July 13
En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw poorten van robijnstenen, en uw ganse landpalen van aangename stenen.
Jesaja 54:12
De Zon der Gerechtigheid beschijnt Zion niet in al haar glans, zolang zij op aarde is; haar kristallen vensters zijn, zolang zij in het vlees zijn, in glans getemperd. Haar inzichten zijn ook niet geheel en al zuiver en helder; zoals de apostel zegt: „Wij zien door (of in) een spiegel duister”; wij hebben niet die heldere blik welke de heiligen hebben in heerlijkheid, waar zij Jezus zien van aangezicht tot aangezicht. Wij hebben soms, hoop ik, in onze ziel gezichten op God en Christus en de hemelse heerlijkheid; maar die gezichten zijn maar half doorschijnend, gestreept en dof gelijk een venster van agaat, niet zo helder en klaar als een vensterruit van glas. Maar evenals Daniël zijn vensters opende naar Jeruzalem, opdat hij door het geloof zien mocht wat hij door het oog niet kon aanschouwen, zo moeten ook wij trachten naar het hemels Jeruzalem te zien, opdat wij door het geloof „Hem mochten aanschouwen, Die onzichtbaar is.”
Maar de Heere spreekt van Zions „poorten”. „En uw poorten van robijnstenen.” De robijn heeft een gloedrode kleur; en waarom zou de Heere juist voor Zions poorten die kleur gekozen hebben? Mogen wij niet, zonder het beeld te verwringen, aannemen dat er een verborgen zinspeling is op het bloed des Lams? Evenals door Mozes scharlaken en wol werd genomen wanneer hij het volk besprengde, en evenals Rachabs huis getekend werd door een scharlaken draad, kan er dan ook niet een betekenis liggen in de kleur der poorten? Maar „poorten” of deuren geven niet alleen uitgang, maar ook ingang. Hoe hoort God het gebed, en hoe verhoort Hij het ook? Alleen door de „poort van robijn”. Het gebed klimt op door Jezus, en de antwoorden dalen af door Jezus; door Jezus komen de zuchten in de oren van de Heere Sebaoth, en door diezelfde bloedende poort der barmhartigheid druppelen de antwoorden in de ziel. Ons arm, eigengerechtig hart kan dit nauwelijks begrijpen; wij menen dat wij een goede gestalte moeten hebben, of een goed werk moeten aanbrengen, of iets goeds in onszelf, om onze gebeden Gode aangenaam te maken. Weg met die gedachte! Zij is niets dan een broedsel der eigengerechtigheid. De „poorten van robijn”, de open wonden van het Lam: door deze alleen moeten alle gebeden opstijgen, door deze elk antwoord afdalen; en zo wij iets anders willen of een poort maken van menselijke verdienste, bespotten wij de Geest van God en storten smaad uit over de genade van het bloed des Lams.
„En uw ganse landpalen van aangename stenen.” Gods voorzienige bedelingen, die dikwijls de uitwendige omlijsting vormen van Zijn inwendige barmhartigheden, zijn van aangename stenen. Noord, zuid, oost en west: al Zions muren zijn van kostelijke stof. De dagelijkse gebeurtenissen des levens, de omstandigheden van huisgezin, stand, beroep, voorspoed of het tegendeel, de banden der huiselijke liefde, met al die menigvuldige omstandigheden die veeleer de muren en voorhoven dan het binnenste heiligdom der genadige bevinding schijnen te zijn — dit alles is toch van Goddelijke stof en Goddelijk maaksel. Door het geloof gezien, is elke gebeurtenis, elke omstandigheid in het leven, hoe smartelijk die ook schijne, een aangename steen; want Zion is een Koningsdochter, en de minste harer zalen is gemaakt van aangename stenen. Want van de wijsheid, dat is, van het leven Gods, lezen wij: „Haar wegen zijn bekoorlijke wegen, en al haar paden zijn vrede.”
Ps. 136:4
Aan de lezer…
Klaagt u, lezer, dat uw gezichten op God en Christus zo dof zijn, half doorschijnend als een venster van agaat? Wees niet ontmoedigd; zolang Zion in het vlees is, ziet zij door een spiegel duister. Doe dan als Daniël en open uw vensters naar Jeruzalem; wat het oog niet kan aanschouwen, mag het geloof soms zien.
En zoekt u een ingang tot God, zie dan naar de poorten van robijn, de open wonden van het Lam. Door deze alleen stijgen de gebeden op en dalen de antwoorden af; maak u geen andere poort van eigen verdienste. Is uw weg nu smartelijk, door het geloof gezien is ook die omstandigheid een aangename steen in de landpalen van de Koningsdochter. Want van haar wegen staat geschreven: „Haar wegen zijn bekoorlijke wegen, en al haar paden zijn vrede.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw poorten van robijnstenen, en uw ganse landpalen van aangename stenen.
Jesaja 54:12
De Zon der Gerechtigheid beschijnt Sion niet in al haar glans zolang zij op aarde is. Haar kristallen vensters laten, zolang haar kinderen in het vlees zijn, maar een getemperde glans door. Ook haar inzichten zijn niet helemaal zuiver en helder. Zoals de apostel zegt: „Wij zien door (of in) een spiegel duister”. We hebben niet die heldere blik die de heiligen in de heerlijkheid hebben, waar zij Jezus zien van aangezicht tot aangezicht. Soms hebben we, hoop ik, in onze ziel een gezicht op God en Christus en de hemelse heerlijkheid. Maar die gezichten zijn slechts half doorschijnend, gestreept en dof als een venster van agaat, niet zo helder en klaar als een ruit van glas. Maar zoals Daniël zijn vensters opende naar Jeruzalem, om door het geloof te zien wat hij met het oog niet kon aanschouwen, zo moeten ook wij proberen naar het hemelse Jeruzalem te zien, zodat wij door het geloof „Hem mochten aanschouwen, Die onzichtbaar is.”
Maar de Heere spreekt ook van Sions „poorten”. „En uw poorten van robijnstenen.” De robijn heeft een gloedrode kleur. Waarom zou de Heere juist die kleur voor Sions poorten gekozen hebben? Mogen we niet, zonder het beeld te verwringen, aannemen dat hier een verborgen toespeling is op het bloed van het Lam? Mozes nam scharlaken en wol wanneer hij het volk besprenkelde, en Rachabs huis werd getekend door een scharlaken draad. Kan er dan ook geen betekenis liggen in de kleur van de poorten? Maar „poorten” of deuren geven niet alleen uitgang, maar ook toegang. Hoe hoort God het gebed, en hoe verhoort Hij het ook? Alleen door de „poort van robijn”. Het gebed stijgt op door Jezus, en de antwoorden dalen neer door Jezus. Door Jezus komen de zuchten in de oren van de Heere Sabaoth, en door diezelfde bloedende poort van barmhartigheid druppelen de antwoorden in de ziel. Ons arme, eigengerechtige hart kan dat nauwelijks bevatten. We denken dat we een goede gestalte moeten hebben, een goede daad moeten meebrengen of iets goeds in onszelf moeten hebben om ons gebed voor God aangenaam te maken. Weg met die gedachte! Die is niets anders dan een broedsel van eigengerechtigheid. De „poorten van robijn” zijn de open wonden van het Lam. Alleen daardoor moeten alle gebeden opstijgen en elk antwoord neerdalen. Als we iets anders willen, of een poort maken van menselijke verdienste, bespotten we de Geest van God en werpen we smaad op de genade van het bloed van het Lam.
„En uw ganse landpalen van aangename stenen.” Gods voorzienige leidingen, die vaak de uiterlijke omlijsting vormen van Zijn innerlijke barmhartigheden, zijn van aangename stenen. Noord, zuid, oost en west: alle muren van Sion zijn van kostbaar materiaal. De dagelijkse gebeurtenissen van het leven, de omstandigheden van gezin, positie, werk, voorspoed of tegenspoed, de banden van huiselijke liefde, met al die verschillende omstandigheden die eerder de muren en voorhoven lijken te zijn dan het binnenste heiligdom van de bevinding van de genade: dat alles is toch van Goddelijk materiaal en door God Zelf gemaakt. Wanneer we het met het oog van het geloof zien, is elke gebeurtenis, elke omstandigheid in het leven, hoe pijnlijk die ook lijkt, een aangename steen. Want Sion is een Koningsdochter, en de minste van haar zalen is gemaakt van aangename stenen. Want van de wijsheid, dat is van het leven van God, lezen we: „Haar wegen zijn bekoorlijke wegen, en al haar paden zijn vrede.”
Ps. 136:4
Aan de lezer…
Klaagt u, lezer, dat uw gezichten op God en Christus zo dof zijn, half doorschijnend als een venster van agaat? Wees niet ontmoedigd; zolang Sion in het vlees is, ziet zij door een spiegel duister. Doe dan als Daniël en open uw vensters naar Jeruzalem; wat het oog niet kan aanschouwen, mag het geloof soms zien.
En zoekt u een toegang tot God, kijk dan naar de poorten van robijn, de open wonden van het Lam. Alleen daardoor stijgen de gebeden op en dalen de antwoorden neer; maak uzelf geen andere poort van eigen verdienste. Is uw weg nu pijnlijk, dan is ook die omstandigheid, met het oog van het geloof gezien, een aangename steen in de landpalen van de Koningsdochter. Want van haar wegen staat geschreven: „Haar wegen zijn bekoorlijke wegen, en al haar paden zijn vrede.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I will make thy windows of agates, and thy gates of carbuncles, and all thy borders of pleasant stones.
Isaiah 54:12
Upon Zion in her time-state “the Sun of righteousness” does not shine in all His brightness; the “windows of agate,” while she is in the flesh, temper His rays. Her prospects, also, are not fully bright and clear; as the Apostle speaks, “We see through” (or in) “a glass darkly;” we have not those clear views which the saints have in glory, where they see Jesus face to face. We have prospects sometimes, I hope, in our souls, of God, and Christ, and heavenly glory; but still these views are but semi-transparent, streaked and clouded like a window of agate, not bright and clear as a pane of plate glass. But as Daniel opened his windows toward Jerusalem, that he might see by faith what he could not see by sight, so should we aim to look towards the heavenly Jerusalem, that by faith we may there “see Him Who is invisible.”
But the Lord speaks of Zion’s “gates.” “And your gates of carbuncles.” The carbuncle is of a blood-red color; and why should the Lord have chosen that Zion’s gates should be of this peculiar hue? May we not, without wresting the figure too closely, believe that there is some mystic allusion here to the blood of the Lamb? As scarlet wool was taken by Moses, when he sprinkled the people, and as Rahab’s house was marked by a scarlet thread, may there not be something here significant in the color of the gates?
But “gates,” or doors, not only give exit, but admission. How does God hear prayer, and answer it too? Only through the “gate of carbuncle.” Prayer ascends through Jesus, and answers descend through Jesus; groans through Jesus enter the ears of the God of Sabaoth, and through the same bleeding gate of mercy do answers drop into the soul. Our poor self-righteous hearts can hardly comprehend this; we think we must have a good frame, or bring a good deed, or something good in ourselves, to make our prayers acceptable to God.
Perish the thought! It is nothing but the spawn of self-righteousness. The “gates of carbuncle,” the open wounds of the Lamb, through these every prayer ascends, through these every answer comes down; and if we set up anything else, or make a gate of human merit, we do despite to the Spirit of God, and pour contempt upon the grace and blood of the Lamb.
“And all thy borders of pleasant stones.” God’s providential dealings, which often form the outer setting of His inward mercies, are of pleasant stones. North, south, east, west, all Zion’s walls are of precious materials. The daily events of life, the circumstances of family, station, employment, success, or the contrary, the ties of domestic affection, with all those varied circumstances which seem rather the walls and outer courts than the inner sanctuary of gracious experience—yet all these are of divine material and workmanship.
Viewed by faith, every event and circumstance of life, however apparently grievous, is a pleasant stone; for Zion is a King’s daughter, and the lowest of all her courts is made of pleasant stones. For of wisdom, that is, vital godliness, we read, “Her ways are ways of pleasantness, and all her paths are peace.”
To the reader…
Reader, do you complain that your views of God and of Christ are so dim, half transparent like a window of agate? Do not be discouraged; as long as Zion is in the flesh, she sees through a glass darkly. Do, then, as Daniel did, and open your windows toward Jerusalem; what the eye cannot behold, faith may sometimes see.
And if you are seeking a way of access to God, look to the gates of carbuncle, the open wounds of the Lamb. Only through them do prayers ascend and answers come down; do not make yourself any other gate of your own merit. If your way is painful now, then that circumstance too, seen with the eye of faith, is a pleasant stone in the borders of the King’s daughter. For of her ways it is written: “Her ways are ways of pleasantness, and all her paths are peace.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y tus ventanas pondré de ágatas, tus puertas de piedras de carbunclo, y todo tu término de piedras de buen gusto.
Isaías 54:12
Sobre Sion, en su estado temporal, “el Sol de justicia” no brilla con todo Su resplandor; las “ventanas de ágata”, mientras ella está en la carne, templan Sus rayos. Sus perspectivas tampoco son del todo resplandecientes y claras; como dice el apóstol: “Ahora vemos por espejo, en obscuridad”; no tenemos aquellas vistas claras que tienen los santos en la gloria, donde ven a Jesús cara a cara. Tenemos a veces, espero, perspectivas en nuestras almas de Dios, de Cristo y de la gloria celestial; pero aun así estas vistas no son más que semitransparentes, veteadas y nubladas como una ventana de ágata, no resplandecientes y claras como un cristal de luna. Pero así como Daniel abría sus ventanas hacia Jerusalén, para ver por la fe lo que no podía ver con la vista, así deberíamos procurar mirar hacia la Jerusalén celestial, para que allí, por la fe, “veamos al Invisible”.
Pero el Señor habla de las “puertas” de Sion: “Y tus puertas de piedras de carbunclo”. El carbunclo es de color rojo sangre; ¿y por qué habría elegido el Señor que las puertas de Sion fueran de este color peculiar? ¿No podemos creer, sin forzar demasiado la figura, que hay aquí alguna alusión mística a la sangre del Cordero? Así como Moisés tomó lana escarlata cuando roció al pueblo, y así como la casa de Rahab fue señalada con un cordón de grana, ¿no habrá aquí algo significativo en el color de las puertas?
Pero las “puertas” no solo dan salida, sino también entrada. ¿Cómo oye Dios la oración, y cómo la contesta también? Solo por la “puerta de carbunclo”. La oración sube por Jesús, y las respuestas descienden por Jesús; los gemidos entran por Jesús en los oídos del Dios de los ejércitos, y por la misma puerta sangrante de la misericordia caen las respuestas en el alma. Nuestros pobres corazones llenos de justicia propia apenas pueden comprender esto; pensamos que debemos tener una buena disposición, o traer una buena obra, o algo bueno en nosotros mismos, para hacer nuestras oraciones aceptables a Dios.
¡Lejos tal pensamiento! No es otra cosa que fruto de la justicia propia. Las “puertas de carbunclo”, las heridas abiertas del Cordero: por ellas sube toda oración, por ellas desciende toda respuesta; y si levantamos cualquier otra cosa, o hacemos una puerta de mérito humano, hacemos afrenta al Espíritu de Dios y echamos menosprecio sobre la gracia y la sangre del Cordero.
“Y todo tu término de piedras de buen gusto”. Los tratos providenciales de Dios, que a menudo forman el engaste exterior de Sus misericordias interiores, son de piedras de buen gusto. Al norte, al sur, al este y al oeste, todos los muros de Sion son de materiales preciosos. Los acontecimientos diarios de la vida, las circunstancias de la familia, de la posición, del empleo, del éxito o de lo contrario, los lazos del afecto doméstico, con todas aquellas variadas circunstancias que parecen más bien los muros y los atrios exteriores que el santuario interior de la experiencia de la gracia: todas ellas son, sin embargo, de material y hechura divinos.
Visto por la fe, cada acontecimiento y circunstancia de la vida, por penoso que parezca, es una piedra de buen gusto; porque Sion es hija del Rey, y el más bajo de todos sus atrios está hecho de piedras de buen gusto. Porque de la sabiduría, es decir, de la piedad vital, leemos: “Sus caminos son caminos deleitosos, y todas sus veredas paz”.
Al lector…
Lector, ¿se queja de que sus vistas de Dios y de Cristo son tan oscuras, semitransparentes como una ventana de ágata? No se desanime; mientras Sion está en la carne, ve por espejo, en obscuridad. Haga, pues, como Daniel, y abra sus ventanas hacia Jerusalén; lo que el ojo no puede contemplar, la fe puede verlo a veces.
Y si busca un camino de acceso a Dios, mire a las puertas de carbunclo, las heridas abiertas del Cordero. Solo por ellas suben las oraciones y descienden las respuestas; no se haga ninguna otra puerta de su propio mérito. Si su camino es ahora doloroso, también esa circunstancia, vista con el ojo de la fe, es una piedra de buen gusto en el término de la hija del Rey. Porque de sus caminos está escrito: “Sus caminos son caminos deleitosos, y todas sus veredas paz”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl