6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
Psalm 37:16
Hard moge uw lot zijn, lijdende heiligen des Allerhoogsten, wat het uitwendige aangaat; smartelijk moge de strijd zijn die gij bijna dagelijks hebt door de opstand en de boosheid van uw vleselijk gemoed; smartelijke verzoekingen mogen steeds uw deel zijn; menige scherpe doorn en stekelige distel mogen op uw pad liggen; en de weg die gij betreedt, moge zo ruw en hobbelig zijn, dat gij u voor de ellendigste van alle mensen houdt; en dat zoudt gij ook zijn zonder de genade Gods, die gij nu in uw hart gevoelt, en de heerlijkheid die u aan gene zijde des grafs is weggelegd. En al waren uw droefheid en zorgen nog duizendmaal zwaarder, met dat alles zou er van u mogen gezegd worden: „Gelukkig, driewerf gelukkig zijt gij, o Israël!”
Wie zoudt gij op aarde moeten benijden, zo gij de genade Gods in uw hart hebt? Met wie zoudt gij willen ruilen, zo ooit de liefde Gods uw ziel heeft bezocht? Zie rondom u; sla uw ogen op de man of de vrouw die omringd schijnt van het grootste aardse geluk, en vraag dan aan uw eigen geweten: „Zou ik met u willen ruilen, gij bonte kapel der mode; of met u, gouden tor, die zo kortstondig het leven geniet, u enige uren in de zonneschijn koestert, en in de donkere poel, als het avond geworden is, wegzinkt?”
Met al uw huiselijke en andere zorgen, met al uw leed en beproevingen, onder welke gij u, eens eronder weggezonken zijnde, somtijds een van de ellendigste schepselen gevoelt die in dit tranendal rondkruipen – en toch – zoudt gij met niemand willen ruilen, hoe gezond, hoe rijk, hoe begunstigd met de meest mogelijke voorspoed en met huiselijk geluk, zo gij daarbij beroofd waart van de genade Gods?
’t Rechtvaardig volk zal welig groeien.
Daar twist en wrok verdwijnt,
zal alles door de vrede bloeien,
totdat geen maan meer schijnt.
Van zee tot zee zal Hij regeren,
zover men volk’ren kent;
men zal Hem van d’ Eufraat vereren
tot aan des aardrijks end.
Ps. 72:4
Aan de lezer…
Deze woorden spreken van het weinige dat de rechtvaardige heeft. Is uw lot hard en uw weg ruw en hobbelig? Ligt er menige doorn en distel op uw pad, en voelt u zich somtijds een van de ellendigsten die in dit tranendal rondkruipen? Zie dan eens rondom u naar hen die in het grootste aardse geluk schijnen te leven. Zij zijn als een bonte kapel, als een gouden tor die enige uren in de zon ligt en tegen de avond in de donkere poel wegzinkt.
Hebt u ooit iets van de genade Gods in uw hart gevoeld, hebt u ooit Zijn liefde in uw ziel ervaren, met wie zou u dan willen ruilen? Het weinige dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen. Al waren uw zorgen nog duizendmaal zwaarder, de heerlijkheid die aan gene zijde des grafs is weggelegd, blijft uw deel. Wie zo bedeeld is, mag gelukkig, ja driewerf gelukkig heten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
Psalm 37:16
Hard mag uw lot zijn, lijdende heiligen van de Allerhoogste, wat het uiterlijke betreft. Pijnlijk mag de strijd zijn die u bijna dagelijks hebt door de opstand en de boosheid van uw vleselijk gemoed. Pijnlijke verzoekingen mogen steeds uw deel zijn, menige scherpe doorn en stekelige distel mag op uw pad liggen, en de weg die u gaat, mag zo ruw en hobbelig zijn dat u zich de ellendigste van alle mensen voelt. Dat zou u ook zijn zonder de genade van God, die u nu in uw hart voelt, en de heerlijkheid die aan de andere kant van het graf voor u is weggelegd. En al waren uw droefheid en zorgen nog duizendmaal zwaarder, toch zou met dat alles van u gezegd mogen worden: „Gelukkig, driewerf gelukkig zijt gij, o Israël!”
Wie op aarde zou u moeten benijden, als u de genade van God in uw hart hebt? Met wie zou u willen ruilen, als de liefde van God ooit uw ziel heeft bezocht? Kijk om u heen; sla uw ogen op de man of de vrouw die omringd lijkt door het grootste aardse geluk, en vraag dan aan uw eigen geweten: „Zou ik met u willen ruilen, gij bonte kapel der mode; of met u, gouden tor, die zo kortstondig het leven geniet, u enige uren in de zonneschijn koestert, en in de donkere poel, als het avond geworden is, wegzinkt?”
Met al uw huiselijke en andere zorgen, met al uw leed en beproevingen, waaronder u zich soms, als u erdoor overweldigd bent, een van de ellendigste schepselen voelt die in dit tranendal rondkruipen, zou u dan toch met iemand willen ruilen, hoe gezond, hoe rijk, hoe begunstigd met de grootst mogelijke voorspoed en met huiselijk geluk ook, als u daarbij de genade van God zou moeten missen?
’t Rechtvaardig volk zal welig groeien.
Daar twist en wrok verdwijnt,
zal alles door de vrede bloeien,
totdat geen maan meer schijnt.
Van zee tot zee zal Hij regeren,
zover men volk’ren kent;
men zal Hem van d’ Eufraat vereren
tot aan des aardrijks end.
Ps. 72:4
Aan de lezer…
Deze woorden spreken van het weinige dat de rechtvaardige heeft. Is uw lot hard en uw weg ruw en hobbelig? Ligt er menige doorn en distel op uw pad, en voelt u zich soms een van de ellendigsten die in dit tranendal rondkruipen? Kijk dan eens om u heen naar hen die in het grootste aardse geluk lijken te leven. Zij zijn als een bonte vlinder, als een gouden tor die enkele uren in de zon ligt en tegen de avond in de donkere poel wegzinkt.
Hebt u ooit iets van de genade van God in uw hart gevoeld, hebt u ooit Zijn liefde in uw ziel ervaren, met wie zou u dan willen ruilen? Het weinige dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen. Al waren uw zorgen nog duizendmaal zwaarder, de heerlijkheid die aan de andere kant van het graf is weggelegd, blijft uw deel. Wie zo bedeeld is, mag gelukkig, ja driewerf gelukkig heten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
A little that a righteous man hath is better than the riches of many wicked.
Psalm 37:16
Hard may be your lot here below, you suffering saints of the Most High, as regards external matters; painful may be the exercises through which you almost daily pass, through the rebellion and desperate wickedness of your carnal mind; grievous temptations may be your continual portion; many a pricking thorn and sharp brier may lie in your path; and so rough and rugged may be the road, that at times you may feel yourself of all men to be the most miserable; and so indeed you would be but for the grace of God in your heart now, and the glory prepared for you beyond the grave.
Yet with it all, were your afflictions and sorrows a thousand times heavier, well may it be said of you—“Happy, thrice happy, are you, O Israel!” Whom upon earth need you envy if you have the grace of God in your heart? With whom would you change, if ever the love of God has visited your soul? Look around you; fix your eyes upon the man or woman who seems surrounded with the greatest amount of earthly happiness, and then ask your own conscience—“Would I change with you, you butterfly of fashion, or with you, you gilded dragon-fly, that merely live your little day; sunning yourself for a few hours beneath the summer sun, and then sinking into the dark and dismal pool which awaits you at evening-tide?”
Then with all your cares at home and abroad—with all your woes and trials, sunk under which you feel yourself at times one of the most miserable beings that can crawl along in this valley of tears—would you change with anybody, however healthy, or rich, or favored with the largest amount of personal prosperity, if at the same time destitute of the grace of God?
To the reader…
These words speak of the little that the righteous man has. Is your lot hard and your road rough and rugged? Does many a thorn and brier lie in your path, and do you sometimes feel yourself one of the most miserable of all who crawl along in this valley of tears? Then look around you at those who seem to live in the greatest earthly happiness. They are like a gaudy butterfly, like a gilded dragon-fly that lies a few hours in the sun and towards evening sinks away into the dark pool.
If you have ever felt something of the grace of God in your heart, if you have ever known His love in your soul, with whom would you then wish to change? The little that a righteous man has is better than the riches of many wicked. Even if your cares were a thousand times heavier, the glory laid up beyond the grave remains your portion. Whoever is so provided for may be called happy, yes, thrice happy.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mejor es lo poco del justo, que las riquezas de muchos pecadores.
Salmo 37:16
Dura puede ser su suerte aquí abajo, santos sufrientes del Altísimo, en cuanto a las cosas exteriores; dolorosos pueden ser los ejercicios por los que pasan casi a diario, a causa de la rebeldía y la desesperada maldad de su mente carnal; graves tentaciones pueden ser su porción continua; muchas espinas punzantes y zarzas agudas pueden hallarse en su sendero; y tan áspero y escabroso puede ser el camino, que a veces se sientan los más miserables de todos los hombres; y en verdad lo serían, de no ser por la gracia de Dios en su corazón ahora, y la gloria preparada para ustedes más allá del sepulcro.
Y sin embargo, con todo ello, aunque sus aflicciones y dolores fueran mil veces más pesados, bien puede decirse de ustedes: “¡Bienaventurado, tres veces bienaventurado tú, oh Israel!” ¿A quién en la tierra necesitan envidiar si tienen la gracia de Dios en su corazón? ¿Con quién se cambiarían, si alguna vez el amor de Dios ha visitado su alma? Miren a su alrededor; fijen los ojos en el hombre o la mujer que parece rodeado de la mayor medida de felicidad terrenal, y luego pregunten a su propia conciencia: “¿Me cambiaría yo contigo, mariposa de la moda, o contigo, libélula dorada, que solo vives tu breve día; asoleándote unas pocas horas bajo el sol del verano, y hundiéndote luego en el estanque oscuro y lúgubre que te espera al caer la tarde?”
Entonces, con todos sus cuidados en casa y fuera de ella, con todas sus aflicciones y pruebas, bajo las cuales hundidos se sienten a veces uno de los seres más miserables que puedan arrastrarse por este valle de lágrimas, ¿se cambiarían con alguien, por sano, o rico, o favorecido que fuera con la mayor medida de prosperidad personal, si al mismo tiempo estuviera desprovisto de la gracia de Dios?
Al lector…
Estas palabras hablan de lo poco que tiene el justo. ¿Es dura su suerte, y áspero y escabroso su camino? ¿Hay muchas espinas y zarzas en su sendero, y se siente a veces uno de los más miserables de todos los que se arrastran por este valle de lágrimas? Mire entonces a su alrededor a los que parecen vivir en la mayor felicidad terrenal. Son como una mariposa vistosa, como una libélula dorada que pasa unas horas al sol y al caer la tarde se hunde en el estanque oscuro.
Si alguna vez ha sentido algo de la gracia de Dios en su corazón, si alguna vez ha conocido Su amor en su alma, ¿con quién desearía entonces cambiarse? Mejor es lo poco del justo que las riquezas de muchos pecadores. Aunque sus cuidados fueran mil veces más pesados, la gloria reservada más allá del sepulcro sigue siendo su porción. Quien está así provisto bien puede llamarse bienaventurado, sí, tres veces bienaventurado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mijn hoop is op U
Verlos mij van al mijn overtredingen.
Psalm 39:9
Bij het uitroepen tot de Heere om hem van alle overtredingen te verlossen, waren er drie dingen die met name met de zonde verband hielden, waarvan David bevrijd wilde worden. Eén is de schuld van de zonde. Telkens wanneer een kind van God een overtreding begaat, moet er sprake van schuld zijn. Het maakt niet uit wat hij heeft doorgemaakt – wat zijn bevinding is geweest – hoezeer het verzoenende bloed en de vergevende liefde van de Verlosser wellicht zijn ervaren – schuld zal even zeker op de zonde volgen als de schaduw de zon volgt. Als een ziel nu voelt dat zij een overtreding tegen een heilige en zuivere God heeft begaan, zal zij er beslist naar verlangen en ernstig uitroepen om te worden verlost van de schuld van haar overtreding.
Er is ook het vuil, de schaamte en de verwarring die de zonde in het geweten teweegbrengt. Het geweten wordt bezoedeld door de zonde, en vuil en schaamte bedekken het hart. Door nu uit te roepen om te worden bevrijd van al onze overtredingen, willen we bevrijd worden van het vuil en de schaamte, van hun vervuiling en bezoedeling.
Er is bovendien de heerschappij van de zonde. Hoe krachtig streeft de zonde de heerschappij in een mens na! Betrekkelijk weinig mensen kennen de kracht van de zonde. Ze geven eraan toe en voelen het vervolgens niet; of hun verdorvenheden worden niet opgerakeld en hun ziel wordt niet geoefend. Maar, o, wat een geworstel, gezucht en gekerm stort het arme kind van God uit aan het hart van zijn hemelse Vader!
Om nu van dit alles – de schuld van de zonde, het vuil van de zonde en de kracht van de zonde – te worden verlost, riep David uit tot de Heere. En ik geloof dat dit weerklank zal vinden in ieder hart dat door God onderwezen is. We kunnen de schuld van de zonde niet kennen zonder te smeken ervan te worden gereinigd; we kunnen het vuil van de zonde niet ervaren zonder te smeken ervan gezuiverd te worden; en we kunnen de kracht van de zonde niet beleven zonder te smeken ervan verlost te worden.
Lezen: Joël 2:21-32
Aan de lezer…
Wanneer u na alles wat u van het verzoenende bloed geproefd hebt nog struikelt, dacht u dan dat u geen schuld meer zou voelen? Zo is het niet. Schuld volgt even zeker op de zonde als de schaduw de zon. Voelt u dan de last van een overtreding, het vuil en de schaamte op uw geweten, en de kracht van een zonde die heerschappij over u zoekt, denk dan niet dat u daarom buiten Gods volk staat.
Want juist een door God onderwezen hart kent dit drievoudig leed, en het kan niet anders dan smeken: om gereinigd te worden van de schuld, gezuiverd van het vuil en verlost van de kracht van de zonde. Het geworstel, het gezucht en het gekerm dat u uitstort, is de taal van een kind aan het hart van zijn hemelse Vader. Houd dan niet op, maar roep met David: „Verlos mij van al mijn overtredingen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Verlos mij van al mijn overtredingen.
Psalm 39:9
Toen David tot de Heere riep om hem van al zijn overtredingen te verlossen, waren er in het bijzonder drie dingen in verband met de zonde waarvan hij bevrijd wilde worden. Het eerste is de schuld van de zonde. Telkens wanneer een kind van God een overtreding begaat, moet er schuld zijn. Het maakt niet uit wat hij heeft doorgemaakt – wat zijn bevinding is geweest – hoezeer hij misschien het verzoenend bloed en de vergevende liefde van de Verlosser heeft ervaren – schuld zal even zeker op de zonde volgen als de schaduw de zon volgt. Wanneer een ziel dan voelt dat zij een overtreding heeft begaan tegen een heilige en zuivere God, zal zij er zeker naar verlangen en er ernstig om roepen om van de schuld van haar overtreding verlost te worden.
Er is ook het vuil, de schaamte en de verwarring die de zonde in het geweten teweegbrengt. Het geweten wordt door de zonde bezoedeld, en vuil en schaamte bedekken het hart. Wanneer we dan roepen om van al onze overtredingen bevrijd te worden, willen we bevrijd worden van het vuil en de schaamte, van hun verontreiniging en bezoedeling.
Daarnaast is er de heerschappij van de zonde. Hoe krachtig streeft de zonde naar de heerschappij in een mens! Betrekkelijk weinig mensen kennen de kracht van de zonde. Ze geven eraan toe en voelen het daarna niet; of hun verdorvenheden worden niet opgewekt en hun ziel wordt niet geoefend. Maar o, wat een worstelen, zuchten en kermen stort het arme kind van God uit aan het hart van zijn hemelse Vader!
Om van dit alles – de schuld van de zonde, het vuil van de zonde en de kracht van de zonde – verlost te worden, riep David tot de Heere. En ik geloof dat dit weerklank zal vinden in ieder hart dat door God onderwezen is. We kunnen de schuld van de zonde niet kennen zonder te smeken ervan gereinigd te worden; we kunnen het vuil van de zonde niet ervaren zonder te smeken ervan gezuiverd te worden; en we kunnen de kracht van de zonde niet ondervinden zonder te smeken ervan verlost te worden.
Lezen: Joël 2:21-32
Aan de lezer…
Wanneer u, na alles wat u van het verzoenend bloed geproefd hebt, toch nog struikelt, dacht u dan dat u geen schuld meer zou voelen? Zo is het niet. Schuld volgt even zeker op de zonde als de schaduw op de zon. Voelt u dan de last van een overtreding, het vuil en de schaamte op uw geweten, en de kracht van een zonde die heerschappij over u zoekt, denk dan niet dat u daarom buiten Gods volk staat.
Want juist een door God onderwezen hart kent dit drievoudige leed, en het kan niet anders dan smeken: om gereinigd te worden van de schuld, gezuiverd van het vuil en verlost van de kracht van de zonde. Het worstelen, zuchten en kermen dat u uitstort, is de taal van een kind aan het hart van zijn hemelse Vader. Houd dan niet op, maar roep met David: „Verlos mij van al mijn overtredingen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Deliver me from all my transgressions.
Psalm 39:8
When David cried to the Lord to deliver him from all his transgressions, there were three things in particular in connection with sin from which he wished to be delivered. The first is the guilt of sin. Whenever a child of God commits a transgression, there must be guilt. It matters not what he has passed through, what his experience has been, how much he may have felt the atoning blood and pardoning love of the Redeemer: guilt will follow sin as surely as the shadow follows the sun. When a soul then feels that it has committed a transgression against a holy and pure God, it will surely long and cry earnestly to be delivered from the guilt of its transgression.
There is also the filth, the shame and the confusion which sin brings into the conscience. The conscience is defiled by sin, and filth and shame cover the heart. When we cry, then, to be delivered from all our transgressions, we want to be delivered from the filth and the shame, from their pollution and defilement.
Besides this, there is the dominion of sin. How powerfully sin strives for dominion in a man! Comparatively few people know the power of sin. They give way to it and afterwards do not feel it; or their corruptions are not stirred up and their soul is not exercised. But O, what wrestling, sighing and groaning the poor child of God pours out into the heart of his heavenly Father!
To be delivered from all this (the guilt of sin, the filth of sin and the power of sin) David cried to the Lord. And I believe this will find an echo in every heart taught of God. We cannot know the guilt of sin without begging to be cleansed from it; we cannot feel the filth of sin without begging to be purged from it; and we cannot experience the power of sin without begging to be delivered from it.
Reading: Joel 2:21-32
To the reader…
When, after all you have tasted of the atoning blood, you still stumble, did you think you would feel no more guilt? It is not so. Guilt follows sin as surely as the shadow follows the sun. If you feel the burden of a transgression, the filth and shame upon your conscience, and the power of a sin that seeks dominion over you, do not think that you therefore stand outside God’s people.
For it is just a heart taught of God that knows this threefold grief, and it cannot but plead: to be cleansed from the guilt, purged from the filth and delivered from the power of sin. The wrestling, sighing and groaning you pour out is the language of a child at the heart of his heavenly Father. Do not cease, then, but cry with David: “Deliver me from all my transgressions.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Líbrame de todas mis rebeliones.
Salmo 39:8
Cuando David clamó al Señor que le librara de todas sus rebeliones, había tres cosas en particular, en relación con el pecado, de las que deseaba ser librado. La primera es la culpa del pecado. Siempre que un hijo de Dios comete una transgresión, tiene que haber culpa. No importa por lo que haya pasado, cuál haya sido su experiencia, cuánto haya sentido la sangre expiatoria y el amor perdonador del Redentor: la culpa seguirá al pecado tan ciertamente como la sombra sigue al sol. Cuando un alma siente entonces que ha cometido una transgresión contra un Dios santo y puro, ciertamente anhelará y clamará con fervor ser librada de la culpa de su transgresión.
Está también la inmundicia, la vergüenza y la confusión que el pecado trae a la conciencia. La conciencia es manchada por el pecado, y la inmundicia y la vergüenza cubren el corazón. Cuando clamamos, pues, a ser librados de todas nuestras rebeliones, queremos ser librados de la inmundicia y de la vergüenza, de su contaminación y suciedad.
Además de esto, está el dominio del pecado. ¡Con cuánta fuerza lucha el pecado por el dominio en un hombre! Relativamente pocas personas conocen el poder del pecado. Ceden a él y después no lo sienten; o sus corrupciones no son agitadas y su alma no es ejercitada. Pero ¡oh, qué lucha, qué suspiros y gemidos derrama el pobre hijo de Dios en el corazón de su Padre celestial!
Para ser librado de todo esto (la culpa del pecado, la inmundicia del pecado y el poder del pecado) clamó David al Señor. Y creo que esto hallará eco en todo corazón enseñado por Dios. No podemos conocer la culpa del pecado sin suplicar ser limpiados de ella; no podemos sentir la inmundicia del pecado sin suplicar ser purificados de ella; y no podemos experimentar el poder del pecado sin suplicar ser librados de él.
Lectura: Joel 2:21-32
Al lector…
Cuando, después de todo lo que ha gustado de la sangre expiatoria, todavía tropieza, ¿pensaba que ya no sentiría culpa? No es así. La culpa sigue al pecado tan ciertamente como la sombra sigue al sol. Si siente el peso de una transgresión, la inmundicia y la vergüenza sobre su conciencia, y el poder de un pecado que busca dominarle, no piense que por eso está fuera del pueblo de Dios.
Porque es precisamente un corazón enseñado por Dios el que conoce esta triple aflicción, y no puede sino suplicar: ser limpiado de la culpa, purificado de la inmundicia y librado del poder del pecado. La lucha, los suspiros y gemidos que usted derrama son el lenguaje de un hijo en el corazón de su Padre celestial. No cese, pues, sino clame con David: “Líbrame de todas mis rebeliones.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node.
Mattheüs 9:12
Men heeft een medicijnmeester niet nodig als geen ziektegeval zich voordoet, en daartegenover: hoe ernstiger een ziektegeval is, hoe kundiger medicijnmeester wij behoeven. Zo is een verzoenend bloed juist gepast voor een schuldige consciëntie, een genezende balsem voor een gewonde geest, een kleed der gerechtigheid voor een vuil, onrein kleed, een almachtige hand voor een ellendige drenkeling, een volledige vergiffenis voor een veroordeelde die aan de galg moet, een hemelse medicijnmeester voor een ongeneeslijke ziekte, en een Zaligmaker van de hemel neerkomende om een zondaar die op het punt staat in de hel neder te storten, te redden.
Iemand met een ware kwaal moet een ware zaligheid hebben. Hij is niet langer te bedriegen of te verschalken en met bedriegelijke voorwendsels te paaien, zoals bijvoorbeeld een zenuwachtige patiënt somtijds door broodpillen wordt genezen. Hij moet een echt geneesmiddel hebben voor zijn ware krankheid. Christus in de Bijbel, Christus als een onbekende Zaligmaker, zittende in de hemel, een Christus Die veraf is, zonder aan hem geopenbaard te zijn, is geen Christus voor hem.
Nabij, nabij, laat Hem nabij komen, in mijn hart, in mijn ziel geopenbaard worden, geformeerd binnen in mij – dit is de Christus Die ik nodig heb. O, had ik slechts één druppel van Zijn verzoenend bloed, één toeknikje van Zijn gezegend aangezicht, één bewijsje van Zijn liefde, één glimpje van Zijn rechtvaardigende gerechtigheid!
En wanneer dan de Goddelijke Verlosser verschijnt in Zijn klederen, bezoedeld met bloed, de zinkende ziel Zijn toenadering begroet, het wild gevogelte op de vlucht gaat, de beesten der aarde zich terugtrekken in hun holen, en de woeste stronk haar takjes doet uitspruiten, dan stijgt de stem uit de innerlijke diepte der ziel op: „Deze is onze God, wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de Heere, wij hebben Hem verwacht, en wij zullen ons verblijden en verheugen in Zijn zaligheid.”
Aan de lezer…
Bent u ziek, waarde lezer, ziek van zonde, met een schuldige consciëntie en een gewonde geest? Voelt u zich als een drenkeling, als een veroordeelde die aan de galg moet? Wees dan niet bevreesd dat uw kwaal te zwaar is. Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node; maar hoe ernstiger de ziekte, hoe meer de kunde van de hemelse Medicijnmeester uitkomt. Voor een ware kwaal heeft Hij een ware zaligheid.
Een Christus Die veraf is, kan u niet helpen, en dat weet u. Daarom roept u: Nabij, laat Hem nabij komen! Verlangt u naar één druppel van Zijn bloed, één glimp van Zijn gerechtigheid, één toeknikje van Zijn aangezicht? Houd dan aan met dat verlangen. Wanneer Hij verschijnt, zal ook uit de diepte van uw ziel de stem opstijgen: „Deze is onze God, wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node.
Mattheüs 9:12
Men heeft geen geneesheer nodig als er geen ziekte is; en omgekeerd: hoe ernstiger de ziekte, hoe kundiger de geneesheer die wij nodig hebben. Zo past een verzoenend bloed precies bij een schuldig geweten, een genezende balsem bij een gewonde geest, een kleed van gerechtigheid bij een vuil, onrein kleed, een almachtige hand bij een ellendige drenkeling, een volledige vergeving bij een veroordeelde die naar de galg moet, een hemelse Geneesheer bij een ongeneeslijke ziekte, en een Zaligmaker die uit de hemel neerkomt bij een zondaar die op het punt staat in de hel te storten en gered moet worden.
Iemand met een echte kwaal moet een echte zaligheid hebben. Hij laat zich niet langer bedriegen of misleiden en met valse voorwendsels paaien, zoals een zenuwachtige patiënt soms met broodpillen wordt genezen. Hij moet een echt geneesmiddel hebben voor zijn werkelijke ziekte. Christus in de Bijbel, Christus als een onbekende Zaligmaker die in de hemel zit, een Christus Die ver weg is zonder dat Hij aan hem geopenbaard is, is voor hem geen Christus.
Dichtbij, dichtbij, laat Hem dichtbij komen, in mijn hart, in mijn ziel geopenbaard worden, in mij gevormd worden – dat is de Christus Die ik nodig heb. O, had ik maar één druppel van Zijn verzoenend bloed, één knikje van Zijn gezegend aangezicht, één klein bewijs van Zijn liefde, één glimp van Zijn rechtvaardigende gerechtigheid!
En wanneer de Goddelijke Verlosser dan verschijnt in Zijn klederen, bezoedeld met bloed, en de zinkende ziel Zijn nadering begroet, wanneer de wilde vogels op de vlucht gaan, de dieren van de aarde zich terugtrekken in hun holen en de dorre stronk zijn twijgjes laat uitlopen, dan stijgt uit de innerlijke diepte van de ziel de stem op: „Deze is onze God, wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de Heere, wij hebben Hem verwacht, en wij zullen ons verblijden en verheugen in Zijn zaligheid.”
Aan de lezer…
Bent u ziek, ziek van zonde, met een schuldig geweten en een gewonde geest? Voelt u zich als een drenkeling, als een veroordeelde die naar de galg moet? Wees dan niet bang dat uw kwaal te zwaar is. Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node; maar hoe ernstiger de ziekte, hoe meer de kunde van de hemelse Geneesheer uitkomt. Voor een echte kwaal heeft Hij een echte zaligheid.
Een Christus Die ver weg is, kan u niet helpen, en dat weet u. Daarom roept u: Dichtbij, laat Hem dichtbij komen! Verlangt u naar één druppel van Zijn bloed, één glimp van Zijn gerechtigheid, één knikje van Zijn aangezicht? Houd dan vast aan dat verlangen. Wanneer Hij verschijnt, zal ook uit de diepte van uw ziel de stem opstijgen: „Deze is onze God, wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
They that be whole need not a physician, but they that are sick.
Matthew 9:12
A physician is useless without a case; and the harder the case, the wiser and better physician we need. Thus a guilty conscience is a case for atoning blood, a wounded spirit for healing balm, a filthy garment for a justifying robe, a drowning wretch for an Almighty hand, a criminal on the gallows for a full pardon, an incurable disease for a heavenly physician, and a sinner sinking into hell for a Saviour stooping down from heaven. A man with a real case must have a real salvation. He is no longer to be cheated, deluded, and tricked with pretenses, as a nervous patient is sometimes cured with fake pills; but he must have a real remedy as having a real disease.
Christ in the Bible, Christ sitting as an unknown Saviour in the heavens, Christ afar off, unmanifested and unrevealed, is no Christ to him. “Near, near; let Him come near; in my heart, in my soul, revealed in me, manifested unto me, formed within me—this, this is the Christ I need. O for one drop of His atoning blood, one smile of His blessed countenance, one testimony of His love, one gleam of His justifying righteousness!”
And thus when this divine Redeemer appears in His garments stained with blood, the sinking soul hails His approach, the fowls of the mountains take flight, the beasts of the earth slink off to their dens, the dreary stump pushes forth its shoots, and the voice sounds forth from the inmost depths of the soul, “This is our God; we have waited for Him, and He will save us. This is the Lord, we have waited for Him; we will be glad and rejoice in His salvation.”
To the reader…
Are you sick, sick of sin, with a guilty conscience and a wounded spirit? Do you feel like a drowning man, like a condemned criminal on his way to the gallows? Then do not be afraid that your disease is too serious. They that be whole need not a physician; but the graver the sickness, the more the skill of the heavenly Physician shines out. For a real disease He has a real salvation.
A Christ Who is far away cannot help you, and you know it. That is why you cry: near, let Him come near! Do you long for one drop of His blood, one gleam of His righteousness, one smile of His countenance? Then hold on to that longing. When He appears, the voice will rise from the depths of your soul too: “This is our God; we have waited for Him, and He will save us.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los que están sanos no tienen necesidad de médico, sino los enfermos.
Mateo 9:12
Un médico es inútil sin un caso; y cuanto más grave es el caso, más sabio y mejor médico necesitamos. Así, una conciencia culpable es un caso para la sangre expiatoria; un espíritu herido, para el bálsamo sanador; un vestido inmundo, para un manto que justifica; un desdichado que se ahoga, para una mano todopoderosa; un criminal en el patíbulo, para un perdón completo; una enfermedad incurable, para un Médico celestial; y un pecador que se hunde en el infierno, para un Salvador que se inclina desde el cielo. Un hombre con un caso real tiene que tener una salvación real. Ya no se le puede engañar, ilusionar ni embaucar con apariencias, como a veces se cura a un enfermo de los nervios con píldoras falsas; sino que tiene que tener un remedio real, puesto que tiene una enfermedad real.
Cristo en la Biblia, Cristo sentado como un Salvador desconocido en los cielos, Cristo lejano, no manifestado ni revelado, no es Cristo para él. “¡Cerca, cerca; que venga cerca! En mi corazón, en mi alma, revelado en mí, manifestado a mí, formado dentro de mí: este, este es el Cristo que necesito. ¡Oh, una gota de Su sangre expiatoria, una sonrisa de Su bendito rostro, un testimonio de Su amor, un destello de Su justicia justificadora!”
Y así, cuando este divino Redentor aparece con Sus vestidos teñidos de sangre, el alma que se hunde saluda Su llegada, las aves de los montes emprenden el vuelo, las bestias de la tierra se escabullen a sus guaridas, el tronco seco echa sus renuevos, y la voz resuena desde lo más hondo del alma: “He aquí este es nuestro Dios, le hemos esperado, y nos salvará; este es Jehová, le hemos esperado, nos gozaremos y alegraremos en Su salud.”
Al lector…
¿Está usted enfermo, enfermo de pecado, con una conciencia culpable y un espíritu herido? ¿Se siente como un hombre que se ahoga, como un criminal condenado camino del patíbulo? Entonces no tema que su enfermedad sea demasiado grave. Los que están sanos no tienen necesidad de médico; pero cuanto más grave es la enfermedad, más resplandece la pericia del Médico celestial. Para una enfermedad real, Él tiene una salvación real.
Un Cristo que está lejos no puede ayudarle, y usted lo sabe. Por eso clama: ¡cerca, que venga cerca! ¿Anhela una gota de Su sangre, un destello de Su justicia, una sonrisa de Su rostro? Entonces aférrese a ese anhelo. Cuando Él aparezca, también desde lo hondo de su alma se alzará la voz: “He aquí este es nuestro Dios, le hemos esperado, y nos salvará.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl