The Death of the Cross
Terecht riep de apostel uit, als in een uitbarsting van heilige bewondering en als met bazuinstem, opdat hemel en aarde het zouden horen: de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees (1 Timotheüs 3:16). Een verborgenheid is het inderdaad: een grote, diepe en ondoorgrondelijke verborgenheid. Wie kan werkelijk begrijpen hoe het goddelijke Woord, de eeuwige Zoon van God, vlees is geworden en onder ons heeft gewoond?
En wie zal Zijn leeftijd uitspreken? (Jesaja 53:8) Dat geldt van Zijn eeuwige generatie, waardoor Hij de eniggeboren Zoon van God is. Het geldt evenzeer van het ontstaan van Zijn heilige mensheid in de schoot van de maagd, toen de Heilige Geest over haar kwam en de kracht van de Allerhoogste haar overschaduwde. Dit zijn zaken waarin de engelen begerig zijn in te zien (1 Petrus 1:12). Zij kunnen ze niet doorgronden maar aanbidden ze met ontzag.
Terecht volgen wij hun aanbiddende bewondering na. Wij proberen niet te begrijpen maar geloven, hebben lief en vereren. Want het is terecht gezegd dat waar de rede met al haar vermogens tekortschiet, het geloof gelooft en de liefde aanbidt.
Als wij goed onderwezen worden en geestelijk geleid, zullen wij dit ook geen dorre, onvruchtbare of nutteloze stof vinden. Het is de grote verborgenheid der godzaligheid. Daarom is alle godzaligheid daarin begrepen en vloeit zij eruit voort. Nooit was er en nooit zal of kan er een waarlijk godzalige gedachte zijn, een godzalig gevoel of verlangen, nee, geen enkel godzalig woord of werk, geen godzalig hart en geen godzalig leven dat niet uit de grote verborgenheid van een vleesgeworden God voortkomt en door haar wordt onderhouden.
Er kan wel een wettische heiligheid zijn, en die is er vaak. Er is een vleselijke vroomheid, een vertienen van de munte, en de dille, en den komijn en een overvloed van zogenaamde goede werken, los van de genade die woont in de Heere, het Lam.
Maar godzaligheid, die bestaat in een nieuwe en hemelse geboorte met alle vruchten en genadegaven die erbij horen, kan alleen voortvloeien uit de volheid van een verbondshoofd. Hij deelt leven mee aan de leden van Zijn mystieke lichaam. En dit verbondshoofd is, dat weten wij, de Zoon van God, eens in het vlees geopenbaard en nu verhoogd aan de rechterhand van de Vader.
Hoe duidelijk zeggen Zijn eigen woorden van genade en waarheid dat al het leven in Hem is en uit Hem komt! want Ik leef, en gij zult leven (Johannes 14:19). Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij (Johannes 14:6). Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven (Johannes 6:53).
Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen (Johannes 15:5).
Wanneer ons hart, aangeraakt door een zalving van boven, uitgaat naar godzaligheid als een gevoelde zegen, dan zullen wij steeds dieper in deze hemelse verborgenheid willen zien. Wij worden immers dagelijks meer bewust van onze ellendige leegte en armoede. Alle bronnen van geluk en heiligheid in het schepsel drogen op. Wij verlangen er steeds meer naar de beloofde waterbron innerlijk te bezitten, een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. En wij willen dat de veranderende kracht en werking van deze verborgenheid ons gevoeliger en bevindelijker bekend wordt.
Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke, zei de gezegende Heere. Om te laten zien dat men niet alleen zou drinken tot geluk van de eigen ziel maar ook tot voordeel van anderen, voegde Hij er genadig aan toe: Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik (of hart) vloeien (Johannes 7:38).
Alle genade, barmhartigheid en waarheid van God ligt opgeslagen in de Zoon van Zijn liefde. Door Hem wordt zij geopenbaard en in Hem zichtbaar gemaakt. Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou (Kolossenzen 1:19). En dit als Emmanuel, God met ons. Zo is Zijn heilige mensheid, in vereniging met Zijn goddelijke Persoon, het kanaal waardoor alle liefde en barmhartigheid van God neerstromen naar arme, schuldige, ellendige zondaren die geloven in de naam van de eniggeboren Zoon van God.
Zijn wij dan gezegend met geloof in levende oefening, dan mogen wij naderen en de grote verborgenheid van de godzaligheid aanschouwen.
Met het geloof deze heilige grond betreden is komen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen; En tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. (Hebreeën 12:22-24) Want elke zegen van het nieuwe verbond is dan bevindelijk en eeuwig het onze. Dat geldt als wij maar met een levend geloof in een vleesgeworden God begunstigd zijn.
Als wij dus nog iets langer stilstaan bij de hemelse verborgenheid van de menselijke natuur van onze gezegende Heere, hopen wij onze geestelijke lezers niet te vermoeien. Wij belijden vrijuit dat het onderwerp zich steeds verder voor ons opent naarmate wij er dieper in kijken. Het is ons daarom onmogelijk ons te beperken tot enkele haastige gedachten en korte zinnen. Onze grootste reden tot klagen is dat wij het niet naar behoren kunnen uiteenzetten. Wij kunnen zelfs niet volledig en helder uitdrukken wat wij er zelf in gezien hebben.
In ons vorige stuk bleven wij plotseling staan op de drempel zelf van de laatste daden van de lijdende gehoorzaamheid van onze aanbiddelijke Verlosser. Die zijn vervat in de woorden van de apostel: gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises (Filippenzen 2:8).
De dood van Christus was de vervulling van het doel waarvoor Hij in de wereld kwam: dat Hij Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk (Efeze 5:2). maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande (Hebreeën 9:26).
Het lijden, het bloedvergieten en de dood van de Heere Jezus Christus waren een offer voor de zonde. Daarom spreekt men van een zoening (Romeinen 3:25; 1 Johannes 2:2; 1 Johannes 4:10) en van een verzoening (Romeinen 5:11). Maar bij een offer zijn twee dingen volstrekt noodzakelijk.
1. Het bloed van het slachtoffer moet vergoten worden, want zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving, en het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen (Leviticus 17:11).
2. Het slachtoffer moet sterven. De dood is immers de straf op ongehoorzaamheid (Genesis 2:17; Ezechiël 18:4). Daarom kan het offer dat als verzoening voor de zonde wordt gebracht niet volledig zijn zonder de dood van het slachtoffer.
In het offer van Zichzelf bracht de gezegende Heere Zijn heilige mensheid op het altaar van Zijn Godheid op. Zo voltooide Hij deze twee wezenlijke vereisten van een verzoenend offer.
1. Zijn bloed werd aan het kruis vergoten: het werkelijke, levende bloed van Zijn heilige mensheid. Daarom heet het het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petrus 1:19) en Zijn eigen bloed (Handelingen 20:28; Hebreeën 9:12). Het was dierbaar omdat het vloeide uit Zijn heilige mensheid. Het was dierbaar omdat het getekend was met de volle kracht en verdienste van de Godheid. Het was dierbaar in Gods ogen als een lieflijk riekende reuk en dierbaar in de harten van Zijn volk omdat het hen van alle zonde reinigt.
Zonde is een kwaad zo vreselijk, zo hatelijk en afschuwelijk voor Gods rechtvaardig wezen en zo tartend voor Zijn gerechtigheid en heiligheid, dat God haar niet kon vergeven tenzij er een verzoening werd gedaan die toereikend was voor haar ontzaglijke omvang. Geen duizenden van rammen en geen tien duizenden van oliebeken konden de zonde verzoenen.
Als alle mensen bereid waren hun eerstgeborene te geven voor hun overtreding en de vrucht van hun lichaam voor de zonde van hun ziel (Micha 6:7), dan was dat alles nog niet genoeg om de omvang van de zonde op te wegen. de Libanon is niet genoegzaam om te branden. Niets minder dan het bloed van de eniggeboren Zoon van God kon een verzoening zijn van voldoende waarde en gelijkwaardig aan de zonde.
2. Maar ook de dood van het slachtoffer was vereist. Wie vrijwillig en uit eigen beweging in de plaats van de zondaar stond, moest ook in zijn plaats sterven. Anders kon de plaatsbekleding niet werkzaam zijn.
Hier zien wij dus de verborgenheid van de dood van Jezus. In die heilige mensheid, die de Heere in de schoot van de maagd aannam, zat geen natuurlijke sterfelijkheid.* En toch nam Hij een natuur aan die door een vrijwillige daad kon sterven. Heel Zijn gehoorzaamheid in de staat van vernedering was vrijwillig. De laatste daad ervan was dus even vrijwillig als de eerste: de dood aan het kruis evenzeer als de menswording in de maagd.
De eigen woorden van de Heere zijn hier beslissend: Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen. (Johannes 10:17-18)
De verdienste van Zijn gehoorzaamheid tot de dood, waardoor zij aan de gemeente van God kon worden toegerekend tot gerechtigheid, bestond vooral in twee dingen. 1. De waardigheid van de gehoorzame Lijder. 2. De vrijwilligheid van het offer als daad van gehoorzaamheid aan de wil van God.
Als onze gezegende Heere geen God was geweest, en wel als de eeuwige Zoon van God, dan zouden Zijn lijden, bloedvergieten en dood geen verdienste hebben gehad. Hij is de glans van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn Persoon. Als Zijn mede-eeuwige Zoon is Hij Degene Die geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn (Filippenzen 2:6), geen onheilige en ontoelaatbare aanspraak. Daarom hing de oneindigheid van de Godheid zelf aan Zijn woorden en werken, zodat zij een werkzame verdienste kregen.
Niet omdat Zijn mensheid volmaakt was, was zij verdienstelijk. Was Zijn mensheid even volmaakt geweest als zij was, maar zonder verbinding met de Godheid, dan had er geen verdienste aan kunnen zijn. Er was dan evenmin verdienste geweest als in de gehoorzaamheid van Adam of van een engel. Maar omdat Hij God was én mens, werd de verdienste van de Godheid gestempeld op alle daden van de gehoorzame, lijdende mensheid. Zoals wij soms gezegd hebben: de Godheid was in elke druppel van Zijn dierbare bloed.
Opnieuw: als het leven van de gezegende Heere met geweld, tegen Zijn wil, was weggenomen, waar was dan de gehoorzaamheid tot de dood gebleven? Als Hij, om zo te zeggen, door het kruis was gedood, omdat Hij niet anders kon dan sterven, en als Zijn leven Hem met geweld was ontrukt, waar was dan het afleggen van Zijn leven gebleven als de laatste daad van Zijn vrijwillige gehoorzaamheid? Welke macht kon de mens over Hem hebben? Had Hij het gewild, dan had Hij Zichzelf uit de handen van Zijn vijanden kunnen bevrijden.
Daarom zei Hij tot Pilatus: Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven ware (Johannes 19:11). En ook: Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten (Mattheüs 26:53).
Toen de bende mannen en dienaars van de overpriesters Hem kwam grijpen met lantaarns en fakkels en wapens, ging Hij vrijwillig uit om Zich over te geven. Maar toen Hij zei: Ik ben het, of liever, zoals de woorden letterlijk betekenen: IK BEN, straalde de heerlijkheid van Zijn eeuwige Godheid zo uit dat het gevolg dit was: gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde (Johannes 18:3-6).
* Hoewel wij in onze voorgaande hoofdstukken het woord ‘onsterfelijk’ hebben gebruikt voor de heilige mensheid van de gezegende Heere, weten wij heel goed dat het geen volkomen passende term is. Onsterfelijk betekent strikt genomen niet in staat te sterven. In die zin wordt het gebruikt voor de ziel van de mens, die niet alleen niet met het lichaam sterft maar ook niet kán sterven. In deze zin was de mensheid van de gezegende Heere niet onsterfelijk, want zij kon sterven en is gestorven.
Was zo’n woord toelaatbaar, dan zou ‘niet-sterfelijk’ een betere term zijn. Dat ontkent dat zij sterfelijk was, maar beweert niet dat zij niet kon sterven. De hoofdmoeilijkheid komt voort uit het eigen tekort van de menselijke taal wanneer zij op hemelse verborgenheden wordt toegepast. De geest denkt van nature slechts aan twee toestanden van bestaan: 1. wat noodzakelijk moet sterven en 2. wat onmogelijk kan sterven. Het eerste noemt hij ‘sterfelijk’, het tweede ‘onsterfelijk’. Een derde gedachte, namelijk die van een lichaam dat niet noodzakelijk sterft en toch kan sterven, ligt buiten zijn bereik. Daarvoor heeft hij geen woord bedacht dat het naar behoren uitdrukt.
Zo werd Hij werkelijk geleid, zoals er geschreven staat: als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open (Jesaja 53:7). Welk hart kan zich indenken en welke tong kan uitspreken wat Zijn heilige ziel heeft doorstaan toen, in de woorden van de Schrift, de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen?
In de hof van Gethsemane droeg die heilige mensheid een last van schuld, een gewicht van zonde en een onverdraaglijke zwaarte van Gods toorn. Dat duurde totdat de druk van smart en weeën de bloeddruppels als zweet van Zijn voorhoofd perste. De menselijke natuur deinsde in haar zwakheid als het ware terug voor de kelk van doodsangst die Hem in de hand werd gegeven. Zijn lichaam kon de last die Hem neerdrukte nauwelijks dragen.
Zijn ziel zonk onder de golven en baren van Gods toorn weg in grondeloze modder, waar men niet kan staan en kwam in de diepten der wateren, waar de vloed Hem overstroomde (Psalm 69:2-3).
En hoe kon het anders? Die heilige mensheid doorstond heel de toorn van God, leed de pijnen van de hel en waadde door alle diepten van schuld en schrik. Toen de gezegende Heere zonde voor ons gemaakt werd (of een zondeoffer), doorstond Hij in Zijn heilige ziel alle benauwdheid, afgrijzen, schrik, ellende en schuld die de uitverkorenen eeuwig in de hel zouden hebben gevoeld. En niet alleen zoals één van hen die zou hebben gevoeld. Hij doorstond wat het verzamelde geheel zou hebben ondervonden onder de uitstorting van Gods eeuwige toorn.
De angst, de benauwdheid, de duisternis, de veroordeling, de schaamte, de schuld en de onuitsprekelijke afschuw: ieder van Zijn levend gemaakte familie, of zij allen, hebben die ooit ervaren onder het besef van Gods toorn, de vloek van de wet en de verschrikkingen van de hel. Het zijn slechts zwakke, flauwe afspiegelingen van wat de Heere in de hof en aan het kruis voelde.
Want bij Hem waren er omstandigheden die bij hen niet zijn en ook niet kunnen zijn. Die maakten de benauwdheid en doodsangst van Zijn heilige ziel, naar aard en mate, zodanig dat niemand dan Hij die kon voelen of kennen.
Hij, de eeuwige Zoon van God, Die vóór alle werelden in de schoot van de Vader had gelegen, had alle zaligheid en geluk gekend van de liefde en de gunst van de Vader. Zijn eigen Vader had op Hem geschenen. Want zo staat er: Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende (Spreuken 8:30).
Toen Hij dan in plaats van liefde Zijn ongenoegen voelde, in plaats van de stralen van Zijn gunst de frons en de schrik van Zijn toorn ervoer en in plaats van het licht van Zijn aangezicht de duisternis en somberheid van de verlating proefde, welk hart kan dan bevatten en welke tong uitspreken welke bittere angst de ziel van onze lijdende Borg moet hebben verscheurd in deze doodsstrijd?
Een paar druppels van Gods toorn, in het geweten van een kind van God gelaten, hebben menige levende ziel doen uitroepen: ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig; Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan (Psalm 88:16-17). Maar wat is alles wat Job, Heman, Jeremia of Jona ervoeren vergeleken met de vloed van angst en schrik die de ziel van onze gezegende Heere bijna overweldigde?
Daarom lezen wij van Hem in de hof dat Hij, toen de eerste pijnen van Zijn doodsstrijd opkwamen, begon verbaasd en zeer beangst te worden. Dat deed Hem zeggen tot Zijn drie discipelen, die ooggetuigen van Zijn lijden zouden zijn (1 Petrus 5:1): Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe (Markus 14:33-34).
Zo groot was die last dat Zijn menselijke natuur eronder had moeten bezwijken. Lichaam en ziel zouden zijn gescheurd, ware het niet voor vier steunpilaren.
1. De kracht van Zijn Godheid. Die liet met opzet haar sterkte niet zien maar bleef in vaste eenheid met Zijn heilige mensheid.
2. De hulp en steun van de Heilige Geest, Die Zijn menselijke natuur schraagde onder de last die haar was opgelegd.
3. De vreugde die Hem was voorgehouden, waardoor Hij in het vooruitzicht het kruis kon dragen en de schande verachten (Hebreeën 12:2).
4. De versterking door de dienende engel die uit de hemel was gezonden (Lukas 22:43).
Zo gesteund en gedragen zonk onze genadige Verlosser niet weg in de diepe wateren. Als onze grote Hogepriester was Hij het Die gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze (Hebreeën 5:7).
Dat was niet, zoals sommigen dwaas hebben gedacht en gezegd, uit vrees dat Zijn onderneming zou mislukken of dat Hij in de hel zou wegzinken. Het was omdat Hij Zijn hemelse Vader vreesde met de eerbied van een Zoon.* Want kinderlijke vrees was, met elke andere genade, in het hart van Jezus als Zijn schat (Jesaja 11:2-3).
Laten wij altijd bedenken dat het lijden van de heilige ziel van Jezus even werkelijk was als het lijden van Zijn heilige lichaam, dat wil zeggen even werkelijk gevoeld, en duizendmaal heviger en onverdraaglijker. Hoewel het lijden van het lichaam onbeschrijfelijk pijnlijk en folterend was, was het toch licht in vergelijking met het lijden van de ziel.
* Wie het eeuwig Zoonschap van Jezus ontkennen, beroven Hem van Zijn genade en van Zijn heerlijkheid. Zij verminderen Zijn lijden en ontdoen zo in werkelijkheid het offer van Zijn grootheid en daarmee van een groot deel van zijn verdienste. Omdat Hij Gods eigen ware en eigenlijke Zoon was, voelde Hij Zijn toornend ongenoegen zo diep en zo scherp. Een Zoon van ambtswege, louter in naam, had geen kinderlijke betrekking behalve een kale titel. Die titel had evengoed een andere kunnen zijn. Zo iemand kon jegens zijn aangenomen Vader niet voelen wat de ware, de eigenlijke, de eniggeboren Zoon van God jegens Zijn hemelse Vader voelde.
Eén dwaling trekt altijd een andere na zich. Zo zien wij dat de ontkenning van het eeuwig Zoonschap van Christus de grootheid van de verzoening verlaagt en kleineert en daarmee ook haar verdienste. Laten de ontkenners van het eeuwig Zoonschap hierop letten.
** In de kantlijn staat: ‘om Zijn godsvrucht’, maar de ware en meer letterlijke betekenis is: ‘vanwege Zijn eerbiedige vreze’. ‘Had God in eer.’ — Luther.
Zo is het ook met de heiligen van God zelf wanneer de Heere in hun geweten dit woord waarmaakt: Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood, en een besef van Zijn toorn en ongenoegen in hun ziel laat dalen. Wat is alle lichamelijk lijden vergeleken met het besef van Gods ongenoegen en met de pijlen van Zijn toorn die in het geweten blijven steken?
Zo was het ook met onze grote Hogepriester toen Hij, zowel offeraar als geofferde, evenzeer priester als slachtoffer, met de touwen van liefde en gehoorzaamheid aan de hoornen van het altaar gebonden werd (Psalm 118:27). Nooit was er sinds de grondlegging van de aarde zo’n pijn als die welke de ziel van de Verlosser verscheurde toen de laatste druppel van doodsangst in de reeds overlopende kelk werd gegoten en Hij uitriep: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?
Zelfs de natuur leefde mee met Zijn smart en werd bewogen door Zijn roep. De aarde beefde, de zon onttrok haar licht en de graven gaven hun doden terug. Zo werd het werk van de verlossing volbracht: de zonde verzoend en uitgewist, Gods toorn gestild, eeuwige gerechtigheid aangebracht en de gemeente voor altijd verzoend en behouden.
Toen de Heere volledig gedoopt was met Zijn doop van lijden en bloed, had Hij de beker van smart en angst tot de laatste droesem gedronken. Hij had alle gehoorzaamheid volbracht die de wet eiste en de wil van God vereiste. Toen riep Hij met luide stem, opdat hemel en aarde het zouden horen: Het is volbracht! En toen, en niet eerder, boog Hij gewillig Zijn hoofd, legde Zijn leven neer als laatste daad van Zijn vrijwillige, lijdende gehoorzaamheid en gaf de geest.
Well might the apostle, as if in a burst of holy admiration, cry aloud, as with trumpet voice, that heaven and earth might hear, “Great is the mystery of godliness; God was manifest in the flesh.” (1 Tim. 3:16.) A mystery indeed it is, a great, a deep, an unfathomable mystery; for who can rightly understand how the divine Word, the eternal Son of God, was made flesh, and dwelt among us? “Who shall declare his generation?” (Isa. 53:8;) either that eternal generation whereby he is the only-begotten Son of God, or the generation of his sacred humanity in the womb of the Virgin, when the Holy Spirit came upon her, and the power of the Highest overshadowed her? These are the things “which the angels desire to look into;” which they cannot understand, but reverently adore. And well may we imitate their adoring admiration, not attempting to understand, but believe, love, and revere; for well has it been said,
“Where reason fails, with all her powers,
There faith believes, and love adores.”
Nor, if rightly taught and spiritually led, shall we find this a barren, dry, or unprofitable subject. It is “the great mystery of godliness;” therefore all godliness is contained in it, and flows out of it. There never was, there never will or can be a truly godly thought, feeling, or desire—no, not one godly word or work, a godly heart or a godly life which does not a arise out of, and is not sustained by, the great mystery of an incarnate God. There may be, indeed frequently is, a legal holiness, a fleshly piety, a tithing of mint, anise, and cummin, and a profusion of good works, so called, independent of the grace that dwells in the Lord the Lamb; but godliness, as consisting in a new and heavenly birth, with all its attendant fruits and graces, can only flow from the fullness of a covenant Head, communicating life to the members of his mystical body. And this covenant Head, we know, is the Son of God, once manifest in the flesh and now exalted to the right hand of the Father.
How clear on this point, that all life is in him and out of him, are his own words of grace and truth—“Because I live, you shall live also;” “I am the way, and the truth, and the life; no man comes unto the Father but by me;” “Except you eat the flesh of the Son of man and drink his blood, you have no life in you;” “I am the vine, you are the branches. He who abides in me, and I in him, the same brings forth much fruit; for without me you can do nothing.” If, then, our hearts, as touched with an unction from above, are bent after godliness, as a felt blessing; if, as made daily more and more sensible of our miserable emptiness and destitution, and the drying up of all creature springs of happiness and holiness, we long more and more to realize the inward possession of that promised well of water, springing up into everlasting life, we shall desire to look more and more into this heavenly mystery, and to have its transforming power and efficacy more feelingly and experimentally made known to our souls.
“If any man thirst,” said the blessed Lord, “let him come unto me and drink;” and to show that not only would he drink for his own soul’s happiness, but for the benefit of others, he graciously added, “He who believes on me, as the scripture has said, out of his belly (or heart) shall flow rivers of living water.” (John 7:38.) The whole of God’s grace, mercy, and truth is laid up in, is revealed through, is manifested by the Son of his love; for “it pleased the Father that in him would all fullness dwell;” (Col. 1:19;) and this as Immanuel, God with us. Thus his sacred humanity, in union with his Divine Person, is the channel of communication through which all the love and mercy of God flow down to poor, guilty, miserable sinners, who believe in the name of the only-begotten Son of God. If blessed then with faith in living exercise, we may draw near and behold the great mystery of godliness. To tread by faith upon this holy ground is to come “to Mount Zion, to the city of the living God, the heavenly Jerusalem, and to thousands of angels in joyful assembly. You have come to the assembly of God’s firstborn children, whose names are written in heaven. You have come to God himself, who is the judge of all people. And you have come to the spirits of the redeemed in heaven who have now been made perfect. You have come to Jesus, the one who mediates the new covenant between God and people, and to the sprinkled blood, which graciously forgives instead of crying out for vengeance as the blood of Abel did.” (Heb. 12:22-24;) for every blessing of the new covenant, if we are but favored with a living faith in an incarnate God, is then experimentally as well as eternally ours.
If, then, we dwell at a little further length on the heavenly mystery of the human nature of our blessed Lord, we trust we shall not be found wearisome to our spiritual readers. We freely confess that the more we look into it, the more the subject opens to our view. We feel it, therefore, impossible to limit ourselves to a few hurried thoughts and brief sentences. Our chief cause of lamentation is that we cannot adequately set it forth, nor even fully and clearly express what we have seen in it ourselves.
In our last paper we stopped abruptly short at the very threshold of the last acts of the suffering obedience of our adorable Redeemer as couched in the words of the apostle, “And became obedient unto death, even the death of the cross.” (Phil. 2:8.) The death of Christ was the fulfillment of the purpose for which he came into the world, which was, “to give himself for us an offering and a sacrifice to God for a swept-smelling savor.”(Eph. 5:2.) “Now once in the end of the world has he appeared, to put away sin by the sacrifice of himself.” (Heb. 9:26.) The sufferings, blood shedding, and death of the Lord Jesus Christ were a sacrifice offered for sin and are therefore spoken of as a propitiation (Rom. 3:25; 1 John 2:2; 4:10) and an atonement. (Rom. 5:11.) But in a sacrifice two things are absolutely necessary; 1. That the blood of the victim would be shed, for “without shedding of blood is no remission.” “It is the blood that makes an atonement for the soul.” (Lev. 17:11;) and 2. That the victim would die; for death being the penalty of disobedience, (Gen. 2:17; Ezek. 18:4,) the sacrifice offered as an atonement for sin cannot be complete without the death of the victim. In the sacrifice of himself, offering up his sacred humanity on the altar of his Deity, the blessed Lord accomplished these two essentials of a propitiatory offering. 1. His blood was shed upon the cross—the actual living blood of his sacred humanity. It is therefore called “the precious blood of Christ as of a lamb without blemish and without spot,” (1 Pet. 1:19,) and “his own blood.” (Acts 20:28; Heb. 9:12.) It was precious as flowing from his sacred humanity; precious, as stamped with all the validity and merit of Deity; precious in the sight of God as a sweet-smelling savor; and precious in the hearts of his people as cleansing them from all sin.
Sin is an evil so dreadful, so hateful and abhorrent to his righteous character, so provoking to his justice and holiness, that God could not pardon it unless an atonement were made adequate to its fearful magnitude. Thousands of rams and ten thousands of rivers of oil could not atone for sin. Did all men consent to give their firstborn for their transgression, the fruit of their body for the sin of their soul, (Mic. 6:7,) all could not suffice to outweigh the magnitude of sin. Lebanon is not sufficient for a burnt offering. Nothing short of the blood of the only-begotten Son of God could be an atonement of sufficient worth, of equivalent value.
2. But the death of the victim was also required. He who freely and voluntarily stood in the sinner’s place must die in his place, or the substitution could not be effectual. Here, then, we see the mystery of the death of Jesus. There was no natural mortality* in that sacred humanity which the Lord assumed in the womb of the Virgin. And yet he took a nature which could die by a voluntary act. The whole of his obedience in his state of humiliation was voluntary. Therefore the last act of it was as voluntary as the first—the death on the cross as much as the assumption in the Virgin. The Lord’s own words are decisive here—“Therefore does my Father love me, because I lay down my life that I may take it again. No man takes it from me, but I lay it down of myself. I have power to lay it down, and I have power to take it again. This commandment have I received of my Father.” (John 10:17, 18.)
The very merit of his obedience unto death whereby it became capable of being imputed for righteousness to the church of God consisted mainly in two things, 1. The dignity of the obedient Sufferer; 2. The voluntariness of the sacrifice as an act of obedience to the will of God. Had our blessed Lord not been God, and that as the eternal Son of God, there would have been no merit in his sufferings, blood shedding, and death. As the brightness of God’s glory and the express image of his Person, as his co-eternal Son, he thought it not robbery—no unhallowed, disallowable claim, to be equal with God; (Phil. 2:6;) and therefore the very infinity of Deity itself attached to his words and works, so as to stamp efficacious merit upon them. It was not because his humanity was perfect that it was meritorious. Had his humanity been as perfect as it was, if Deity were not in conjunction with it, no merit could have been attached to it any more than there was merit in the obedience of Adam, or in that of an angel.
But being God as well as man, the merit of Deity was stamped upon all the acts of the obedient suffering humanity, so that, as we have sometimes said, Godhead was in every drop of his precious blood. Again, if the life of the blessed Lord had been violently taken away, contrary to his will, where would have been the obedience unto death? Had he been killed, so to speak, by the cross—had died because he could not help dying, had his life been violently torn from him, where would have been the laying down of his life as the last act of his voluntary obedience? What power could man have had over him? Had he so willed, he could have freed himself from the hands of his enemies. Therefore he said unto Pilate, “You could have no power at all against me except it were given you from above.” (John 19:11.) And again, “Do you think that I cannot pray to my Father, and he shall presently give me more than twelve legions of angels?” (Matt. 26:53.) When, then, the band of men and officers from the chief priests came to take him with lanterns, and torches, and weapons, he freely “went forth” to yield himself up; but when he said, “I am he,” or rather, as the words literally mean, “I AM,” the glory of his eternal Deity so flashed forth, that “they went backward, and fell to the ground.”(John 18:3-6.)
* Though we have in our preceding chapters used the word “immortal” as applicable to the sacred humanity of the blessed Lord, we are well aware that it is a term not fully appropriate; for the word immortal strictly means not capable of death, and is in this sense applied to the soul of man as not only not dying with the body, but not capable of dying.
In this sense, the humanity of the blessed Lord was not immortal, for it could and did die. If such a word were admissible, “unmortal,” or “non-mortal,” would be a preferable term—denying that it was mortal, and yet not asserting that it could not die. The main difficulty arises from the inherent defect of human language as applied to heavenly mysteries. The mind naturally contemplates only two states of existence, 1. What must necessarily die; and, 2. What cannot possibly die. The first it terms “mortal,” the second it calls “immortal.” A third idea, that is, that of a body which does not necessarily die, and yet is capable of dying, as being a conception lying out of its reach, it has invented no word properly to express.
Thus truly was he “brought as a lamb to the slaughter, and as a sheep before her shearers is silent, so he opens not his mouth.” (Isa. 53:7.) What heart can conceive, what tongue express what his holy soul endured when “the Lord laid upon him the iniquities of us all?” In the garden of Gethsemane, what a load of guilt, what a weight of sin, what an intolerable burden of the wrath of God did that sacred humanity endure, until the pressure of sorrow and woe forced the drops of blood to fall as sweat from his brow. The human nature, in its weakness recoiled, as it were, from the cup of anguish put into his hand. His body could scarce bear the load that pressed him down; his soul, under the waves and billows of God’s wrath, sank in deep mire where there was no standing, and came into deep waters where the floods overflowed him. (Psalm 69:1, 2.)
And how could it be otherwise when that sacred humanity was enduring all the wrath of God, suffering the very pangs of hell, and wading in all the depths of guilt and terror? When the blessed Lord was made sin (or a sin-offering) for us, he endured in his holy soul all the pangs of distress, horror, alarm, misery, and guilt that the elect would have felt in hell forever; and not only as any one of them would have felt, but as the collective whole would have experienced under the outpouring of the everlasting wrath of God. The anguish, the distress, the darkness, the condemnation, the shame, the guilt, the unutterable horror, that any or all of his quickened family have ever experienced under a sense of God’s wrath, the curse of the law, and the terrors of hell, are only faint, feeble reflections of what the Lord felt in the garden and on the cross; for there were attendant circumstances in his case which are not, and indeed cannot be in theirs, and which made the distress and agony of his holy soul, both in nature and degree, such as none but he could feel or know. He as the eternal Son of God, who had lain in his bosom before all worlds, had known all the blessedness and happiness of the love and favor of the Father—his own Father, shining upon him, for he was “by him as one brought up with him, and was daily his delight, rejoicing always before him.” (Prov. 8:30.) When, then, instead of love he felt his displeasure, instead of the beams of his favor he experienced the frowns and terrors of his wrath, instead of the light of his countenance he tasted the darkness and gloom of desertion—what heart can conceive, what tongue express the bitter anguish which must have wrung the soul of our suffering Surety under this agonizing experience? A few drops of the wrath of God let down into the conscience of a child of God have made many a living soul cry out, “While I suffer your terrors I am distracted; your fierce wrath goes over me; your terrors have cut me off.” (Psalm 88:15, 16.)
But what is all that Job, Heman, Jeremiah, or Jonah experienced, compared with the floods of anguish and terror which all but overwhelmed the soul of our blessed Lord? We therefore read of him in the garden, when the first pangs of his agony came on, that he “began to be filled with horror and deep distress,” and this made him say to his three disciples, who were to be eye-witnesses of his sufferings, (1 Pet. 5:1,) “My soul is exceeding sorrowful, even unto death.” (Mark 14:33, 34.) So great was that load that his human nature must have sunk beneath the weight—his body and soul would have been rent asunder, but for four sustaining props—1. The power of his Deity, for though that purposely did not display its strength, it remained in firm union with his sacred humanity; 2. The help, and support of the Holy Spirit sustaining his human nature under the load laid upon it; 3. The joy set before him, which enabled him in the prospect to endure the cross, despising the shame; (Heb. 12:2;) and 4. The strengthening of the ministering angel sent from heaven. (Luke 22:43.)
Thus supported and sustained, our gracious Redeemer sank not in the deep waters, but, as our great High Priest, “offered up prayers and supplications, with strong crying and tears, unto him who was able to save him from death, and was heard in that he feared” (Heb. 5:7)—not as some have foolishly thought and said, fearing the miscarrying of his undertaking, or that he would sink into hell, but because he feared his heavenly Father with the reverence of a Son,* for filial fear, with every other grace, was in the heart of Jesus as his treasure. (Isa. 11:2, 3.) Let us ever bear in mind that the sufferings of the holy soul of Jesus were as real, that is, as really felt, as the sufferings of his sacred body, and a thousand times more intense and intolerable. Though beyond description painful and agonizing, yet the sufferings of the body were light indeed compared with the sufferings of the soul.
It is so with the saints of God themselves, when the Lord lays judgment to the line and righteousness to the plummet in their conscience, and lets down a sense of his anger and displeasure into their soul. What is all bodily suffering compared to a sense of God’s displeasure and the arrows of his wrath sticking in the conscience? So it was with our great High Priest, when both as sacrificer and sacrificed, alike priest and victim, he was bound with the cords of love and obedience to the horns of the altar. (Psalm 118:27.) Surely never was there such a pang since the foundations of the earth were laid as that which rent and tore the soul of the Redeemer when the last drop of agony was poured into the already overflowing cup, and he cried out, “My God, my God, why have you forsaken me?”
Nature herself sympathized with his sorrow, and was moved at his cry, for the earth shook, the sun withdrew his light, and the graves yielded up their dead. Yet thus was redemption’s work accomplished, sin atoned for and blotted out, the wrath of God appeased, everlasting righteousness brought in, and the church forever reconciled and saved. When, then, the Lord had been fully baptized with his baptism of suffering and blood, when head drunk the cup of sorrow and anguish to its last dregs, and had rendered all the obedience which the law demanded and the will of God required, he cried out with a loud voice that heaven and earth might hear, “It is finished!” and then, and not until then, he meekly bowed his head, laid down his life, as the last act of his voluntary, suffering obedience, and gave up the spirit.
* Those who deny the eternal Sonship of Jesus rob him of his grace as well as of his glory, by diminishing his sufferings, and thus really strip away the greatness, and consequently much of the merit of his sacrifice. It was because he was God’s own true and proper Son he so deeply, so keenly felt his wrathful displeasure. A Son by office, by mere name—without any filial relationship but a bare title which might have been any other—could not feel towards his adopted Father what the true, the proper, the only-begotten Son of God felt to his heavenly Father. One error always lets in another, and thus we see that the denial of the eternal Sonship of Christ lowers and disparages the greatness, and consequently the merit of the atonement. Let the deniers of the eternal Sonship look to this.
** The margin reads, “for his piety,” but the truer and more literal meaning is, “on account of his reverential fear.” “Had God in honor.”—Luther.