5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zo zal ik nochtans in de Heere van vreugde opspringen; ik zal mij verheugen in de God mijns heils.
Habakuk 3:18
Zo wij ooit, wanneer wij door deze woestenij gaan, een droppel ware vreugde, waar geluk gevoelen, moet en kan hij slechts uit één bron vloeien — de openbaring van Christus aan onze ziel. Die vreugde moge ras voorbijgaande zijn; wij mogen op haar zien door een vergezicht van vele jaren; en twijfel en vrees kunnen onze geest zodanig aangrijpen, dat wij vragen of wij ons wel ooit oprecht in Christus hebben verblijd, of onze vreugde de vreugde niet geweest is van de huichelaar, die vergaat. En nu zijn wij gebracht tot dit punt — wij kunnen in Hem alleen vreugde en vrede vinden.
De zonde, de wereld, tijdelijke en zinnelijke zaken, bezigheden, dusgenaamde vermaken geven nu geen vreugde meer; er is een pijnlijk ledig, een gevoel van verlatenheid en ellende verbonden aan alles waarbij geen sprake is van genade, gunst en liefde. Zodat, ofschoon wij niet in staat zijn te zeggen dat wij altijd, overal, in alle omstandigheden van vreugde in de Heere opspringen, toch kunnen wij zover komen — wij kunnen ons in niemand anders verheugen; wij kunnen geen ware blijdschap hebben in iets anders. Eén glimlach van de Heere, één woord van Zijn lippen, één genadig doorbreken van het licht Zijns aanschijns, deelt, zolang het duurt, vreugde mede, en van nergens elders, uit geen andere bron kan een ogenblik van blijdschap geput worden.
Ik zal in U, mijn God, van vreugd
opspringen, in de geest verheugd!
Uw naam zal, door mijn psalmgezangen,
o Allerhoogste, lof ontvangen.
Zingt, zingt de Heer, die eeuwig leeft,
die Sion tot zijn woning heeft,
en laat voor aller volken oren
met psalmgezang zijn daden horen!
Ps. 9:2, 11
Aan de lezer…
Wie Christus heeft leren kennen, vraagt zich soms af of zijn vroegere vreugde in Hem wel echt was, of dat het de vreugde van de huichelaar was, die vergaat. Ligt die tijd ver achter u, en grijpen twijfel en vrees uw geest aan? Ik ken die strijd. Maar zie eens eerlijk naar uw eigen hart: geeft de wereld u nog werkelijk vreugde? Of is er een pijnlijk ledig aan alles waarin geen genade en liefde is?
Kunt u zich in niemand anders verheugen, en verlangt u naar één glimlach van de Heere, één woord van Zijn lippen? Dan is dat geen klein teken. U kunt misschien niet altijd van vreugde opspringen, maar uw hart weet waar de enige bron is. Houd u daar dan aan vast. Eén genadig doorbreken van Zijn aangezicht is genoeg om ook u te doen zeggen: ik zal mij verheugen in de God mijns heils.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo zal ik nochtans in de Heere van vreugde opspringen; ik zal mij verheugen in de God mijns heils.
Habakuk 3:18
Als wij op onze reis door deze woestijn ooit een druppel ware vreugde of waar geluk voelen, dan moet en kan die maar uit één bron komen: de openbaring van Christus aan onze ziel. Die vreugde mag snel voorbijgaan. Wij kunnen er misschien op terugzien door een vergezicht van vele jaren. En twijfel en vrees kunnen onze geest zo aangrijpen dat wij ons afvragen of wij ons ooit oprecht in Christus verblijd hebben, of dat onze vreugde de vreugde van de huichelaar was, die vergaat. Maar nu zijn wij op dit punt gebracht: wij kunnen alleen in Hem vreugde en vrede vinden.
De zonde, de wereld, tijdelijke en zinnelijke zaken, bezigheden en zogenaamde vermaken geven nu geen vreugde meer. Aan alles waarin geen sprake is van genade, gunst en liefde kleeft een pijnlijke leegte, een gevoel van verlatenheid en ellende. Wij kunnen dus wel niet zeggen dat wij altijd, overal en in alle omstandigheden van vreugde in de Heere opspringen. Toch kunnen wij zover komen: wij kunnen ons in niemand anders verheugen, en wij kunnen in niets anders ware blijdschap vinden. Eén glimlach van de Heere, één woord van Zijn lippen, één genadig doorbreken van het licht van Zijn aangezicht geeft vreugde zolang het duurt. Nergens anders, uit geen enkele andere bron, kan ook maar een ogenblik van blijdschap geput worden.
Ik zal in U, mijn God, van vreugd
opspringen, in de geest verheugd!
Uw naam zal, door mijn psalmgezangen,
o Allerhoogste, lof ontvangen.
Zingt, zingt de Heer, die eeuwig leeft,
die Sion tot zijn woning heeft,
en laat voor aller volken oren
met psalmgezang zijn daden horen!
Ps. 9:2, 11
Aan de lezer…
Wie Christus heeft leren kennen, vraagt zich soms af of zijn vroegere vreugde in Hem wel echt was, of dat het de vreugde van de huichelaar was, die vergaat. Ligt die tijd ver achter u, en grijpen twijfel en vrees uw geest aan? Ik ken die strijd. Maar kijk eens eerlijk naar uw eigen hart: geeft de wereld u nog werkelijk vreugde? Of kleeft er een pijnlijke leegte aan alles waarin geen genade en liefde is?
Kunt u zich in niemand anders verheugen, en verlangt u naar één glimlach van de Heere, één woord van Zijn lippen? Dan is dat geen klein teken. Misschien kunt u niet altijd van vreugde opspringen, maar uw hart weet waar de enige bron is. Houd u daar dan aan vast. Eén genadig doorbreken van Zijn aangezicht is genoeg om ook u te laten zeggen: ik zal mij verheugen in de God mijns heils.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Yet I will rejoice in the LORD, I will joy in the God of my salvation.
Habakkuk 3:18
If ever, as we pass through this wilderness, we feel one drop of solid joy, of true happiness, it must flow, it can flow only from one source—the manifestation of Christ to our souls. This joy may be very transient—we may have to look upon it through a vista of many years; and doubts and fears may becloud the mind whether we ever rejoiced truly in Christ, or whether our joy might not have been “the joy of the hypocrite” that perishes. And yet we are brought to this point—we can find true joy and peace in Him alone.
Sin, the world, the things of time and sense, business, amusement, pleasure so called, afford now no lasting joy; there is an aching void, a feeling of dreariness and misery connected with everything short of divine communications of mercy, favor, and love. So that though we may not be enabled to say, ‘we greatly rejoice at all times, in all places, at all seasons, in the Lord;’ yet we can come to this point—we can rejoice in no other; we can take real pleasure in nothing else. One smile from the Lord, one word from His lips, one gracious breaking in of the light of His countenance does, while it lasts, communicate joy; and from no other quarter, from no other source can a moment’s true joy be drawn.
To the reader…
Whoever has come to know Christ sometimes wonders whether his earlier joy in Him was real, or whether it was the joy of the hypocrite, which perishes. Does that time lie far behind you, and do doubt and fear take hold of your mind? I know that struggle. But look honestly at your own heart: does the world still truly give you joy? Or is there a painful emptiness about everything in which there is no grace and love?
Can you rejoice in no one else, and do you long for one smile from the Lord, one word from His lips? Then that is no small sign. Perhaps you cannot always leap for joy, but your heart knows where the only source is. Hold fast to it, then. One gracious breaking in of His countenance is enough to make you too say: I will joy in the God of my salvation.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Con todo yo me alegraré en Jehová, y me gozaré en el Dios de mi salud.
Habacuc 3:18
Si alguna vez, al pasar por este desierto, sentimos una sola gota de gozo sólido, de verdadera felicidad, debe brotar, y solo puede brotar, de una fuente: la manifestación de Cristo a nuestras almas. Este gozo puede ser muy pasajero; quizá tengamos que contemplarlo a través de una larga perspectiva de muchos años; y las dudas y los temores pueden nublar la mente acerca de si alguna vez nos regocijamos verdaderamente en Cristo, o si nuestro gozo no habrá sido “el gozo del hipócrita” que perece. Y sin embargo, somos llevados a este punto: podemos hallar verdadero gozo y paz solo en Él.
El pecado, el mundo, las cosas del tiempo y de los sentidos, los negocios, las diversiones, los así llamados placeres, no dan ya ningún gozo duradero; hay un vacío doloroso, un sentimiento de desolación y miseria unido a todo lo que no sea comunicación divina de misericordia, favor y amor. De modo que, aunque no se nos conceda decir: ‘nos regocijamos grandemente en el Señor en todo tiempo, en todo lugar, en toda estación’, sin embargo podemos llegar a este punto: no podemos regocijarnos en ningún otro; no podemos hallar verdadero placer en ninguna otra cosa. Una sonrisa del Señor, una palabra de Sus labios, un misericordioso resplandor de la luz de Su rostro comunica gozo mientras dura; y de ninguna otra parte, de ninguna otra fuente, puede sacarse un solo momento de verdadero gozo.
Al lector…
Quien ha llegado a conocer a Cristo a veces se pregunta si su gozo anterior en Él fue real, o si fue el gozo del hipócrita, que perece. ¿Queda aquel tiempo muy atrás, y se apoderan de su mente la duda y el temor? Conozco esa lucha. Pero mire con sinceridad su propio corazón: ¿le da todavía el mundo verdadero gozo? ¿O hay un vacío doloroso en todo aquello en que no hay gracia ni amor?
¿No puede regocijarse en ningún otro, y anhela una sonrisa del Señor, una palabra de Sus labios? Entonces esa no es una señal pequeña. Quizá no siempre pueda saltar de gozo, pero su corazón sabe dónde está la única fuente. Aférrese, pues, a ella. Un solo resplandor misericordioso de Su rostro basta para hacerle decir también a usted: me gozaré en el Dios de mi salud.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ opstanding
Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.
Romeinen 6:8, 9
De opstanding van de Heere Jezus wordt gezien als de meest wonderbaarlijke betoning van de almacht van God. Waarom is dit zo? Natuurlijk niet alleen omdat het dode lichaam van de Heere Jezus tot leven werd gewekt, want dat wonder was al eerder verricht bij Lazarus en de zoon van de weduwe, en in vele andere gevallen. Maar het was omdat door Christus uit de doden op te wekken, God miljoenen verloste zondaren met Hem opwekte (Rom. 6:4), en ook nog eens uit al hun zonden en ellende, die Zijn heilige hoofd hadden doen hangen, omdat Hij ze allemaal de dood en het graf in heeft gedragen. Over de Kerk wordt daarom gezegd dat zij „met Christus levend is gemaakt” en „samen met Hem is opgewekt” (Ef. 5:2), en over gelovigen wordt gesproken als „opgewekt met Christus” (Kol. 3:1).
Welnu, wat een levend kind Gods verlangt te ondervinden is de kracht van deze opstanding, opdat hij, aangezien hij verborgen en werkelijk samen met Christus levend is gemaakt bij en door Zijn opstanding uit de doden, bewust kan beschikken over de geestelijke kracht van die opstanding in zijn eigen ziel. Hierdoor zal hij op kunnen staan uit de banden des doods, die hem zo vaak stevig vasthouden. Het tentoonspreiden van de kracht van Christus om de ziel levend te maken, te vernieuwen en te verlossen is zo enorm groot dat dit door de apostel wordt vergeleken met de betoning van de almacht die God uitoefende om Jezus uit de doden op te wekken.
Want hoewel de gelovige feitelijk samen met Jezus levend werd gemaakt toen Hij opstond uit de doden, en al uit het graf des doods en der zonde is opgestaan door die kracht die hem nieuw maakt en levend voor God, zinkt hij vaak terug in een duister graf van vleselijkheid en dood. Hij wil daarom dat een grote kracht in zijn ziel wordt uitgeoefend — de kracht van Christus’ opstanding. Want hij heeft dezelfde almacht nodig die Jezus uit de doden opwekte om hem nogmaals op te wekken tot geloof, hoop en liefde. De opstanding van Jezus, en zijn deel hieraan als een levend gemaakt lid van Zijn lichaam, is de zekere belofte dat hij weer gezegend zal worden met deze vernieuwende, nieuw leven gevende genade.
Maar o, wat een kracht, als men innerlijk zelf deze kracht af en toe de ziel voelt ingaan zoals de kracht van God het graf van Christus inging en Hem uit de doden opwekte! En door het ondervinden van deze kracht met Christus op te staan naar het licht, leven, de vrijheid en de liefde — dat is het koninkrijk Gods te hebben dat niet alleen „gelegen is in woorden”, maar dat „rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest” is (1 Kor. 4:20; Rom. 14:17).
Lezen: Romeinen 6:1-14
Aan de lezer…
Hoe dikwijls zinkt u terug in een duister graf van vleselijkheid en dood, zodat u zich afvraagt of er ooit leven in uw ziel geweest is? Dat is de klacht van menig levend kind van God. Wie door genade met Christus is opgewekt, ondervindt toch telkens weer de banden des doods die hem stevig vasthouden. U hebt dan niet minder nodig dan dezelfde almacht die de Heere Jezus uit de doden opwekte, om u opnieuw op te wekken tot geloof, hoop en liefde.
Maar hoor wat dit woord zegt: Christus, opgewekt zijnde uit de doden, sterft niet meer; de dood heerst niet meer over Hem. Zijn opstanding is de zekere belofte dat u, als een levend gemaakt lid van Zijn lichaam, weer met die vernieuwende genade gezegend zult worden. Zucht dan om de kracht van Zijn opstanding in uw ziel. Wanneer zij komt, staat u op naar het licht, de vrijheid en de liefde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.
Romeinen 6:8, 9
De opstanding van de Heere Jezus wordt gezien als het meest wonderbaarlijke bewijs van de almacht van God. Waarom is dat zo? Natuurlijk niet alleen omdat het dode lichaam van de Heere Jezus tot leven werd gewekt, want dat wonder was al eerder gebeurd bij Lazarus en bij de zoon van de weduwe, en in vele andere gevallen. Het was omdat God, door Christus uit de doden op te wekken, miljoenen verloste zondaren met Hem opwekte (Rom. 6:4). Hij wekte hen ook op uit al hun zonden en ellende, die Zijn heilig hoofd hadden doen buigen, omdat Hij ze allemaal de dood en het graf in had gedragen. Daarom wordt over de Kerk gezegd dat zij „met Christus levend is gemaakt” en „samen met Hem is opgewekt” (Ef. 5:2), en wordt over de gelovigen gesproken als „opgewekt met Christus” (Kol. 3:1).
Wat een levend kind van God nu verlangt te ondervinden, is de kracht van deze opstanding. Hij is in het verborgene en werkelijk samen met Christus levend gemaakt bij en door Zijn opstanding uit de doden. Nu verlangt hij de geestelijke kracht van die opstanding bewust in zijn eigen ziel te ervaren. Daardoor zal hij kunnen opstaan uit de banden van de dood, die hem zo vaak stevig vasthouden. De kracht van Christus die de ziel levend maakt, vernieuwt en verlost, blijkt zo buitengewoon groot dat de apostel haar vergelijkt met de almacht die God uitoefende toen Hij Jezus uit de doden opwekte.
Want hoewel de gelovige werkelijk samen met Jezus levend werd gemaakt toen Hij uit de doden opstond, en al uit het graf van dood en zonde is opgestaan door de kracht die hem nieuw en levend voor God maakt, zinkt hij toch vaak terug in een duister graf van vleselijkheid en dood. Daarom verlangt hij dat er een grote kracht in zijn ziel wordt uitgeoefend: de kracht van Christus’ opstanding. Want hij heeft dezelfde almacht nodig die Jezus uit de doden opwekte, om hem opnieuw op te wekken tot geloof, hoop en liefde. De opstanding van Jezus, en zijn deel daaraan als een levend gemaakt lid van Zijn lichaam, is de zekere belofte dat hij weer gezegend zal worden met deze vernieuwende, levendmakende genade.
Maar o, wat een kracht is het, wanneer men af en toe in het binnenste voelt dat deze kracht de ziel binnengaat, zoals de kracht van God het graf van Christus binnenging en Hem uit de doden opwekte! En door het ondervinden van deze kracht met Christus op te staan tot licht, leven, vrijheid en liefde — dat is het Koninkrijk van God te bezitten, dat niet alleen „gelegen is in woorden”, maar dat „rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest” is (1 Kor. 4:20; Rom. 14:17).
Lezen: Romeinen 6:1-14
Aan de lezer…
Hoe vaak zinkt u terug in een duister graf van vleselijkheid en dood, zodat u zich afvraagt of er ooit leven in uw ziel geweest is? Dat is de klacht van menig levend kind van God. Wie door genade met Christus is opgewekt, ondervindt toch telkens weer de banden van de dood die hem stevig vasthouden. U hebt dan niet minder nodig dan dezelfde almacht die de Heere Jezus uit de doden opwekte, om u opnieuw op te wekken tot geloof, hoop en liefde.
Maar hoor wat dit woord zegt: Christus, opgewekt zijnde uit de doden, sterft niet meer; de dood heerst niet meer over Hem. Zijn opstanding is de zekere belofte dat u, als een levend gemaakt lid van Zijn lichaam, weer met die vernieuwende genade gezegend zult worden. Zucht dan om de kracht van Zijn opstanding in uw ziel. Wanneer zij komt, staat u op tot het licht, de vrijheid en de liefde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Now if we be dead with Christ, we believe that we shall also live with Him: knowing that Christ being raised from the dead dieth no more; death hath no more dominion over Him.
Romans 6:8,9
The resurrection of the Lord Jesus is viewed as the most wonderful proof of the almighty power of God. Why is that? Not, of course, merely because the dead body of the Lord Jesus was raised to life, for that miracle had already been wrought in the case of Lazarus and of the widow’s son, and in many other instances. It was because God, in raising Christ from the dead, raised up with Him millions of redeemed sinners (Romans 6:4). He raised them also out of all their sins and miseries, which had bowed down His sacred head, because He had carried them all into death and the grave. Therefore it is said of the Church that she is “quickened together with Christ” and “raised up together” with Him (Ephesians 2:5,6), and believers are spoken of as “risen with Christ” (Colossians 3:1).
What a living child of God now longs to experience is the power of this resurrection. He has been secretly and really quickened together with Christ at and by His resurrection from the dead. Now he longs to feel the spiritual power of that resurrection consciously in his own soul. Thereby he will be able to rise out of the bands of death, which so often hold him fast. The quickening, renewing and delivering power of Christ in the soul proves to be so exceedingly great that the apostle compares it with the almighty power which God put forth when He raised Jesus from the dead.
For although the believer was really quickened together with Jesus when He rose from the dead, and has already risen out of the grave of death and sin by the power which makes him new and alive unto God, yet he often sinks back into a dark grave of carnality and death. Therefore he longs that a mighty power may be put forth in his soul: the power of Christ’s resurrection. For he needs the same almighty power which raised Jesus from the dead to raise him up afresh to faith, hope and love. The resurrection of Jesus, and his interest in it as a quickened member of His body, is the sure pledge that he will again be blessed with this renewing, quickening grace.
But O what a power it is, when from time to time one feels within that this power enters the soul, as the power of God entered the tomb of Christ and raised Him from the dead! And by the experience of this power to rise with Christ to light, life, liberty and love, that is to possess the kingdom of God, which is “not in word,” but is “righteousness, and peace, and joy in the Holy Ghost” (1 Corinthians 4:20; Romans 14:17).
Reading: Romans 6:1-14
To the reader…
How often do you sink back into a dark grave of carnality and death, so that you wonder whether there was ever life in your soul? That is the complaint of many a living child of God. Whoever has by grace been raised with Christ still feels again and again the bands of death that hold him fast. Then you need nothing less than the same almighty power that raised the Lord Jesus from the dead, to raise you up afresh to faith, hope and love.
But hear what this word says: Christ, being raised from the dead, dieth no more; death hath no more dominion over Him. His resurrection is the sure pledge that you, as a quickened member of His body, will again be blessed with that renewing grace. Sigh, then, for the power of His resurrection in your soul. When it comes, you will rise to light, liberty and love.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y si morimos con Cristo, creemos que también viviremos con Él; sabiendo que Cristo habiendo resucitado de los muertos, ya no muere: la muerte no se enseñoreará más de Él.
Romanos 6:8, 9
La resurrección del Señor Jesús es considerada la prueba más maravillosa del poder omnipotente de Dios. ¿Por qué? No, por supuesto, solo porque el cuerpo muerto del Señor Jesús fue devuelto a la vida, pues ese milagro ya se había obrado en el caso de Lázaro y del hijo de la viuda, y en muchos otros casos. Fue porque Dios, al resucitar a Cristo de los muertos, resucitó con Él a millones de pecadores redimidos (Romanos 6:4). Los levantó también de todos sus pecados y miserias, que habían hecho inclinar Su sagrada cabeza, porque Él los había llevado todos a la muerte y al sepulcro. Por eso se dice de la Iglesia que Dios le “dio vida juntamente con Cristo” y “juntamente la resucitó” con Él (Efesios 2:5, 6), y se habla de los creyentes como “resucitados con Cristo” (Colosenses 3:1).
Lo que un hijo de Dios viviente anhela ahora experimentar es el poder de esta resurrección. Ha sido secreta y realmente vivificado juntamente con Cristo en y por Su resurrección de los muertos. Ahora anhela sentir conscientemente en su propia alma el poder espiritual de esa resurrección. Por ella podrá levantarse de las ligaduras de la muerte, que tantas veces le tienen sujeto. El poder vivificador, renovador y libertador de Cristo en el alma resulta ser tan extraordinariamente grande, que el apóstol lo compara con el poder omnipotente que Dios desplegó cuando resucitó a Jesús de los muertos.
Porque aunque el creyente fue realmente vivificado juntamente con Jesús cuando Él resucitó de los muertos, y ya se ha levantado del sepulcro de la muerte y del pecado por el poder que le hace nuevo y vivo para Dios, sin embargo a menudo vuelve a hundirse en un oscuro sepulcro de carnalidad y muerte. Por eso anhela que se despliegue en su alma un gran poder: el poder de la resurrección de Cristo. Porque necesita el mismo poder omnipotente que resucitó a Jesús de los muertos para levantarle de nuevo a la fe, la esperanza y el amor. La resurrección de Jesús, y su parte en ella como miembro vivificado de Su cuerpo, es la prenda segura de que volverá a ser bendecido con esta gracia renovadora y vivificadora.
¡Pero oh, qué poder es, cuando de tiempo en tiempo uno siente dentro de sí que este poder entra en el alma, como el poder de Dios entró en el sepulcro de Cristo y le resucitó de los muertos! Y por la experiencia de este poder, resucitar con Cristo a la luz, la vida, la libertad y el amor, es decir, poseer el reino de Dios, que “no consiste en palabras”, sino que es “justicia y paz y gozo por el Espíritu Santo” (1 Corintios 4:20; Romanos 14:17).
Lectura: Romanos 6:1-14
Al lector…
¿Cuántas veces vuelve usted a hundirse en un oscuro sepulcro de carnalidad y muerte, de modo que se pregunta si alguna vez hubo vida en su alma? Esa es la queja de muchos hijos de Dios vivientes. El que por gracia ha resucitado con Cristo siente todavía una y otra vez las ligaduras de la muerte que le tienen sujeto. Entonces no necesita nada menos que el mismo poder omnipotente que resucitó al Señor Jesús de los muertos, para levantarle de nuevo a la fe, la esperanza y el amor.
Pero oiga lo que dice esta palabra: Cristo, habiendo resucitado de los muertos, ya no muere; la muerte no se enseñoreará más de Él. Su resurrección es la prenda segura de que usted, como miembro vivificado de Su cuerpo, volverá a ser bendecido con esa gracia renovadora. Suspire, pues, por el poder de Su resurrección en su alma. Cuando venga, se levantará usted a la luz, la libertad y el amor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die niet ingaat door de deur in de stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.
Johannes 10:1
Hier zijn drie kentekenen waardoor gij kunt weten of gij door het geloof in de stal der schapen zijt ingegaan. Eerst, hebt gij enig bewijs dat gij in de Heere Jezus Christus verlost zijt met een eeuwigdurende verlossing? Ten tweede, kent gij bij bevinding enige zalige en heilige vrijmoedigheid en vrijheid om uit de hemelse schaapskooi uit en in te gaan? Ten derde, hebt gij weide gevonden? Hebt gij somtijds weide gevonden in de ordinantiën van Gods huis, somtijds in de geheiligde waarheden van het Evangelie, als gij leest of hoort het Woord der waarheid en, meer bijzonder, wanneer gij door het geloof deelgenoot waart van het vlees en bloed des Lams?
Er kunnen zulken zijn die duidelijk zien dat Christus de deur is, en ten volle overreed zijn dat er geen andere weg is om de stal in te gaan dan door Hem, en toch schijnt het hun toe dat zij persoonlijk en bevindelijk niet zijn ingegaan, zodat zij zich daarin niet kunnen verblijden. Maar zijt gij nooit ingegaan door hoop of verwachting? En hoe zoudt gij door hoop hebben kunnen ingaan, tenzij er iets in u is dat gij uzelf niet geven kunt, dat gij namelijk een zegen van God verwachtte; tenzij gij in het bezit zijt van een kruimpje levend geloof, waardoor gij, ofschoon voor het tegenwoordige zwak in oefening, toch schijnt een overreding te hebben van de zoetheid der zegeningen van het Evangelie?
Hoe onderscheiden is deze staat der ziel van de staat dergenen die stout en vermetel over de muur heenklimmen, of die gebruikmaken van de ladder van eigengerechtigheid en die zichzelf op de een of andere wijze helpen! Hoeveel beter is het dan in ware vernedering aan de poort te blijven liggen, ziende op Jezus, verlangende om in te gaan; Hem smekende de deur te openen en u vergunning te geven, dan u stout en vermetel in te dringen. Hoe onderscheiden is deze nederige, afhankelijke en zichzelf verfoeiende staat der ziel van die van eigengerechtigheid aan de ene kant en de stoute onbeschaamde aan de andere kant!
Er is alles om het zwakke, vreesachtige deel der kudde te bemoedigen om de stal in te gaan. Voor hen opent de Heere Jezus wijd Zijn armen en spreekt in hun hart en oren: „Ik ben de deur, gaat in door Mij en door geen andere weg. Door Mij is er toegang tot God, want Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven! Indien gij door Mij ingaat, zult gij verlost worden van al uw benauwdheid en vrees, beide ten opzichte van dit en het toekomende leven. Gij zult vrijelijk in- en uitgaan en weide vinden, nederliggende en u voedende op Mijn Goddelijk Persoon, Mijn vlees en bloed op aarde, als voorsmaakjes van Mij eeuwig te zullen genieten in de gewesten der eeuwige zaligheid daarboven.”
Aan de lezer…
Ziet u wel dat Christus de deur is, lezer, maar durft u niet te zeggen dat u zelf bent ingegaan? Staat u als het ware aan de poort, verlangende en vrezende tegelijk? Vraag u dan eens eerlijk af of u nooit bent ingegaan door hoop of verwachting. Dat u een zegen van God verwacht, hebt u uzelf niet gegeven; het is een kruimpje levend geloof, al is het voor het tegenwoordige zwak in oefening.
Veracht dat kleine niet. Het is oneindig beter in ware vernedering aan de poort te liggen, ziende op Jezus en smekende dat Hij de deur opent, dan stout over de muur te klimmen langs de ladder van eigengerechtigheid. Voor het zwakke, vreesachtige deel der kudde opent Hij juist wijd Zijn armen en zegt: „Ik ben de deur, gaat in door Mij.” Wie door Hem ingaat, zal vrijelijk in- en uitgaan, verlost worden van benauwdheid en vrees, en weide vinden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die niet ingaat door de deur in de stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.
Johannes 10:1
Hier zijn drie kenmerken waaraan u kunt weten of u door het geloof in de stal der schapen bent ingegaan. Ten eerste: hebt u enig bewijs dat u in de Heere Jezus Christus verlost bent met een eeuwige verlossing? Ten tweede: kent u bij bevinding iets van een zalige en heilige vrijmoedigheid en vrijheid om in de hemelse schaapskooi in en uit te gaan? Ten derde: hebt u weide gevonden? Hebt u soms weide gevonden in de inzettingen van Gods huis, soms in de geheiligde waarheden van het Evangelie, wanneer u het Woord der waarheid leest of hoort, en vooral wanneer u door het geloof deel had aan het vlees en bloed van het Lam?
Er kunnen mensen zijn die duidelijk zien dat Christus de deur is, en die er volledig van overtuigd zijn dat er geen andere weg is om de stal binnen te gaan dan door Hem. Toch lijkt het hun dat zij persoonlijk en bevindelijk niet zijn ingegaan, zodat zij zich daarover niet kunnen verblijden. Maar bent u nooit ingegaan door hoop of verwachting? En hoe zou u door hoop hebben kunnen ingaan, tenzij er iets in u is wat u uzelf niet geven kunt, namelijk dat u een zegen van God verwachtte? Tenzij u een kruimeltje levend geloof bezit, waardoor u, hoewel het op dit moment zwak in oefening is, toch een zekere overtuiging lijkt te hebben van de zoetheid van de zegeningen van het Evangelie?
Hoe verschillend is deze staat van de ziel van de staat van hen die brutaal en vermetel over de muur klimmen, of die de ladder van eigengerechtigheid gebruiken en zichzelf op de een of andere manier helpen! Hoeveel beter is het dan om in ware vernedering aan de poort te blijven liggen, ziend op Jezus, verlangend om in te gaan, en Hem smekend de deur te openen en u toegang te geven, dan om u brutaal en vermetel naar binnen te dringen. Hoe verschillend is deze nederige, afhankelijke staat van de ziel, die zichzelf verfoeit, van de eigengerechtigheid aan de ene kant en de brutale onbeschaamdheid aan de andere kant!
Er is alles om het zwakke, vreesachtige deel van de kudde te bemoedigen om de stal binnen te gaan. Voor hen opent de Heere Jezus Zijn armen wijd, en Hij spreekt in hun hart en oren: „Ik ben de deur, gaat in door Mij en door geen andere weg. Door Mij is er toegang tot God, want Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven! Indien gij door Mij ingaat, zult gij verlost worden van al uw benauwdheid en vrees, beide ten opzichte van dit en het toekomende leven. Gij zult vrijelijk in- en uitgaan en weide vinden, nederliggende en u voedende op Mijn Goddelijk Persoon, Mijn vlees en bloed op aarde, als voorsmaakjes van Mij eeuwig te zullen genieten in de gewesten der eeuwige zaligheid daarboven.”
Aan de lezer…
Ziet u wel dat Christus de deur is, maar durft u niet te zeggen dat u zelf bent ingegaan? Staat u als het ware aan de poort, verlangend en vrezend tegelijk? Vraag u dan eens eerlijk af of u nooit bent ingegaan door hoop of verwachting. Dat u een zegen van God verwacht, hebt u uzelf niet gegeven; het is een kruimeltje levend geloof, al is het op dit moment zwak in oefening.
Veracht dat kleine niet. Het is oneindig veel beter om in ware vernedering aan de poort te liggen, ziend op Jezus en smekend dat Hij de deur opent, dan brutaal over de muur te klimmen langs de ladder van eigengerechtigheid. Juist voor het zwakke, vreesachtige deel van de kudde opent Hij Zijn armen wijd en zegt: „Ik ben de deur, gaat in door Mij.” Wie door Hem ingaat, zal vrij in- en uitgaan, verlost worden van benauwdheid en vrees, en weide vinden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Verily, verily, I say unto you, He that entereth not by the door into the sheepfold, but climbeth up some other way, the same is a thief and a robber.”
John 10:1
Here are three marks whereby you may know whether you have entered by faith into the sheepfold. First, have you any evidence of being saved in the Lord Jesus Christ with an everlasting salvation? Secondly, have you felt any blessed and holy freedom and liberty of going in and coming out of the heavenly sheepfold? Thirdly, have you found pasture? Sometimes finding pasture in the ordinances of God’s house; sometimes in the sacred truths of the gospel, as you read or hear the Word of truth; and especially in partaking by faith of the flesh and blood of the Lamb.
But there may be those who are in this spot. They see plainly that Christ is the door, and are fully convinced there is no other way of entrance into the fold but by Him; and yet they do not seem to have entered personally and experimentally in, so as to enjoy for themselves its privileges and blessings. But have you never entered in by hope and expectation? And how could you enter in by expectation unless something in you, which you could not give yourself, were expecting a blessing from God; unless you possessed a principle of living faith, whereby, though at present weak and feeble, you yet seem to realize the sweetness of the blessings held forth in the gospel?
How different is this state of soul experience from climbing daringly and presumptuously over the wall, or taking the ladder of self-righteousness, and thus helping yourself in by some other way than the door. How much better to be lying in humility at the gate, looking to Jesus and longing to enter in, begging of Him to open the door and give you admission, than to make yourself a daring and rash intruder. How different is this humble, dependent, and self-abased state of soul from self-righteousness on the one hand, and bold presumption on the other.
There is everything to encourage the weak and feeble part of the flock who long to enter into the fold. To them Jesus opens His arms wide, and says in their heart and ears, “I am the door: enter through Me, and by no other way. There is access to God by Me, for I am the way, the truth, and the life. If you enter in by Me, you shall be saved from all you justly dread and fear, both as regards this life and the life to come. You shall go freely in and freely out, and find pasture; lying down and feeding on My divine Person, flesh, and blood on earth, as the prelude and foretaste of enjoying Me forever in the blissful courts of heaven above.”
To the reader…
Do you see clearly that Christ is the door, but dare not say that you yourself have entered in? Are you standing, as it were, at the gate, longing and fearing at the same time? Then ask yourself honestly whether you have never entered in by hope or expectation. That you expect a blessing from God is not something you gave yourself; it is a crumb of living faith, even if it is weak in its exercise at the moment.
Do not despise that small thing. It is infinitely better to lie in true humility at the gate, looking to Jesus and pleading that He will open the door, than to climb boldly over the wall by the ladder of self-righteousness. It is to the weak and fearful part of the flock in particular that He opens His arms wide and says, “I am the door: by Me if any man enter in.” Whoever enters in by Him shall go freely in and out, be delivered from distress and fear, and find pasture.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
De cierto, de cierto os digo: El que no entra por la puerta en el corral de las ovejas, mas sube por otra parte, el tal es ladrón y robador.
Juan 10:1
He aquí tres señales por las cuales usted puede saber si ha entrado por la fe en el corral de las ovejas. Primero, ¿tiene alguna evidencia de ser salvo en el Señor Jesucristo con salvación eterna? Segundo, ¿ha sentido alguna bendita y santa libertad para entrar y salir del corral celestial? Tercero, ¿ha hallado pastos? A veces hallando pastos en las ordenanzas de la casa de Dios; a veces en las sagradas verdades del evangelio, al leer u oír la Palabra de verdad; y especialmente al participar por la fe de la carne y la sangre del Cordero.
Pero puede haber quienes se encuentren en este punto. Ven claramente que Cristo es la puerta, y están plenamente convencidos de que no hay otra manera de entrar en el redil sino por Él; y, sin embargo, no parecen haber entrado personal y experimentalmente, de modo que gocen por sí mismos de sus privilegios y bendiciones. Pero ¿no ha entrado usted nunca por la esperanza y la expectación? ¿Y cómo podría haber entrado por la expectación, a menos que algo en usted, que usted no podía darse a sí mismo, estuviera esperando una bendición de Dios; a menos que poseyera un principio de fe viva por el cual, aunque al presente débil y flaco, parece sin embargo percibir la dulzura de las bendiciones que el evangelio presenta?
¡Cuán distinto es este estado de experiencia del alma de trepar osada y presuntuosamente por encima del muro, o de tomar la escalera de la justicia propia y así meterse por otro camino que no es la puerta! ¡Cuánto mejor es estar postrado en humildad a la puerta, mirando a Jesús y anhelando entrar, rogándole que abra la puerta y le dé entrada, que hacerse un intruso osado y temerario! ¡Cuán distinto es este estado del alma, humilde, dependiente y abatido en sí mismo, de la justicia propia por un lado, y de la osada presunción por otro!
Hay todo para alentar a la parte débil y flaca del rebaño que anhela entrar en el redil. A ellos abre Jesús ampliamente Sus brazos, y dice a su corazón y a sus oídos: “Yo soy la puerta: entra por Mí, y por ningún otro camino. Hay acceso a Dios por Mí, porque Yo soy el camino, y la verdad, y la vida. Si entras por Mí, serás salvo de todo lo que con justicia temes y te espanta, tanto en lo que toca a esta vida como a la venidera. Entrarás libremente y saldrás libremente, y hallarás pastos; reposando y alimentándote en la tierra de Mi Persona divina, de Mi carne y Mi sangre, como preludio y anticipo de gozar de Mí para siempre en los atrios dichosos del cielo de arriba.”
Al lector…
¿Ve usted claramente que Cristo es la puerta, pero no se atreve a decir que usted mismo ha entrado? ¿Está, por así decirlo, a la puerta, anhelando y temiendo a la vez? Pregúntese entonces con sinceridad si nunca ha entrado por la esperanza o la expectación. Que usted espere una bendición de Dios no es algo que se haya dado a sí mismo; es una migaja de fe viva, aunque por el momento sea débil en su ejercicio.
No desprecie esa cosa pequeña. Es infinitamente mejor estar postrado en verdadera humildad a la puerta, mirando a Jesús y suplicando que abra la puerta, que trepar osadamente por encima del muro con la escalera de la justicia propia. Es precisamente a la parte débil y temerosa del rebaño a la que Él abre ampliamente Sus brazos y dice: “Yo soy la puerta: el que por Mí entrare.” El que entra por Él, entrará y saldrá libremente, será librado de la angustia y del temor, y hallará pastos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl