6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil.
Psalm 35:3
Om het water goed te houden, moet het voortdurend stromen; en om het leven Gods in de ziel te behouden, moet er voortdurend oefening zijn. Daarom heeft ’s Heeren volk zo velerlei strijd, beproeving, pijnlijke oefeningen, diepe smart en zware verzoekingen, om ze levend in God te houden; om hen buiten die trage, vadsige, ellendige staat van vleselijke gerustheid en dodelijke verzekerdheid te brengen en te houden, waarin zo menigeen schijnt ingeslapen te zijn; ingeslapen, gelijk de zeeman in de top van de mast, niet wetende welk een verschrikkelijke golf daar beneden hem bruist.
Daarom beproeft de Heere de rechtvaardigen. Hij wil niet toelaten dat Zijn volk stille zij in Zion; dat het op zijn droesem ruste en in een ellendige Moabietische toestand gerake. Daartoe zendt Hij bezoekingen over hen en laat Satan toe hen te verzoeken en te belagen. En onder dat gevoel verwekt de Heilige Geest in hen nu en dan deze verzuchting en uitroep: „Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil!” Gij, Heere, Gij alleen kunt mij redden; niets dan Uw stem kan van vrede tot mijn geweten fluisteren; niets dan Uw bloed kan de schuld die als een zware last op mijn hart drukt, wegnemen; niets dan Uw liefde, door de Heilige Geest in mij uitgestort, kan mijn ziel in U gelukkig maken.
„Zou God zijn gena vergeten,
nooit meer van ontferming weten,
heeft Hij zijn barmhartigheên
door zijn gramschap afgesneên?”
’k Zei daarna: „Dit krenkt mij ’t leven,
maar God zal verand’ring geven.
D’Allerhoogste maakt het goed:
na het zure geeft Hij ’t zoet.”
Ps. 77:6
Aan de lezer…
Wie ziet hoe vol strijd, zorg en verzoeking zijn weg is, terwijl anderen zo rustig voortgaan, vraagt zich af waarom dat zo is; misschien doet u dat ook. Laat ik het eerlijk zeggen: water dat stilstaat, bederft. De Heere wil niet dat Zijn volk op zijn droesem rust, ingeslapen in vleselijke gerustheid als de zeeman in de top van de mast. Daarom beproeft Hij de rechtvaardigen, niet om hen te verderven, maar om hen levend in Hem te houden.
En juist onder die last wekt de Heilige Geest de bede: „Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil!” Kent u die zucht? Dan weet u ook dat niets anders u helpen kan: geen eigen werk, geen troost van mensen, maar alleen Zijn stem die vrede fluistert, Zijn bloed dat de schuld wegneemt, Zijn liefde die de ziel gelukkig maakt. Houd dan aan met die bede. Hij die u zo leert roepen, zal ook antwoorden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil.
Psalm 35:3
Om water goed te houden, moet het voortdurend stromen; en om het leven van God in de ziel te bewaren, moet er voortdurend oefening zijn. Daarom heeft het volk van de Heere zoveel verschillende strijd, beproeving, pijnlijke oefeningen, diepe smart en zware verzoekingen: om hen levend in God te houden. Zo worden zij weggebracht en weggehouden uit die trage, lusteloze, ellendige staat van vleselijke gerustheid en dodelijke zelfverzekerdheid waarin zo velen ingeslapen lijken te zijn. Ingeslapen als de zeeman in de top van de mast, die niet weet wat voor verschrikkelijke golf daar beneden hem bruist.
Daarom beproeft de Heere de rechtvaardigen. Hij wil niet toelaten dat Zijn volk stil is in Sion, dat het op zijn droesem rust en in een ellendige Moabitische toestand terechtkomt. Daartoe zendt Hij bezoekingen over hen en laat Hij de satan toe om hen te verzoeken en te belagen. En onder dat gevoel wekt de Heilige Geest in hen nu en dan deze verzuchting en uitroep: „Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil!”
U, Heere, U alleen kunt mij redden. Niets dan Uw stem kan vrede fluisteren tot mijn geweten. Niets dan Uw bloed kan de schuld wegnemen die als een zware last op mijn hart drukt. Niets dan Uw liefde, door de Heilige Geest in mij uitgestort, kan mijn ziel in U gelukkig maken.
„Zou God zijn gena vergeten,
nooit meer van ontferming weten,
heeft Hij zijn barmhartigheên
door zijn gramschap afgesneên?”
’k Zei daarna: „Dit krenkt mij ’t leven,
maar God zal verand’ring geven.
D’Allerhoogste maakt het goed:
na het zure geeft Hij ’t zoet.”
Ps. 77:6
Aan de lezer…
Wie ziet hoe vol strijd, zorg en verzoeking zijn weg is, terwijl anderen zo rustig voortgaan, vraagt zich af waarom dat zo is; misschien doet u dat ook. Laat ik het eerlijk zeggen: water dat stilstaat, bederft. De Heere wil niet dat Zijn volk op zijn droesem rust, ingeslapen in vleselijke gerustheid als de zeeman in de top van de mast. Daarom beproeft Hij de rechtvaardigen, niet om hen te verderven, maar om hen levend in Hem te houden.
En juist onder die last wekt de Heilige Geest de bede: „Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil!” Kent u die zucht? Dan weet u ook dat niets anders u kan helpen: geen eigen werk, geen troost van mensen, maar alleen Zijn stem die vrede fluistert, Zijn bloed dat de schuld wegneemt, Zijn liefde die de ziel gelukkig maakt. Houd dan aan met die bede. Hij Die u zo leert roepen, zal ook antwoorden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Say unto my soul, I am thy salvation.
Psalm 35:3
To keep water fresh, it must be perpetually running. And to keep the life of God up in the soul, there must be continual exercises. This is the reason why the Lord’s people have so many conflicts, trials, painful exercises, sharp sorrows, and deep temptations–to keep them alive unto God; to bring them out of, and to keep them out of that slothful, sluggish, wretched state of carnal security and dead assurance in which so many seem to have fallen asleep–fallen asleep like the sailor upon the top of the mast, not knowing what a fearful gulf is boiling up below. The Lord, therefore, “tries the righteous.” He will not allow His people to be at ease in Zion; to be settled on their lees, and get into a wretched Moabitish state. He therefore sends afflictions upon them, tribulations, and trials, and allows Satan to tempt and harass them.
And under these feelings the blessed Spirit, from time to time, raises up in them this sigh and cry, “Say unto my soul, I am your salvation.” None but Yourself, Lord, can save me; nothing short of Your voice can whisper peace to my conscience; nothing short of Your blood can speak away guilt from lying as a heavy burden upon my heart; nothing short of Your love shed abroad by the Holy Spirit can make my soul happy in Yourself.
To the reader…
Whoever sees how full of conflict, care and temptation his own way is, while others go on so quietly, wonders why that should be; perhaps you do too. Let me say it honestly: water that stands still goes bad. The Lord does not want His people to be settled on their lees, fallen asleep in carnal security like the sailor upon the top of the mast. That is why He tries the righteous, not to destroy them, but to keep them alive unto Him.
And it is under that very burden that the Holy Spirit raises up the prayer, “Say unto my soul, I am thy salvation.” Do you know that sigh? Then you also know that nothing else can help you: no work of your own, no comfort from men, but only His voice whispering peace, His blood taking away the guilt, His love making the soul happy. Persevere, then, in that prayer. He Who teaches you to cry like this will also answer.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Di a mi alma: Yo soy tu salud.
Salmo 35:3
Para que el agua se mantenga fresca, debe correr continuamente. Y para mantener viva la vida de Dios en el alma, tiene que haber ejercicios continuos. Esta es la razón por la que el pueblo del Señor tiene tantos conflictos, pruebas, ejercicios dolorosos, agudas tristezas y profundas tentaciones: para mantenerlos vivos para Dios; para sacarlos, y mantenerlos fuera, de ese estado perezoso, lerdo y miserable de seguridad carnal y certeza muerta en el que tantos parecen haberse dormido; dormidos como el marinero en lo alto del mástil, sin saber qué abismo espantoso hierve debajo. Por eso el Señor “prueba al justo”. No permitirá que Su pueblo esté reposado en Sión, que esté asentado sobre su sedimento y caiga en un miserable estado moabita. Por eso envía sobre ellos aflicciones, tribulaciones y pruebas, y permite que Satanás los tiente y los acose.
Y bajo estos sentimientos el bendito Espíritu, de tiempo en tiempo, levanta en ellos este suspiro y clamor: “Di a mi alma: Yo soy tu salud”. Nadie sino Tú, Señor, puede salvarme; nada menos que Tu voz puede susurrar paz a mi conciencia; nada menos que Tu sangre puede quitar la culpa que pesa como una carga sobre mi corazón; nada menos que Tu amor, derramado por el Espíritu Santo, puede hacer feliz a mi alma en Ti.
Al lector…
Quien ve cuán lleno de conflicto, cuidado y tentación está su propio camino, mientras otros siguen tan tranquilos, se pregunta por qué ha de ser así; quizá usted también. Permítame decirlo con franqueza: el agua que se estanca se corrompe. El Señor no quiere que Su pueblo esté asentado sobre su sedimento, dormido en la seguridad carnal como el marinero en lo alto del mástil. Por eso prueba al justo, no para destruirlo, sino para mantenerlo vivo para Él.
Y es precisamente bajo esa carga donde el Espíritu Santo levanta la oración: “Di a mi alma: Yo soy tu salud”. ¿Conoce usted ese suspiro? Entonces sabe también que ninguna otra cosa puede ayudarle: ninguna obra propia, ningún consuelo de los hombres, sino solo Su voz que susurra paz, Su sangre que quita la culpa, Su amor que hace feliz al alma. Persevere, pues, en esa oración. El que le enseña a clamar así también responderá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die overwint
En op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
Openbaring 2:17
Hier wordt naar een ander gebruik verwezen. In vroeger tijden was het gebruikelijk op een steen de naam van de kandidaat op wie men wilde stemmen te schrijven. Als er twee, drie, vier of tien kandidaten voor een ambt waren, en iemand de mening te kennen wilde geven dat een bepaalde kandidaat gekozen moest worden, met andere woorden, als hij zijn stem op een bepaalde kandidaat uitbracht, schreef hij de naam van de kandidaat op een steen en stopte die steen in een urn. Degene wiens naam het meest voorkwam, werd als door de meerderheid van het volk gekozen beschouwd.
De Heere zinspeelt hierop in de tekst, waarin Hij zegt: „En op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.” Wat is deze nieuwe naam? Is het geen nieuw hart, een nieuwe natuur — Christus in de ziel, de hoop op de heerlijkheid? Dit is de „nieuwe naam, welke niemand kent, dan die hem ontvangt”. Nieuwe gevoelens van liefde die naar de dierbare Heere uitgaan, nieuwe zuchten van het hart dat zacht is geworden in ontzag voor Hem, nieuw genieten van Zijn geopenbaarde aanwezigheid, nieuwe gewaarwordingen van het werk van de Geest aan de ziel, met andere woorden: een nieuw hart, een nieuwe natuur, nieuw gemaakt door Hem Die op de troon zit.
Lezen: Genesis 32:9-32
Aan de lezer…
Weet u iets van die nieuwe naam, „welke niemand kent, dan die hem ontvangt”? Het is niet iets wat anderen u kunnen geven of uitleggen. Het is een nieuw hart, een nieuwe natuur, Christus in de ziel, de hoop der heerlijkheid. Het zijn de nieuwe zuchten van een hart dat zacht is geworden in ontzag voor Hem, en de nieuwe liefde die naar de dierbare Heere uitgaat.
Misschien, waarde lezer, durft u niet te zeggen dat u die naam bezit. U voelt nog zoveel van het oude in u. Maar vraag uzelf eerlijk af: is er niet iets in uw hart dat er vroeger niet was? Een verlangen naar Hem, een droefheid over de zonde, een honger naar Zijn aanwezigheid? Zulke dingen groeien niet uit de oude natuur. Ze zijn gewerkt door Hem Die op de troon zit en alle dingen nieuw maakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
Openbaring 2:17
Hier wordt verwezen naar een ander gebruik. In vroeger tijden was het gewoonte om op een steen de naam te schrijven van de kandidaat op wie men wilde stemmen. Als er twee, drie, vier of tien kandidaten voor een ambt waren, en iemand wilde laten weten dat een bepaalde kandidaat gekozen moest worden, met andere woorden, als hij zijn stem op een bepaalde kandidaat uitbracht, schreef hij de naam van die kandidaat op een steen en deed die steen in een urn. Hij wiens naam het vaakst voorkwam, werd beschouwd als gekozen door de meerderheid van het volk.
Daarop zinspeelt de Heere in de tekst, waar Hij zegt: „En op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.” Wat is deze nieuwe naam? Is het niet een nieuw hart, een nieuwe natuur, Christus in de ziel, de hoop der heerlijkheid? Dat is de „nieuwe naam, welke niemand kent, dan die hem ontvangt”. Nieuwe gevoelens van liefde die uitgaan naar de dierbare Heere, nieuwe zuchten van een hart dat zacht is geworden in ontzag voor Hem, nieuw genieten van Zijn geopenbaarde tegenwoordigheid, nieuwe gewaarwordingen van het werk van de Geest aan de ziel; met andere woorden: een nieuw hart, een nieuwe natuur, nieuw gemaakt door Hem Die op de troon zit.
Lezen: Genesis 32:9-32
Aan de lezer…
Weet u iets van die nieuwe naam, „welke niemand kent, dan die hem ontvangt”? Het is niet iets wat anderen u kunnen geven of uitleggen. Het is een nieuw hart, een nieuwe natuur, Christus in de ziel, de hoop der heerlijkheid. Het zijn de nieuwe zuchten van een hart dat zacht is geworden in ontzag voor Hem, en de nieuwe liefde die naar de dierbare Heere uitgaat.
Misschien durft u niet te zeggen dat u die naam bezit. U voelt nog zoveel van het oude in u. Maar vraag uzelf eerlijk af: is er niet iets in uw hart dat er vroeger niet was? Een verlangen naar Hem, een droefheid over de zonde, een honger naar Zijn tegenwoordigheid? Zulke dingen groeien niet uit de oude natuur. Ze zijn gewerkt door Hem Die op de troon zit en alle dingen nieuw maakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And in the stone a new name written, which no man knoweth saving he that receiveth it.
Revelation 2:17
Here allusion is made to another custom. In ancient times it was usual to write upon a stone the name of the candidate for whom a man wished to vote. If there were two, three, four or ten candidates for an office, and a man wished to make known that a certain candidate should be chosen, in other words, if he gave his vote to a particular candidate, he wrote the name of that candidate upon a stone and put the stone into an urn. He whose name appeared most often was considered to be chosen by the majority of the people.
To this the Lord alludes in the text, where He says, “And in the stone a new name written, which no man knoweth saving he that receiveth it.” What is this new name? Is it not a new heart, a new nature, Christ in the soul, the hope of glory? That is the “new name, which no man knoweth saving he that receiveth it.” New feelings of love going out towards the precious Lord, new sighs of a heart made soft in reverence before Him, new enjoyment of His manifested presence, new sensations of the work of the Spirit upon the soul; in other words: a new heart, a new nature, made new by Him that sitteth upon the throne.
Reading: Genesis 32:9-32
To the reader…
Do you know anything of that new name, “which no man knoweth saving he that receiveth it”? It is not something that others can give you or explain to you. It is a new heart, a new nature, Christ in the soul, the hope of glory. It is the new sighs of a heart made soft in reverence before Him, and the new love that goes out towards the precious Lord.
Perhaps you do not dare to say that you possess that name. You still feel so much of the old in you. But ask yourself honestly: is there not something in your heart that was not there before? A longing for Him, a sorrow over sin, a hunger for His presence? Such things do not grow out of the old nature. They are wrought by Him Who sits upon the throne and makes all things new.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y en la piedrecita un nombre nuevo escrito, el cual ninguno conoce sino aquel que lo recibe.
Apocalipsis 2:17
Aquí se alude a otra costumbre. En tiempos antiguos era usual escribir sobre una piedrecita el nombre del candidato por el cual uno deseaba votar. Si había dos, tres, cuatro o diez candidatos para un cargo, y alguien deseaba dar a conocer que cierto candidato debía ser elegido, en otras palabras, si daba su voto a un candidato determinado, escribía el nombre de ese candidato sobre una piedrecita y ponía la piedrecita en una urna. Aquel cuyo nombre aparecía con más frecuencia era considerado elegido por la mayoría del pueblo.
A esto alude el Señor en el texto, donde dice: “Y en la piedrecita un nombre nuevo escrito, el cual ninguno conoce sino aquel que lo recibe”. ¿Qué es este nombre nuevo? ¿No es un corazón nuevo, una naturaleza nueva, Cristo en el alma, la esperanza de gloria? Ese es el “nombre nuevo, el cual ninguno conoce sino aquel que lo recibe”. Nuevos sentimientos de amor que salen hacia el precioso Señor, nuevos suspiros de un corazón enternecido en reverencia delante de Él, nuevo gozo de Su presencia manifestada, nuevas sensaciones de la obra del Espíritu sobre el alma; en otras palabras: un corazón nuevo, una naturaleza nueva, hechos nuevos por Aquel que está sentado sobre el trono.
Lectura: Génesis 32:9-32
Al lector…
¿Conoce usted algo de ese nombre nuevo, “el cual ninguno conoce sino aquel que lo recibe”? No es algo que otros puedan darle o explicarle. Es un corazón nuevo, una naturaleza nueva, Cristo en el alma, la esperanza de gloria. Son los nuevos suspiros de un corazón enternecido en reverencia delante de Él, y el nuevo amor que sale hacia el precioso Señor.
Quizá no se atreva a decir que posee ese nombre. Todavía siente tanto de lo viejo en usted. Pero pregúntese con sinceridad: ¿no hay algo en su corazón que antes no estaba? ¿Un anhelo de Él, un dolor por el pecado, un hambre de Su presencia? Tales cosas no brotan de la naturaleza vieja. Son obradas por Aquel que está sentado sobre el trono y hace nuevas todas las cosas.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft.
Lukas 22:29
Voor wie is dit Koninkrijk verordineerd? Voor de vermetele, de hoogmoedige, de schijnheilige en de eigengerechtige? Neen, voor dezen niet. „Ik verordineer u.” U, die steeds met Mij geweest zijt in Mijn verdrukking; u, die verzocht en verdrukt wordt; u, die wandelt in het pad van zware beproeving; u, die de voetstappen drukt van een lijdende Jezus; u, die de smartelijke oefening der verzoeking kent, en toch daarin zijt versterkt geworden met kracht in uw ziel om zelfs tot den bloede toe te kunnen tegenstaan, strijdende tegen de zonde, zodat gij daardoor niet wordt weggevoerd, noch erdoor overwonnen zijt geworden.
Welk Koninkrijk is het? Het is hetzelfde Koninkrijk dat de Vader aan Jezus gegeven heeft. „Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijk Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft.” Nu, wat is het Koninkrijk dat God de Vader Zijn beminde Zoon verordineerd heeft? Is het te zitten op een troon gelijk een aards monarch? Een kroon te dragen en een scepter te zwaaien? „Mijn Koninkrijk,” zei de Heere Jezus, „is niet van deze wereld” (Joh. 18:36).
Het Koninkrijk van de Heere des levens en der heerlijkheid diende om een eind te maken aan de heerschappij der zonde, om de dood te vernietigen en teniet te doen degene die het geweld des doods had, dat is de duivel. Het dient om geestelijke heerschappij te voeren in de harten Zijner uitverkorenen; om te zijn een Koning en Heere in Sion en te heersen over de gewillige genegenheden van Zijn onderdanen. Het is een Koninkrijk der rechtvaardigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest; een Koninkrijk der genade, door de gezegende Geest opgericht in het hart; een geestelijk Koninkrijk, hetwelk niemand kan zien of er ingaan dan degenen die uit de Geest geboren zijn. Het Koninkrijk is een geestelijk Koninkrijk en bevat een volk dat Hem zien zal gelijk Hij is; een volk dat Hem verheerlijkt, Hem bemint en liefheeft.
Een koninkrijk kan niet hetzelfde zijn voor de souverein en de onderdaan wanneer het een aards en tijdelijk karakter heeft. Als een aards koning zijn koninkrijk zou gaan toedelen aan zijn onderdanen, dan zou het ophouden een koninkrijk te zijn en zou het een republiek worden. Maar zo is het niet met een geestelijk Koninkrijk. Jezus vermindert Zijn genade niet door de mededeling van Zijn genade aan Zijn onderdanen, noch vermindert Hij Zijn blijdschap door de blijdschap in hun harten te schenken; noch ook wordt Zijn heerlijkheid bezoedeld door de mededeling daarvan aan Zijn volk. De zon heeft noch licht, noch warmte verloren door het uitzenden van de talloze miljoenen stralen sinds zij geschapen werd. Zo verliest ook de Zon der gerechtigheid niets van de volheid die in Hem is, door de mededeling van Zijn genade en heerlijkheid. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; Hij is onuitputtelijk.
Nu, dit Koninkrijk, hetwelk Hij verordineert aan Zijn beproefde en aangevochten discipelen, is het Koninkrijk der genade in het hart; het Koninkrijk van God in de ziel, de tegenwoordigheid van Jezus in het hart en de openbaring van dat Koninkrijk waarvan in Daniël 2:44 gesproken wordt, dat het zich verheffen zal op de bouwvallen van alle andere koninkrijken, nadat het deze heeft vermaald en tenietgedaan.
Aan de lezer…
Voor wie is dit Koninkrijk? Niet voor de hoogmoedige en eigengerechtige, maar voor u, beproefde en aangevochten ziel, die de voetstappen van een lijdende Jezus drukt. Lieve lezer, als u in de strijd tegen de zonde staat en u zo zwak voelt, hoor dan wat de Heere zegt: „Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft.” Het is geen aardse troon met kroon en scepter, maar het Koninkrijk der genade in het hart: rechtvaardigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest.
En vrees niet dat er voor u te weinig overblijft. De zon heeft niets verloren door haar talloze stralen uit te zenden; zo verliest ook de Zon der gerechtigheid niets van Zijn volheid wanneer Hij genade en heerlijkheid aan Zijn volk meedeelt. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. Komt dan met uw armoede tot Hem; Hij is onuitputtelijk, en Zijn Koninkrijk zal blijven wanneer alle andere vergaan zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft.
Lukas 22:29
Voor wie is dit Koninkrijk verordineerd? Voor de vermetele, de hoogmoedige, de schijnheilige en de eigengerechtige? Nee, niet voor hen. „Ik verordineer u.” U, die steeds met Mij geweest bent in Mijn verdrukking; u, die verzocht en verdrukt wordt; u, die het pad van zware beproeving gaat; u, die de voetstappen drukt van een lijdende Jezus; u, die de smartelijke oefening van de verzoeking kent, en daarin toch met kracht in uw ziel versterkt bent om zelfs tot den bloede toe te kunnen tegenstaan, strijdend tegen de zonde, zodat u er niet door wordt meegesleept en er ook niet door overwonnen bent.
Welk Koninkrijk is het? Het is hetzelfde Koninkrijk dat de Vader aan Jezus gegeven heeft. „Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijk Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft.” Wat is nu het Koninkrijk dat God de Vader voor Zijn geliefde Zoon verordineerd heeft? Is het op een troon zitten zoals een aards vorst? Een kroon dragen en een scepter zwaaien? „Mijn Koninkrijk,” zei de Heere Jezus, „is niet van deze wereld” (Joh. 18:36).
Het Koninkrijk van de Heere van het leven en van de heerlijkheid diende om een eind te maken aan de heerschappij van de zonde, om de dood te vernietigen en teniet te doen degene die het geweld des doods had, dat is de duivel. Het dient om geestelijke heerschappij te voeren in de harten van Zijn uitverkorenen, om Koning en Heere te zijn in Sion en te heersen over de gewillige genegenheden van Zijn onderdanen. Het is een Koninkrijk van rechtvaardigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest; een Koninkrijk van genade, door de gezegende Geest in het hart opgericht; een geestelijk Koninkrijk, dat niemand kan zien of binnengaan dan zij die uit de Geest geboren zijn. Het Koninkrijk is een geestelijk Koninkrijk en omvat een volk dat Hem zien zal zoals Hij is, een volk dat Hem verheerlijkt, Hem bemint en liefheeft.
Een koninkrijk kan niet hetzelfde zijn voor de vorst en de onderdaan, wanneer het een aards en tijdelijk karakter heeft. Als een aardse koning zijn koninkrijk onder zijn onderdanen zou gaan verdelen, zou het ophouden een koninkrijk te zijn en zou het een republiek worden. Maar zo is het niet met een geestelijk Koninkrijk. Jezus vermindert Zijn genade niet door die aan Zijn onderdanen mee te delen. Hij vermindert ook Zijn blijdschap niet door blijdschap in hun harten te schenken, en ook Zijn heerlijkheid wordt niet bezoedeld doordat Hij die aan Zijn volk meedeelt. De zon heeft noch licht, noch warmte verloren door het uitzenden van talloze miljoenen stralen sinds zij geschapen werd. Zo verliest ook de Zon der gerechtigheid niets van de volheid die in Hem is, door Zijn genade en heerlijkheid mee te delen. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; Hij is onuitputtelijk.
Dit Koninkrijk nu, dat Hij aan Zijn beproefde en aangevochten discipelen verordineert, is het Koninkrijk van de genade in het hart: het Koninkrijk van God in de ziel, de tegenwoordigheid van Jezus in het hart en de openbaring van dat Koninkrijk waarover in Daniël 2:44 gesproken wordt. Het zal zich verheffen op de puinhopen van alle andere koninkrijken, nadat het die heeft vermaald en tenietgedaan.
Aan de lezer…
Voor wie is dit Koninkrijk? Niet voor de hoogmoedige en eigengerechtige, maar voor u, beproefde en aangevochten ziel, die de voetstappen van een lijdende Jezus drukt. Als u in de strijd tegen de zonde staat en u zo zwak voelt, hoor dan wat de Heere zegt: „Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft.” Het is geen aardse troon met kroon en scepter, maar het Koninkrijk van de genade in het hart: rechtvaardigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest.
En wees niet bang dat er voor u te weinig overblijft. De zon heeft niets verloren door haar talloze stralen uit te zenden. Zo verliest ook de Zon der gerechtigheid niets van Zijn volheid wanneer Hij genade en heerlijkheid aan Zijn volk meedeelt. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. Kom dan met uw armoede tot Hem. Hij is onuitputtelijk, en Zijn Koninkrijk zal blijven wanneer alle andere vergaan zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I appoint unto you a kingdom, as My Father hath appointed unto Me.
Luke 22:29
For whom is this kingdom appointed? For the presumptuous, the proud, the hypocritical, and the self-righteous? No; not for these. “I appoint unto you,” you that “have continued with Me in My temptations;” you that are tempted and exercised; you that walk in the paths of tribulation; you that follow in the print of the footsteps of a suffering Jesus; you that know the painful exercises of temptation, and yet are strengthened with strength in your inner man, to “resist even unto blood, striving against sin,” so as not to be carried away or overwhelmed by it. What kingdom is this? It is the same kingdom that the Father has given to Jesus. “I appoint unto you a kingdom, just as My Father has appointed unto Me.”
Now what is the kingdom which God the Father appointed unto His dear Son? Is it to sit upon a throne like an earthly monarch? To wear a diadem, and carry a scepter? “My kingdom,” said Jesus, “is not of this world” (John 18:36). The kingdom of the Lord of life and glory was to make an end of sin, to abolish death, and “destroy him that had the power of death, that is, the devil;” to reign spiritually in the hearts of His chosen; to be King and Lord in Zion, and to rule over the willing affections of His subjects; a kingdom of righteousness, and peace, and joy in the Holy Spirit; a kingdom of grace set up by the blessed Spirit in the heart; a spiritual kingdom which none can see or enter into but those who are born of the Spirit.
His kingdom is a spiritual kingdom, and consists in having a people to see Him as He is, a people to glorify Him, a people to love Him, and a people for Him to love. A kingdom cannot be the same to sovereign and subject, when it is of an earthly and temporal nature. Were the earthly monarch to impart his kingdom to his subjects, it would cease to be a kingdom, and become a republic. But not so with a spiritual kingdom. Jesus does not diminish His own grace by imparting it to His people, nor lessen His own joy by shedding it abroad in their hearts, nor sully His own glory by communicating of it to them.
The sun has lost no light nor warmth by the countless millions of rays that have issued from it since it was first created. Nor does the glorious Sun of righteousness lose the fullness that is in Him by communicating of His grace and glory. In Him dwells all the fullness of the Godhead bodily, unexhausted and inexhaustible. Then this kingdom which He appoints to His tried and tempted disciples is the kingdom of grace in the heart; the kingdom of God in the soul; the presence of Jesus within; the manifestation of that kingdom which is spoken of in Daniel 2:44, as set up on the ruins of all the other kingdoms, when it has broken them in pieces.
To the reader…
For whom is this kingdom? Not for the proud and self-righteous, but for you, tried and tempted soul, who walk in the footsteps of a suffering Jesus. If you stand in the battle against sin and feel so weak, then hear what the Lord says: “I appoint unto you a kingdom, as My Father hath appointed unto Me.” It is no earthly throne with crown and sceptre, but the kingdom of grace in the heart: righteousness, and peace, and joy in the Holy Ghost.
And do not be afraid that too little will be left for you. The sun has lost nothing by sending out its countless rays. So neither does the Sun of righteousness lose anything of His fullness when He imparts grace and glory to His people. In Him dwells all the fullness of the Godhead bodily. Come to Him, then, with your poverty. He is inexhaustible, and His kingdom will stand when all others have passed away.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Yo pues os ordeno un reino, como Mi Padre Me lo ordenó a Mí.
Lucas 22:29
¿Para quién está ordenado este reino? ¿Para los presuntuosos, los soberbios, los hipócritas y los justos en su propia opinión? No; no para estos. “Yo os ordeno”, a vosotros que “habéis permanecido conMigo en Mis tentaciones”; a vosotros que sois tentados y ejercitados; a vosotros que andáis por las sendas de la tribulación; a vosotros que seguís las huellas de un Jesús sufriente; a vosotros que conocéis los dolorosos ejercicios de la tentación, y sin embargo sois fortalecidos con fuerza en el hombre interior para “resistir hasta la sangre, combatiendo contra el pecado”, de modo que no seáis arrastrados ni abrumados por él. ¿Qué reino es este? Es el mismo reino que el Padre ha dado a Jesús. “Yo os ordeno un reino, como Mi Padre Me lo ordenó a Mí.”
Ahora bien, ¿cuál es el reino que Dios Padre ordenó a Su amado Hijo? ¿Es sentarse en un trono como un monarca terrenal? ¿Llevar una diadema y empuñar un cetro? “Mi reino”, dijo Jesús, “no es de este mundo” (Juan 18:36). El reino del Señor de la vida y de la gloria consistía en acabar con el pecado, abolir la muerte y “destruir al que tenía el imperio de la muerte, es a saber, al diablo”; en reinar espiritualmente en el corazón de Sus escogidos; en ser Rey y Señor en Sion y gobernar sobre los afectos voluntarios de Sus súbditos: un reino de justicia, y paz, y gozo por el Espíritu Santo; un reino de gracia establecido por el bendito Espíritu en el corazón; un reino espiritual que nadie puede ver ni en el que nadie puede entrar sino los nacidos del Espíritu.
Su reino es un reino espiritual, y consiste en tener un pueblo que Le vea como Él es, un pueblo que Le glorifique, un pueblo que Le ame y un pueblo a quien Él ame. Un reino no puede ser lo mismo para el soberano y para el súbdito cuando es de naturaleza terrenal y temporal. Si el monarca terrenal repartiera su reino entre sus súbditos, dejaría de ser un reino y se convertiría en una república. Pero no es así con un reino espiritual. Jesús no disminuye Su propia gracia al impartirla a Su pueblo, ni mengua Su propio gozo al derramarlo en el corazón de ellos, ni empaña Su propia gloria al comunicársela.
El sol no ha perdido luz ni calor por los innumerables millones de rayos que han salido de él desde que fue creado. Tampoco el glorioso Sol de justicia pierde la plenitud que hay en Él al comunicar Su gracia y Su gloria. En Él habita toda la plenitud de la Divinidad corporalmente, sin agotarse e inagotable. Así pues, este reino que Él ordena a Sus discípulos probados y tentados es el reino de la gracia en el corazón; el reino de Dios en el alma; la presencia de Jesús dentro; la manifestación de aquel reino del que se habla en Daniel 2:44, levantado sobre las ruinas de todos los demás reinos, después de haberlos desmenuzado.
Al lector…
¿Para quién es este reino? No para los soberbios y justos en su propia opinión, sino para usted, alma probada y tentada, que anda en las huellas de un Jesús sufriente. Si está usted en la lucha contra el pecado y se siente tan débil, oiga entonces lo que dice el Señor: “Yo pues os ordeno un reino, como Mi Padre Me lo ordenó a Mí.” No es un trono terrenal con corona y cetro, sino el reino de la gracia en el corazón: justicia, y paz, y gozo por el Espíritu Santo.
Y no tema que quede demasiado poco para usted. El sol no ha perdido nada por enviar sus innumerables rayos. Así tampoco el Sol de justicia pierde nada de Su plenitud cuando imparte gracia y gloria a Su pueblo. En Él habita toda la plenitud de la Divinidad corporalmente. Venga, pues, a Él con su pobreza. Él es inagotable, y Su reino permanecerá cuando todos los demás hayan pasado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl