6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.
Romeinen 8:2
Wij zijn èn van nature èn door de daad slaven der zonde en van de Satan. Wij zijn het wild waarop de vorst van de macht der lucht jacht maakt, en die ons naar zijn wil gevangen neemt. Wij worden overheerst door tal van boze lusten; of, zijn wij vrij van grove zonden, toch zijn wij de slaven van trotsheid, begeerlijkheid of eigengerechtigheid. Misschien is er een afgodsbeeld in de kamers onzer verbeelding opgericht, dat de gehele inwendige mens bezoedelt; of onze voet verwart zich in een der strikken door de Satan gespannen, en zijn wij slaaf geworden, zonder de kracht te hebben ons aan zijn wrede slavernij te ontrukken. Wij zuchten eronder, gelijk de kinderen Israëls onder hun last, maar kunnen, evenals zij, ons niet bevrijden.
Maar vroeger of later komt de Waarheid ons te hulp; de Waarheid, die in Christus Jezus is, snelt toe tot de verlossing van de verdrukte kinderen Gods; de goede Geest baant de weg en bezegelt haar met Goddelijke kracht aan de ziel. Als zij dan onder Zijn gezegende invloed de Waarheid geloven en haar macht en invloed in hun hart gevoelen, dan wordt er een vrijmakende invloed medegedeeld; hun boeien en banden worden losgemaakt; de dienstbaarheid aan de zonde en de Satan, en de macht en de kracht van het boze worden merkbaar verbroken, en een mate van heilige vrijheid wordt genoten.
Er is geen ander middel om van de slavernij der wet verlost te worden dan door toepassing van het Evangelie, en door te geloven wat het Evangelie openbaart. Wanneer dan de Waarheid tot het harte komt als het Woord van de levende God Zelf, dan komt daarmee de kracht om te geloven; het geloof wordt dan opgewekt om de getuigenis te erkennen. En als het geloof de Waarheid Gods begint te erkennen en haar in hoop en liefde ontvangt, dan heeft er merkbare losmaking der banden plaats, en dan vallen de boeien en ketenen als vanzelf af. Het gaat met de ziel gelijk het met Petrus in de gevangenis ging: toen de engel kwam, en een licht scheen in de gevangenis, en de woorden des engels zijn oren troffen, „vielen de ketenen af van zijn handen.” Toen was er niets meer dat hem de uitgang versperde; want „de ijzeren poort, die naar de stad leidt, ging hun van zelve open.” Welke ketenen of boeien de ziel dan ook gevangen houden, laat de engel der barmhartigheid maar komen; laat de boodschap der zaligheid geopenbaard worden, en de ketenen des ongeloofs vallen af, de ijzeren poort der hardheid wijkt, en de Waarheid maakt de ziel heerlijk vrij (Joh. 8:32).
Als mij geen hulp of uitkomst bleek,
wanneer mijn geest in mij bezweek
en overstelpt was door ellend’,
hebt Gij, o Heer, mijn pad gekend.
Ps. 142:2
Aan de lezer…
Hoe zwaar is het te zuchten onder een last die u niet van u kunt werpen! Misschien zijn het geen grove zonden die u binden, maar trotsheid, begeerlijkheid of eigengerechtigheid, of een afgod in de verborgen kamers van uw hart. U hebt geworsteld en voornemens gemaakt, en toch bleven de boeien knellen. Wees eerlijk: u kunt uzelf niet bevrijden, zomin als de kinderen Israëls zichzelf konden verlossen.
Maar de wet des Geestes des levens in Christus Jezus is sterker dan de wet der zonde en des doods. Vroeg of laat komt de Waarheid de verdrukte ziel te hulp, en Hij, de goede Geest, baant de weg. Zoek uw vrijheid dan niet in eigen inspanning, maar in het geloven van wat het Evangelie openbaart. Wanneer het Woord met kracht tot uw hart komt, vallen de ketenen af als vanzelf, en zult u ervaren dat de Heere uw pad gekend heeft, juist toen uw geest in u bezweek.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.
Romeinen 8:2
We zijn zowel van nature als door onze daden slaven van de zonde en van de satan. We zijn het wild waarop de overste van de macht van de lucht jaagt, en die ons naar zijn wil gevangenneemt. We worden overheerst door allerlei boze lusten. Of, als we vrij zijn van grove zonden, dan zijn we toch slaven van hoogmoed, begeerlijkheid of eigengerechtigheid. Misschien is er een afgodsbeeld opgericht in de kamers van onze verbeelding, dat de hele innerlijke mens bezoedelt. Of onze voet raakt verward in een van de strikken die de satan gespannen heeft, en we zijn slaaf geworden, zonder de kracht om ons aan zijn wrede slavernij te ontrukken. We zuchten eronder, zoals de kinderen Israëls onder hun last, maar we kunnen ons, net als zij, niet bevrijden.
Maar vroeg of laat komt de Waarheid ons te hulp. De Waarheid die in Christus Jezus is, snelt toe om de verdrukte kinderen van God te verlossen; de goede Geest baant de weg en bezegelt haar met goddelijke kracht aan de ziel. Wanneer zij dan onder Zijn gezegende invloed de Waarheid geloven en haar macht en invloed in hun hart voelen, dan wordt er een vrijmakende invloed meegedeeld. Hun boeien en banden worden losgemaakt. De dienstbaarheid aan de zonde en de satan, en de macht en de kracht van het kwaad worden merkbaar verbroken, en er wordt een mate van heilige vrijheid genoten.
Er is geen ander middel om van de slavernij van de wet verlost te worden dan de toepassing van het Evangelie en het geloven van wat het Evangelie openbaart. Wanneer de Waarheid dan in het hart komt als het Woord van de levende God Zelf, dan komt daarmee de kracht om te geloven; het geloof wordt dan opgewekt om het getuigenis te erkennen. En wanneer het geloof de Waarheid van God begint te erkennen en haar in hoop en liefde ontvangt, dan worden de banden merkbaar losgemaakt, en dan vallen de boeien en ketenen als vanzelf af. Het gaat met de ziel zoals het met Petrus in de gevangenis ging. Toen de engel kwam, er een licht scheen in de gevangenis en de woorden van de engel zijn oren bereikten, „vielen de ketenen af van zijn handen.” Toen was er niets meer dat hem de uitgang versperde, want „de ijzeren poort, die naar de stad leidt,” ging „van zelve hun open.” Zo is het ook nu: welke ketenen of boeien de ziel ook vasthouden, laat de engel van de barmhartigheid maar komen, laat de boodschap van de zaligheid maar geopenbaard worden – dan vallen de ketenen van het ongeloof af, wijkt de ijzeren poort van de hardheid, en maakt de Waarheid de ziel heerlijk vrij (Joh. 8:32).
Als mij geen hulp of uitkomst bleek,
wanneer mijn geest in mij bezweek
en overstelpt was door ellend’,
hebt Gij, o Heer, mijn pad gekend.
Ps. 142:2
Aan de lezer…
Hoe zwaar is het te zuchten onder een last die u niet van u af kunt werpen! Misschien zijn het geen grove zonden die u binden, maar hoogmoed, begeerlijkheid of eigengerechtigheid, of een afgod in de verborgen kamers van uw hart. U hebt geworsteld en voornemens gemaakt, en toch bleven de boeien knellen. Wees eerlijk: u kunt uzelf niet bevrijden, net zomin als de kinderen Israëls zichzelf konden verlossen.
Maar de wet des Geestes des levens in Christus Jezus is sterker dan de wet der zonde en des doods. Vroeg of laat komt de Waarheid de verdrukte ziel te hulp, en Hij, de goede Geest, baant de weg. Zoek uw vrijheid dan niet in eigen inspanning, maar in het geloven van wat het Evangelie openbaart. Wanneer het Woord met kracht in uw hart komt, vallen de ketenen als vanzelf af, en zult u ervaren dat de Heere uw pad gekend heeft, juist toen uw geest in u bezweek.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For the law of the Spirit of life in Christ Jesus hath made me free from the law of sin and death.
Romans 8:2
We by nature and practice are slaves to sin and Satan. We are the sport of the prince of the power of the air, who takes us captive at his will. We are held down also by many hurtful lusts; or, if free from gross sin, are slaves to pride, covetousness, or self-righteousness. Perhaps some idol is set up in the chambers of imagery which defiles all the inner man; or some snare of Satan entangles our feet, and we are slaves, without power to liberate ourselves from this cruel slavery. We groan under it, as the children of Israel under their burdens, but, like them, cannot deliver ourselves.
But sooner or later the truth comes to our aid; the truth as it is in Jesus flies to the rescue of God’s oppressed family; the blessed Spirit opens it up and seals it upon the heart with a divine power. As, then, under His gracious influences they believe the truth, and feel its power and savor in their heart, a liberating influence is communicated; their fetters and shackles are loosened; the bondage of sin and Satan, and the power and strength of evil are sensibly broken, and a measure of holy freedom is enjoyed. There is no other way of getting from under the bondage of the law but by the application of the gospel, and by believing what the gospel reveals.
As the truth, then, comes to the heart as the very word of the living God, power comes with it to believe; faith is raised up to credit the testimony; and as faith begins to credit the truth of God and receive it in hope and love, there is a sensible loosening of the bonds; and then the chains and fetters drop off of themselves. It is with the soul as it was with Peter in prison—when the angel came, and a light shined in the prison, and the angel’s words fell upon his ears, “the chains fell from off his hands.” There remained nothing then to bar his exit; for “the iron gate that leads unto the city opened to them of its own accord.” So whatever chains or fetters may hold the soul, let the angel of mercy come; let the message of salvation be revealed, the chains of unbelief drop off, the iron gate of hardness gives way, and the truth makes the soul blessedly free (John 8:32).
To the reader…
How heavy it is to groan under a burden you cannot throw off! Perhaps it is not gross sins that bind you, but pride, covetousness or self-righteousness, or an idol in the hidden chambers of your heart. You have struggled and made resolutions, and still the fetters pinched. Be honest: you cannot set yourself free, any more than the children of Israel could deliver themselves.
But the law of the Spirit of life in Christ Jesus is stronger than the law of sin and death. Sooner or later the Truth comes to the help of the oppressed soul, and He, the good Spirit, makes the way. So do not seek your freedom in your own efforts, but in believing what the gospel reveals. When the Word comes with power into your heart, the chains fall off as of themselves, and you will find that the Lord knew your path, even when your spirit was overwhelmed within you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque la ley del Espíritu de vida en Cristo Jesús me ha librado de la ley del pecado y de la muerte.
Romanos 8:2
Por naturaleza y por práctica somos esclavos del pecado y de Satanás. Somos el juguete del príncipe de la potestad del aire, que nos tiene cautivos a su voluntad. Estamos sujetos también por muchas codicias dañosas; o, si estamos libres de pecados groseros, somos esclavos del orgullo, de la avaricia o de la justicia propia. Quizá algún ídolo esté erigido en las cámaras de las imágenes, que contamina todo el hombre interior; o algún lazo de Satanás enreda nuestros pies, y somos esclavos, sin poder para librarnos de esta cruel esclavitud. Gemimos bajo ella, como los hijos de Israel bajo sus cargas, pero, como ellos, no podemos librarnos a nosotros mismos.
Pero tarde o temprano la verdad viene en nuestra ayuda; la verdad como está en Jesús acude al rescate de la familia oprimida de Dios; el bendito Espíritu la abre y la sella en el corazón con un poder divino. Entonces, cuando bajo Sus influencias de gracia creen la verdad y sienten su poder y su sabor en el corazón, se comunica una influencia liberadora; sus grillos y cadenas se aflojan; la servidumbre del pecado y de Satanás, y el poder y la fuerza del mal, son quebrantados de manera sensible, y se goza de una medida de santa libertad. No hay otro modo de salir de bajo la servidumbre de la ley sino por la aplicación del evangelio, y creyendo lo que el evangelio revela.
Así, cuando la verdad llega al corazón como la palabra misma del Dios vivo, viene con ella poder para creer; la fe es levantada para dar crédito al testimonio; y cuando la fe comienza a dar crédito a la verdad de Dios y a recibirla con esperanza y amor, hay un aflojamiento sensible de las ataduras; y entonces las cadenas y grillos caen por sí mismos. Sucede con el alma como sucedió con Pedro en la cárcel: cuando vino el ángel, y una luz resplandeció en la cárcel, y las palabras del ángel llegaron a sus oídos, “las cadenas se le cayeron de las manos”. Nada quedaba entonces que le impidiera salir, porque “la puerta de hierro que va a la ciudad se les abrió de suyo”. Así, cualesquiera cadenas o grillos que tengan sujeta al alma, venga el ángel de la misericordia; sea revelado el mensaje de salvación, y las cadenas de la incredulidad caen, la puerta de hierro de la dureza cede, y la verdad hace al alma bienaventuradamente libre (Juan 8:32).
Al lector…
¡Qué pesado es gemir bajo una carga que no puede quitarse de encima! Quizá no sean pecados groseros los que le atan, sino el orgullo, la avaricia o la justicia propia, o un ídolo en las cámaras ocultas de su corazón. Ha luchado y ha hecho propósitos, y aun así los grillos le apretaban. Sea sincero: no puede librarse a sí mismo, como tampoco los hijos de Israel podían librarse a sí mismos.
Pero la ley del Espíritu de vida en Cristo Jesús es más fuerte que la ley del pecado y de la muerte. Tarde o temprano la Verdad acude en ayuda del alma oprimida, y Él, el buen Espíritu, abre el camino. No busque, pues, su libertad en sus propios esfuerzos, sino en creer lo que el evangelio revela. Cuando la Palabra llega con poder a su corazón, las cadenas caen como por sí mismas, y hallará que el Señor conocía su senda, aun cuando su espíritu desfallecía dentro de usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mozes’ zegen over Israël
Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.
Deuteronomium 33:29
We komen Mozes in het boek Deuteronomium opnieuw tegen, aan het eind van het veertigjarige verblijf in de woestijn, niet alleen volwassen geworden in jaren, zoals wanneer een korenschoof klaar is om binnengehaald te worden, maar ook gerijpt in genade. Onder invloed van de bijzondere bezieling van de Heilige Geest, Die ervoor zorgde dat zijn leer als regen neerviel en zijn taal als dauw neerdroop, stortte hij zijn ziel uit in die heerlijke taal die elk hoofdstuk en bijna elk woord bezielt van dit gezegende boek, dat we het oudtestamentische evangelie mogen noemen, het boek Deuteronomium. Als we gezegend zijn met ook maar iets van zijn geloof, wat zullen we dan in onze tekst een heerlijke blik krijgen op de bijzondere voorrechten en rijke gunsten die bij de Kerk van God horen!
Voor ons, voor zover we tot het geestelijke Israël behoren, stond Mozes op de hoogte van Pisga en overzag hij het land dat zich voor zijn ogen uitspreidde; voor ons zag hij neer op de tenten van Israël die voor zijn voeten waren uitgespreid, en werd hij bezield door de Heilige Geest om in Israël naar het vlees Israël naar de Geest te zien (1 Kor. 10:18). Hij zag door het geloof het verborgen lichaam van Jezus — de Bruid van het Lam — de Kerk van de Eerstgeborene, wier namen in de hemel zijn geschreven. Terwijl hij door het geloof de voorrechten en weldaden beschouwde die aan de Kerk van God verleend zijn, barstte hij uit in de woorden: „Welgelukzalig zijt gij, o Israël! wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere, het Schild uwer hulp” (Deut. 33:29).
Lezen: Deuteronomium 33:22-29
Aan de lezer…
Deze woorden van Mozes klinken van de hoogte van Pisga: kunt u met hem daar staan en neerzien op het volk dat de Heere Zich verlost heeft? Misschien voelt u zich eerder een vreemdeling in de legerplaats dan een kind des huizes, en zijn de voorrechten van de Kerk van God u te hoog om ze u toe te eigenen. Maar let erop wat de grond van haar geluk is: niet dat zij beter is dan anderen, maar dat zij een volk is, verlost door de Heere. Haar zaligheid ligt niet in haarzelf, maar in Hem Die haar kocht.
Daarom mag ook de arme en nooddruftige ziel, die niets anders heeft dan haar gebrek, opzien naar het Schild van Israëls hulp. Mozes was gerijpt na veertig jaren woestijn; laat de weg die u nu gaat, u niet doen wanhopen. De Geest, Die zijn leer als regen deed neervallen, kan ook op uw dorre hart als dauw neerdalen, totdat u met verwondering uitroept: „Wie is u gelijk?”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.
Deuteronomium 33:29
In het boek Deuteronomium komen we Mozes opnieuw tegen, aan het einde van de veertig jaar in de woestijn. Hij is niet alleen volwassen geworden in jaren, zoals een korenschoof die klaar is om binnengehaald te worden, maar ook gerijpt in genade. Onder de bijzondere invloed van de Heilige Geest, Die zijn leer als regen deed neervallen en zijn rede als dauw deed neerdruppelen, stortte hij zijn ziel uit in de heerlijke taal die elk hoofdstuk en bijna elk woord van dit gezegende boek bezielt. We mogen dit boek, Deuteronomium, wel het evangelie van het Oude Testament noemen. Als we gezegend zijn met ook maar iets van zijn geloof, wat krijgen we dan in onze tekst een heerlijke blik op de bijzondere voorrechten en rijke gunsten die bij de Kerk van God horen!
Voor ons, voor zover we tot het geestelijke Israël behoren, stond Mozes op de hoogte van Pisga en overzag hij het land dat zich voor zijn ogen uitstrekte. Voor ons keek hij neer op de tenten van Israël die aan zijn voeten lagen uitgespreid, en werd hij door de Heilige Geest bezield om in het Israël naar het vlees het Israël naar de Geest te zien (1 Kor. 10:18). Door het geloof zag hij het verborgen lichaam van Jezus — de Bruid van het Lam — de Gemeente van de eerstgeborenen, wier namen in de hemel geschreven zijn. Terwijl hij door het geloof de voorrechten en weldaden overzag die aan de Kerk van God geschonken zijn, barstte hij uit in de woorden: „Welgelukzalig zijt gij, o Israël! wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere, het Schild uwer hulp” (Deut. 33:29).
Lezen: Deuteronomium 33:22-29
Aan de lezer…
Deze woorden van Mozes klinken van de hoogte van Pisga: kunt u daar met hem staan en neerzien op het volk dat de Heere Zich verlost heeft? Misschien voelt u zich eerder een vreemdeling in de legerplaats dan een kind van het huis, en zijn de voorrechten van de Kerk van God u te hoog om ze u toe te eigenen. Maar let erop wat de grond van haar geluk is: niet dat zij beter is dan anderen, maar dat zij een volk is, verlost door de Heere. Haar zaligheid ligt niet in haarzelf, maar in Hem Die haar kocht.
Daarom mag ook de arme en nooddruftige ziel, die niets anders heeft dan haar gebrek, opzien naar het Schild van Israëls hulp. Mozes was gerijpt na veertig jaar woestijn; laat de weg die u nu gaat, u dan niet doen wanhopen. De Geest, Die zijn leer als regen deed neervallen, kan ook als dauw op uw dorre hart neerdalen, totdat u met verwondering uitroept: „Wie is u gelijk?”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Happy art thou, O Israel: who is like unto thee, O people saved by the LORD.
Deuteronomy 33:29
In the book of Deuteronomy we meet with Moses once more, at the close of the forty years in the wilderness. He has not only come to full age in years, like a shock of corn ready to be gathered in, but he has also ripened in grace. Under the special influence of the Holy Spirit, Who made his doctrine to drop as the rain and his speech to distil as the dew, he poured out his soul in that glorious language which breathes through every chapter and almost every word of this blessed book. We may well call this book of Deuteronomy the gospel of the Old Testament. If we are blessed with but a measure of his faith, what a glorious view does our text give us of the peculiar privileges and rich favours which belong to the Church of God!
For us, so far as we belong to the spiritual Israel, Moses stood upon the height of Pisgah and surveyed the land which stretched out before his eyes. For us he looked down upon the tents of Israel spread out at his feet, and was inspired by the Holy Spirit to see in Israel after the flesh the Israel after the Spirit (1 Cor. 10:18). By faith he saw the mystical body of Jesus—the Bride, the Lamb’s wife—the Church of the firstborn, whose names are written in heaven. As by faith he surveyed the privileges and blessings bestowed upon the Church of God, he broke forth into the words, “Happy art thou, O Israel: who is like unto thee, O people saved by the LORD, the shield of thy help” (Deut. 33:29).
Reading: Deuteronomy 33:22-29
To the reader…
These words of Moses sound out from the height of Pisgah: can you stand there with him and look down upon the people whom the Lord has saved for Himself? Perhaps you feel more like a stranger in the camp than a child of the house, and the privileges of the Church of God seem too high for you to take to yourself. But notice what the ground of her happiness is: not that she is better than others, but that she is a people saved by the Lord. Her blessedness lies not in herself, but in Him Who bought her.
Therefore the poor and needy soul too, who has nothing but her want, may look up to the Shield of Israel’s help. Moses was ripened after forty years in the wilderness; so do not let the way you are now walking drive you to despair. The Spirit Who made his doctrine drop as the rain can also come down as the dew upon your dry heart, until you cry out in wonder, “Who is like unto thee?”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bienaventurado tú, oh Israel, ¿quién como tú, pueblo salvo por Jehová?
Deuteronomio 33:29
En el libro de Deuteronomio nos encontramos una vez más con Moisés, al final de los cuarenta años en el desierto. No solo ha llegado a plena edad en años, como un montón de trigo listo para ser recogido, sino que también ha madurado en la gracia. Bajo la influencia especial del Espíritu Santo, que hizo gotear como la lluvia su doctrina y destilar como el rocío su razonamiento, derramó su alma en ese glorioso lenguaje que respira en cada capítulo y casi en cada palabra de este bendito libro. Bien podemos llamar a este libro de Deuteronomio el evangelio del Antiguo Testamento. Si somos bendecidos aunque sea con una medida de su fe, ¡qué gloriosa vista nos da nuestro texto de los privilegios peculiares y los ricos favores que pertenecen a la Iglesia de Dios!
Por nosotros, en cuanto pertenecemos al Israel espiritual, Moisés estuvo sobre la cumbre del Pisga y contempló la tierra que se extendía ante sus ojos. Por nosotros miró hacia abajo a las tiendas de Israel extendidas a sus pies, y fue inspirado por el Espíritu Santo para ver en el Israel según la carne al Israel según el Espíritu (1 Corintios 10:18). Por la fe vio el cuerpo místico de Jesús —la Esposa, la mujer del Cordero—, la Iglesia de los primogénitos, cuyos nombres están escritos en los cielos. Al contemplar por la fe los privilegios y bendiciones concedidos a la Iglesia de Dios, prorrumpió en las palabras: “Bienaventurado tú, oh Israel, ¿quién como tú, pueblo salvo por Jehová, escudo de tu socorro?” (Deuteronomio 33:29).
Lectura: Deuteronomio 33:22-29
Al lector…
Estas palabras de Moisés resuenan desde la cumbre del Pisga: ¿puede usted estar allí con él y mirar hacia abajo al pueblo que el Señor ha salvado para Sí? Quizá se siente más un extranjero en el campamento que un hijo de la casa, y los privilegios de la Iglesia de Dios le parecen demasiado altos para apropiárselos. Pero observe cuál es el fundamento de su dicha: no que sea mejor que otros, sino que es un pueblo salvo por el Señor. Su bienaventuranza no está en ella misma, sino en Aquel que la compró.
Por eso también el alma pobre y necesitada, que no tiene nada sino su necesidad, puede mirar al Escudo del socorro de Israel. Moisés maduró tras cuarenta años en el desierto; no deje, pues, que el camino que ahora anda lo lleve a la desesperación. El Espíritu que hizo gotear como la lluvia su doctrina puede también descender como el rocío sobre su corazón seco, hasta que usted exclame maravillado: “¿Quién como tú?”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.
Psalm 90:16
„Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Van schepselswerk lezen wij hier niets. Zij waren reeds lang geleden daarin afgesneden. En wat was de oorzaak dat hun werk tenietgedaan was? Wat was het, dat hun in dit opzicht de doodssteek had toegebracht? Dagen van smart en jaren waarin zij het kwaad gezien hadden. Deze hadden de levenssappen van ’s mensen verdiensten doen uitvloeien.
Hier vinden wij dan ook niet een gebed: „Laat onze werken gezien worden.” Neen, deze waren begraven in het graf van de verdorvenheden; zij waren verslonden en teniet geraakt in de dagen van druk en in de jaren in dewelke zij het kwaad gezien hadden. Maar zij vragen: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Uw werk: het voleindigde werk van Uw Zoon, de gehoorzaamheid van Jezus aan de wet, het verzoenend bloed op Golgotha’s kruis vergoten, het werk dat Hij ondernam en volbracht. O, zo roept de man Gods in de ernst zijner ziel uit — en zijn onze harten door dezelfde Geest onderwezen, dan zullen wij ons daarmee verenigen — laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden!
Maar kunnen wij dit werk niet vinden in het Woord van God? Is dit niet genoegzaam? Kunnen wij dit werk niet horen verkondigen door goede mannen? En is dat niet voldoende? Kunnen wij er niet van lezen als het verklaard wordt door de pen van vaardige schrijvers? Ja zeker, dit is meer dan genoegzaam voor degenen die niet weten van dagen van druk en jaren van kwaad. Maar zo is het niet met Gods beproefde kinderen; zij hebben andere gedachten, andere behoeften.
Zij weten wat het zeggen wil, de duisternis over hun ziel te hebben. Zij kennen de kracht van het ongeloof en de hulpbehoevendheid van het schepsel, en zij weten dat niets minder dan het licht van Gods aangezicht, de openbaring van de genade Gods en de onderwijzing, lering en het getuigenis van de Geest van God het werk van Jezus in al Zijn schoonheid, gepastheid en heerlijkheid kan doen schijnen. En daarom kunnen zij zeggen: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.”
Geef mij, Heere, door het levend geloof een gezicht van de genoegdoening van Jezus. Toon mij (de ziel roept met Mozes’ woorden), toon mij Uw heerlijkheid; openbaar in mijn hart het volbrachte werk van Jezus. Bespreng mijn consciëntie met Zijn verzoenend bloed; ontdek Hem aan mij en geef mij alzo een zoete openbaring van Zijn Persoon, liefde, bloed en volkomen zaligheid. Heere, laat mij dit voor ogen staan en in mijn hart verklaard en bezegeld worden met Goddelijke kracht op mijn consciëntie.
Aan de lezer…
Zijn uw eigen werken ook begraven geraakt, waarde lezer, in dagen van druk en jaren waarin u het kwaad gezien hebt? Dan weet u dat het u niet helpt dat anderen er goed over spreken of er schoon over schrijven. Het Woord ligt open, de waarheid wordt verkondigd, en toch blijft het donker in uw ziel. Wees daarover niet verwonderd en ook niet wanhopig: het is juist de weg waarlangs de Heere Zijn knechten leert dat niets minder dan het licht van Zijn aangezicht het werk van Jezus kan doen schijnen.
Laat dan dit gebed het uwe worden: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Niet uw werk, maar Zijn werk; niet wat u voor Hem gedaan hebt, maar wat Hij op Golgotha volbracht heeft. Vraag Hem dat Hij uw consciëntie met dat verzoenend bloed besprenge en Zijn Persoon aan uw hart ontdekke. Die het werk ondernam en volbracht, zal het ook aan de beproefde ziel niet onthouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.
Psalm 90:16
„Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Over het werk van het schepsel lezen wij hier niets. Daarin waren zij al lang geleden afgesneden. En wat was de oorzaak dat hun werk tenietgedaan was? Wat had hun in dit opzicht de doodsteek toegebracht? Dagen van smart en jaren waarin zij het kwade gezien hadden. Die hadden de levenssappen van de menselijke verdiensten doen wegvloeien.
Daarom vinden wij hier ook niet het gebed: „Laat onze werken gezien worden.” Nee, die waren begraven in het graf van de verdorvenheden; zij waren verslonden en tenietgegaan in de dagen van druk en in de jaren waarin zij het kwade gezien hadden. Maar zij vragen: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Uw werk: het volbrachte werk van Uw Zoon, de gehoorzaamheid van Jezus aan de wet, het verzoenend bloed dat op het kruis van Golgotha vergoten is, het werk dat Hij op Zich nam en volbracht. O, zo roept de man Gods in de ernst van zijn ziel uit — en als onze harten door dezelfde Geest onderwezen zijn, zullen wij daarmee instemmen — laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden!
Maar kunnen wij dit werk niet vinden in het Woord van God? Is dat niet genoeg? Kunnen wij dit werk niet horen verkondigen door goede mannen? En is dat niet voldoende? Kunnen wij er niet over lezen wanneer het door de pen van bekwame schrijvers wordt uitgelegd? Ja zeker, dat is meer dan genoeg voor wie niet weten van dagen van druk en jaren van kwaad. Maar zo is het niet met Gods beproefde kinderen; zij hebben andere gedachten en andere behoeften.
Zij weten wat het betekent duisternis over hun ziel te hebben. Zij kennen de kracht van het ongeloof en de hulpeloosheid van het schepsel. En zij weten dat niets minder dan het licht van Gods aangezicht, de openbaring van Gods genade, en het onderwijs, de lering en het getuigenis van de Geest van God het werk van Jezus in al zijn schoonheid, gepastheid en heerlijkheid kan doen schijnen. Daarom kunnen zij zeggen: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.”
Geef mij, Heere, door het levend geloof een gezicht op de genoegdoening van Jezus. Toon mij (zo roept de ziel met de woorden van Mozes), toon mij Uw heerlijkheid; openbaar in mijn hart het volbrachte werk van Jezus. Besprenkel mijn geweten met Zijn verzoenend bloed; ontdek Hem aan mij en geef mij zo een zoete openbaring van Zijn Persoon, liefde, bloed en volkomen zaligheid. Heere, laat mij dit voor ogen staan, en laat het in mijn hart verklaard en met Goddelijke kracht op mijn geweten verzegeld worden.
Aan de lezer…
Zijn uw eigen werken ook begraven geraakt, lezer, in dagen van druk en jaren waarin u het kwade gezien hebt? Dan weet u dat het u niet helpt dat anderen er goed over spreken of er mooi over schrijven. Het Woord ligt open, de waarheid wordt verkondigd, en toch blijft het donker in uw ziel. Wees daarover niet verwonderd en ook niet wanhopig: het is juist de weg waarlangs de Heere Zijn knechten leert dat niets minder dan het licht van Zijn aangezicht het werk van Jezus kan doen schijnen.
Laat dan dit gebed het uwe worden: „Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden.” Niet uw werk, maar Zijn werk; niet wat u voor Hem gedaan hebt, maar wat Hij op Golgotha volbracht heeft. Vraag Hem of Hij uw geweten met dat verzoenend bloed wil besprenkelen en Zijn Persoon aan uw hart wil ontdekken. Hij Die het werk op Zich nam en volbracht, zal het ook aan de beproefde ziel niet onthouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Let thy work appear unto thy servants, and thy glory unto their children.”
Psalm 90:16
“Let Your work appear unto Your servants.” Creature works we here read nothing of. They had been long ago cut to the very ground. And what had been their deathblow? What had driven the dagger into their very heart? “Days of affliction, and years of evil.” These had been their destruction; creature righteousness they had stabbed to the very heart, and let out the life-blood of human merit.
There is no petition, then, “Let our works appear!” No. These were buried in the grave of corruption; these were swallowed up and lost in “days of affliction, and years of evil.” But, “Let Your work,” the finished work of the Son of God; the obedience of Jesus to the law; the atoning blood which He shed upon Calvary’s tree; the work which He undertook, went through, and completed—“Oh,” breathes forth the man of God in earnest cry (and our hearts if they have been taught by the same Spirit will unite in the same strain), “let Your work appear unto Your servants!”
What! can we not see that work in the Word of God? is not that sufficient? Can we not hear that work set forth by good men? is not that sufficient? Can we not read it as opened up by the pen of ready writers? is not that sufficient? Yes; for those who have never seen “days of affliction, and years of evil,” amply sufficient; but not for God’s exercised children; they have other thoughts and other feelings upon these matters. They know what darkness of mind is, the power of unbelief, and creature helplessness; and they know that nothing short of the light of God’s countenance, the manifestation of God’s mercy, and the teaching and witness of God the Spirit, can make the work of Jesus appear in all its beauty, suitability, and glory; and therefore they can say,
“Let Your work appear unto Your servants. Give me, Lord, a sight by living faith of the atonement of Jesus. Show me” (the soul would cry in the language of Moses), “show me Your glory; reveal in my heart the finished work of Jesus; sprinkle my conscience with His atoning blood; discover Him to me, and thus give me a sweet manifestation of His Person, love, blood, and complete salvation. Let it, Lord, appear before my eyes, and in my heart, and seal it with divine power upon my conscience.”
To the reader…
Have your own works also been buried, reader, in days of affliction and years in which you have seen evil? Then you know that it does not help you that others speak well of the work of Christ or write beautifully about it. The Word lies open, the truth is proclaimed, and yet it remains dark in your soul. Do not be surprised at that, nor despair over it: it is precisely the way by which the Lord teaches His servants that nothing less than the light of His countenance can make the work of Jesus shine.
Let this prayer, then, become yours: “Let Thy work appear unto Thy servants.” Not your work, but His work; not what you have done for Him, but what He accomplished on Calvary. Ask Him to sprinkle your conscience with that atoning blood and to discover His Person to your heart. He Who undertook the work and completed it will not withhold it from the tried soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Aparezca en tus siervos tu obra, y tu gloria sobre sus hijos.”
Salmo 90:16
“Aparezca en Tus siervos Tu obra.” De obras de la criatura no leemos aquí nada. Hacía mucho que habían sido cortadas hasta el suelo. ¿Y qué les había dado el golpe de muerte? ¿Qué les había clavado el puñal en el mismo corazón? Los días de aflicción y los años en que vieron mal. Estos habían sido su destrucción; habían apuñalado en el mismo corazón la justicia de la criatura, y derramado la sangre vital del mérito humano.
No hay, pues, ninguna petición: “¡Aparezcan nuestras obras!” No. Estas fueron sepultadas en la tumba de la corrupción; fueron tragadas y perdidas en los días de aflicción y los años en que vieron mal. Sino: “Tu obra”, la obra consumada del Hijo de Dios; la obediencia de Jesús a la ley; la sangre expiatoria que derramó en el madero del Calvario; la obra que emprendió, llevó a cabo y completó. “Oh”, exhala el varón de Dios en ferviente clamor (y nuestros corazones, si han sido enseñados por el mismo Espíritu, se unirán en el mismo tono), “¡aparezca en Tus siervos Tu obra!”
¡Qué! ¿No podemos ver esa obra en la Palabra de Dios? ¿No basta eso? ¿No podemos oír esa obra expuesta por hombres buenos? ¿No basta eso? ¿No podemos leerla tal como la explica la pluma de escribientes muy ligeros? ¿No basta eso? Sí; para los que nunca han visto días de aflicción ni años de mal, basta sobradamente; pero no para los hijos ejercitados de Dios; ellos tienen otros pensamientos y otros sentimientos acerca de estas cosas. Ellos saben lo que son las tinieblas de la mente, el poder de la incredulidad y la impotencia de la criatura; y saben que nada menos que la luz del rostro de Dios, la manifestación de la misericordia de Dios, y la enseñanza y el testimonio de Dios el Espíritu, puede hacer aparecer la obra de Jesús en toda su hermosura, idoneidad y gloria; y por eso pueden decir:
“Aparezca en Tus siervos Tu obra. Dame, Señor, una visión por fe viva de la expiación de Jesús. Muéstrame” (clamaría el alma con las palabras de Moisés), “muéstrame Tu gloria; revela en mi corazón la obra consumada de Jesús; rocía mi conciencia con Su sangre expiatoria; descúbremelo, y dame así una dulce manifestación de Su Persona, Su amor, Su sangre y Su salvación completa. Haz, Señor, que aparezca ante mis ojos y en mi corazón, y séllala con poder divino sobre mi conciencia.”
Al lector…
¿Han sido sepultadas también sus propias obras, lector, en días de aflicción y en años en que ha visto el mal? Entonces sabe que no le ayuda que otros hablen bien de la obra de Cristo o escriban hermosamente sobre ella. La Palabra está abierta, la verdad se proclama, y sin embargo sigue oscuro en su alma. No se extrañe de ello ni desespere por ello: es precisamente el camino por el cual el Señor enseña a Sus siervos que nada menos que la luz de Su rostro puede hacer resplandecer la obra de Jesús.
Haga, pues, suya esta oración: “Aparezca en Tus siervos Tu obra.” No su obra, sino la de Él; no lo que usted ha hecho por Él, sino lo que Él consumó en el Calvario. Pídale que rocíe su conciencia con esa sangre expiatoria y que descubra Su Persona a su corazón. Aquel Que emprendió la obra y la completó no se la negará al alma probada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl