5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.
Psalm 91:1
Wat is „de schuilplaats des Allerhoogsten”? Het is dezelfde plaats waarvan David spreekt in de 73e Psalm: „Totdat ik in Gods heiligdommen inging; en op hun einde merkte.” Het is de plaats waarvan de Heere spreekt in Ezechiël: „Ik zal hun zijn tot een klein heiligdom in de landen waar zij zullen komen.” Want deze „schuilplaats” is de geheime boezem Gods. Het is een ingaan door het geloof in Jehova, door een geestelijke openbaring van Hem, ons tot een geestelijke kennismaking met Hem leidende.
„De schuilplaats of geheime plaats des Allerhoogsten” is die gewijde plaats waar Jehova de zondaar in Christus tegemoet gaat, hem de rijkdommen Zijner barmhartigheid opent en hem in Zijn boezem binnenleidt, om daarin de geheimen van Zijn liefhebbend hart te lezen. Het wordt genoemd „schuil- of geheime” plaats, als alleen bekend aan hen die er bijzondere mededeling van hebben ontvangen. Het wordt genoemd een „geheime” plaats, omdat niemand er kan binnengaan — ook niet verlangt binnen te gaan — behalve wanneer de Heere Zelf, met Zijn geheimzinnige hand, een gedeelte ervan voor hen opent, hun er een plaats in verleent en hen erin zegent. „In de schuilplaats des Allerhoogsten te zijn” is gebracht te worden tot een soort van gemeenschap en bekendheid met God, iets gelijk aan geestelijke aanbidding, Goddelijke omgang; dan weet men iets bij ervaring van Hem, en men „kan op Hem aanlopen als op een sterke toren”, om daar zich gans verlost te gevoelen.
De Heer zal u steeds gadeslaan,
opdat Hij in gevaar
uw ziel voor ramp bewaar’.
De Heer, ’t zij g’in of uit moogt gaan,
en waar g’ u heen moogt spoeden,
zal eeuwig u behoeden.
Ps. 121:4
Aan de lezer…
Wanneer u aan die schuilplaats denkt, kent u haar dan, of staat u er nog buiten en ziet u de deur gesloten? Misschien leest u van gemeenschap met God en Goddelijke omgang, en uw hart zegt: daar weet ik zo weinig van. Wees dan niet verbaasd. Het is een geheime plaats, en niemand gaat er binnen dan wie de Heere Zelf met Zijn eigen hand een opening geeft. U kunt die deur niet openbreken, maar u mag er wel aan kloppen.
En is het niet al iets van Zijn werk, dat u ernaar verlangt? Want van nature verlangt niemand daarbinnen te komen. De Heere gaat de zondaar in Christus tegemoet, niet de vrome, niet de sterke. Daar opent Hij de rijkdommen Zijner barmhartigheid voor de arme en schuldige. Loop dan op Hem aan als op een sterke toren, met al uw nood, en zoek uw rust niet buiten Hem. Wie Hij eenmaal in Zijn boezem binnenleidt, die vernacht veilig in de schaduw des Almachtigen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.
Psalm 91:1
Wat is „de schuilplaats des Allerhoogsten”? Het is dezelfde plaats waarover David spreekt in Psalm 73: „Totdat ik in Gods heiligdommen inging; en op hun einde merkte.” Het is de plaats waarover de Heere spreekt in Ezechiël: „Ik zal hun zijn tot een klein heiligdom in de landen waar zij zullen komen.” Want deze „schuilplaats” is de verborgen boezem van God. Het is een ingaan door het geloof in Jehovah, door een geestelijke openbaring van Hem, die ons tot een geestelijke kennis van Hem leidt.
„De schuilplaats of geheime plaats des Allerhoogsten” is die gewijde plaats waar Jehovah de zondaar in Christus tegemoet gaat. Daar opent Hij voor hem de rijkdommen van Zijn barmhartigheid en leidt Hij hem binnen in Zijn boezem, om daar de geheimen van Zijn liefhebbend hart te lezen. Zij wordt een „schuil- of geheime” plaats genoemd, omdat zij alleen bekend is aan hen die er een bijzondere mededeling van ontvangen hebben. Zij heet een „geheime” plaats, omdat niemand er kan binnengaan, of er zelfs maar naar verlangt binnen te gaan, behalve wanneer de Heere Zelf met Zijn verborgen hand er iets van voor hen opent, hun er een plaats in geeft en hen erin zegent.
„In de schuilplaats des Allerhoogsten te zijn” is: gebracht worden tot een zekere gemeenschap en vertrouwdheid met God, iets wat lijkt op geestelijke aanbidding, Goddelijke omgang. Dan weet men iets van Hem bij ervaring, en men „kan op Hem aanlopen als op een sterke toren”, om zich daar volkomen verlost te voelen.
De Heer zal u steeds gadeslaan,
opdat Hij in gevaar
uw ziel voor ramp bewaar’.
De Heer, ’t zij g’in of uit moogt gaan,
en waar g’ u heen moogt spoeden,
zal eeuwig u behoeden.
Ps. 121:4
Aan de lezer…
Wanneer u aan die schuilplaats denkt, kent u haar dan, of staat u er nog buiten en ziet u de deur gesloten? Misschien leest u over gemeenschap met God en Goddelijke omgang, en zegt uw hart: daar weet ik zo weinig van. Wees dan niet verbaasd. Het is een geheime plaats, en niemand gaat er binnen dan wie de Heere Zelf met Zijn eigen hand een opening geeft. U kunt die deur niet openbreken, maar u mag er wel aan kloppen.
En is het niet al iets van Zijn werk dat u ernaar verlangt? Want van nature verlangt niemand daar binnen te komen. De Heere gaat de zondaar in Christus tegemoet, niet de vrome, niet de sterke. Daar opent Hij de rijkdommen van Zijn barmhartigheid voor de arme en schuldige. Loop dan op Hem aan als op een sterke toren, met al uw nood, en zoek uw rust niet buiten Hem. Wie Hij eens in Zijn boezem binnenleidt, vernacht veilig in de schaduw des Almachtigen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
He that dwelleth in the secret place of the most High shall abide under the shadow of the Almighty.
Psalm 91:1
What is “the secret place of the most High?” It is the same spot, of which Asaph speaks in the seventy-third Psalm—“Until I went into the sanctuary of God, then understood I their end.” It is the spot, of which the Lord speaks in Ezekiel—“I will be to them as a little sanctuary in the countries where they shall come.” Then this “secret place” is the secret bosom of God. It is an entrance by faith into Jehovah, by a spiritual manifestation of Him, leading us into a spiritual acquaintance with Him. “The secret place of the most High” is that solemn spot, where Jehovah meets with the sinner in Christ, and where He opens up to him the riches of His mercy, and leads him into His bosom, so as to read the secrets of His loving heart.
It is called a “secret” place, as only known to those to whom it is especially communicated. It is called a “secret” place, because none can get into it—no, nor desire to get into it—except the Lord Himself, with His own mysterious hand, opens up to them a part in it, sets them down in it, and sweetly blesses them in it. Then to be in “the secret place of the most High” is to be brought into something like fellowship and acquaintance with God—something like communion, spiritual worship, divine communion; so as to know something of Him experimentally, and “run into” Him, as “a strong tower,” and there feel solemn safety.
To the reader…
When you think of that secret place, do you know it, or are you still standing outside and seeing the door shut? Perhaps you read of fellowship with God and divine communion, and your heart says: I know so little of that. Then do not be surprised. It is a secret place, and no one enters it except those to whom the Lord Himself, with His own hand, gives an opening. You cannot break that door open, but you may knock at it.
And is it not already something of His work that you long for it? For by nature no one longs to enter there. The Lord meets the sinner in Christ, not the pious, not the strong. There He opens the riches of His mercy to the poor and guilty. So run to Him as to a strong tower, with all your need, and do not seek your rest outside of Him. Whoever He once leads into His bosom abides safely under the shadow of the Almighty.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El que habita al abrigo del Altísimo, morará bajo la sombra del Omnipotente.
Salmo 91:1
¿Qué es “el abrigo”, el lugar secreto, “del Altísimo”? Es el mismo lugar del que habla Asaf en el Salmo setenta y tres: “Hasta que venido al santuario de Dios, entenderé la postrimería de ellos”. Es el lugar del que habla el Señor en Ezequiel: “Les seré por un pequeño santuario en las tierras adonde llegaren”. Este “lugar secreto” es, pues, el seno secreto de Dios. Es una entrada por la fe en Jehová, mediante una manifestación espiritual de Él, que nos conduce a un conocimiento espiritual de Él. “El lugar secreto del Altísimo” es aquel lugar solemne donde Jehová se encuentra con el pecador en Cristo, y donde le abre las riquezas de Su misericordia y le conduce a Su seno, para que lea los secretos de Su corazón amoroso.
Se le llama lugar “secreto” porque solo lo conocen aquellos a quienes les es comunicado de un modo especial. Se le llama lugar “secreto” porque nadie puede entrar en él, ni siquiera desear entrar en él, a menos que el Señor mismo, con Su propia mano misteriosa, les abra una parte en él, los ponga allí y los bendiga dulcemente en él. Estar, pues, en “el lugar secreto del Altísimo” es ser llevado a algo semejante a la comunión y el trato con Dios, algo semejante a la comunión, la adoración espiritual, la comunión divina; de modo que se conozca algo de Él por experiencia, y se “corra” a Él como a “torre fuerte”, y se sienta allí una solemne seguridad.
Al lector…
Cuando piensa en ese lugar secreto, ¿lo conoce usted, o está todavía afuera viendo la puerta cerrada? Quizá lee acerca de la comunión con Dios y del trato divino, y su corazón dice: sé tan poco de eso. Entonces no se sorprenda. Es un lugar secreto, y nadie entra en él sino aquellos a quienes el Señor mismo, con Su propia mano, abre la entrada. Usted no puede forzar esa puerta, pero sí puede llamar a ella.
¿Y no es ya algo de Su obra que usted lo anhele? Porque por naturaleza nadie anhela entrar allí. El Señor se encuentra con el pecador en Cristo, no con el piadoso, no con el fuerte. Allí abre las riquezas de Su misericordia al pobre y al culpable. Corra, pues, a Él como a una torre fuerte, con toda su necesidad, y no busque su descanso fuera de Él. Aquel a quien Él lleva una vez a Su seno mora seguro bajo la sombra del Omnipotente.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ opstanding
Niemand neemt hetzelve [leven] van Mij; maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
Johannes 10:18
Het valt ons op dat elke Persoon van de heilige Drie-eenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, betrokken was bij het gezegende werk van het verwekken van Jezus uit de doden. Ofschoon de Personen van de Drie-eenheid in wezen verschillend zijn, en hun handelingen in het grote plan van de verlossing op zichzelf staan, nemen ze echter als één God deel aan het uitvoeren van elke daad van goddelijke kracht. Dus verwekte God de Vader Jezus uit de doden, zoals we uit bijna ontelbare passages vernemen.
Maar de Zoon van God verwekte Zichzelf uit de doden, naar Zijn eigen woorden van genade en waarheid: „Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen” (Joh. 10:17, 18). Hij is „de Opstanding” (Joh. 11:25), en zoals Hij Lazarus uit het graf opwekte en op de laatste dag de lichamen van allen die de Vader aan Hem gaf, zal opwekken (Joh. 6:39, 40), zo wekte Hij door de uitoefening van dezelfde goddelijke kracht Zijn eigen onvergankelijke lichaam op uit het graf. De Heilige Geest had ook een gezegend aandeel in dezelfde goddelijke daad. We lezen daarom dat de Heere Jezus Christus gedood was in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest (1 Petr. 3:18) — dezelfde Heilige en Gezegende Geest Die ook de sterfelijke lichamen van de heiligen bij de grote opstanding levend zal maken.
Lezen: Johannes 10:1-21
Aan de lezer…
Soms gaan wij er zomaar aan voorbij dat niemand het leven van de Heere Jezus van Hem nam. „Ik leg het van Mijzelven af,” zegt Hij, „Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen.” Vrijwillig ging Hij in de dood, en door Zijn eigen goddelijke kracht kwam Hij er weer uit. De Vader wekte Hem op, Hij wekte Zichzelf op, en Hij werd levend gemaakt door de Geest. De ganse Drie-enige God was in dat heerlijke werk betrokken.
Wat een troost ligt hierin voor een zwakke, bevreesde ziel! U bent niet overgegeven aan een Heiland Die het ternauwernood volbracht, maar aan Hem Die „de Opstanding” is. Dezelfde Geest Die Hem levend maakte, zal ook de sterfelijke lichamen van Zijn heiligen levend maken. Die macht had Zijn leven weer te nemen, heeft ook macht u te bewaren en u ten laatsten dage op te wekken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Niemand neemt hetzelve [leven] van Mij; maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
Johannes 10:18
Het valt ons op dat elke Persoon van de heilige Drie-eenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, betrokken was bij het gezegende werk van de opwekking van Jezus uit de doden. Hoewel de Personen van de Drie-eenheid onderscheiden zijn, en ieder Zijn eigen werk heeft in het grote plan van de verlossing, nemen Zij toch als één God deel aan elke daad van goddelijke kracht. Zo heeft God de Vader Jezus uit de doden opgewekt, zoals we uit bijna ontelbare plaatsen in de Schrift weten.
Maar ook de Zoon van God wekte Zichzelf uit de doden op, naar Zijn eigen woorden van genade en waarheid: „Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen” (Joh. 10:17, 18). Hij is „de Opstanding” (Joh. 11:25). Zoals Hij Lazarus uit het graf opwekte, en op de laatste dag de lichamen zal opwekken van allen die de Vader Hem gegeven heeft (Joh. 6:39, 40), zo wekte Hij door dezelfde goddelijke kracht Zijn eigen onvergankelijke lichaam uit het graf op. Ook de Heilige Geest had een gezegend aandeel in deze goddelijke daad. Daarom lezen we dat de Heere Jezus Christus gedood was in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest (1 Petr. 3:18) — dezelfde heilige en gezegende Geest Die ook de sterfelijke lichamen van de heiligen bij de grote opstanding levend zal maken.
Lezen: Johannes 10:1-21
Aan de lezer…
Soms gaan wij er zomaar aan voorbij dat niemand het leven van de Heere Jezus van Hem nam. „Ik leg het van Mijzelven af,” zegt Hij, „Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen.” Vrijwillig ging Hij de dood in, en door Zijn eigen goddelijke kracht kwam Hij er weer uit. De Vader wekte Hem op, Hij wekte Zichzelf op, en Hij werd levend gemaakt door de Geest. De hele drie-enige God was bij dat heerlijke werk betrokken.
Wat een troost ligt hierin voor een zwakke, bevreesde ziel! U bent niet toevertrouwd aan een Heiland Die het ternauwernood volbracht, maar aan Hem Die „de Opstanding” is. Dezelfde Geest Die Hem levend maakte, zal ook de sterfelijke lichamen van Zijn heiligen levend maken. Hij Die macht had Zijn leven weer te nemen, heeft ook macht om u te bewaren en u op de laatste dag op te wekken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
No man taketh it from Me, but I lay it down of Myself. I have power to lay it down, and I have power to take it again. This commandment have I received of My Father.
John 10:18
It strikes us that each Person of the holy Trinity, Father, Son and Holy Ghost, was engaged in the blessed work of raising Jesus from the dead. Although the Persons of the Trinity are distinct, and each has His own work in the great plan of salvation, yet as one God They take part in every act of divine power. Thus God the Father raised Jesus from the dead, as we know from almost countless places in the Scripture.
But the Son of God also raised Himself from the dead, according to His own words of grace and truth: “Therefore doth My Father love Me, because I lay down My life, that I might take it again. No man taketh it from Me, but I lay it down of Myself. I have power to lay it down, and I have power to take it again” (John 10:17,18). He is “the Resurrection” (John 11:25). As He raised Lazarus from the grave, and will at the last day raise up the bodies of all whom the Father has given Him (John 6:39,40), so by the same divine power He raised His own incorruptible body from the tomb.
The Holy Ghost also had a blessed share in this divine act. Therefore we read that the Lord Jesus Christ was put to death in the flesh, but quickened by the Spirit (1 Peter 3:18), the same holy and blessed Spirit Who will also quicken the mortal bodies of the saints at the great resurrection.
Reading: John 10:1-21
To the reader…
Sometimes we pass over too lightly the fact that no man took the life of the Lord Jesus from Him. “I lay it down of Myself,” He says; “I have power to lay it down, and I have power to take it again.” Willingly He went into death, and by His own divine power He came out of it again. The Father raised Him, He raised Himself, and He was quickened by the Spirit. The whole triune God was engaged in that glorious work.
What comfort lies here for a weak and fearful soul! You are not entrusted to a Saviour Who barely accomplished it, but to Him Who is “the Resurrection.” The same Spirit Who quickened Him will also quicken the mortal bodies of His saints. He Who had power to take His life again also has power to keep you and to raise you up at the last day.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Nadie me la quita, mas Yo la pongo de Mí mismo. Tengo poder para ponerla, y tengo poder para volverla a tomar. Este mandamiento recibí de Mi Padre.
Juan 10:18
Nos llama la atención que cada Persona de la santa Trinidad, el Padre, el Hijo y el Espíritu Santo, tomó parte en la bendita obra de resucitar a Jesús de los muertos. Aunque las Personas de la Trinidad son distintas, y cada una tiene Su propia obra en el gran plan de salvación, sin embargo como un solo Dios toman parte en todo acto del poder divino. Así Dios el Padre resucitó a Jesús de los muertos, como sabemos por lugares casi innumerables de la Escritura.
Pero también el Hijo de Dios se resucitó a Sí mismo de los muertos, según Sus propias palabras de gracia y de verdad: “Por eso Me ama el Padre, porque Yo pongo Mi vida para volverla a tomar. Nadie me la quita, mas Yo la pongo de Mí mismo. Tengo poder para ponerla, y tengo poder para volverla a tomar” (Juan 10:17, 18). Él es “la Resurrección” (Juan 11:25). Así como resucitó a Lázaro del sepulcro, y en el día postrero resucitará los cuerpos de todos los que el Padre le ha dado (Juan 6:39, 40), así por el mismo poder divino levantó Su propio cuerpo incorruptible del sepulcro.
También el Espíritu Santo tuvo una bendita parte en este acto divino. Por eso leemos que el Señor Jesucristo fue muerto en la carne, pero vivificado por el Espíritu (1 Pedro 3:18), el mismo santo y bendito Espíritu que también vivificará los cuerpos mortales de los santos en la gran resurrección.
Lectura: Juan 10:1-21
Al lector…
A veces pasamos demasiado a la ligera por el hecho de que nadie le quitó la vida al Señor Jesús. “Yo la pongo de Mí mismo”, dice; “tengo poder para ponerla, y tengo poder para volverla a tomar”. Voluntariamente entró en la muerte, y por Su propio poder divino salió de ella otra vez. El Padre le resucitó, Él se resucitó a Sí mismo, y fue vivificado por el Espíritu. Todo el Dios trino tomó parte en esa obra gloriosa.
¡Qué consuelo hay aquí para un alma débil y temerosa! No está usted confiado a un Salvador que apenas logró llevarlo a cabo, sino a Aquel que es “la Resurrección”. El mismo Espíritu que le vivificó a Él vivificará también los cuerpos mortales de Sus santos. El que tuvo poder para volver a tomar Su vida tiene también poder para guardarle a usted y resucitarle en el día postrero.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Gelijk de waarheid in Jezus is.
Efeze 4:21
Zonder de waarheid kan er geen wedergeboorte zijn, want het is door het Woord der waarheid dat wij gewonnen en wedergeboren worden (Jac. 1:18; 1 Petr. 1:23). Zonder de waarheid is er geen rechtvaardigmaking, want wij worden gerechtvaardigd door het geloof, welk geloof bestaat in de waarheid Gods te vertrouwen; en zo brengt het voort de vrede met God. Zonder de waarheid kan er geen heiligmaking zijn, want de Heere Zelf zegt: „Heilig hen in Uw waarheid; Uw Woord is de waarheid.” En zonder de waarheid is er geen zaligheid, want God heeft van den beginne ons verkoren tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes en geloof der waarheid.
En gelijk de waarheid de middellijke oorzaak is van al deze zegeningen, de Goddelijk aangewezen weg waardoor deze weldaden geopenbaard worden, zo treedt de waarheid in en wordt zij in al de genaden van de Geest ingelast, wanneer deze in levendige oefening komen. Dus is er zonder de waarheid ook geen geloof, want het werk des geloofs is de waarheid te geloven. Wat is het gehele verschil tussen het geloof en het bedrog? Dit, dat het geloof zich grondt op Gods Woord, en het bedrog doet dit op de verleiding van de satan. „En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen geloven zouden; opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in ongerechtigheid.”
Zonder de waarheid is er ook geen hoop, want de waarheid is het gebied waar de hoop haar anker uitwerpt. „Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden. Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is en ingaat in het binnenste van het voorhangsel.” De twee onveranderlijke dingen waarin de hoop haar ankergrond vindt, zijn het Woord Gods en de waarheid Gods; met andere woorden: de geloofwaardigheid en getrouwheid van Hem Die niet liegen kan. Dit deed de man Gods David zeggen: „Ik hoop op Uw Woord.” „Die in de kuil nederdalen — zeide de godvruchtige Hiskia — zullen op Uw waarheid niet hopen.” Neen, het is: „De levende, de levende, die zal U loven; gelijk ik heden doe.” En het is door geduld en lijdzaamheid, dat is door vertroosting der Schriften, dat wij hoop hebben zouden.
Zonder de waarheid is er geen liefde, want het is door de liefde der waarheid dat de kerk Gods onderscheiden wordt van degenen die verloren gaan. „En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan; daarvoor, dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden.” Het is door de waarheid in liefde te betrachten dat wij opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus. Zo is de vrucht des Geestes in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid, en dit is de Persoon des Zoons Gods; want genade en waarheid zijn door Jezus Christus geworden.
Aan de lezer…
U die niet goed weet waar uw hoop eigenlijk op rust, vraag uzelf eens af: waar rust zij op? Op een gevoel dat komt en gaat, op een goede dag, op wat anderen van u denken? Al die dingen kunnen wankelen. Maar zonder de waarheid is er geen wedergeboorte, geen rechtvaardigmaking, geen heiligmaking, geen geloof, geen hoop en geen liefde. De waarheid is het gebied waar de hoop haar anker uitwerpt, en die waarheid is in Jezus.
Bent u bevreesd dat u uzelf bedriegt? Dat is het onderscheid tussen geloof en bedrog: het geloof grondt zich op Gods Woord. Houd u dan vast aan Hem Die niet liegen kan. Zijn Woord en Zijn waarheid zijn twee onveranderlijke dingen, een anker der ziel dat zeker en vast is en ingaat in het binnenste van het voorhangsel. Zeg dan met de man Gods, ook als het donker is: „Ik hoop op Uw Woord.” Want genade en waarheid zijn door Jezus Christus geworden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gelijk de waarheid in Jezus is.
Efeze 4:21
Zonder de waarheid kan er geen wedergeboorte zijn, want het is door het Woord der waarheid dat wij gewonnen en wedergeboren worden (Jac. 1:18; 1 Petr. 1:23). Zonder de waarheid is er geen rechtvaardigmaking, want wij worden gerechtvaardigd door het geloof, en dat geloof bestaat in het vertrouwen op de waarheid van God; zo brengt het vrede met God voort. Zonder de waarheid kan er geen heiligmaking zijn, want de Heere Zelf zegt: „Heilig hen in Uw waarheid; Uw Woord is de waarheid.” En zonder de waarheid is er geen zaligheid, want God heeft ons van den beginne verkoren tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes en geloof der waarheid.
De waarheid is het middel waardoor al deze zegeningen komen, de door God aangewezen weg waarlangs deze weldaden worden geopenbaard. Zo komt de waarheid ook binnen in al de genadegaven van de Geest en wordt zij erin verweven, wanneer deze levendig in oefening komen. Daarom is er zonder de waarheid ook geen geloof, want het werk van het geloof is de waarheid te geloven. Wat is nu het hele verschil tussen geloof en bedrog? Dit: het geloof grondt zich op Gods Woord, en het bedrog op de verleiding van de satan. „En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen geloven zouden; opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in ongerechtigheid.”
Zonder de waarheid is er ook geen hoop, want de waarheid is het gebied waar de hoop haar anker uitwerpt. „Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden. Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is en ingaat in het binnenste van het voorhangsel.” De twee onveranderlijke dingen waarin de hoop haar ankergrond vindt, zijn het Woord van God en de waarheid van God; met andere woorden: de betrouwbaarheid en trouw van Hem Die niet liegen kan.
Dit deed de man Gods David zeggen: „Ik hoop op Uw Woord.” „Die in de kuil nederdalen — zeide de godvruchtige Hiskia — zullen op Uw waarheid niet hopen.” Nee, het is: „De levende, de levende, die zal U loven; gelijk ik heden doe.” En het is door geduld en lijdzaamheid, dat is door vertroosting der Schriften, dat wij hoop zouden hebben.
Zonder de waarheid is er geen liefde, want het is door de liefde tot de waarheid dat de kerk van God onderscheiden wordt van hen die verloren gaan. „En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan; daarvoor, dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden.” Het is door de waarheid te betrachten in liefde dat wij opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus. Zo is de vrucht van de Geest in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid, en dit is de Persoon van de Zoon van God; want genade en waarheid zijn door Jezus Christus geworden.
Aan de lezer…
U die niet goed weet waar uw hoop eigenlijk op rust, vraag uzelf eens af: waar rust zij op? Op een gevoel dat komt en gaat, op een goede dag, op wat anderen van u denken? Al die dingen kunnen wankelen. Maar zonder de waarheid is er geen wedergeboorte, geen rechtvaardigmaking, geen heiligmaking, geen geloof, geen hoop en geen liefde. De waarheid is het gebied waar de hoop haar anker uitwerpt, en die waarheid is in Jezus.
Bent u bang dat u uzelf bedriegt? Dit is het verschil tussen geloof en bedrog: het geloof grondt zich op Gods Woord. Houd u dan vast aan Hem Die niet liegen kan. Zijn Woord en Zijn waarheid zijn twee onveranderlijke dingen, een anker der ziel dat zeker en vast is en ingaat in het binnenste van het voorhangsel. Zeg dan met de man Gods, ook als het donker is: „Ik hoop op Uw Woord.” Want genade en waarheid zijn door Jezus Christus geworden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“As the truth is in Jesus.”
Ephesians 4:21
Without truth there is no regeneration; for it is by “the word of truth” that we are begotten and born again (James 1:18; 1 Peter 1:23). Without truth there is no justification; for we are justified by faith, which faith consists in crediting God’s truth, and so gives peace with God. Without the truth there is no sanctification; for the Lord Himself says, “Sanctify them through Your truth—Your word is truth.” And without the truth there is no salvation; for “God has chosen us to salvation through sanctification of the Spirit and belief of the truth.”
And as the truth is the instrumental cause of all these blessings, the divinely-appointed means whereby they become manifested mercies, so truth enters into and is received by all the graces of the Spirit as they come forth into living exercise. Thus, without the truth, there is no FAITH; for the work of faith is to believe the truth. What is all the difference between faith and delusion? That faith believes God’s truth, and delusion credits Satan’s lies. “And for this cause God shall send them strong delusion, that they should believe a lie, that they all might be damned who believed not the truth, but had pleasure in unrighteousness.”
Without truth there is no HOPE; for the province of hope is to anchor in the truth. “That by two immutable things in which it was impossible for God to lie, we might have a strong consolation, who have fled for refuge to lay hold upon the hope set before us; which hope we have as an anchor of the soul, both sure and steadfast, and which enters into that within the veil.” The two immutable things in which hope anchors are God’s word and God’s truth; in other words, the pledged veracity and faithfulness of Him Who cannot lie. This made holy David say, “I have hoped in Your word.” “Those who go down to the pit,” said good king Hezekiah, “cannot hope for Your truth.” No; it is “the living, the living who praise You as I do this day.” And it is “through patience and comfort of the Scriptures,” that is, the consolation which the truth of God revealed in the Scriptures affords, “that we have hope.”
Without truth there is no LOVE, for it is by “the love of the truth” that the saved are distinguished from the lost. “And with all deceivableness of unrighteousness in those who perish; because they received not the love of the truth that they might be saved.” And it is only as we speak “the truth in love that we grow up into Him in all things, which is the Head, even Christ.” Thus “the fruit of the Spirit is in all goodness, and righteousness, and truth;” and this in the Person of the Son of God, for “grace and truth came by Jesus Christ.”
To the reader…
You who are not quite sure what your hope actually rests on, ask yourself: what does it rest on? On a feeling that comes and goes, on a good day, on what others think of you? All those things can waver. But without the truth there is no regeneration, no justification, no sanctification, no faith, no hope and no love. The truth is the ground in which hope casts her anchor, and that truth is in Jesus.
Are you afraid that you are deceiving yourself? This is the difference between faith and delusion: faith rests on God’s Word. Hold fast, then, to Him Who cannot lie. His word and His truth are two immutable things, an anchor of the soul, both sure and steadfast, which entereth into that within the veil. Say, then, with the man of God, even when it is dark, “I hope in Thy word.” For grace and truth came by Jesus Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Como la verdad está en Jesús.
Efesios 4:21
Sin la verdad no hay regeneración; porque es por “la palabra de verdad” que somos engendrados y renacidos (Santiago 1:18; 1 Pedro 1:23). Sin la verdad no hay justificación; porque somos justificados por la fe, la cual fe consiste en dar crédito a la verdad de Dios, y así da paz para con Dios. Sin la verdad no hay santificación; porque el Señor mismo dice: “Santifícalos en Tu verdad: Tu palabra es verdad.” Y sin la verdad no hay salvación; porque “Dios nos ha escogido para salud, por la santificación del Espíritu y fe de la verdad”.
Y así como la verdad es la causa instrumental de todas estas bendiciones, el medio divinamente señalado por el cual se convierten en misericordias manifestadas, así la verdad entra en todas las gracias del Espíritu y es recibida por ellas a medida que salen a un ejercicio vivo. Así, sin la verdad no hay FE; porque la obra de la fe es creer la verdad. ¿Cuál es toda la diferencia entre la fe y el engaño? Que la fe cree la verdad de Dios, y el engaño da crédito a las mentiras de Satanás. “Por tanto, pues, les envía Dios operación de error, para que crean a la mentira; para que sean condenados todos los que no creyeron a la verdad, antes consintieron a la iniquidad.”
Sin la verdad no hay ESPERANZA; porque el oficio de la esperanza es anclar en la verdad. “Para que por dos cosas inmutables, en las cuales es imposible que Dios mienta, tengamos un fortísimo consuelo, los que nos acogemos a trabarnos de la esperanza propuesta: la cual tenemos como segura y firme ancla del alma, y que entra hasta dentro del velo.” Las dos cosas inmutables en las que ancla la esperanza son la palabra de Dios y la verdad de Dios; en otras palabras, la veracidad empeñada y la fidelidad de Aquel que no puede mentir. Esto hizo decir al santo David: “En Tu palabra he esperado.” “Ni los que descienden al hoyo”, dijo el buen rey Ezequías, “esperarán Tu verdad.” No; es “el que vive, el que vive, este Te confesará, como yo hoy”. Y es “por la paciencia, y por la consolación de las Escrituras”, es decir, el consuelo que proporciona la verdad de Dios revelada en las Escrituras, “que tengamos esperanza”.
Sin la verdad no hay AMOR, porque es por “el amor de la verdad” que los salvos se distinguen de los perdidos. “Y con todo engaño de iniquidad en los que perecen; por cuanto no recibieron el amor de la verdad para ser salvos.” Y es solo siguiendo “la verdad en amor” como “crecemos en todas cosas en Aquel que es la cabeza, a saber, Cristo”. Así “el fruto del Espíritu es en toda bondad, y justicia, y verdad”; y esto en la Persona del Hijo de Dios, porque “la gracia y la verdad por Jesucristo fue hecha”.
Al lector…
Usted que no está del todo seguro de sobre qué descansa realmente su esperanza, pregúntese: ¿sobre qué descansa? ¿Sobre un sentimiento que viene y va, sobre un buen día, sobre lo que otros piensan de usted? Todas esas cosas pueden vacilar. Pero sin la verdad no hay regeneración, ni justificación, ni santificación, ni fe, ni esperanza, ni amor. La verdad es el fondo en el que la esperanza echa su ancla, y esa verdad está en Jesús.
¿Teme estar engañándose a sí mismo? Esta es la diferencia entre la fe y el engaño: la fe descansa en la Palabra de Dios. Aférrese, pues, a Aquel que no puede mentir. Su palabra y Su verdad son dos cosas inmutables, un ancla del alma segura y firme, que entra hasta dentro del velo. Diga, pues, con el hombre de Dios, aun cuando esté oscuro: “En Tu palabra he esperado.” Porque la gracia y la verdad por Jesucristo fue hecha.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl