10 de abril
Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die niet ingaat door de deur in de stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.
Johannes 10:1
Hier zijn drie kentekenen waardoor gij kunt weten of gij door het geloof in de stal der schapen zijt ingegaan. Eerst, hebt gij enig bewijs dat gij in de Heere Jezus Christus verlost zijt met een eeuwigdurende verlossing? Ten tweede, kent gij bij bevinding enige zalige en heilige vrijmoedigheid en vrijheid om uit de hemelse schaapskooi uit en in te gaan? Ten derde, hebt gij weide gevonden? Hebt gij somtijds weide gevonden in de ordinantiën van Gods huis, somtijds in de geheiligde waarheden van het Evangelie, als gij leest of hoort het Woord der waarheid en, meer bijzonder, wanneer gij door het geloof deelgenoot waart van het vlees en bloed des Lams?
Er kunnen zulken zijn die duidelijk zien dat Christus de deur is, en ten volle overreed zijn dat er geen andere weg is om de stal in te gaan dan door Hem, en toch schijnt het hun toe dat zij persoonlijk en bevindelijk niet zijn ingegaan, zodat zij zich daarin niet kunnen verblijden. Maar zijt gij nooit ingegaan door hoop of verwachting? En hoe zoudt gij door hoop hebben kunnen ingaan, tenzij er iets in u is dat gij uzelf niet geven kunt, dat gij namelijk een zegen van God verwachtte; tenzij gij in het bezit zijt van een kruimpje levend geloof, waardoor gij, ofschoon voor het tegenwoordige zwak in oefening, toch schijnt een overreding te hebben van de zoetheid der zegeningen van het Evangelie?
Hoe onderscheiden is deze staat der ziel van de staat dergenen die stout en vermetel over de muur heenklimmen, of die gebruikmaken van de ladder van eigengerechtigheid en die zichzelf op de een of andere wijze helpen! Hoeveel beter is het dan in ware vernedering aan de poort te blijven liggen, ziende op Jezus, verlangende om in te gaan; Hem smekende de deur te openen en u vergunning te geven, dan u stout en vermetel in te dringen. Hoe onderscheiden is deze nederige, afhankelijke en zichzelf verfoeiende staat der ziel van die van eigengerechtigheid aan de ene kant en de stoute onbeschaamde aan de andere kant!
Er is alles om het zwakke, vreesachtige deel der kudde te bemoedigen om de stal in te gaan. Voor hen opent de Heere Jezus wijd Zijn armen en spreekt in hun hart en oren: „Ik ben de deur, gaat in door Mij en door geen andere weg. Door Mij is er toegang tot God, want Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven! Indien gij door Mij ingaat, zult gij verlost worden van al uw benauwdheid en vrees, beide ten opzichte van dit en het toekomende leven. Gij zult vrijelijk in- en uitgaan en weide vinden, nederliggende en u voedende op Mijn Goddelijk Persoon, Mijn vlees en bloed op aarde, als voorsmaakjes van Mij eeuwig te zullen genieten in de gewesten der eeuwige zaligheid daarboven.”
Aan de lezer…
Ziet u wel dat Christus de deur is, lezer, maar durft u niet te zeggen dat u zelf bent ingegaan? Staat u als het ware aan de poort, verlangende en vrezende tegelijk? Vraag u dan eens eerlijk af of u nooit bent ingegaan door hoop of verwachting. Dat u een zegen van God verwacht, hebt u uzelf niet gegeven; het is een kruimpje levend geloof, al is het voor het tegenwoordige zwak in oefening.
Veracht dat kleine niet. Het is oneindig beter in ware vernedering aan de poort te liggen, ziende op Jezus en smekende dat Hij de deur opent, dan stout over de muur te klimmen langs de ladder van eigengerechtigheid. Voor het zwakke, vreesachtige deel der kudde opent Hij juist wijd Zijn armen en zegt: „Ik ben de deur, gaat in door Mij.” Wie door Hem ingaat, zal vrijelijk in- en uitgaan, verlost worden van benauwdheid en vrees, en weide vinden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die niet ingaat door de deur in de stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.
Johannes 10:1
Hier zijn drie kenmerken waaraan u kunt weten of u door het geloof in de stal der schapen bent ingegaan. Ten eerste: hebt u enig bewijs dat u in de Heere Jezus Christus verlost bent met een eeuwige verlossing? Ten tweede: kent u bij bevinding iets van een zalige en heilige vrijmoedigheid en vrijheid om in de hemelse schaapskooi in en uit te gaan? Ten derde: hebt u weide gevonden? Hebt u soms weide gevonden in de inzettingen van Gods huis, soms in de geheiligde waarheden van het Evangelie, wanneer u het Woord der waarheid leest of hoort, en vooral wanneer u door het geloof deel had aan het vlees en bloed van het Lam?
Er kunnen mensen zijn die duidelijk zien dat Christus de deur is, en die er volledig van overtuigd zijn dat er geen andere weg is om de stal binnen te gaan dan door Hem. Toch lijkt het hun dat zij persoonlijk en bevindelijk niet zijn ingegaan, zodat zij zich daarover niet kunnen verblijden. Maar bent u nooit ingegaan door hoop of verwachting? En hoe zou u door hoop hebben kunnen ingaan, tenzij er iets in u is wat u uzelf niet geven kunt, namelijk dat u een zegen van God verwachtte? Tenzij u een kruimeltje levend geloof bezit, waardoor u, hoewel het op dit moment zwak in oefening is, toch een zekere overtuiging lijkt te hebben van de zoetheid van de zegeningen van het Evangelie?
Hoe verschillend is deze staat van de ziel van de staat van hen die brutaal en vermetel over de muur klimmen, of die de ladder van eigengerechtigheid gebruiken en zichzelf op de een of andere manier helpen! Hoeveel beter is het dan om in ware vernedering aan de poort te blijven liggen, ziend op Jezus, verlangend om in te gaan, en Hem smekend de deur te openen en u toegang te geven, dan om u brutaal en vermetel naar binnen te dringen. Hoe verschillend is deze nederige, afhankelijke staat van de ziel, die zichzelf verfoeit, van de eigengerechtigheid aan de ene kant en de brutale onbeschaamdheid aan de andere kant!
Er is alles om het zwakke, vreesachtige deel van de kudde te bemoedigen om de stal binnen te gaan. Voor hen opent de Heere Jezus Zijn armen wijd, en Hij spreekt in hun hart en oren: „Ik ben de deur, gaat in door Mij en door geen andere weg. Door Mij is er toegang tot God, want Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven! Indien gij door Mij ingaat, zult gij verlost worden van al uw benauwdheid en vrees, beide ten opzichte van dit en het toekomende leven. Gij zult vrijelijk in- en uitgaan en weide vinden, nederliggende en u voedende op Mijn Goddelijk Persoon, Mijn vlees en bloed op aarde, als voorsmaakjes van Mij eeuwig te zullen genieten in de gewesten der eeuwige zaligheid daarboven.”
Aan de lezer…
Ziet u wel dat Christus de deur is, maar durft u niet te zeggen dat u zelf bent ingegaan? Staat u als het ware aan de poort, verlangend en vrezend tegelijk? Vraag u dan eens eerlijk af of u nooit bent ingegaan door hoop of verwachting. Dat u een zegen van God verwacht, hebt u uzelf niet gegeven; het is een kruimeltje levend geloof, al is het op dit moment zwak in oefening.
Veracht dat kleine niet. Het is oneindig veel beter om in ware vernedering aan de poort te liggen, ziend op Jezus en smekend dat Hij de deur opent, dan brutaal over de muur te klimmen langs de ladder van eigengerechtigheid. Juist voor het zwakke, vreesachtige deel van de kudde opent Hij Zijn armen wijd en zegt: „Ik ben de deur, gaat in door Mij.” Wie door Hem ingaat, zal vrij in- en uitgaan, verlost worden van benauwdheid en vrees, en weide vinden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Verily, verily, I say unto you, He that entereth not by the door into the sheepfold, but climbeth up some other way, the same is a thief and a robber.”
John 10:1
Here are three marks whereby you may know whether you have entered by faith into the sheepfold. First, have you any evidence of being saved in the Lord Jesus Christ with an everlasting salvation? Secondly, have you felt any blessed and holy freedom and liberty of going in and coming out of the heavenly sheepfold? Thirdly, have you found pasture? Sometimes finding pasture in the ordinances of God’s house; sometimes in the sacred truths of the gospel, as you read or hear the Word of truth; and especially in partaking by faith of the flesh and blood of the Lamb.
But there may be those who are in this spot. They see plainly that Christ is the door, and are fully convinced there is no other way of entrance into the fold but by Him; and yet they do not seem to have entered personally and experimentally in, so as to enjoy for themselves its privileges and blessings. But have you never entered in by hope and expectation? And how could you enter in by expectation unless something in you, which you could not give yourself, were expecting a blessing from God; unless you possessed a principle of living faith, whereby, though at present weak and feeble, you yet seem to realize the sweetness of the blessings held forth in the gospel?
How different is this state of soul experience from climbing daringly and presumptuously over the wall, or taking the ladder of self-righteousness, and thus helping yourself in by some other way than the door. How much better to be lying in humility at the gate, looking to Jesus and longing to enter in, begging of Him to open the door and give you admission, than to make yourself a daring and rash intruder. How different is this humble, dependent, and self-abased state of soul from self-righteousness on the one hand, and bold presumption on the other.
There is everything to encourage the weak and feeble part of the flock who long to enter into the fold. To them Jesus opens His arms wide, and says in their heart and ears, “I am the door: enter through Me, and by no other way. There is access to God by Me, for I am the way, the truth, and the life. If you enter in by Me, you shall be saved from all you justly dread and fear, both as regards this life and the life to come. You shall go freely in and freely out, and find pasture; lying down and feeding on My divine Person, flesh, and blood on earth, as the prelude and foretaste of enjoying Me forever in the blissful courts of heaven above.”
To the reader…
Do you see clearly that Christ is the door, but dare not say that you yourself have entered in? Are you standing, as it were, at the gate, longing and fearing at the same time? Then ask yourself honestly whether you have never entered in by hope or expectation. That you expect a blessing from God is not something you gave yourself; it is a crumb of living faith, even if it is weak in its exercise at the moment.
Do not despise that small thing. It is infinitely better to lie in true humility at the gate, looking to Jesus and pleading that He will open the door, than to climb boldly over the wall by the ladder of self-righteousness. It is to the weak and fearful part of the flock in particular that He opens His arms wide and says, “I am the door: by Me if any man enter in.” Whoever enters in by Him shall go freely in and out, be delivered from distress and fear, and find pasture.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
De cierto, de cierto os digo: El que no entra por la puerta en el corral de las ovejas, mas sube por otra parte, el tal es ladrón y robador.
Juan 10:1
He aquí tres señales por las cuales usted puede saber si ha entrado por la fe en el corral de las ovejas. Primero, ¿tiene alguna evidencia de ser salvo en el Señor Jesucristo con salvación eterna? Segundo, ¿ha sentido alguna bendita y santa libertad para entrar y salir del corral celestial? Tercero, ¿ha hallado pastos? A veces hallando pastos en las ordenanzas de la casa de Dios; a veces en las sagradas verdades del evangelio, al leer u oír la Palabra de verdad; y especialmente al participar por la fe de la carne y la sangre del Cordero.
Pero puede haber quienes se encuentren en este punto. Ven claramente que Cristo es la puerta, y están plenamente convencidos de que no hay otra manera de entrar en el redil sino por Él; y, sin embargo, no parecen haber entrado personal y experimentalmente, de modo que gocen por sí mismos de sus privilegios y bendiciones. Pero ¿no ha entrado usted nunca por la esperanza y la expectación? ¿Y cómo podría haber entrado por la expectación, a menos que algo en usted, que usted no podía darse a sí mismo, estuviera esperando una bendición de Dios; a menos que poseyera un principio de fe viva por el cual, aunque al presente débil y flaco, parece sin embargo percibir la dulzura de las bendiciones que el evangelio presenta?
¡Cuán distinto es este estado de experiencia del alma de trepar osada y presuntuosamente por encima del muro, o de tomar la escalera de la justicia propia y así meterse por otro camino que no es la puerta! ¡Cuánto mejor es estar postrado en humildad a la puerta, mirando a Jesús y anhelando entrar, rogándole que abra la puerta y le dé entrada, que hacerse un intruso osado y temerario! ¡Cuán distinto es este estado del alma, humilde, dependiente y abatido en sí mismo, de la justicia propia por un lado, y de la osada presunción por otro!
Hay todo para alentar a la parte débil y flaca del rebaño que anhela entrar en el redil. A ellos abre Jesús ampliamente Sus brazos, y dice a su corazón y a sus oídos: “Yo soy la puerta: entra por Mí, y por ningún otro camino. Hay acceso a Dios por Mí, porque Yo soy el camino, y la verdad, y la vida. Si entras por Mí, serás salvo de todo lo que con justicia temes y te espanta, tanto en lo que toca a esta vida como a la venidera. Entrarás libremente y saldrás libremente, y hallarás pastos; reposando y alimentándote en la tierra de Mi Persona divina, de Mi carne y Mi sangre, como preludio y anticipo de gozar de Mí para siempre en los atrios dichosos del cielo de arriba.”
Al lector…
¿Ve usted claramente que Cristo es la puerta, pero no se atreve a decir que usted mismo ha entrado? ¿Está, por así decirlo, a la puerta, anhelando y temiendo a la vez? Pregúntese entonces con sinceridad si nunca ha entrado por la esperanza o la expectación. Que usted espere una bendición de Dios no es algo que se haya dado a sí mismo; es una migaja de fe viva, aunque por el momento sea débil en su ejercicio.
No desprecie esa cosa pequeña. Es infinitamente mejor estar postrado en verdadera humildad a la puerta, mirando a Jesús y suplicando que abra la puerta, que trepar osadamente por encima del muro con la escalera de la justicia propia. Es precisamente a la parte débil y temerosa del rebaño a la que Él abre ampliamente Sus brazos y dice: “Yo soy la puerta: el que por Mí entrare.” El que entra por Él, entrará y saldrá libremente, será librado de la angustia y del temor, y hallará pastos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl