6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode: want van Hem is mijn verwachting.
Psalm 62:6
Ik geloof dat de Heere, vóórdat Hij ooit een zegen aan de ziel van Zijn arme en behoeftige kinderen schenkt, hen niet slechts door de Geest overtuigt van de diepte hunner armoede, van hun van nature verloren toestand, van gans gebrek aan enig goed; maar Hij opent hun ogen op een geheimzinnige wijze om zekere zegeningen te zien die in Christus zijn weggelegd, zoals: rechtvaardigmaking, om hun naaktheid te bedekken; bloed, om voor hun overtredingen te boeten; genade, die oneindig groot is, om de grootte der zonden te bedekken; geloof, om dingen te bewijzen die men niet ziet; hoop, om binnen de voorhang te ankeren; en liefde, die een voorsmaak moet zijn van eeuwige zaligheid.
Deze en dergelijke zegeningen vertoont de Heere aan hun ogen en geeft hun geestelijk te verstaan dat deze barmhartigheden in Christus zijn weggelegd; en als Hij hun dit begrip geeft van hetgeen de zegen is, en hun toont dat deze zegeningen niet in het schepsel, maar in Christus zijn, wekt Hij in hun ziel de begeerten en zuchten en vurige liefde voor die zegeningen, zodat niets dan juist deze genade hen werkelijk kan tevredenstellen, hun geest tot rust brengen, hun onrust verminderen, hun wonden verbinden en olie en wijn gieten in hun geweten. En alzo maakt Hij hen tot smekelingen en legt ze als bedelaars aan Zijn voeten.
Toch is er, laag als zij zich gevoelen, zwart als zij weten dat zij zijn, die geheimzinnige aantrekkingskracht van de Geest, zowel als dat geheimzinnig één zijn van hun armoede en de gerechtigheid van Christus, hun naaktheid en het kleed van rechtvaardigmaking van Christus, hun hulpeloosheid en Zijn oneindige kracht, zodat zij nooit tevreden kunnen zijn, tenzij er een ervaren en genoten vereniging van die beide in hun geweten plaatsheeft.
De Heer verlost en spaart
zijn volk, dat op zijn hulp vertrouwt.
Het zal, door Hem in gunst beschouwd,
niet schuldig zijn verklaard.
Ps. 34:11
Aan de lezer…
Voelt u zich, lezer, als een bedelaar aan de voeten des Heeren, arm, naakt en zonder enig goed in uzelf? Dan bent u op de plaats waar Hij Zijn kinderen pleegt te brengen vóórdat Hij zegent. Eerst overtuigt Hij van de diepte der armoede, en dan opent Hij de ogen voor wat in Christus is weggelegd: gerechtigheid om de naaktheid te bedekken, bloed om voor de overtredingen te boeten, genade die groter is dan de zonde.
Nu kunt u met minder niet meer tevreden zijn; niets dan juist deze genade kan uw onrust stillen en uw wonden verbinden. Dat zuchten en die honger zijn Zijn werk. Zwijg dan Gode, niet in moedeloosheid, maar in stille verwachting, want van Hem is uw verwachting. Hij, Die u uw armoede deed kennen en uw begeerte naar Christus verwekte, zal uw armoede en Zijn rijkdom eens in uw geweten samenbrengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode: want van Hem is mijn verwachting.
Psalm 62:6
Ik geloof dat de Heere, voordat Hij ooit een zegen schenkt aan de ziel van Zijn arme en behoeftige kinderen, hen niet alleen door de Geest overtuigt van de diepte van hun armoede, van hun van nature verloren toestand en van hun volstrekt gebrek aan enig goed. Hij opent ook op een geheimzinnige manier hun ogen om bepaalde zegeningen te zien die in Christus zijn weggelegd. Zoals de rechtvaardiging, om hun naaktheid te bedekken; het bloed, om voor hun overtredingen te boeten; de genade, die oneindig groot is, om de grootheid van de zonden te bedekken; het geloof, om dingen te bewijzen die men niet ziet; de hoop, om binnen het voorhangsel te ankeren; en de liefde, die een voorsmaak moet zijn van de eeuwige zaligheid.
Deze en dergelijke zegeningen stelt de Heere hun voor ogen, en Hij geeft hun geestelijk te verstaan dat deze barmhartigheden in Christus zijn weggelegd. Wanneer Hij hun zo laat begrijpen wat de zegen is, en hun laat zien dat deze zegeningen niet in het schepsel maar in Christus zijn, wekt Hij in hun ziel verlangens, zuchten en een vurige liefde naar die zegeningen. Dan kan niets anders dan juist deze genade hen werkelijk tevredenstellen, hun geest tot rust brengen, hun onrust verminderen, hun wonden verbinden en olie en wijn in hun geweten gieten. Zo maakt Hij hen tot smekelingen en legt Hij hen als bedelaars aan Zijn voeten.
Toch is er, hoe laag zij zich ook voelen en hoe zwart zij ook weten dat zij zijn, die geheimzinnige aantrekkingskracht van de Geest. Er is ook die geheimzinnige verbinding tussen hun armoede en de gerechtigheid van Christus, tussen hun naaktheid en het kleed van Christus’ rechtvaardiging, tussen hun hulpeloosheid en Zijn oneindige kracht. Daarom kunnen zij nooit tevreden zijn, tenzij die beide in hun geweten met elkaar verenigd worden, zodat zij die vereniging ervaren en genieten.
De Heer verlost en spaart
zijn volk, dat op zijn hulp vertrouwt.
Het zal, door Hem in gunst beschouwd,
niet schuldig zijn verklaard.
Ps. 34:11
Aan de lezer…
Voelt u zich, lezer, als een bedelaar aan de voeten van de Heere, arm, naakt en zonder enig goed in uzelf? Dan bent u op de plaats waar Hij Zijn kinderen gewoonlijk brengt voordat Hij zegent. Eerst overtuigt Hij van de diepte van de armoede, en dan opent Hij de ogen voor wat in Christus is weggelegd: gerechtigheid om de naaktheid te bedekken, bloed om voor de overtredingen te boeten, genade die groter is dan de zonde.
Nu kunt u met minder niet meer tevreden zijn; niets dan juist deze genade kan uw onrust stillen en uw wonden verbinden. Dat zuchten en die honger zijn Zijn werk. Zwijg dan Gode, niet in moedeloosheid, maar in stille verwachting, want van Hem is uw verwachting. Hij Die u uw armoede liet kennen en uw verlangen naar Christus wekte, zal uw armoede en Zijn rijkdom eens in uw geweten samenbrengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
My soul, wait thou only upon God; for my expectation is from him.
Psalm 62:5
I believe that the Lord, before ever He communicates a real blessing to the souls of His poor and needy children, not merely convinces them by the Spirit of the depth of their poverty, of their truly ruined and lost state by nature, of the destitution of everything good in them; but He opens their eyes in a mysterious manner to see certain blessings which are stored up in Christ. For instance, righteousness to cover their nakedness, blood to atone for their transgressions, grace to superabound over all the aboundings of sin, faith to be the evidence of things not seen, hope to anchor within the veil, and love to be a foretaste of eternal bliss.
These and similar blessings the Lord presents before their eyes, and gives them a spiritual understanding that these mercies are stored up in Christ; and as He gives them this perception of what the blessing is, and shows them that these blessings are not in the creature, but in Christ, He draws forth the desires and sighs and ardent affections of their souls after these blessings, so that nothing but these special mercies can really satisfy them, ease their minds, assuage their troubles, bind up their wounds, and pour oil and wine into their conscience.
And thus He brings them to be suppliants, He lays them at His feet as beggars. Yet, base though they feel themselves to be, black though they know they are, there is that mysterious attraction of the Spirit, as well as that mysterious fitting together of their poverty and Christ’s righteousness, their nakedness and Christ’s justifying robe, their helplessness and His almighty strength; that they never can be satisfied, unless an experienced and enjoyed union of the two takes place in their conscience.
To the reader…
Do you feel like a beggar at the Lord’s feet, poor, naked and without any good thing in yourself? Then you are in the place where He usually brings His children before He blesses them. First He convinces them of the depth of their poverty, and then He opens their eyes to what is stored up in Christ: righteousness to cover their nakedness, blood to atone for their transgressions, grace that is greater than sin.
Now you can no longer be content with less; nothing but this very grace can quiet your unrest and bind up your wounds. That sighing and that hunger are His work. Wait silently upon God, then, not in despondency, but in quiet expectation, for your expectation is from Him. He Who made you know your poverty and awakened your longing for Christ will one day bring your poverty and His riches together in your conscience.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Alma mía, en Dios solamente reposa; porque de Él es mi esperanza.
Salmo 62:5
Creo que el Señor, antes de comunicar jamás una bendición real a las almas de Sus hijos pobres y necesitados, no solo los convence por el Espíritu de la profundidad de su pobreza, de su estado verdaderamente arruinado y perdido por naturaleza, de la carencia de todo bien en ellos; sino que abre sus ojos de una manera misteriosa para ver ciertas bendiciones que están guardadas en Cristo. Por ejemplo, justicia para cubrir su desnudez, sangre para expiar sus transgresiones, gracia para sobreabundar sobre toda la abundancia del pecado, fe para ser la demostración de las cosas que no se ven, esperanza para anclar dentro del velo, y amor para ser un anticipo de la dicha eterna.
Estas y otras bendiciones semejantes el Señor las presenta ante sus ojos, y les da un entendimiento espiritual de que estas misericordias están guardadas en Cristo; y al darles esta percepción de lo que es la bendición, y mostrarles que estas bendiciones no están en la criatura, sino en Cristo, hace brotar los deseos y suspiros y ardientes afectos de sus almas tras estas bendiciones, de modo que nada sino estas misericordias especiales puede realmente satisfacerlos, aliviar su mente, mitigar sus angustias, vendar sus heridas y derramar aceite y vino en su conciencia.
Y así los lleva a ser suplicantes; los pone a Sus pies como mendigos. Sin embargo, por viles que se sientan, por negros que sepan que son, existe esa misteriosa atracción del Espíritu, así como ese misterioso encaje entre su pobreza y la justicia de Cristo, su desnudez y el manto justificador de Cristo, su impotencia y Su fuerza todopoderosa; de modo que nunca pueden quedar satisfechos a menos que tenga lugar en su conciencia una unión experimentada y gozada de ambas cosas.
Al lector…
¿Se siente usted como un mendigo a los pies del Señor, pobre, desnudo y sin ningún bien en sí mismo? Entonces está en el lugar al que Él suele llevar a Sus hijos antes de bendecirlos. Primero los convence de la profundidad de su pobreza, y luego abre sus ojos a lo que está guardado en Cristo: justicia para cubrir su desnudez, sangre para expiar sus transgresiones, gracia que es mayor que el pecado.
Ahora ya no puede contentarse con menos; nada sino esta misma gracia puede calmar su inquietud y vendar sus heridas. Ese suspirar y esa hambre son obra Suya. Repose, pues, en silencio en Dios, no con desaliento, sino con serena expectativa, porque de Él es su esperanza. El que le hizo conocer su pobreza y despertó su anhelo de Cristo un día unirá su pobreza y Sus riquezas en su conciencia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een grote Hogepriester
Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Hebreeën 4:14
Maar tussen de hogepriester onder de wet en de „Hogepriester over het huis Gods” bestaan er naast punten van overeenkomst ook punten van verschil. De hogepriester onder de wet was slechts een mens, en de „Hogepriester over het huis Gods” is God-mens, „Immanuël, God met ons”, de eeuwige „Zoon van de Vader, in Waarheid en Liefde”, Die onze natuur heeft verenigd met Zijn eigen goddelijke en heerlijke Persoon. De hogepriester onder de wet stierf in de loop der jaren en werd opgevolgd door een hogepriester even sterfelijk als hijzelf (zie Hebr. 7:23), maar de Hogepriester hierboven leeft voor eeuwig om „voor ons te bidden”.
De hogepriester onder de wet kan iemand zijn (en de apostel lijkt hierop te zinspelen) die geen medelijden met of medegevoel had met de onvolkomenheden en zonden van degenen voor wie hij offerde; hij zou kunnen zijn als een priester die een en al heiligheid lijkt, maar geen teder hart heeft om mededogen te hebben met afvalligen en degenen die zijn afgedwaald. De „Hogepriester over het huis Gods” echter, zegt de apostel hierover, is iemand die „medelijden kan hebben met onze zwakheden”. De hogepriester onder de wet kan wel of niet worden verzocht; hij kan wel of niet iemand zijn die de kwelling van zijn eigen hart kent en de werkingen van zijn gevallen aard, en daarom wellicht niet „in alle dingen verzocht” is geweest gelijk als degenen voor wie hij een offer aanbiedt.
De „Hogepriester over het huis Gods” is „in alle dingen, gelijk als wij, verzocht geweest”, en kan daarom medelijden opbrengen voor de verzochten. De hogepriester onder de wet was een zondaar; de „Hogepriester over het huis Gods” is smetteloos, zonder zonde, „heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden”.
Lezen: Hebreeën 9:1-15
Aan de lezer…
Arme zondaar, schrikt u ervoor terug om tot de Heere te gaan, omdat u zo vaak bent afgedwaald? Vreest u dat Hij zal zijn als een priester die een en al heiligheid lijkt, maar geen teder hart heeft voor de afvalligen? Dan zegt het Woord u hier iets anders. De Hogepriester over het huis Gods is God-mens, Immanuël, God met ons, en Hij leeft eeuwig om voor de Zijnen te bidden.
Hij is heilig, onnozel en onbesmet, afgescheiden van de zondaren. Toch is Hij in alle dingen, gelijk als wij, verzocht geweest, en daarom kan Hij medelijden hebben met onze zwakheden. Zijn heiligheid houdt de zondaar niet op afstand, maar maakt Zijn medelijden volkomen. Een sterfelijke priester stierf en liet zijn volk achter; deze Hogepriester verlaat u nooit. Breng Hem dan uw zwakheid; Hij weet wat verzoeking is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Hebreeën 4:14
Maar tussen de hogepriester onder de wet en de „Hogepriester over het huis Gods” zijn er naast punten van overeenkomst ook punten van verschil. De hogepriester onder de wet was slechts een mens, maar de „Hogepriester over het huis Gods” is God-mens, „Immanuël, God met ons”, de eeuwige „Zoon van de Vader, in Waarheid en Liefde”, Die onze natuur heeft verenigd met Zijn eigen goddelijke en heerlijke Persoon. De hogepriester onder de wet stierf na verloop van jaren en werd opgevolgd door een hogepriester die even sterfelijk was als hijzelf (zie Hebr. 7:23), maar de Hogepriester hierboven leeft voor eeuwig om „voor ons te bidden”.
De hogepriester onder de wet kon iemand zijn (en de apostel lijkt hierop te zinspelen) die geen medelijden of medegevoel had met de gebreken en zonden van hen voor wie hij offerde. Hij kon zijn als een priester die een en al heiligheid lijkt, maar geen teder hart heeft om mededogen te hebben met afvalligen en met hen die zijn afgedwaald. Over de „Hogepriester over het huis Gods” zegt de apostel echter dat Hij „medelijden kan hebben met onze zwakheden”. De hogepriester onder de wet kon al dan niet verzocht worden. Hij kon al dan niet iemand zijn die de kwelling van zijn eigen hart en de werkingen van zijn gevallen natuur kende, en daarom was hij misschien niet „in alle dingen verzocht” zoals zij voor wie hij een offer bracht.
De „Hogepriester over het huis Gods” is „in alle dingen, gelijk als wij, verzocht geweest”, en kan daarom medelijden hebben met wie verzocht worden. De hogepriester onder de wet was een zondaar; de „Hogepriester over het huis Gods” is smetteloos, zonder zonde, „heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden”.
Lezen: Hebreeën 9:1-15
Aan de lezer…
Arme zondaar, schrikt u ervoor terug om tot de Heere te gaan, omdat u zo vaak bent afgedwaald? Bent u bang dat Hij zal zijn als een priester die een en al heiligheid lijkt, maar geen teder hart heeft voor de afvalligen? Dan zegt het Woord u hier iets anders. De Hogepriester over het huis Gods is God-mens, Immanuël, God met ons, en Hij leeft eeuwig om voor de Zijnen te bidden.
Hij is heilig, onnozel en onbesmet, afgescheiden van de zondaren. Toch is Hij in alle dingen, gelijk als wij, verzocht geweest, en daarom kan Hij medelijden hebben met onze zwakheden. Zijn heiligheid houdt de zondaar niet op afstand, maar maakt Zijn medelijden volmaakt. Een sterfelijke priester stierf en liet zijn volk achter; deze Hogepriester verlaat u nooit. Breng Hem dan uw zwakheid; Hij weet wat verzoeking is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Seeing then that we have a great High Priest, that is passed into the heavens, Jesus the Son of God, let us hold fast our profession.
Hebrews 4:14
But between the high priest under the law and the “High Priest over the house of God” there are, besides points of resemblance, also points of difference. The high priest under the law was but a man, but the “High Priest over the house of God” is the God-man, “Immanuel, God with us,” the eternal “Son of the Father, in truth and love,” Who has united our nature to His own divine and glorious Person. The high priest under the law died after a course of years and was succeeded by a high priest as mortal as himself (see Heb. 7:23), but the High Priest above lives for ever to “make intercession for us.”
The high priest under the law might be one (and the apostle seems to allude to this) who had no pity or compassion for the infirmities and sins of those for whom he offered. He might be like a priest who seems all holiness, but has no tender heart to have compassion on backsliders and on those who have gone astray. Of the “High Priest over the house of God,” however, the apostle says that He “can be touched with the feeling of our infirmities.” The high priest under the law might or might not be tempted. He might or might not be one who knew the plague of his own heart and the workings of his fallen nature, and therefore he was perhaps not “in all points tempted” like those for whom he brought an offering.
The “High Priest over the house of God” was “in all points tempted like as we are,” and therefore can have compassion on those who are tempted. The high priest under the law was a sinner; the “High Priest over the house of God” is spotless, without sin, “holy, harmless, undefiled, separate from sinners, and made higher than the heavens.”
Reading: Hebrews 9:1-15
To the reader…
Poor sinner, do you shrink back from coming to the Lord because you have gone astray so often? Are you afraid that He will be like a priest who seems all holiness, but has no tender heart for backsliders? Then the Word tells you something different here. The High Priest over the house of God is the God-man, Immanuel, God with us, and He lives for ever to make intercession for His own.
He is holy, harmless and undefiled, separate from sinners. Yet He was in all points tempted like as we are, and therefore He can be touched with the feeling of our infirmities. His holiness does not keep the sinner at a distance, but makes His compassion perfect. A mortal priest died and left his people behind; this High Priest never forsakes you. Bring Him, then, your weakness; He knows what temptation is.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por tanto, teniendo un gran Pontífice, que penetró los cielos, Jesús el Hijo de Dios, retengamos nuestra profesión.
Hebreos 4:14
Pero entre el sumo sacerdote bajo la ley y el “Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios” hay, además de puntos de semejanza, también puntos de diferencia. El sumo sacerdote bajo la ley no era más que un hombre, pero el “Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios” es el Dios-Hombre, “Emmanuel, Dios con nosotros”, el eterno “Hijo del Padre, en verdad y en amor”, que ha unido nuestra naturaleza a Su propia Persona divina y gloriosa. El sumo sacerdote bajo la ley moría después de cierto número de años y le sucedía otro sumo sacerdote tan mortal como él (véase Heb. 7:23), pero el Sumo Sacerdote de arriba vive para siempre para “interceder por nosotros”.
El sumo sacerdote bajo la ley podía ser uno (y el apóstol parece aludir a ello) que no tuviera piedad ni compasión de las flaquezas y pecados de aquellos por quienes ofrecía. Podía ser como un sacerdote que parece todo santidad, pero no tiene un corazón tierno para compadecerse de los descarriados y de los que se han extraviado. Del “Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios”, en cambio, dice el apóstol que Él “se puede compadecer de nuestras flaquezas”. El sumo sacerdote bajo la ley podía ser tentado o no serlo. Podía ser o no ser uno que conociera la plaga de su propio corazón y las obras de su naturaleza caída, y por eso quizá no era “tentado en todo” como aquellos por quienes presentaba una ofrenda.
El “Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios” fue “tentado en todo según nuestra semejanza”, y por eso puede compadecerse de los que son tentados. El sumo sacerdote bajo la ley era un pecador; el “Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios” es sin mancha, sin pecado, “santo, inocente, limpio, apartado de los pecadores, y hecho más sublime que los cielos”.
Lectura: Hebreos 9:1-15
Al lector…
Pobre pecador, ¿retrocede usted ante la idea de venir al Señor porque se ha extraviado tantas veces? ¿Teme que Él sea como un sacerdote que parece todo santidad, pero no tiene un corazón tierno para los descarriados? Entonces la Palabra le dice aquí algo distinto. El Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios es el Dios-Hombre, Emmanuel, Dios con nosotros, y Él vive para siempre para interceder por los Suyos.
Él es santo, inocente y limpio, apartado de los pecadores. Sin embargo, fue tentado en todo según nuestra semejanza, y por eso se puede compadecer de nuestras flaquezas. Su santidad no mantiene al pecador a distancia, sino que hace perfecta Su compasión. Un sacerdote mortal moría y dejaba atrás a su pueblo; este Sumo Sacerdote nunca le abandona a usted. Tráigale, pues, su debilidad; Él sabe lo que es la tentación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.
1 Korinthe 3:13
Onder het vuur dat eens iegelijks werk zal beproeven, verstaat men niet alleen de toorn Gods, zoals deze zich openbaren zal ten laatsten dage, maar ook de vurige beproeving die in dit leven plaatsvindt en die de Heere in Zijn grote barmhartigheid Zijn volk doet ontmoeten, om hun hout, hooi en stoppelen te doen verteren. Nu is het een onuitsprekelijk voorrecht als al dit brandbaar materiaal verbrand wordt eer wij op ons doodbed komen. Deze vurige beproevingen, die God ons doet ontmoeten door verdrukkingen, verzoekingen, smartelijke ervaringen en pijnlijke zielsoefeningen, zullen het hout, het hooi en de stoppelen, die deze of gene van Zijn volk heeft bijeenverzameld tot de bovenbouw, doen verbranden.
Schuld die drukt op iemands consciëntie; de verschrikkingen des Almachtigen in een vurige wet; de pijlen die diep in het hart treffen, wier vurig venijn de geest uitdroogt; de vrees van dood, hel en oordeel, benevens de vreselijke gevolgtrekkingen van te zullen sterven onder de toorn Gods — deze alle zijn een deel van de vurige beproeving die het hout, het hooi en de stoppelen, door de Babelbouwers op het fundament gelegd, zal verbranden. Deze alle verteren tot zwarte as voor het vuur en tonen klaar wat zij zijn en wat een ijdele toevlucht zij verschaffen in de dagen van moeite en kommer.
Wat zal dan staande kunnen blijven in de vurige beproeving? Het geloof dat de Heere door Zijn Geest heeft ingeplant, dus het werk van God in de ziel. Laat het zwak zijn, maar het zal beproefd worden; het moge somtijds schijnen dat het nauwelijks zal staande blijven, doch het zal elke storm trotseren en ten laatste triomferen. Een goede hoop door genade, een hoop die de Heere Zelf schenkt en onderhoudt, zij is als een welbeproefd anker dat het zal uithouden in de storm. Zij is als het goud en zilver dat de heetste oven kan verdragen. Het verliest daarin wel het schuim, maar niet de zuivere bestanddelen, terwijl het door de beproeving niet anders dan gelouterd en gereinigd wordt en des te meer bewijst dat het een edel metaal is.
Zo ook kunnen deze „kostelijke stenen” (1 Kor. 3:12) — deze hemelse bezoeken, zoete openbaringen, dierbare beloften, vertroostende ontdekkingen en heerlijke openbaringen van de Zoon van God, met de toeknikjes van Zijn stervende, bloedende liefde, deze hemelse juwelen — nooit verloren gaan of verbrand worden. Zij mogen beproefd, ja scherp en hevig beproefd worden, maar daar zij Gods gave en werk zijn, zijn zij wezenlijk onverwoestbaar.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u door het vuur gaat: verdrukkingen, verzoekingen, een schuld die drukt op uw consciëntie, de vrees van dood en oordeel. Het is pijnlijk, en ik maak het niet mooier dan het is. Maar ik noem het toch een onuitsprekelijk voorrecht, wanneer het hout, het hooi en de stoppelen al verbranden vóór het sterfbed. Wat nu tot as wordt, was nooit een veilige toevlucht.
Vrees echter niet dat alles verteert. Het geloof dat de Heere door Zijn Geest heeft ingeplant, zal staande blijven, hoe zwak het ook is. Een goede hoop door genade is als goud in de oven: het verliest wel zijn schuim, maar niets van zijn waarde. En die kostelijke stenen, de bezoeken van Zijn liefde, de beloften die Hij u eens toesprak, die kunnen nooit verbranden. Het zijn Zijn gaven, en wat Hij geeft, gaat niet verloren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.
1 Korinthe 3:13
Onder het vuur dat ieders werk zal beproeven, verstaat men niet alleen de toorn van God zoals die zich op de laatste dag zal openbaren, maar ook de vurige beproeving in dit leven. Die laat de Heere in Zijn grote barmhartigheid over Zijn volk komen, om hun hout, hooi en stoppels te laten verteren. Het is nu een onuitsprekelijk voorrecht als al dit brandbare materiaal verbrand wordt voordat wij op ons sterfbed komen. Deze vurige beproevingen, die God over ons laat komen door verdrukkingen, verzoekingen, smartelijke ervaringen en pijnlijke zielsoefeningen, zullen het hout, het hooi en de stoppels verbranden die de een of ander van Zijn volk voor de bovenbouw heeft verzameld.
Schuld die op iemands geweten drukt; de verschrikkingen van de Almachtige in een vurige wet; de pijlen die diep in het hart treffen en waarvan het vurige gif de geest uitdroogt; de vrees voor dood, hel en oordeel, samen met de vreselijke gedachte te zullen sterven onder de toorn van God: dit alles hoort bij de vurige beproeving die het hout, het hooi en de stoppels zal verbranden die de Babelbouwers op het fundament gelegd hebben. Dit alles verteert voor het vuur tot zwarte as. Zo wordt duidelijk wat het is en wat een ijdele toevlucht het biedt in dagen van moeite en zorg.
Wat zal er dan staande kunnen blijven in de vurige beproeving? Het geloof dat de Heere door Zijn Geest heeft ingeplant, dus het werk van God in de ziel. Het mag zwak zijn, maar het zal beproefd worden. Het mag soms lijken alsof het nauwelijks staande zal blijven, maar het zal elke storm doorstaan en ten slotte overwinnen. Een goede hoop door genade, een hoop die de Heere Zelf schenkt en onderhoudt, is als een goed beproefd anker dat het in de storm zal uithouden. Zij is als goud en zilver dat de heetste oven kan verdragen. Het verliest daarin wel het schuim, maar niet de zuivere bestanddelen; door de beproeving wordt het alleen maar gelouterd en gereinigd, en het bewijst des te meer dat het een edel metaal is.
Zo kunnen ook deze „kostelijke stenen” (1 Kor. 3:12) nooit verloren gaan of verbranden: deze hemelse bezoeken, zoete openbaringen, dierbare beloften, vertroostende ontdekkingen en heerlijke openbaringen van de Zoon van God, met de blikken van Zijn stervende, bloedende liefde, deze hemelse juwelen. Zij mogen beproefd worden, ja scherp en hevig beproefd, maar omdat zij Gods gave en werk zijn, zijn zij in wezen onverwoestbaar.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u door het vuur gaat: verdrukkingen, verzoekingen, een schuld die op uw geweten drukt, de vrees voor dood en oordeel. Het is pijnlijk, en ik maak het niet mooier dan het is. Maar ik noem het toch een onuitsprekelijk voorrecht wanneer het hout, het hooi en de stoppels al verbranden vóór het sterfbed. Wat nu tot as wordt, was nooit een veilige toevlucht.
Vrees echter niet dat alles verteert. Het geloof dat de Heere door Zijn Geest heeft ingeplant, zal staande blijven, hoe zwak het ook is. Een goede hoop door genade is als goud in de oven: het verliest wel zijn schuim, maar niets van zijn waarde. En die kostelijke stenen, de bezoeken van Zijn liefde, de beloften die Hij u eens toesprak, kunnen nooit verbranden. Het zijn Zijn gaven, en wat Hij geeft, gaat niet verloren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And the fire shall try every man’s work of what sort it is.
1 Corinthians 3:13
The fire which is to prove every man’s work of what sort it is, is not merely God’s wrath as manifested at the last day; but His fire as significative of the fiery trial which takes place in this life, and which God mercifully brings upon His people to burn up their wood, hay, and stubble. Now it is an inestimable mercy to have all this combustible material burnt up before we come to a death-bed. Fiery trials, such as God sends through afflictions, temptations, distressing feelings, and painful soul exercises, will burn up the wood, hay, and stubble which any of His saints may have gathered up as a superstructure.
Guilt pressing upon a man’s conscience; the terrors of the Almighty in a fiery law; His arrows deeply fixed in the breast and drying up the spirit; fears of death, hell, and judgment; and the terrible consequences of dying under the wrath of God; all these are a part of the fiery trial which burns up the wood, hay, and stubble heaped by Babel builders on the foundation. All sink into black ashes before this fire, which proves what they are, and what a vain refuge they afford in the day of trouble.
What then stands the fiery trial? God’s work upon the soul, the faith that He implants by His own Spirit. It may be weak; it must be tried; it may seem at times scarcely to exist; and yet being of God, it stands every storm, and lives at last. A good hope through grace, a hope of God’s own communicating and maintaining—like a well-tried anchor, this will stand the storm; like gold and silver, this will bear the hottest furnace; lose its dross, but not lose the pure material, but be refined, purified, and manifested all the more as genuine metal.
So, also, these “precious stones” (1 Cor. 3:12), these heavenly visits, sweet manifestations, blessed promises, comforting discoveries, and gracious revelations of the Son of God, with the whispers of His dying, bleeding love—these heavenly jewels can never be lost and never be burnt up. They may be tried, and that keenly and sharply, but being of God’s gift and operation, they are essentially indestructible.
To the reader…
It may be that you are passing through the fire: afflictions, temptations, a guilt that presses on your conscience, the fear of death and judgment. It is painful, and I will not make it look better than it is. Yet I still call it an inestimable mercy when the wood, hay and stubble are burnt up before the deathbed. What now turns to ashes was never a safe refuge.
But do not fear that everything will be consumed. The faith that the Lord has planted by His Spirit will stand, however weak it may be. A good hope through grace is like gold in the furnace: it does lose its dross, but nothing of its worth. And those precious stones, the visits of His love, the promises He once spoke to you, can never be burnt up. They are His gifts, and what He gives is never lost.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y la obra de cada uno, cuál sea, el fuego hará la prueba.
1 Corintios 3:13
El fuego que ha de probar cuál sea la obra de cada uno no es meramente la ira de Dios tal como se manifestará en el día postrero; sino Su fuego como figura de la prueba de fuego que tiene lugar en esta vida, y que Dios en Su misericordia trae sobre Su pueblo para quemar su madera, heno y hojarasca. Ahora bien, es una misericordia inestimable que todo este material combustible sea quemado antes de llegar al lecho de muerte. Las pruebas de fuego, como las que Dios envía mediante aflicciones, tentaciones, sentimientos angustiosos y dolorosos ejercicios del alma, quemarán la madera, el heno y la hojarasca que cualquiera de Sus santos haya juntado como sobreedificación.
La culpa que oprime la conciencia de un hombre; los terrores del Todopoderoso en una ley de fuego; Sus saetas clavadas hondamente en el pecho, secando el espíritu; los temores de la muerte, del infierno y del juicio; y las terribles consecuencias de morir bajo la ira de Dios: todo esto forma parte de la prueba de fuego que quema la madera, el heno y la hojarasca amontonados sobre el fundamento por los edificadores de Babel. Todo se hunde en negras cenizas ante este fuego, que prueba lo que son y qué vano refugio ofrecen en el día de la angustia.
¿Qué es, entonces, lo que resiste la prueba de fuego? La obra de Dios en el alma, la fe que Él implanta por Su propio Espíritu. Puede ser débil; tiene que ser probada; a veces puede parecer que apenas existe; y sin embargo, siendo de Dios, resiste toda tormenta y vive al final. Una buena esperanza por gracia, una esperanza que Dios mismo comunica y mantiene, como un ancla bien probada, resistirá la tormenta; como el oro y la plata, soportará el horno más ardiente; perderá su escoria, pero no el material puro, sino que será refinada, purificada y manifestada tanto más como metal genuino.
Así también estas “piedras preciosas” (1 Co. 3:12), estas visitas celestiales, dulces manifestaciones, benditas promesas, descubrimientos consoladores y revelaciones llenas de gracia del Hijo de Dios, con los susurros de Su amor agonizante y sangrante: estas joyas celestiales nunca pueden perderse ni ser quemadas. Pueden ser probadas, y eso de forma aguda y severa, pero siendo don y obra de Dios, son en esencia indestructibles.
Al lector…
Puede que usted esté pasando por el fuego: aflicciones, tentaciones, una culpa que oprime su conciencia, el temor de la muerte y del juicio. Es doloroso, y no lo haré parecer mejor de lo que es. Aun así, lo llamo una misericordia inestimable que la madera, el heno y la hojarasca sean quemados antes del lecho de muerte. Lo que ahora se convierte en ceniza nunca fue un refugio seguro.
Pero no tema que todo vaya a ser consumido. La fe que el Señor ha plantado por Su Espíritu resistirá, por débil que sea. Una buena esperanza por gracia es como el oro en el horno: pierde su escoria, sí, pero nada de su valor. Y esas piedras preciosas, las visitas de Su amor, las promesas que Él le habló una vez, nunca pueden ser quemadas. Son Sus dones, y lo que Él da nunca se pierde.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl