vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De lofzang is in stilheid tot U, o God, in Zion; en U zal de gelofte betaald worden.
Psalm 65:2
Hoe zoet is het God te loven en te prijzen! Er is geen gevoel op aarde dat daarmede te vergelijken is. Maar hoe dikwijls zijn wij in die staat, dat wij noch kunnen bidden, noch loven; wanneer gemelijkheid en ontevredenheid zodanig bezit van ons hebben genomen, dat wij, verre van God te loven, zelfs niet in staat zijn Zijn aangezicht te zoeken; en dat er, wel verre van Hem te zegenen, zelfs treurige gedachten in het hart zijn, die op vreselijke wijze getuigen van de vijandschap van ons vleselijk gemoed. Zij die door zulke gevoelens pijnlijk geoefend worden, zijn daarom zeker dat het alleen het werk van God is dat hen bekwaamt om Zijn heilige Naam te loven en te prijzen.
En komt een ziel die zo van de hemel geleerd is, niet somtijds in die toestand dat zij uitroept: „O, mocht de Heere mij iets geven waarvoor ik Hem kan prijzen; mocht Hij mij uit deze beproevingen helpen; die rampzalige strik verbreken; die vreselijke verzoeking van mij wegnemen; mij uit deze moeilijkheid verlossen; mijn ziel zegenen en besproeien; mijn hart vertroosten; mijn geest versterken; mij een zoete getuigenis geven Zijner liefde!” „O,” zegt die ziel, „hoe zou ik Hem dan loven en prijzen! Ik zou luidkeels roepen om Zijn heilige Naam te verheffen.”
Maar als de Heere de zegen, die zo vurig door haar begeerd wordt, aan de ziel onthoudt, kan zij er op verre afstand naar staren, hem in de geest aanschouwen en verlangen hem te ervaren. Maar zij zegt: „Vóórdat die zegen met kracht komt, vóórdat hij in al zijn lieflijkheid tot mij komt, vóórdat hij aan mijn hart is bezegeld, zodat hij mijn gemoed geheel heeft ingenomen, kan ik, durf ik Gods heilige Naam niet loven en prijzen.” O, wat is een ziel die van de hemel geleerd is, toch een afhankelijk schepsel! Hoe houdt zij niet op bij de Heilige Geest aan te houden, dat Hij in haar datgene werke wat welbehaaglijk is in Zijn oog! Hoe is zij ervan overtuigd dat zij de zonde niet kan gevoelen noch belijden, dat zij noch gebed noch lof kan uitademen, tenzij de „God aller genade” door Zijn eigen krachtige hand deze gezegende vruchten der lippen schept (Jes. 57:19)! Zijt gij zo hulpeloos in uw gevoelens als deze? Zijt gij zo geheel afhankelijk van de soevereine genade? Dan zijt gij geestelijk van God geleerd; want het is Gods onderwijs in de ziel dat een mens brengt tot een bevindelijke kennis van zijn eigen volstrekte hulpeloosheid voor Zijn aangezicht.
De lofzang klimt uit Sions zalen
tot U met stil ontzag.
Daar zal men U, o God, betalen
geloften, dag bij dag.
Gij hoort hen, die uw heil verwachten,
o Hoorder der gebeên,
dies zullen allerlei geslachten
ootmoedig tot U treên.
Ps. 65:1
Aan de lezer…
Hoe dikwijls kunt u noch bidden noch loven! Zijn gemelijkheid en ontevredenheid zo in uw hart gekropen dat u zelfs Zijn aangezicht niet zoekt, en schrikt u van de treurige gedachten die daar opkomen? Schaam u er voor de Heere over, maar wanhoop niet. Juist zo leert de ziel dat het alleen het werk van God is wat haar bekwaamt om Zijn heilige Naam te prijzen; uit haar eigen hart komt geen lofzang op.
Staart u dan op verre afstand naar een zegen die u nog niet smaakt, en durft u niet te loven voordat hij met kracht aan uw hart bezegeld is? Houd dan aan bij de Heilige Geest, als een afhankelijk schepsel, dat Hij in u werke wat welbehaaglijk is in Zijn oog. Hij is de Hoorder der gebeden. Ook de lofzang in stilheid is Hem niet vreemd, en wie nu in stilte wacht, zal Hem eenmaal zijn gelofte betalen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De lofzang is in stilheid tot U, o God, in Zion; en U zal de gelofte betaald worden.
Psalm 65:2
Hoe zoet is het God te loven en te prijzen! Er is geen gevoel op aarde dat daarmee te vergelijken is. Maar hoe vaak zijn wij in een toestand waarin wij bidden noch loven kunnen! Dan hebben knorrigheid en ontevredenheid zo’n bezit van ons genomen dat wij, verre van God te loven, zelfs niet in staat zijn Zijn aangezicht te zoeken. Dan zijn er, verre van dat wij Hem zegenen, zelfs treurige gedachten in het hart, die op vreselijke wijze getuigen van de vijandschap van ons vleselijke gemoed. Zij die door zulke gevoelens pijnlijk geoefend worden, zijn er daarom zeker van dat het alleen het werk van God is dat hen bekwaam maakt om Zijn heilige Naam te loven en te prijzen.
En komt een ziel die zo door de hemel onderwezen is, niet soms in de toestand dat zij uitroept: „O, mocht de Heere mij iets geven waarvoor ik Hem kan prijzen; mocht Hij mij uit deze beproevingen helpen; die rampzalige strik verbreken; die vreselijke verzoeking van mij wegnemen; mij uit deze moeilijkheid verlossen; mijn ziel zegenen en besproeien; mijn hart vertroosten; mijn geest versterken; mij een zoete getuigenis geven Zijner liefde!” „O,” zegt die ziel, „hoe zou ik Hem dan loven en prijzen! Ik zou luidkeels roepen om Zijn heilige Naam te verheffen.”
Maar als de Heere de zegen die zij zo vurig begeert, aan de ziel onthoudt, kan zij er van verre naar staren, hem in de geest aanschouwen en verlangen hem te ervaren. Maar zij zegt: „Vóórdat die zegen met kracht komt, vóórdat hij in al zijn lieflijkheid tot mij komt, vóórdat hij aan mijn hart is bezegeld, zodat hij mijn gemoed geheel heeft ingenomen, kan ik, durf ik Gods heilige Naam niet loven en prijzen.” O, wat is een ziel die door de hemel onderwezen is toch een afhankelijk schepsel! Hoe houdt zij niet op bij de Heilige Geest aan te houden, dat Hij in haar werkt wat welbehaaglijk is in Zijn oog! Hoe is zij ervan overtuigd dat zij de zonde niet kan voelen of belijden, dat zij geen gebed en geen lof kan uitademen, tenzij de „God aller genade” deze gezegende vruchten van de lippen met Zijn eigen krachtige hand schept (Jes. 57:19)! Bent u in uw gevoelens ook zo hulpeloos? Bent u zo volkomen afhankelijk van Gods soevereine genade? Dan bent u geestelijk door God onderwezen. Want het is Gods onderwijs in de ziel dat een mens brengt tot een bevindelijke kennis van zijn eigen volkomen hulpeloosheid voor Zijn aangezicht.
De lofzang klimt uit Sions zalen
tot U met stil ontzag.
Daar zal men U, o God, betalen
geloften, dag bij dag.
Gij hoort hen, die uw heil verwachten,
o Hoorder der gebeên,
dies zullen allerlei geslachten
ootmoedig tot U treên.
Ps. 65:1
Aan de lezer…
Hoe vaak kunt u bidden noch loven! Zijn knorrigheid en ontevredenheid zo in uw hart gekropen dat u zelfs Zijn aangezicht niet zoekt, en schrikt u van de treurige gedachten die daar opkomen? Schaam u daarover voor de Heere, maar wanhoop niet. Juist zo leert de ziel dat het alleen het werk van God is dat haar bekwaam maakt om Zijn heilige Naam te prijzen; uit haar eigen hart komt geen lofzang op.
Staart u dan van verre naar een zegen die u nog niet smaakt, en durft u niet te loven voordat hij met kracht aan uw hart bezegeld is? Houd dan als een afhankelijk schepsel aan bij de Heilige Geest, dat Hij in u werkt wat welbehaaglijk is in Zijn oog. Hij is de Hoorder van de gebeden. Ook de lofzang in stilheid is Hem niet vreemd, en wie nu in stilte wacht, zal Hem eens zijn gelofte betalen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Praise waiteth for Thee, O God, in Sion: and unto Thee shall the vow be performed.
Psalm 65:1
What a sweet thing it is to bless and praise God! There is no feeling upon earth equal to it. But how often are we in that state when we can neither pray nor praise, when sullenness, frowardness, and peevishness seem to take such complete possession, that, so far from praising God, there is no power even to seek His face; and so far from blessing Him, there are even dreadful things working up in the heart against Him, which awfully manifest the enmity of the carnal mind. Those who are painfully exercised with such feelings are certain, therefore, that it is God’s work to enable them to praise and bless His holy Name.
And does not the heaven-taught soul come sometimes into this spot, “O that the Lord would give me something to praise Him for, would bring me out of this trial, break this wretched snare, remove this dreadful temptation, lift me out of this providential difficulty, bless and water my soul, comfort my heart, strengthen my spirit, give me some sweet testimony of His covenant love!” “O,” says the soul, “how I would then bless and praise Him! I would spend all my breath in exalting His holy Name.”
But when the Lord withholds from the soul the blessings it so eagerly covets, it can only look at them at a great distance, view them wishfully, and long to experience them. But it says, “Until they come with power, until they are brought in with sweetness, until they are sealed upon my very heart, so as to take full possession of my breast, I cannot, I dare not, bless and praise God’s holy Name.”
O what a dependent creature a heaven-taught soul is! How it hangs upon the Spirit of God to work in it that which is well-pleasing in His sight; how convinced it is that it cannot feel sin nor confess it, that it cannot breathe forth prayer nor praise unless the “God of all grace” create by His own powerful hand these blessed fruits of the lips (Isaiah 57:19). Are you so helpless in your feelings as this? Are you such complete dependents upon sovereign grace? Then you are spiritually taught of God; for it is God’s teaching in the soul which brings a man to an experimental knowledge of his own complete helplessness before Him.
To the reader…
How often you can neither pray nor praise! Have sullenness and discontent so crept into your heart that you do not even seek His face, and are you alarmed at the dreadful thoughts that rise up there? Be ashamed of it before the Lord, but do not despair. It is just in this way that the soul learns that it is God’s work alone that enables it to praise His holy Name; no song of praise rises from its own heart.
Do you then gaze from afar at a blessing you do not yet taste, and dare you not praise until it is sealed upon your heart with power? Then, as a dependent creature, keep on waiting upon the Holy Spirit, that He may work in you what is well-pleasing in His sight. He is the Hearer of prayer. Even praise that waits in silence is not strange to Him, and whoever waits in silence now will one day perform his vow to Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A Ti es plácida la alabanza en Sion, oh Dios: y a Ti se pagarán los votos.
Salmo 65:1
¡Qué cosa tan dulce es bendecir y alabar a Dios! No hay sentimiento en la tierra que se le iguale. Pero ¡cuán a menudo estamos en ese estado en que no podemos ni orar ni alabar, cuando el mal humor, la terquedad y la irritación parecen tomar posesión tan completa que, lejos de alabar a Dios, no hay poder ni siquiera para buscar Su rostro; y lejos de bendecirle, hay incluso cosas terribles que se levantan en el corazón contra Él, y que manifiestan espantosamente la enemistad de la mente carnal! Los que son dolorosamente ejercitados con tales sentimientos están, por tanto, seguros de que es obra de Dios capacitarlos para alabar y bendecir Su santo Nombre.
¿Y no llega a veces el alma enseñada del cielo a este punto: “¡Oh, si el Señor me diera algo por lo cual alabarle; si me sacara de esta prueba, rompiera este miserable lazo, quitara esta terrible tentación, me levantara de esta dificultad providencial, bendijera y regara mi alma, consolara mi corazón, fortaleciera mi espíritu, me diera algún dulce testimonio de Su amor del pacto!”? “Oh”, dice el alma, “¡cómo Le bendeciría y alabaría entonces! Gastaría todo mi aliento en exaltar Su santo Nombre”.
Pero cuando el Señor retiene del alma las bendiciones que codicia con tanto anhelo, ella solo puede mirarlas a gran distancia, contemplarlas con deseo y anhelar experimentarlas. Pero dice: “Hasta que vengan con poder, hasta que sean introducidas con dulzura, hasta que sean selladas sobre mi mismo corazón, de modo que tomen plena posesión de mi pecho, no puedo, no me atrevo a bendecir y alabar el santo Nombre de Dios”.
¡Oh, qué criatura tan dependiente es un alma enseñada del cielo! ¡Cómo pende del Espíritu de Dios para que obre en ella lo que es agradable delante de Él; cuán convencida está de que no puede sentir el pecado ni confesarlo, de que no puede exhalar oración ni alabanza, a menos que el “Dios de toda gracia” cree con Su propia mano poderosa estos benditos frutos de labios (Isaías 57:19)! ¿Es usted tan impotente en sus sentimientos como esto? ¿Depende usted tan completamente de la gracia soberana? Entonces es usted enseñado espiritualmente por Dios; porque es la enseñanza de Dios en el alma la que lleva al hombre a un conocimiento experimental de su propia completa impotencia delante de Él.
Al lector…
¡Cuántas veces no puede usted ni orar ni alabar! ¿Se han introducido el mal humor y el descontento de tal modo en su corazón que ni siquiera busca Su rostro, y le alarman los pensamientos terribles que se levantan allí? Avergüéncese de ello delante del Señor, pero no desespere. Precisamente así aprende el alma que solo la obra de Dios la capacita para alabar Su santo Nombre; de su propio corazón no se eleva ningún cántico de alabanza.
¿Contempla usted, pues, de lejos una bendición que todavía no gusta, y no se atreve a alabar hasta que sea sellada con poder sobre su corazón? Entonces, como criatura dependiente, siga esperando en el Espíritu Santo, para que Él obre en usted lo que es agradable delante de Él. Él es el Oidor de la oración. Aun la alabanza que espera en silencio no Le es extraña, y quien ahora espera en silencio un día Le pagará su voto.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Hebt de wereld niet lief
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
De apostel Johannes ontvouwt vollediger en duidelijker wat in de wereld is, om ons nog een reden te geven om haar niet lief te hebben, en hij vat hetgeen in de wereld is samen onder de volgende drie veelzeggende en scherpe koppen: „de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens.” Welnu, al deze begeerlijkheden worden veroordeeld als zijnde niet van de Vader, maar van de wereld. God is niet hier; Zijn Woord is niet hier; Zijn wil is niet hier; Zijn wijsheid is niet hier; Zijn liefde, goedheid, aanwezigheid en macht zijn geen van alle hier. Het is allemaal de mens, de valse, gevallen, bedrogen en bedriegende mens; het is allemaal het voortbrengsel van de stelregels, bezigheden, het behagen en de goedkeuring van een wereld die in de duivel is; van een wereld onder de afschuwelijke vloek en openlijke veroordeling van de Almachtige.
Aan welke kant wilt u zich dan scharen? Een liefhebber van de wereld of een geliefde van God? Wat bent u? „Welnu,” zeggen sommigen van u wellicht, „ik weet het niet.” U zult het niet weten zolang u aarzelt tussen twee meningen; zolang u door uw leven en uw gedrag hand in hand met de wereld wandelt. Maar als het leven van God en godsvreze zich in uw gemoed bevinden, moet u zich wel erg ellendig voelen in deze toestand van twijfel en onzekerheid.
U moet wel vele bittere gedachten hebben op uw bed; u moet wel vaak het hoofd laten hangen voor God, en ook voor Zijn kinderen, en donkerte moet zich wel over uw gezicht verspreiden, als stilte en afzondering u tijd geven om te denken en te voelen. Als godsvreze en het leven van God zich in uw ziel bevinden, kunt u niet met liefde de wereld najagen zonder dat God het in uw geweten opmerkt en u Zijn afkeuring in uw hart voelt. Maar u zegt wellicht: „Ik zou graag vrijer van deze ellendige liefde voor de wereld zijn, maar ik kan mijzelf niet bevrijden.” Nee, en u zult er ook nooit van bevrijd worden totdat u plat neervalt voor God en tot Hem roept om u ervan te bevrijden.
Maar als Hij uw gebed verhoort en u zegent met iets van Zijn liefde, zou u merken dat, als dit met goddelijke kracht in uw ziel kwam, in een ogenblik tot stand gebracht zou worden wat u zelf in honderd jaar nog niet zou kunnen. U zou gezuiverd worden van die ellendige liefde voor de wereld, die nu zowel uw verzoeking als uw last is, door u een beter voorwerp van liefde te geven; want uw liefde zou erdoor gehecht worden aan de dingen die boven zijn, waar Jezus zit aan de rechterhand van God.
Lezen: Psalm 73
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u zelf niet weet aan welke kant u staat. Aarzelt u nog tussen twee meningen, met het ene oog op de Heere en het andere op wat de wereld biedt? Wees dan eerlijk: is er geen bittere gedachte op uw bed, geen neergeslagen hoofd voor God en voor Zijn kinderen, wanneer de stilte u tot nadenken dwingt? Die onrust is geen bewijs dat het leven van God u vreemd is; zij kan juist het teken zijn dat Hij in uw geweten opmerkt wat u liever verborgen hield.
Tracht uzelf echter niet los te worstelen; dat zult u in honderd jaar niet vermogen. Val plat neer voor Hem en roep tot Hem om bevrijding. Eén aanraking van Zijn liefde, met goddelijke kracht in uw ziel gebracht, doet in een ogenblik wat al uw voornemens niet konden: zij geeft u een beter voorwerp van liefde. Dan wordt uw hart gehecht aan de dingen die boven zijn, waar Jezus zit aan de rechterhand van God, en de wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
De apostel Johannes zet vollediger en duidelijker uiteen wat er in de wereld is, om ons nog een reden te geven haar niet lief te hebben. Hij vat wat in de wereld is samen onder drie veelzeggende en scherpe noemers: „de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens.” Al deze begeerlijkheden worden veroordeeld als niet uit de Vader, maar uit de wereld. God is hier niet; Zijn Woord is hier niet; Zijn wil is hier niet; Zijn wijsheid is hier niet; Zijn liefde, goedheid, tegenwoordigheid en macht zijn hier geen van alle. Het is allemaal de mens, de valse, gevallen, bedrogen en bedriegende mens. Het is allemaal het voortbrengsel van de grondregels, bezigheden, het welbehagen en de goedkeuring van een wereld die in het boze ligt, een wereld onder de verschrikkelijke vloek en de openlijke veroordeling van de Almachtige.
Aan welke kant wilt u dan staan? Bent u een liefhebber van de wereld of een geliefde van God? Wat bent u? „Welnu,” zeggen sommigen van u misschien, „ik weet het niet.” U zult het niet weten zolang u op twee gedachten hinkt, zolang u met uw leven en gedrag hand in hand met de wereld wandelt. Maar als het leven van God en de godsvrucht in uw gemoed zijn, moet u zich wel heel ellendig voelen in deze toestand van twijfel en onzekerheid.
Dan moet u wel vele bittere gedachten hebben op uw bed; dan moet u wel vaak het hoofd laten hangen voor God, en ook voor Zijn kinderen, en dan moet er wel een donkere schaduw over uw gezicht trekken, wanneer stilte en eenzaamheid u tijd geven om na te denken en te voelen. Als de godsvrucht en het leven van God in uw ziel zijn, kunt u de wereld niet met liefde najagen zonder dat God het in uw geweten aanwijst en u Zijn ongenoegen in uw hart voelt. Maar misschien zegt u: „Ik zou graag vrijer van deze ellendige liefde voor de wereld zijn, maar ik kan mijzelf niet bevrijden.” Nee, en u zult er ook nooit van bevrijd worden totdat u plat neervalt voor God en tot Hem roept om u ervan te bevrijden.
Maar als Hij uw gebed verhoort en u zegent met iets van Zijn liefde, zou u merken dat, wanneer die met goddelijke kracht in uw ziel kwam, in een ogenblik tot stand kwam wat u zelf in honderd jaar nog niet zou kunnen. U zou gereinigd worden van die ellendige liefde voor de wereld, die nu zowel uw verzoeking als uw last is, doordat u een beter voorwerp van liefde krijgt. Want daardoor zou uw liefde gehecht worden aan de dingen die boven zijn, waar Jezus zit aan de rechterhand van God.
Lezen: Psalm 73
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u zelf niet weet aan welke kant u staat. Hinkt u nog op twee gedachten, met het ene oog op de Heere en het andere op wat de wereld biedt? Wees dan eerlijk: is er geen bittere gedachte op uw bed, geen neergeslagen hoofd voor God en voor Zijn kinderen, wanneer de stilte u tot nadenken dwingt? Die onrust is geen bewijs dat het leven van God u vreemd is; zij kan juist het teken zijn dat Hij in uw geweten aanwijst wat u liever verborgen hield.
Probeer uzelf echter niet los te worstelen; dat zult u in honderd jaar niet kunnen. Val plat neer voor Hem en roep tot Hem om bevrijding. Eén aanraking van Zijn liefde, met goddelijke kracht in uw ziel gebracht, doet in een ogenblik wat al uw voornemens niet konden: zij geeft u een beter voorwerp van liefde. Dan wordt uw hart gehecht aan de dingen die boven zijn, waar Jezus zit aan de rechterhand van God, en de wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Love not the world, neither the things that are in the world. If any man love the world, the love of the Father is not in him. For all that is in the world, the lust of the flesh, and the lust of the eyes, and the pride of life, is not of the Father, but is of the world. And the world passeth away, and the lust thereof: but he that doeth the will of God abideth for ever.
1 John 2:15-17
The apostle John sets forth more fully and clearly what is in the world, to give us yet another reason for not loving it. He sums up all that is in the world under three expressive and searching heads: “the lust of the flesh, and the lust of the eyes, and the pride of life.” All these lusts are condemned as not of the Father, but of the world. God is not here; His Word is not here; His will is not here; His wisdom is not here; His love, goodness, presence and power are none of them here. It is all man, false, fallen, deceived and deceiving man. It is all the product of the maxims, pursuits, pleasure and approval of a world that lieth in wickedness, a world under the dreadful curse and open condemnation of the Almighty.
On which side, then, will you stand? Are you a lover of the world or a beloved of God? What are you? “Well,” some of you may say, “I do not know.” You will not know as long as you halt between two opinions, as long as in your life and conduct you walk hand in hand with the world. But if the life of God and godliness are in your soul, you must feel very wretched in this state of doubt and uncertainty.
Then you must have many bitter thoughts upon your bed; then you must often hang down your head before God, and before His children too, and a dark shadow must pass over your face when stillness and solitude give you time to think and to feel. If godliness and the life of God are in your soul, you cannot pursue the world with love without God pointing it out in your conscience and your feeling His displeasure in your heart. But perhaps you say, “I would gladly be more free from this wretched love of the world, but I cannot deliver myself.” No, and you never will be delivered from it until you fall flat before God and cry to Him to deliver you from it.
But if He hears your prayer and blesses you with something of His love, you would find that, when it came with Divine power into your soul, it accomplished in a moment what you yourself could not do in a hundred years. You would be purged from that wretched love of the world, which is now both your temptation and your burden, by being given a better object of love. For thereby your affections would be set on things above, where Jesus sitteth on the right hand of God.
Reading: Psalm 73
To the reader…
There are times when you yourself do not know on which side you stand. Are you still halting between two opinions, with one eye on the Lord and the other on what the world has to offer? Then be honest: is there no bitter thought upon your bed, no head hanging low before God and before His children, when the stillness forces you to reflect? That unrest is no proof that the life of God is a stranger to you; it may rather be the very sign that He is pointing out in your conscience what you would rather have kept hidden.
Do not try, however, to wrestle yourself free; that you could not do in a hundred years. Fall flat before Him and cry to Him for deliverance. One touch of His love, brought into your soul with Divine power, does in a moment what all your resolutions could not do: it gives you a better object of love. Then your heart is set on things above, where Jesus sits at the right hand of God, and the world passes away with all its lust.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo. Si alguno ama al mundo, el amor del Padre no está en él. Porque todo lo que hay en el mundo, la concupiscencia de la carne, y la concupiscencia de los ojos, y la soberbia de la vida, no es del Padre, mas es del mundo. Y el mundo se pasa, y su concupiscencia; mas el que hace la voluntad de Dios, permanece para siempre.
1 Juan 2:15-17
El apóstol Juan expone de manera más completa y clara lo que hay en el mundo, para darnos aún otra razón para no amarlo. Resume todo lo que hay en el mundo en tres apartados expresivos y escudriñadores: “la concupiscencia de la carne, y la concupiscencia de los ojos, y la soberbia de la vida”. Todas estas concupiscencias son condenadas como no procedentes del Padre, sino del mundo. Dios no está aquí; Su Palabra no está aquí; Su voluntad no está aquí; Su sabiduría no está aquí; Su amor, bondad, presencia y poder, ninguno de ellos está aquí. Todo es el hombre, el hombre falso, caído, engañado y engañador. Todo es producto de las máximas, ocupaciones, placeres y aprobación de un mundo que está puesto en maldad, un mundo bajo la terrible maldición y la abierta condenación del Todopoderoso.
¿De qué lado, pues, se pondrá usted? ¿Es amante del mundo o amado de Dios? ¿Qué es usted? “Bueno”, quizás digan algunos de ustedes, “no lo sé”. No lo sabrá mientras claudique entre dos pensamientos, mientras en su vida y conducta ande de la mano con el mundo. Pero si la vida de Dios y la piedad están en su alma, debe sentirse muy desdichado en este estado de duda e incertidumbre.
Entonces ha de tener muchos pensamientos amargos sobre su lecho; entonces ha de bajar a menudo la cabeza delante de Dios, y también delante de Sus hijos, y una sombra oscura ha de pasar por su rostro cuando la quietud y la soledad le dan tiempo para pensar y sentir. Si la piedad y la vida de Dios están en su alma, no puede ir tras el mundo con amor sin que Dios se lo señale en la conciencia y sin que usted sienta Su desagrado en su corazón. Pero quizás diga: “Con gusto estaría más libre de este miserable amor al mundo, pero no puedo librarme a mí mismo”. No, y nunca será librado de él hasta que caiga postrado delante de Dios y clame a Él para que le libre de él.
Pero si Él oye su oración y le bendice con algo de Su amor, hallaría que, cuando este entrara con poder divino en su alma, lograría en un momento lo que usted mismo no podría hacer en cien años. Sería purgado de ese miserable amor al mundo, que ahora es a la vez su tentación y su carga, al serle dado un objeto de amor mejor. Porque así sus afectos se pondrían en las cosas de arriba, donde Jesús está sentado a la diestra de Dios.
Lectura: Salmo 73
Al lector…
Hay momentos en que usted mismo no sabe de qué lado está. ¿Sigue claudicando entre dos pensamientos, con un ojo puesto en el Señor y el otro en lo que el mundo tiene que ofrecer? Entonces sea sincero: ¿no hay ningún pensamiento amargo sobre su lecho, ninguna cabeza inclinada delante de Dios y delante de Sus hijos, cuando la quietud le obliga a reflexionar? Esa inquietud no es prueba de que la vida de Dios le sea extraña; puede ser más bien la señal misma de que Él le está señalando en la conciencia lo que usted habría preferido mantener oculto.
Pero no intente liberarse luchando por sí mismo; eso no podría hacerlo en cien años. Caiga postrado delante de Él y clame a Él pidiendo liberación. Un solo toque de Su amor, traído a su alma con poder divino, hace en un momento lo que todos sus propósitos no pudieron hacer: le da un objeto de amor mejor. Entonces su corazón se pone en las cosas de arriba, donde Jesús está sentado a la diestra de Dios, y el mundo se pasa con toda su concupiscencia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil.
Efeze 1:4-5
Het is een zeer ware bewering, dat niemand zijn eigen ziel kan levend maken, en het is een even ware betuiging, wij kunnen bijna zeggen een geduchte waarheid, dat het Evangelie alleen in kracht komt tot degenen die God verkoren heeft tot de eeuwige zaligheid. Inderdaad, het een vloeit uit het ander voort; want als niemand zijn eigen ziel kan levend maken, dan volgt daaruit noodzakelijk, dat het alleen door soevereine genade is, dat zij levend gemaakt wordt. Eens de val toegestaan en erkend dat een mens van nature geheel dood is door de misdaden en de zonden, en dat hij zichzelf niet kan opheffen uit deze staat tot de nieuwigheid des levens, zo moet daaruit noodzakelijk de leerstelling der uitverkiezing volgen.
Een levend mens kan aldus redeneren: Ben ik levend gemaakt? Ja. Heb ik mijzelf levend gemaakt? Neen, ik kon dit niet, want ik was dood door de zonde. Heeft God mij dan levend gemaakt? Wie anders kon er leven geven aan mijn dode ziel? Maar waarom heeft Hij mij levend gemaakt toen ik dood was door de zonde? Omdat Hij mij liefhad en mij in Christus heeft uitverkoren tot een erfgenaam van Zijn eeuwige heerlijkheid.
Of gij nu zo kunt spreken of niet, er is geen twijfel aan of de Heere heeft een volk dat Hem dierbaar is en aan wie Hij Zichzelf dierbaar maakt. Dezen, ofschoon veracht en miskend door de mensen, zijn de uitverkorenen Gods; en als gij een vat der barmhartigheid zijt, dat Hij tot het eeuwige leven verkoren heeft, dan is het Evangelie reeds gekomen, of het zal op Zijn eigen tijd en op Zijn eigen wijze komen, en het zal aan uw hart en consciëntie met kracht worden toegepast.
Aan de lezer…
Kunt u zo redeneren, lezer? Weet u dat u levend gemaakt bent, en weet u ook dat u het uzelf niet gegeven hebt, omdat u dood was door de zonde? Dan rust uw hoop niet op iets in uzelf, maar op die soevereine genade waardoor Hij u in Christus heeft uitverkoren tot een erfgenaam van Zijn eeuwige heerlijkheid. Dat is geen leer om koud over te twisten, maar een bron om uit te drinken in dagen van armoede.
En durft u het nog niet zo te zeggen? Wanhoop dan niet. Er is geen twijfel aan of de Heere heeft een volk dat Hem dierbaar is, hoe veracht en miskend het ook mag zijn bij de mensen. Bent u een vat der barmhartigheid, dan zal het Evangelie op Zijn eigen tijd en op Zijn eigen wijze tot u komen, en met kracht aan uw hart en consciëntie worden toegepast. Houd daarom aan bij Hem Die alleen leven geven kan aan een dode ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil.
Efeze 1:4-5
Het is een zeer ware uitspraak dat niemand zijn eigen ziel levend kan maken. En het is een even ware verklaring, wij zouden bijna zeggen een geduchte waarheid, dat het Evangelie alleen met kracht komt tot hen die God verkoren heeft tot de eeuwige zaligheid. Het een vloeit inderdaad uit het ander voort. Want als niemand zijn eigen ziel levend kan maken, dan volgt daar noodzakelijk uit dat zij alleen door soevereine genade levend gemaakt wordt. Wie de val aanvaardt en erkent dat een mens van nature volkomen dood is door de misdaden en de zonden, en dat hij zichzelf niet uit deze staat kan opheffen tot nieuwheid van leven, die moet daaruit noodzakelijk de leer van de uitverkiezing afleiden.
Een levend mens kan zo redeneren: Ben ik levend gemaakt? Ja. Heb ik mijzelf levend gemaakt? Nee, dat kon ik niet, want ik was dood door de zonde. Heeft God mij dan levend gemaakt? Wie anders kon leven geven aan mijn dode ziel? Maar waarom heeft Hij mij levend gemaakt toen ik dood was door de zonde? Omdat Hij mij liefhad en mij in Christus heeft uitverkoren tot een erfgenaam van Zijn eeuwige heerlijkheid.
Of u nu zo kunt spreken of niet, het staat buiten twijfel dat de Heere een volk heeft dat Hem dierbaar is en voor wie Hij Zich dierbaar maakt. Zij zijn, hoewel veracht en miskend door de mensen, de uitverkorenen van God. En als u een vat van barmhartigheid bent dat Hij tot het eeuwige leven verkoren heeft, dan is het Evangelie al gekomen of het zal op Zijn eigen tijd en op Zijn eigen wijze komen, en het zal met kracht aan uw hart en geweten worden toegepast.
Aan de lezer…
Kunt u zo redeneren, lezer? Weet u dat u levend gemaakt bent, en weet u ook dat u dat leven niet uzelf gegeven hebt, omdat u dood was door de zonde? Dan rust uw hoop niet op iets in uzelf, maar op die soevereine genade waardoor Hij u in Christus heeft uitverkoren tot een erfgenaam van Zijn eeuwige heerlijkheid. Dat is geen leer om koel over te twisten, maar een bron om uit te drinken in dagen van armoede.
En durft u het nog niet zo te zeggen? Wanhoop dan niet. Het staat buiten twijfel dat de Heere een volk heeft dat Hem dierbaar is, hoe veracht en miskend het ook mag zijn bij de mensen. Bent u een vat van barmhartigheid, dan zal het Evangelie op Zijn eigen tijd en op Zijn eigen wijze tot u komen en met kracht aan uw hart en geweten worden toegepast. Houd daarom aan bij Hem Die alleen leven kan geven aan een dode ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“According as he hath chosen us in him before the foundation of the world, that we should be holy and without blame before him in love: having predestinated us unto the adoption of children by Jesus Christ to himself, according to the good pleasure of his will.”
Ephesians 1:4, 5
It is a very solemn but a very true assertion, that no man can quicken his own soul; and it is an equally solemn, we might almost say, a tremendous truth, that the gospel only comes in power to those whom God has chosen unto eternal life. Indeed the one flows from the other; for if no man can quicken his own soul, it necessarily follows it must be of sovereign grace that it is quickened at all. Once allow the fall, and acknowledge that a man is by nature so thoroughly dead in trespasses and sins that he cannot raise himself up out of this state to newness of life, and the doctrine of election necessarily follows.
A living soul may reason thus—“Am I quickened? Yes. Did I quicken myself? No. I could not; for I was dead in sin. Did God then quicken me? Who but He could have given life to my dead soul? But why did He quicken me, when dead in sins? Because He loved me, and chose me in Christ to be an heir of His eternal glory.”
Whether, however, you can speak thus or not, there is no doubt that the Lord has a people who are dear to Him, and to whom He makes Himself dear. These, though despised of, or unnoticed by men, are the elect of God; and if you are a vessel of mercy whom He has thus chosen to eternal life, the gospel either has already come, or, in His own time and way, will be made to come with power to your heart and conscience.
To the reader…
Can you reason like this, reader? Do you know that you have been quickened, and do you also know that you did not give yourself that life, because you were dead in sin? Then your hope does not rest on anything in yourself, but on that sovereign grace by which He chose you in Christ to be an heir of His eternal glory. That is not a doctrine to dispute about coolly, but a spring to drink from in days of poverty.
And do you not yet dare to speak like this? Then do not despair. There is no doubt that the Lord has a people who are dear to Him, however despised and overlooked they may be among men. If you are a vessel of mercy, the gospel will come to you in His own time and in His own way and be applied with power to your heart and conscience. So hold on to Him Who alone can give life to a dead soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Según nos escogió en Él antes de la fundación del mundo, para que fuésemos santos y sin mancha delante de Él en amor; habiéndonos predestinado para ser adoptados hijos por Jesucristo a Sí mismo, según el puro afecto de Su voluntad.”
Efesios 1:4, 5
Es una afirmación muy solemne, pero muy verdadera, que ningún hombre puede vivificar su propia alma; y es una verdad igualmente solemne, casi podríamos decir tremenda, que el evangelio solo viene con poder a aquellos a quienes Dios ha escogido para vida eterna. En efecto, lo uno fluye de lo otro; porque si ningún hombre puede vivificar su propia alma, se sigue necesariamente que, si es vivificada, ha de ser por gracia soberana. Admítase una vez la caída, y reconózcase que el hombre está por naturaleza tan completamente muerto en delitos y pecados que no puede levantarse de este estado a novedad de vida, y la doctrina de la elección se sigue necesariamente.
Un alma viva puede razonar así: “¿Estoy vivificado? Sí. ¿Me vivifiqué a mí mismo? No. No podía; porque estaba muerto en el pecado. ¿Me vivificó entonces Dios? ¿Quién sino Él podría haber dado vida a mi alma muerta? ¿Pero por qué me vivificó, estando muerto en pecados? Porque me amó y me escogió en Cristo para ser heredero de Su gloria eterna.”
Sin embargo, pueda usted hablar así o no, no hay duda de que el Señor tiene un pueblo que le es querido, y para el cual Él se hace querido. Estos, aunque despreciados o inadvertidos por los hombres, son los escogidos de Dios; y si usted es un vaso de misericordia a quien Él ha escogido así para vida eterna, el evangelio o ya ha venido, o, en Su propio tiempo y manera, será hecho venir con poder a su corazón y su conciencia.
Al lector…
¿Puede usted razonar así, lector? ¿Sabe que ha sido vivificado, y sabe también que no se dio a sí mismo esa vida, porque estaba muerto en el pecado? Entonces su esperanza no descansa en nada de usted mismo, sino en aquella gracia soberana por la cual Él le escogió en Cristo para ser heredero de Su gloria eterna. Esa no es una doctrina para discutirla con frialdad, sino una fuente de la cual beber en días de pobreza.
¿Y todavía no se atreve a hablar así? Entonces no desespere. No hay duda de que el Señor tiene un pueblo que le es querido, por despreciado y pasado por alto que sea entre los hombres. Si usted es un vaso de misericordia, el evangelio vendrá a usted en Su propio tiempo y a Su propia manera, y será aplicado con poder a su corazón y su conciencia. Aférrese, pues, a Aquel que es el único que puede dar vida a un alma muerta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl