13 de julio
Dat wij hebben zodanige Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen; een Bedienaar des heiligdoms en des waren tabernakels, welke de Heere heeft opgericht en geen mens.
Hebreeën 8:1, 2
Onze Heere moest een Hogepriester zijn naar de ordening van Melchizédek. Wij zullen ons herinneren dat Melchizédek Abraham tegemoet ging toen hij wederkeerde van het slaan der koningen, en hem zegende, Gen. 14:19. Op dezelfde wijze zegende onze grote Hogepriester het zaad Abrahams, want zij die uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham; en als gelovigen in de Heere Jezus Christus wandelen zij in zijn voetstappen. Hij geloofde in God, en het werd hem gerekend tot rechtvaardigheid. Doch Melchizédek, als voorbeeld, kon alleen God vragen om Abraham te zegenen. Hij zelf kon de zegen niet schenken.
Maar Jezus, Melchizédeks grote Tegenbeeld, Wiens priesterschap is naar de kracht van het onvergankelijke leven, zegent Zijn volk niet slechts door God te vragen om hen te zegenen, maar Hij Zelf stort zegeningen over hen uit en deelt ze mede uit Zijn volheid, genade voor genade, die zowel heiligen als verlossen kan. Zelfs vóór Zijn vleeswording, als Hij in menselijke gedaante verscheen, in welke verschijning een heenwijzing lag dat Hij in de volheid des tijds in waarheid het vlees en bloed aannemen zou, had Hij de kracht om te zegenen. Zo lezen wij dat, toen Jakob worstelde met de Engel — dit was geen geschapen engel, maar de Engel des verbonds, de Zoon van God Zelf in menselijke gedaante — Hij hem aldaar zegende, waar Jakob eerst gezegd had: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Jakob wist dat geen geschapen engel hem kon zegenen. Daarom zeide hij, toen hij de zegen ontvangen had: „Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.”
Jakob kwam op deze zegen naderhand terug in de zegening van Efraïm en Manasse. Hij zeide: „De Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongens.” Evenzo deed onze Heere onmiddellijk vóór de hemelvaart, als belofte van de giften en genaden die Hij op hen zou nederzenden wanneer Hij verhoogd zou zijn aan des Vaders rechterhand. Hij hief Zijn handen op en zegende Zijn discipelen; en als om te tonen dat Hij hen aldoor zegenen zou, voer Hij zegenende van hen op toen Hij bezit nam van Zijn middelaarstroon, Lukas 24:50, 51.
Aan de lezer…
Lezer, wat hebt u nodig? Iemand die voor u bidt, of Iemand Die u Zelf zegenen kan? Melchizédek kon alleen God vragen Abraham te zegenen; maar onze grote Hogepriester stort de zegeningen Zelf uit, uit Zijn eigen volheid, genade voor genade. Zit u arm en ledig neer, dan hebt u met Hem te doen, Die aan de rechterhand van de troon der Majesteit gezeten is en niets van Zijn kracht om te zegenen verloren heeft.
Leer dan van Jakob. Hij worstelde en hield aan: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Hij wist dat geen geschapen engel hem helpen kon, en daarom liet hij niet los. Houdt u ook aan, al is het met een bezwaard hart? De Heere voer zegenende van Zijn discipelen op, als om te tonen dat Hij hen aldoor zegenen zou. Die handen zijn nog niet neergelaten; ook over u kunnen zij uitgestrekt worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dat wij hebben zodanige Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen; een Bedienaar des heiligdoms en des waren tabernakels, welke de Heere heeft opgericht en geen mens.
Hebreeën 8:1, 2
Onze Heere moest een Hogepriester zijn naar de ordening van Melchizédek. Wij herinneren ons dat Melchizédek Abraham tegemoet ging toen hij terugkeerde van de verslaging van de koningen, en dat hij hem zegende, Gen. 14:19. Op dezelfde manier zegende onze grote Hogepriester het zaad van Abraham, want wie uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham; als gelovigen in de Heere Jezus Christus wandelen zij in zijn voetstappen. Hij geloofde God, en het werd hem tot rechtvaardigheid gerekend. Maar Melchizédek, als voorbeeld, kon alleen God vragen Abraham te zegenen. Zelf kon hij de zegen niet schenken.
Maar Jezus, het grote Tegenbeeld van Melchizédek, Wiens priesterschap is naar de kracht van het onvergankelijke leven, zegent Zijn volk niet alleen door God te vragen hen te zegenen. Hij stort Zelf zegeningen over hen uit en deelt ze mee uit Zijn volheid, genade voor genade, die zowel heiligen als verlossen kan. Zelfs vóór Zijn vleeswording, toen Hij in menselijke gedaante verscheen, had Hij de kracht om te zegenen; en in die verschijning lag een heenwijzing dat Hij in de volheid van de tijd werkelijk vlees en bloed zou aannemen. Zo lezen wij dat, toen Jakob worstelde met de Engel — en dat was geen geschapen engel, maar de Engel van het verbond, de Zoon van God Zelf in menselijke gedaante — Hij hem daar zegende, nadat Jakob eerst gezegd had: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Jakob wist dat geen geschapen engel hem kon zegenen. Daarom zei hij, toen hij de zegen ontvangen had: „Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.”
Later kwam Jakob op deze zegen terug bij de zegening van Efraïm en Manasse. Hij zei: „De Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongens.” Zo deed ook onze Heere vlak vóór de hemelvaart, als belofte van de gaven en genaden die Hij op hen zou neerzenden wanneer Hij verhoogd zou zijn aan de rechterhand van de Vader. Hij hief Zijn handen op en zegende Zijn discipelen; en als om te tonen dat Hij hen altijd zou zegenen, voer Hij zegenend van hen op toen Hij bezit nam van Zijn middelaarstroon, Lukas 24:50, 51.
Aan de lezer…
Lezer, wat hebt u nodig? Iemand die voor u bidt, of Iemand Die u Zelf zegenen kan? Melchizédek kon alleen God vragen Abraham te zegenen; maar onze grote Hogepriester stort de zegeningen Zelf uit, uit Zijn eigen volheid, genade voor genade. Zit u arm en leeg neer, dan hebt u met Hem te doen, Die aan de rechterhand van de troon der Majesteit gezeten is en niets van Zijn kracht om te zegenen verloren heeft.
Leer dan van Jakob. Hij worstelde en hield aan: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent.” Hij wist dat geen geschapen engel hem helpen kon, en daarom liet hij niet los. Houdt u ook aan, ook al is het met een bezwaard hart? De Heere voer zegenend van Zijn discipelen op, als om te tonen dat Hij hen altijd zou zegenen. Die handen zijn nog niet neergelaten; ook over u kunnen zij uitgestrekt worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“We have such an high priest, who is set on the right hand of the throne of the Majesty in the heavens; a minister of the sanctuary, and of the true tabernacle, which the Lord pitched, and not man.”
Hebrews 8:1, 2
Our blessed Lord was to be “a High Priest after the order of Melchizedec.” It will be remembered that Melchizedec met Abraham returning from the slaughter of the kings, and blessed him (Gen. 14:19). In the same way our great High Priest blesses the seed of Abraham; for “they which be of faith are blessed with faithful Abraham;” and as believers in the Lord Jesus Christ, they walk in his steps who “believed God, and it was counted unto him for righteousness.”
But Melchizedec the type could only ask God to bless Abraham. He could not himself confer the blessing; but Jesus, the antitype, our great Melchizedec, Whose priesthood is “after the power of an endless life,” blesses His people, not by merely asking God to bless them, but by Himself showering down blessings upon them, and by communicating to them out of His own fullness every grace which can sanctify as well as save.
Even before His incarnation, when He appeared in human form, as if anticipating in appearance that flesh and blood which He should afterwards assume in reality, He had power to bless. Thus we read that when Jacob wrestled with the Angel, which Angel was no created angel, but the Angel of the covenant, even the Son of God Himself in human shape, he said, “I will not let You go except You bless me.” And in answer to his wrestling cry we read that “He blessed him there.” Jacob knew that no created angel could bless him. He therefore said, when he had got the blessing, “I have seen God face to face, and my life is preserved.” To this blessing Jacob afterwards referred when, in blessing Ephraim and Manasseh, he said, “The Angel which redeemed me from all evil bless the lads.”
Thus, also, our gracious Lord, immediately before His ascension to heaven, as if in anticipation of the gifts and graces which He was to send down upon them when exalted to the right hand of the Father, “lifted up His hands and blessed His disciples;” and as if to show that He would still ever continue to bless them, “He was parted from them and carried up into heaven,” even “while He blessed them,” as if He were blessing them all the way up to heaven, even before He took possession of His mediatorial throne (Luke 24:50, 51).
To the reader…
Reader, what do you need? Someone who prays for you, or One Who can bless you Himself? Melchizedec could only ask God to bless Abraham; but our great High Priest pours out the blessings Himself, out of His own fullness, grace for grace. If you sit down poor and empty, then it is with Him that you have to do, Who is seated at the right hand of the throne of the Majesty and has lost nothing of His power to bless.
Learn, then, from Jacob. He wrestled and held on: “I will not let Thee go, except Thou bless me.” He knew that no created angel could help him, and therefore he would not let go. Are you holding on too, even if it is with a burdened heart? The Lord ascended from His disciples while blessing them, as if to show that He would always bless them. Those hands have not yet been lowered; over you, too, they can be stretched out.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Tenemos tal pontífice que se asentó a la diestra del trono de la Majestad en los cielos; ministro del santuario, y de aquel verdadero tabernáculo que el Señor asentó, y no hombre.”
Hebreos 8:1, 2
Nuestro bendito Señor había de ser “Pontífice según el orden de Melchîsedec”. Se recordará que Melchîsedec salió al encuentro de Abraham cuando volvía de la derrota de los reyes, y lo bendijo (Gén. 14:19). Del mismo modo nuestro gran Sumo Sacerdote bendice a la simiente de Abraham; porque “los de la fe son benditos con el creyente Abraham”; y como creyentes en el Señor Jesucristo, andan en las pisadas de aquel que “creyó a Dios, y le fue imputado a justicia”.
Pero Melchîsedec, el tipo, solo podía pedir a Dios que bendijera a Abraham. No podía él mismo conferir la bendición; pero Jesús, el antitipo, nuestro gran Melchîsedec, Cuyo sacerdocio es “según la virtud de vida indisoluble”, bendice a Su pueblo, no meramente pidiendo a Dios que lo bendiga, sino derramando Él mismo bendiciones sobre ellos, y comunicándoles de Su propia plenitud toda gracia que puede santificar así como salvar.
Aun antes de Su encarnación, cuando apareció en forma humana, como anticipando en apariencia aquella carne y sangre que después había de tomar en realidad, tenía poder para bendecir. Así leemos que cuando Jacob luchó con el Ángel, el cual Ángel no era un ángel creado, sino el Ángel del pacto, el Hijo de Dios mismo en forma humana, dijo: “No te dejaré, si no me bendices.” Y en respuesta a su clamor en la lucha leemos que “le bendijo allí”. Jacob sabía que ningún ángel creado podía bendecirle. Por eso dijo, cuando hubo obtenido la bendición: “Vi a Dios cara a cara, y fue librada mi alma.” A esta bendición se refirió Jacob más tarde cuando, al bendecir a Ephraim y a Manasés, dijo: “El Ángel que me liberta de todo mal, bendiga a estos mozos.”
Así también nuestro clemente Señor, inmediatamente antes de Su ascensión al cielo, como anticipando los dones y las gracias que había de enviar sobre ellos cuando fuera exaltado a la diestra del Padre, “alzando Sus manos, bendijo a Sus discípulos”; y como para mostrar que seguiría bendiciéndolos siempre, “se fue de ellos; y era llevado arriba al cielo”, y eso “mientras los bendecía”, como si los fuera bendiciendo todo el camino hasta el cielo, aun antes de tomar posesión de Su trono de Mediador (Lucas 24:50, 51).
Al lector…
Lector, ¿qué necesita usted? ¿Alguien que ore por usted, o Uno Que pueda bendecirle Él mismo? Melchîsedec solo podía pedir a Dios que bendijera a Abraham; pero nuestro gran Sumo Sacerdote derrama Él mismo las bendiciones, de Su propia plenitud, gracia sobre gracia. Si usted se sienta pobre y vacío, entonces es con Él con Quien tiene que ver, Que está sentado a la diestra del trono de la Majestad y no ha perdido nada de Su poder para bendecir.
Aprenda, pues, de Jacob. Luchó y se mantuvo asido: “No Te dejaré, si no me bendices.” Sabía que ningún ángel creado podía ayudarle, y por eso no quiso soltarse. ¿Se mantiene usted también asido, aunque sea con el corazón cargado? El Señor ascendió de Sus discípulos mientras los bendecía, como para mostrar que siempre los bendeciría. Esas manos aún no se han bajado; también sobre usted pueden extenderse.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl