Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

13 juli Korenaren uit de volle oogst

En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw poorten van robijnstenen, en uw ganse landpalen van aangename stenen.
Jesaja 54:12

De Zon der Gerechtigheid beschijnt Sion niet in al haar glans zolang zij op aarde is. Haar kristallen vensters laten, zolang haar kinderen in het vlees zijn, maar een getemperde glans door. Ook haar inzichten zijn niet helemaal zuiver en helder. Zoals de apostel zegt: „Wij zien door (of in) een spiegel duister”. We hebben niet die heldere blik die de heiligen in de heerlijkheid hebben, waar zij Jezus zien van aangezicht tot aangezicht. Soms hebben we, hoop ik, in onze ziel een gezicht op God en Christus en de hemelse heerlijkheid. Maar die gezichten zijn slechts half doorschijnend, gestreept en dof als een venster van agaat, niet zo helder en klaar als een ruit van glas. Maar zoals Daniël zijn vensters opende naar Jeruzalem, om door het geloof te zien wat hij met het oog niet kon aanschouwen, zo moeten ook wij proberen naar het hemelse Jeruzalem te zien, zodat wij door het geloof „Hem mochten aanschouwen, Die onzichtbaar is.”

Maar de Heere spreekt ook van Sions „poorten”. „En uw poorten van robijnstenen.” De robijn heeft een gloedrode kleur. Waarom zou de Heere juist die kleur voor Sions poorten gekozen hebben? Mogen we niet, zonder het beeld te verwringen, aannemen dat hier een verborgen toespeling is op het bloed van het Lam? Mozes nam scharlaken en wol wanneer hij het volk besprenkelde, en Rachabs huis werd getekend door een scharlaken draad. Kan er dan ook geen betekenis liggen in de kleur van de poorten? Maar „poorten” of deuren geven niet alleen uitgang, maar ook toegang. Hoe hoort God het gebed, en hoe verhoort Hij het ook? Alleen door de „poort van robijn”. Het gebed stijgt op door Jezus, en de antwoorden dalen neer door Jezus. Door Jezus komen de zuchten in de oren van de Heere Sabaoth, en door diezelfde bloedende poort van barmhartigheid druppelen de antwoorden in de ziel. Ons arme, eigengerechtige hart kan dat nauwelijks bevatten. We denken dat we een goede gestalte moeten hebben, een goede daad moeten meebrengen of iets goeds in onszelf moeten hebben om ons gebed voor God aangenaam te maken. Weg met die gedachte! Die is niets anders dan een broedsel van eigengerechtigheid. De „poorten van robijn” zijn de open wonden van het Lam. Alleen daardoor moeten alle gebeden opstijgen en elk antwoord neerdalen. Als we iets anders willen, of een poort maken van menselijke verdienste, bespotten we de Geest van God en werpen we smaad op de genade van het bloed van het Lam.

„En uw ganse landpalen van aangename stenen.” Gods voorzienige leidingen, die vaak de uiterlijke omlijsting vormen van Zijn innerlijke barmhartigheden, zijn van aangename stenen. Noord, zuid, oost en west: alle muren van Sion zijn van kostbaar materiaal. De dagelijkse gebeurtenissen van het leven, de omstandigheden van gezin, positie, werk, voorspoed of tegenspoed, de banden van huiselijke liefde, met al die verschillende omstandigheden die eerder de muren en voorhoven lijken te zijn dan het binnenste heiligdom van de bevinding van de genade: dat alles is toch van Goddelijk materiaal en door God Zelf gemaakt. Wanneer we het met het oog van het geloof zien, is elke gebeurtenis, elke omstandigheid in het leven, hoe pijnlijk die ook lijkt, een aangename steen. Want Sion is een Koningsdochter, en de minste van haar zalen is gemaakt van aangename stenen. Want van de wijsheid, dat is van het leven van God, lezen we: „Haar wegen zijn bekoorlijke wegen, en al haar paden zijn vrede.”

Ps. 136:4

Aan de lezer…

Klaagt u, lezer, dat uw gezichten op God en Christus zo dof zijn, half doorschijnend als een venster van agaat? Wees niet ontmoedigd; zolang Sion in het vlees is, ziet zij door een spiegel duister. Doe dan als Daniël en open uw vensters naar Jeruzalem; wat het oog niet kan aanschouwen, mag het geloof soms zien.

En zoekt u een toegang tot God, kijk dan naar de poorten van robijn, de open wonden van het Lam. Alleen daardoor stijgen de gebeden op en dalen de antwoorden neer; maak uzelf geen andere poort van eigen verdienste. Is uw weg nu pijnlijk, dan is ook die omstandigheid, met het oog van het geloof gezien, een aangename steen in de landpalen van de Koningsdochter. Want van haar wegen staat geschreven: „Haar wegen zijn bekoorlijke wegen, en al haar paden zijn vrede.”

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

13 juli 365 dagen met Philpot

Bevinding

Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
Psalm 66:16

Bestaat er zoiets als „christelijke ervaring”? Iedere ziel die door God geleerd is, zal onmiddellijk antwoorden: „Ja, die bestaat, en ik hoop dat ik haar heb ondervonden.” Maar is die ervaring erg belangrijk? „Ja,” zal dezelfde door God geleerde ziel antwoorden, „van oneindig groot belang; want hemel of hel hangen af van het wel of niet bezitten ervan.” Maar als dat zo is, hoe komt het dan dat sommigen haar ontkennen en anderen haar belachelijk maken? Daar liggen vooral twee oorzaken aan ten grondslag: onwetendheid aan de ene kant, en de vijandschap van het menselijk hart aan de andere kant.

Van nature ontkent men wat men niet kent. En het menselijk hart zit zo vol wanhopige, onverzoenlijke vijandschap tegen God, dat het altijd zal vechten tegen alles wat Zijn beeltenis draagt. We hoeven ons er dus niet over te verwonderen dat de ervaring — het werk van God aan de ziel — in al haar verschillende vormen door sommigen wordt ontkend, en door anderen belachelijk gemaakt en veracht.

Maar wat een zegen is het om niet alleen soms iets van een ware christelijke ervaring in ons hart te ondervinden, maar die ook zo duidelijk en gezegend in het Woord van God beschreven te vinden! Dat zijn twee getuigen: de getuige vanbinnen en de getuige in het Woord der Waarheid. „In de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan” (2 Kor. 13:1). Het is dus een zegen, een onuitsprekelijke zegen voor de Kerk van God, dat elk gevoel dat de gezegende Geest in het hart van de levende Kerk opwekt, in Gods boek kan worden teruggevonden. En het is in twee opzichten een zegen.

In de eerste plaats is het een zegen omdat we soms, als men zich tegen die waarheden verzet, naar het Woord van God kunnen wijzen en zeggen: „Het staat hier — kunt u ontkennen wat God Zelf heeft beweerd?” En in de tweede plaats is het een zegen wanneer we ons afvragen of onze eigen ervaring wel echt en oprecht is. Dan blijkt dat zij overeenstemt met het Woord van God, en zo hebben we het bewijs dat zij in ons hart is teweeggebracht door dezelfde Geest van God, Die haar in het Woord der Waarheid heeft geopenbaard.

Lezen: Psalm 66

Aan de lezer…

Deze woorden zijn voor u, als u zich soms afvraagt of wat er in uw hart is omgegaan wel echt en oprecht is. Hebt u iets gevoeld van schuld, van vrees, van hoop, van uitzien naar God, en durft u toch niet te zeggen dat het Zijn werk was? Laat u dan niet van uw stuk brengen doordat de wereld zulke ervaring ontkent of belachelijk maakt. Van nature ontkent men wat men niet kent, en het menselijk hart vecht tegen alles wat Gods beeltenis draagt.

Maar breng uw ervaring bij het Woord. Daar staat de tweede getuige naast de getuige vanbinnen. Vindt u uw zuchten, uw strijd en uw verlangen in Gods boek terug, dan hebt u een zegen die niet gering is: een bewijs dat dezelfde Geest, Die het Woord geopenbaard heeft, ook in uw hart gewerkt heeft. Hemel of hel hangen daarvan af. Zoek het dus met ernst, en vertel, als Hij het u geeft, wat Hij aan uw ziel gedaan heeft.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

13 juli Door Baca’s vallei

Dat wij hebben zodanige Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen; een Bedienaar des heiligdoms en des waren tabernakels, welke de Heere heeft opgericht en geen mens.
Hebreeën 8:1, 2

Onze Heere moest een Hogepriester zijn naar de ordening van Melchizédek. Wij herinneren ons dat Melchizédek Abraham tegemoet ging toen hij terugkeerde van de verslaging van de koningen, en dat hij hem zegende, Gen. 14:19. Op dezelfde manier zegende onze grote Hogepriester het zaad van Abraham, want wie uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham; als gelovigen in de Heere Jezus Christus wandelen zij in zijn voetstappen. Hij geloofde God, en het werd hem tot rechtvaardigheid gerekend. Maar Melchizédek, als voorbeeld, kon alleen God vragen Abraham te zegenen. Zelf kon hij de zegen niet schenken.

Maar Jezus, het grote Tegenbeeld van Melchizédek, Wiens priesterschap is naar de kracht van het onvergankelijke leven, zegent Zijn volk niet alleen door God te vragen hen te zegenen. Hij stort Zelf zegeningen over hen uit en deelt ze mee uit Zijn volheid, genade voor genade, die zowel heiligen als verlossen kan. Zelfs vóór Zijn vleeswording, toen Hij in menselijke gedaante verscheen, had Hij de kracht om te zegenen; en in die verschijning lag een heenwijzing dat Hij in de volheid van de tijd werkelijk vlees en bloed zou aannemen. Zo lezen wij dat, toen Jakob worstelde met de Engel — en dat was geen geschapen engel, maar de Engel van het verbond, de Zoon van God Zelf in menselijke gedaante — Hij hem daar zegende, nadat Jakob eerst gezegd had: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Jakob wist dat geen geschapen engel hem kon zegenen. Daarom zei hij, toen hij de zegen ontvangen had: „Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.”

Later kwam Jakob op deze zegen terug bij de zegening van Efraïm en Manasse. Hij zei: „De Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongens.” Zo deed ook onze Heere vlak vóór de hemelvaart, als belofte van de gaven en genaden die Hij op hen zou neerzenden wanneer Hij verhoogd zou zijn aan de rechterhand van de Vader. Hij hief Zijn handen op en zegende Zijn discipelen; en als om te tonen dat Hij hen altijd zou zegenen, voer Hij zegenend van hen op toen Hij bezit nam van Zijn middelaarstroon, Lukas 24:50, 51.

Aan de lezer…

Lezer, wat hebt u nodig? Iemand die voor u bidt, of Iemand Die u Zelf zegenen kan? Melchizédek kon alleen God vragen Abraham te zegenen; maar onze grote Hogepriester stort de zegeningen Zelf uit, uit Zijn eigen volheid, genade voor genade. Zit u arm en leeg neer, dan hebt u met Hem te doen, Die aan de rechterhand van de troon der Majesteit gezeten is en niets van Zijn kracht om te zegenen verloren heeft.

Leer dan van Jakob. Hij worstelde en hield aan: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Hij wist dat geen geschapen engel hem helpen kon, en daarom liet hij niet los. Houdt u ook aan, ook al is het met een bezwaard hart? De Heere voer zegenend van Zijn discipelen op, als om te tonen dat Hij hen altijd zou zegenen. Die handen zijn nog niet neergelaten; ook over u kunnen zij uitgestrekt worden.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina