 Corinthians 13:1). It is therefore a blessing, an unspeakable blessing to the Church of God, that every feeling which the blessed Spirit raises up in the heart of the living Church can be traced out in God’s Book. And it is a blessing in two ways.
In the first place it is a blessing because, when men set themselves against those truths, we can sometimes point to the Word of God and say, “It stands here — can you deny what God Himself has declared?” And in the second place it is a blessing when we ask ourselves whether our own experience is really genuine and sincere. Then it is found to agree with the Word of God, and so we have the evidence that it has been wrought in our hearts by the same Spirit of God Who has revealed it in the Word of truth.
Reading: Psalm 66
To the reader…
These words are for you if you sometimes wonder whether what has passed in your heart is really genuine and sincere. Have you felt something of guilt, of fear, of hope, of looking to God, and yet do not dare to say that it was His work? Then do not be put off because the world denies or ridicules such experience. By nature men deny what they do not know, and the human heart fights against everything that bears God’s image.
But bring your experience to the Word. There the second witness stands beside the witness within. If you find your sighs, your conflict and your longing again in God’s Book, you have no small blessing: an evidence that the same Spirit Who revealed the Word has also wrought in your heart. Heaven or hell hangs upon this. Seek it, then, in earnest, and, if He gives it you, declare what He has done for your soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Venid, oíd todos los que teméis a Dios, y contaré lo que ha hecho a mi alma.
Salmo 66:16
¿Existe tal cosa como la “experiencia cristiana”? Toda alma enseñada por Dios responderá enseguida: “Sí, existe, y espero haberla conocido”. Pero ¿es muy importante esa experiencia? “Sí”, responderá la misma alma enseñada por Dios, “de importancia infinita; porque el cielo o el infierno dependen de poseerla o de carecer de ella”. Pero si es así, ¿cómo es que algunos la niegan y otros la ridiculizan? Dos causas se hallan principalmente en la raíz de esto: la ignorancia por un lado, y la enemistad del corazón humano por otro.
Por naturaleza los hombres niegan lo que no conocen. Y el corazón humano está tan lleno de una enemistad desesperada e irreconciliable contra Dios que siempre luchará contra todo lo que lleva Su imagen. No debemos maravillarnos, pues, de que la experiencia —la obra de Dios en el alma— en todas sus diversas formas sea negada por algunos, y ridiculizada y despreciada por otros.
¡Pero qué bendición es no solo sentir a veces algo de una verdadera experiencia cristiana en nuestro corazón, sino también hallarla descrita tan clara y benditamente en la Palabra de Dios! Estos son dos testigos: el testigo interior y el testigo en la Palabra de verdad. “En la boca de dos o de tres testigos consistirá todo negocio” (2 Corintios 13:1). Es, por tanto, una bendición, una bendición indecible para la Iglesia de Dios, que todo sentimiento que el bendito Espíritu suscita en el corazón de la Iglesia viviente pueda rastrearse en el Libro de Dios. Y es una bendición de dos maneras.
En primer lugar es una bendición porque, cuando los hombres se oponen a esas verdades, a veces podemos señalar la Palabra de Dios y decir: “Aquí está escrito; ¿puede usted negar lo que Dios mismo ha declarado?”. Y en segundo lugar es una bendición cuando nos preguntamos si nuestra propia experiencia es realmente genuina y sincera. Entonces se halla que concuerda con la Palabra de Dios, y así tenemos la evidencia de que ha sido obrada en nuestro corazón por el mismo Espíritu de Dios que la ha revelado en la Palabra de verdad.
Lectura: Salmo 66
Al lector…
Estas palabras son para usted si a veces se pregunta si lo que ha pasado en su corazón es realmente genuino y sincero. ¿Ha sentido algo de culpa, de temor, de esperanza, de mirar a Dios, y sin embargo no se atreve a decir que fue obra Suya? Entonces no se desanime porque el mundo niegue o ridiculice tal experiencia. Por naturaleza los hombres niegan lo que no conocen, y el corazón humano lucha contra todo lo que lleva la imagen de Dios.
Pero lleve su experiencia a la Palabra. Allí el segundo testigo está junto al testigo interior. Si vuelve a hallar sus suspiros, su lucha y su anhelo en el Libro de Dios, tiene usted una bendición no pequeña: una evidencia de que el mismo Espíritu que reveló la Palabra ha obrado también en su corazón. El cielo o el infierno dependen de esto. Búsquelo, pues, con todo empeño, y, si Él se lo concede, cuente lo que ha hecho a su alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Dat wij hebben zodanige Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen; een Bedienaar des heiligdoms en des waren tabernakels, welke de Heere heeft opgericht en geen mens.
Hebreeën 8:1, 2
Onze Heere moest een Hogepriester zijn naar de ordening van Melchizédek. Wij zullen ons herinneren dat Melchizédek Abraham tegemoet ging toen hij wederkeerde van het slaan der koningen, en hem zegende, Gen. 14:19. Op dezelfde wijze zegende onze grote Hogepriester het zaad Abrahams, want zij die uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham; en als gelovigen in de Heere Jezus Christus wandelen zij in zijn voetstappen. Hij geloofde in God, en het werd hem gerekend tot rechtvaardigheid. Doch Melchizédek, als voorbeeld, kon alleen God vragen om Abraham te zegenen. Hij zelf kon de zegen niet schenken.
Maar Jezus, Melchizédeks grote Tegenbeeld, Wiens priesterschap is naar de kracht van het onvergankelijke leven, zegent Zijn volk niet slechts door God te vragen om hen te zegenen, maar Hij Zelf stort zegeningen over hen uit en deelt ze mede uit Zijn volheid, genade voor genade, die zowel heiligen als verlossen kan. Zelfs vóór Zijn vleeswording, als Hij in menselijke gedaante verscheen, in welke verschijning een heenwijzing lag dat Hij in de volheid des tijds in waarheid het vlees en bloed aannemen zou, had Hij de kracht om te zegenen. Zo lezen wij dat, toen Jakob worstelde met de Engel — dit was geen geschapen engel, maar de Engel des verbonds, de Zoon van God Zelf in menselijke gedaante — Hij hem aldaar zegende, waar Jakob eerst gezegd had: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Jakob wist dat geen geschapen engel hem kon zegenen. Daarom zeide hij, toen hij de zegen ontvangen had: „Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.”
Jakob kwam op deze zegen naderhand terug in de zegening van Efraïm en Manasse. Hij zeide: „De Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongens.” Evenzo deed onze Heere onmiddellijk vóór de hemelvaart, als belofte van de giften en genaden die Hij op hen zou nederzenden wanneer Hij verhoogd zou zijn aan des Vaders rechterhand. Hij hief Zijn handen op en zegende Zijn discipelen; en als om te tonen dat Hij hen aldoor zegenen zou, voer Hij zegenende van hen op toen Hij bezit nam van Zijn middelaarstroon, Lukas 24:50, 51.
Aan de lezer…
Lezer, wat hebt u nodig? Iemand die voor u bidt, of Iemand Die u Zelf zegenen kan? Melchizédek kon alleen God vragen Abraham te zegenen; maar onze grote Hogepriester stort de zegeningen Zelf uit, uit Zijn eigen volheid, genade voor genade. Zit u arm en ledig neer, dan hebt u met Hem te doen, Die aan de rechterhand van de troon der Majesteit gezeten is en niets van Zijn kracht om te zegenen verloren heeft.
Leer dan van Jakob. Hij worstelde en hield aan: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Hij wist dat geen geschapen engel hem helpen kon, en daarom liet hij niet los. Houdt u ook aan, al is het met een bezwaard hart? De Heere voer zegenende van Zijn discipelen op, als om te tonen dat Hij hen aldoor zegenen zou. Die handen zijn nog niet neergelaten; ook over u kunnen zij uitgestrekt worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dat wij hebben zodanige Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen; een Bedienaar des heiligdoms en des waren tabernakels, welke de Heere heeft opgericht en geen mens.
Hebreeën 8:1, 2
Onze Heere moest een Hogepriester zijn naar de ordening van Melchizédek. Wij herinneren ons dat Melchizédek Abraham tegemoet ging toen hij terugkeerde van de verslaging van de koningen, en dat hij hem zegende, Gen. 14:19. Op dezelfde manier zegende onze grote Hogepriester het zaad van Abraham, want wie uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham; als gelovigen in de Heere Jezus Christus wandelen zij in zijn voetstappen. Hij geloofde God, en het werd hem tot rechtvaardigheid gerekend. Maar Melchizédek, als voorbeeld, kon alleen God vragen Abraham te zegenen. Zelf kon hij de zegen niet schenken.
Maar Jezus, het grote Tegenbeeld van Melchizédek, Wiens priesterschap is naar de kracht van het onvergankelijke leven, zegent Zijn volk niet alleen door God te vragen hen te zegenen. Hij stort Zelf zegeningen over hen uit en deelt ze mee uit Zijn volheid, genade voor genade, die zowel heiligen als verlossen kan. Zelfs vóór Zijn vleeswording, toen Hij in menselijke gedaante verscheen, had Hij de kracht om te zegenen; en in die verschijning lag een heenwijzing dat Hij in de volheid van de tijd werkelijk vlees en bloed zou aannemen. Zo lezen wij dat, toen Jakob worstelde met de Engel — en dat was geen geschapen engel, maar de Engel van het verbond, de Zoon van God Zelf in menselijke gedaante — Hij hem daar zegende, nadat Jakob eerst gezegd had: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Jakob wist dat geen geschapen engel hem kon zegenen. Daarom zei hij, toen hij de zegen ontvangen had: „Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.”
Later kwam Jakob op deze zegen terug bij de zegening van Efraïm en Manasse. Hij zei: „De Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongens.” Zo deed ook onze Heere vlak vóór de hemelvaart, als belofte van de gaven en genaden die Hij op hen zou neerzenden wanneer Hij verhoogd zou zijn aan de rechterhand van de Vader. Hij hief Zijn handen op en zegende Zijn discipelen; en als om te tonen dat Hij hen altijd zou zegenen, voer Hij zegenend van hen op toen Hij bezit nam van Zijn middelaarstroon, Lukas 24:50, 51.
Aan de lezer…
Lezer, wat hebt u nodig? Iemand die voor u bidt, of Iemand Die u Zelf zegenen kan? Melchizédek kon alleen God vragen Abraham te zegenen; maar onze grote Hogepriester stort de zegeningen Zelf uit, uit Zijn eigen volheid, genade voor genade. Zit u arm en leeg neer, dan hebt u met Hem te doen, Die aan de rechterhand van de troon der Majesteit gezeten is en niets van Zijn kracht om te zegenen verloren heeft.
Leer dan van Jakob. Hij worstelde en hield aan: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Hij wist dat geen geschapen engel hem helpen kon, en daarom liet hij niet los. Houdt u ook aan, ook al is het met een bezwaard hart? De Heere voer zegenend van Zijn discipelen op, als om te tonen dat Hij hen altijd zou zegenen. Die handen zijn nog niet neergelaten; ook over u kunnen zij uitgestrekt worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“We have such an high priest, who is set on the right hand of the throne of the Majesty in the heavens; a minister of the sanctuary, and of the true tabernacle, which the Lord pitched, and not man.”
Hebrews 8:1, 2
Our blessed Lord was to be “a High Priest after the order of Melchizedec.” It will be remembered that Melchizedec met Abraham returning from the slaughter of the kings, and blessed him (Gen. 14:19). In the same way our great High Priest blesses the seed of Abraham; for “they which be of faith are blessed with faithful Abraham;” and as believers in the Lord Jesus Christ, they walk in his steps who “believed God, and it was counted unto him for righteousness.”
But Melchizedec the type could only ask God to bless Abraham. He could not himself confer the blessing; but Jesus, the antitype, our great Melchizedec, Whose priesthood is “after the power of an endless life,” blesses His people, not by merely asking God to bless them, but by Himself showering down blessings upon them, and by communicating to them out of His own fullness every grace which can sanctify as well as save.
Even before His incarnation, when He appeared in human form, as if anticipating in appearance that flesh and blood which He should afterwards assume in reality, He had power to bless. Thus we read that when Jacob wrestled with the Angel, which Angel was no created angel, but the Angel of the covenant, even the Son of God Himself in human shape, he said, “I will not let You go except You bless me.” And in answer to his wrestling cry we read that “He blessed him there.” Jacob knew that no created angel could bless him. He therefore said, when he had got the blessing, “I have seen God face to face, and my life is preserved.” To this blessing Jacob afterwards referred when, in blessing Ephraim and Manasseh, he said, “The Angel which redeemed me from all evil bless the lads.”
Thus, also, our gracious Lord, immediately before His ascension to heaven, as if in anticipation of the gifts and graces which He was to send down upon them when exalted to the right hand of the Father, “lifted up His hands and blessed His disciples;” and as if to show that He would still ever continue to bless them, “He was parted from them and carried up into heaven,” even “while He blessed them,” as if He were blessing them all the way up to heaven, even before He took possession of His mediatorial throne (Luke 24:50, 51).
To the reader…
Reader, what do you need? Someone who prays for you, or One Who can bless you Himself? Melchizedec could only ask God to bless Abraham; but our great High Priest pours out the blessings Himself, out of His own fullness, grace for grace. If you sit down poor and empty, then it is with Him that you have to do, Who is seated at the right hand of the throne of the Majesty and has lost nothing of His power to bless.
Learn, then, from Jacob. He wrestled and held on: “I will not let Thee go, except Thou bless me.” He knew that no created angel could help him, and therefore he would not let go. Are you holding on too, even if it is with a burdened heart? The Lord ascended from His disciples while blessing them, as if to show that He would always bless them. Those hands have not yet been lowered; over you, too, they can be stretched out.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Tenemos tal pontífice que se asentó a la diestra del trono de la Majestad en los cielos; ministro del santuario, y de aquel verdadero tabernáculo que el Señor asentó, y no hombre.”
Hebreos 8:1, 2
Nuestro bendito Señor había de ser “Pontífice según el orden de Melchîsedec”. Se recordará que Melchîsedec salió al encuentro de Abraham cuando volvía de la derrota de los reyes, y lo bendijo (Gén. 14:19). Del mismo modo nuestro gran Sumo Sacerdote bendice a la simiente de Abraham; porque “los de la fe son benditos con el creyente Abraham”; y como creyentes en el Señor Jesucristo, andan en las pisadas de aquel que “creyó a Dios, y le fue imputado a justicia”.
Pero Melchîsedec, el tipo, solo podía pedir a Dios que bendijera a Abraham. No podía él mismo conferir la bendición; pero Jesús, el antitipo, nuestro gran Melchîsedec, Cuyo sacerdocio es “según la virtud de vida indisoluble”, bendice a Su pueblo, no meramente pidiendo a Dios que lo bendiga, sino derramando Él mismo bendiciones sobre ellos, y comunicándoles de Su propia plenitud toda gracia que puede santificar así como salvar.
Aun antes de Su encarnación, cuando apareció en forma humana, como anticipando en apariencia aquella carne y sangre que después había de tomar en realidad, tenía poder para bendecir. Así leemos que cuando Jacob luchó con el Ángel, el cual Ángel no era un ángel creado, sino el Ángel del pacto, el Hijo de Dios mismo en forma humana, dijo: “No te dejaré, si no me bendices.” Y en respuesta a su clamor en la lucha leemos que “le bendijo allí”. Jacob sabía que ningún ángel creado podía bendecirle. Por eso dijo, cuando hubo obtenido la bendición: “Vi a Dios cara a cara, y fue librada mi alma.” A esta bendición se refirió Jacob más tarde cuando, al bendecir a Ephraim y a Manasés, dijo: “El Ángel que me liberta de todo mal, bendiga a estos mozos.”
Así también nuestro clemente Señor, inmediatamente antes de Su ascensión al cielo, como anticipando los dones y las gracias que había de enviar sobre ellos cuando fuera exaltado a la diestra del Padre, “alzando Sus manos, bendijo a Sus discípulos”; y como para mostrar que seguiría bendiciéndolos siempre, “se fue de ellos; y era llevado arriba al cielo”, y eso “mientras los bendecía”, como si los fuera bendiciendo todo el camino hasta el cielo, aun antes de tomar posesión de Su trono de Mediador (Lucas 24:50, 51).
Al lector…
Lector, ¿qué necesita usted? ¿Alguien que ore por usted, o Uno Que pueda bendecirle Él mismo? Melchîsedec solo podía pedir a Dios que bendijera a Abraham; pero nuestro gran Sumo Sacerdote derrama Él mismo las bendiciones, de Su propia plenitud, gracia sobre gracia. Si usted se sienta pobre y vacío, entonces es con Él con Quien tiene que ver, Que está sentado a la diestra del trono de la Majestad y no ha perdido nada de Su poder para bendecir.
Aprenda, pues, de Jacob. Luchó y se mantuvo asido: “No Te dejaré, si no me bendices.” Sabía que ningún ángel creado podía ayudarle, y por eso no quiso soltarse. ¿Se mantiene usted también asido, aunque sea con el corazón cargado? El Señor ascendió de Sus discípulos mientras los bendecía, como para mostrar que siempre los bendeciría. Esas manos aún no se han bajado; también sobre usted pueden extenderse.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl