En wie zal Zijn leeftijd uitspreken? (Jesaja 53:8) Dat geldt van Zijn eeuwige generatie, waardoor Hij de eniggeboren Zoon van God is. Het geldt evenzeer van het ontstaan van Zijn heilige mensheid in de schoot van de maagd, toen de Heilige Geest over haar kwam en de kracht van de Allerhoogste haar overschaduwde. Dit zijn zaken waarin de engelen begerig zijn in te zien (1 Petrus 1:12). Zij kunnen ze niet doorgronden maar aanbidden ze met ontzag.
Terecht volgen wij hun aanbiddende bewondering na. Wij proberen niet te begrijpen maar geloven, hebben lief en vereren. Want het is terecht gezegd dat waar de rede met al haar vermogens tekortschiet, het geloof gelooft en de liefde aanbidt.
Als wij goed onderwezen worden en geestelijk geleid, zullen wij dit ook geen dorre, onvruchtbare of nutteloze stof vinden. Het is de grote verborgenheid der godzaligheid. Daarom is alle godzaligheid daarin begrepen en vloeit zij eruit voort. Nooit was er en nooit zal of kan er een waarlijk godzalige gedachte zijn, een godzalig gevoel of verlangen, nee, geen enkel godzalig woord of werk, geen godzalig hart en geen godzalig leven dat niet uit de grote verborgenheid van een vleesgeworden God voortkomt en door haar wordt onderhouden.
Er kan wel een wettische heiligheid zijn, en die is er vaak. Er is een vleselijke vroomheid, een vertienen van de munte, en de dille, en den komijn en een overvloed van zogenaamde goede werken, los van de genade die woont in de Heere, het Lam.
Maar godzaligheid, die bestaat in een nieuwe en hemelse geboorte met alle vruchten en genadegaven die erbij horen, kan alleen voortvloeien uit de volheid van een verbondshoofd. Hij deelt leven mee aan de leden van Zijn mystieke lichaam. En dit verbondshoofd is, dat weten wij, de Zoon van God, eens in het vlees geopenbaard en nu verhoogd aan de rechterhand van de Vader.
Hoe duidelijk zeggen Zijn eigen woorden van genade en waarheid dat al het leven in Hem is en uit Hem komt! want Ik leef, en gij zult leven (Johannes 14:19). Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij (Johannes 14:6). Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven (Johannes 6:53).
Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen (Johannes 15:5).
Wanneer ons hart, aangeraakt door een zalving van boven, uitgaat naar godzaligheid als een gevoelde zegen, dan zullen wij steeds dieper in deze hemelse verborgenheid willen zien. Wij worden immers dagelijks meer bewust van onze ellendige leegte en armoede. Alle bronnen van geluk en heiligheid in het schepsel drogen op. Wij verlangen er steeds meer naar de beloofde waterbron innerlijk te bezitten, een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. En wij willen dat de veranderende kracht en werking van deze verborgenheid ons gevoeliger en bevindelijker bekend wordt.
Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke, zei de gezegende Heere. Om te laten zien dat men niet alleen zou drinken tot geluk van de eigen ziel maar ook tot voordeel van anderen, voegde Hij er genadig aan toe: Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik (of hart) vloeien (Johannes 7:38).
Alle genade, barmhartigheid en waarheid van God ligt opgeslagen in de Zoon van Zijn liefde. Door Hem wordt zij geopenbaard en in Hem zichtbaar gemaakt. Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou (Kolossenzen 1:19). En dit als Emmanuel, God met ons. Zo is Zijn heilige mensheid, in vereniging met Zijn goddelijke Persoon, het kanaal waardoor alle liefde en barmhartigheid van God neerstromen naar arme, schuldige, ellendige zondaren die geloven in de naam van de eniggeboren Zoon van God.
Zijn wij dan gezegend met geloof in levende oefening, dan mogen wij naderen en de grote verborgenheid van de godzaligheid aanschouwen.
Met het geloof deze heilige grond betreden is komen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen; En tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. (Hebreeën 12:22-24) Want elke zegen van het nieuwe verbond is dan bevindelijk en eeuwig het onze. Dat geldt als wij maar met een levend geloof in een vleesgeworden God begunstigd zijn.
Als wij dus nog iets langer stilstaan bij de hemelse verborgenheid van de menselijke natuur van onze gezegende Heere, hopen wij onze geestelijke lezers niet te vermoeien. Wij belijden vrijuit dat het onderwerp zich steeds verder voor ons opent naarmate wij er dieper in kijken. Het is ons daarom onmogelijk ons te beperken tot enkele haastige gedachten en korte zinnen. Onze grootste reden tot klagen is dat wij het niet naar behoren kunnen uiteenzetten. Wij kunnen zelfs niet volledig en helder uitdrukken wat wij er zelf in gezien hebben.
In ons vorige stuk bleven wij plotseling staan op de drempel zelf van de laatste daden van de lijdende gehoorzaamheid van onze aanbiddelijke Verlosser. Die zijn vervat in de woorden van de apostel: gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises (Filippenzen 2:8).
De dood van Christus was de vervulling van het doel waarvoor Hij in de wereld kwam: dat Hij Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk (Efeze 5:2). maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande (Hebreeën 9:26).
Het lijden, het bloedvergieten en de dood van de Heere Jezus Christus waren een offer voor de zonde. Daarom spreekt men van een zoening (Romeinen 3:25; 1 Johannes 2:2; 1 Johannes 4:10) en van een verzoening (Romeinen 5:11). Maar bij een offer zijn twee dingen volstrekt noodzakelijk.
1. Het bloed van het slachtoffer moet vergoten worden, want zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving, en het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen (Leviticus 17:11).
2. Het slachtoffer moet sterven. De dood is immers de straf op ongehoorzaamheid (Genesis 2:17; Ezechiël 18:4). Daarom kan het offer dat als verzoening voor de zonde wordt gebracht niet volledig zijn zonder de dood van het slachtoffer.
In het offer van Zichzelf bracht de gezegende Heere Zijn heilige mensheid op het altaar van Zijn Godheid op. Zo voltooide Hij deze twee wezenlijke vereisten van een verzoenend offer.
1. Zijn bloed werd aan het kruis vergoten: het werkelijke, levende bloed van Zijn heilige mensheid. Daarom heet het het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petrus 1:19) en Zijn eigen bloed (Handelingen 20:28; Hebreeën 9:12). Het was dierbaar omdat het vloeide uit Zijn heilige mensheid. Het was dierbaar omdat het getekend was met de volle kracht en verdienste van de Godheid. Het was dierbaar in Gods ogen als een lieflijk riekende reuk en dierbaar in de harten van Zijn volk omdat het hen van alle zonde reinigt.
Zonde is een kwaad zo vreselijk, zo hatelijk en afschuwelijk voor Gods rechtvaardig wezen en zo tartend voor Zijn gerechtigheid en heiligheid, dat God haar niet kon vergeven tenzij er een verzoening werd gedaan die toereikend was voor haar ontzaglijke omvang. Geen duizenden van rammen en geen tien duizenden van oliebeken konden de zonde verzoenen.
Als alle mensen bereid waren hun eerstgeborene te geven voor hun overtreding en de vrucht van hun lichaam voor de zonde van hun ziel (Micha 6:7), dan was dat alles nog niet genoeg om de omvang van de zonde op te wegen. de Libanon is niet genoegzaam om te branden. Niets minder dan het bloed van de eniggeboren Zoon van God kon een verzoening zijn van voldoende waarde en gelijkwaardig aan de zonde.
2. Maar ook de dood van het slachtoffer was vereist. Wie vrijwillig en uit eigen beweging in de plaats van de zondaar stond, moest ook in zijn plaats sterven. Anders kon de plaatsbekleding niet werkzaam zijn.
Hier zien wij dus de verborgenheid van de dood van Jezus. In die heilige mensheid, die de Heere in de schoot van de maagd aannam, zat geen natuurlijke sterfelijkheid.* En toch nam Hij een natuur aan die door een vrijwillige daad kon sterven. Heel Zijn gehoorzaamheid in de staat van vernedering was vrijwillig. De laatste daad ervan was dus even vrijwillig als de eerste: de dood aan het kruis evenzeer als de menswording in de maagd.
De eigen woorden van de Heere zijn hier beslissend: Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen. (Johannes 10:17-18)
De verdienste van Zijn gehoorzaamheid tot de dood, waardoor zij aan de gemeente van God kon worden toegerekend tot gerechtigheid, bestond vooral in twee dingen. 1. De waardigheid van de gehoorzame Lijder. 2. De vrijwilligheid van het offer als daad van gehoorzaamheid aan de wil van God.
Als onze gezegende Heere geen God was geweest, en wel als de eeuwige Zoon van God, dan zouden Zijn lijden, bloedvergieten en dood geen verdienste hebben gehad. Hij is de glans van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn Persoon. Als Zijn mede-eeuwige Zoon is Hij Degene Die geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn (Filippenzen 2:6), geen onheilige en ontoelaatbare aanspraak. Daarom hing de oneindigheid van de Godheid zelf aan Zijn woorden en werken, zodat zij een werkzame verdienste kregen.
Niet omdat Zijn mensheid volmaakt was, was zij verdienstelijk. Was Zijn mensheid even volmaakt geweest als zij was, maar zonder verbinding met de Godheid, dan had er geen verdienste aan kunnen zijn. Er was dan evenmin verdienste geweest als in de gehoorzaamheid van Adam of van een engel. Maar omdat Hij God was én mens, werd de verdienste van de Godheid gestempeld op alle daden van de gehoorzame, lijdende mensheid. Zoals wij soms gezegd hebben: de Godheid was in elke druppel van Zijn dierbare bloed.
Opnieuw: als het leven van de gezegende Heere met geweld, tegen Zijn wil, was weggenomen, waar was dan de gehoorzaamheid tot de dood gebleven? Als Hij, om zo te zeggen, door het kruis was gedood, omdat Hij niet anders kon dan sterven, en als Zijn leven Hem met geweld was ontrukt, waar was dan het afleggen van Zijn leven gebleven als de laatste daad van Zijn vrijwillige gehoorzaamheid? Welke macht kon de mens over Hem hebben? Had Hij het gewild, dan had Hij Zichzelf uit de handen van Zijn vijanden kunnen bevrijden.
Daarom zei Hij tot Pilatus: Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven ware (Johannes 19:11). En ook: Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten (Mattheüs 26:53).
Toen de bende mannen en dienaars van de overpriesters Hem kwam grijpen met lantaarns en fakkels en wapens, ging Hij vrijwillig uit om Zich over te geven. Maar toen Hij zei: Ik ben het, of liever, zoals de woorden letterlijk betekenen: IK BEN, straalde de heerlijkheid van Zijn eeuwige Godheid zo uit dat het gevolg dit was: gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde (Johannes 18:3-6).
* Hoewel wij in onze voorgaande hoofdstukken het woord ‘onsterfelijk’ hebben gebruikt voor de heilige mensheid van de gezegende Heere, weten wij heel goed dat het geen volkomen passende term is. Onsterfelijk betekent strikt genomen niet in staat te sterven. In die zin wordt het gebruikt voor de ziel van de mens, die niet alleen niet met het lichaam sterft maar ook niet kán sterven. In deze zin was de mensheid van de gezegende Heere niet onsterfelijk, want zij kon sterven en is gestorven.
Was zo’n woord toelaatbaar, dan zou ‘niet-sterfelijk’ een betere term zijn. Dat ontkent dat zij sterfelijk was, maar beweert niet dat zij niet kon sterven. De hoofdmoeilijkheid komt voort uit het eigen tekort van de menselijke taal wanneer zij op hemelse verborgenheden wordt toegepast. De geest denkt van nature slechts aan twee toestanden van bestaan: 1. wat noodzakelijk moet sterven en 2. wat onmogelijk kan sterven. Het eerste noemt hij ‘sterfelijk’, het tweede ‘onsterfelijk’. Een derde gedachte, namelijk die van een lichaam dat niet noodzakelijk sterft en toch kan sterven, ligt buiten zijn bereik. Daarvoor heeft hij geen woord bedacht dat het naar behoren uitdrukt.
Zo werd Hij werkelijk geleid, zoals er geschreven staat: als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open (Jesaja 53:7). Welk hart kan zich indenken en welke tong kan uitspreken wat Zijn heilige ziel heeft doorstaan toen, in de woorden van de Schrift, de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen?
In de hof van Gethsemane droeg die heilige mensheid een last van schuld, een gewicht van zonde en een onverdraaglijke zwaarte van Gods toorn. Dat duurde totdat de druk van smart en weeën de bloeddruppels als zweet van Zijn voorhoofd perste. De menselijke natuur deinsde in haar zwakheid als het ware terug voor de kelk van doodsangst die Hem in de hand werd gegeven. Zijn lichaam kon de last die Hem neerdrukte nauwelijks dragen.
Zijn ziel zonk onder de golven en baren van Gods toorn weg in grondeloze modder, waar men niet kan staan en kwam in de diepten der wateren, waar de vloed Hem overstroomde (Psalm 69:2-3).
En hoe kon het anders? Die heilige mensheid doorstond heel de toorn van God, leed de pijnen van de hel en waadde door alle diepten van schuld en schrik. Toen de gezegende Heere zonde voor ons gemaakt werd (of een zondeoffer), doorstond Hij in Zijn heilige ziel alle benauwdheid, afgrijzen, schrik, ellende en schuld die de uitverkorenen eeuwig in de hel zouden hebben gevoeld. En niet alleen zoals één van hen die zou hebben gevoeld. Hij doorstond wat het verzamelde geheel zou hebben ondervonden onder de uitstorting van Gods eeuwige toorn.
De angst, de benauwdheid, de duisternis, de veroordeling, de schaamte, de schuld en de onuitsprekelijke afschuw: ieder van Zijn levend gemaakte familie, of zij allen, hebben die ooit ervaren onder het besef van Gods toorn, de vloek van de wet en de verschrikkingen van de hel. Het zijn slechts zwakke, flauwe afspiegelingen van wat de Heere in de hof en aan het kruis voelde.
Want bij Hem waren er omstandigheden die bij hen niet zijn en ook niet kunnen zijn. Die maakten de benauwdheid en doodsangst van Zijn heilige ziel, naar aard en mate, zodanig dat niemand dan Hij die kon voelen of kennen.
Hij, de eeuwige Zoon van God, Die vóór alle werelden in de schoot van de Vader had gelegen, had alle zaligheid en geluk gekend van de liefde en de gunst van de Vader. Zijn eigen Vader had op Hem geschenen. Want zo staat er: Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende (Spreuken 8:30).
Toen Hij dan in plaats van liefde Zijn ongenoegen voelde, in plaats van de stralen van Zijn gunst de frons en de schrik van Zijn toorn ervoer en in plaats van het licht van Zijn aangezicht de duisternis en somberheid van de verlating proefde, welk hart kan dan bevatten en welke tong uitspreken welke bittere angst de ziel van onze lijdende Borg moet hebben verscheurd in deze doodsstrijd?
Een paar druppels van Gods toorn, in het geweten van een kind van God gelaten, hebben menige levende ziel doen uitroepen: ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig; Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan (Psalm 88:16-17). Maar wat is alles wat Job, Heman, Jeremia of Jona ervoeren vergeleken met de vloed van angst en schrik die de ziel van onze gezegende Heere bijna overweldigde?
Daarom lezen wij van Hem in de hof dat Hij, toen de eerste pijnen van Zijn doodsstrijd opkwamen, begon verbaasd en zeer beangst te worden. Dat deed Hem zeggen tot Zijn drie discipelen, die ooggetuigen van Zijn lijden zouden zijn (1 Petrus 5:1): Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe (Markus 14:33-34).
Zo groot was die last dat Zijn menselijke natuur eronder had moeten bezwijken. Lichaam en ziel zouden zijn gescheurd, ware het niet voor vier steunpilaren.
1. De kracht van Zijn Godheid. Die liet met opzet haar sterkte niet zien maar bleef in vaste eenheid met Zijn heilige mensheid.
2. De hulp en steun van de Heilige Geest, Die Zijn menselijke natuur schraagde onder de last die haar was opgelegd.
3. De vreugde die Hem was voorgehouden, waardoor Hij in het vooruitzicht het kruis kon dragen en de schande verachten (Hebreeën 12:2).
4. De versterking door de dienende engel die uit de hemel was gezonden (Lukas 22:43).
Zo gesteund en gedragen zonk onze genadige Verlosser niet weg in de diepe wateren. Als onze grote Hogepriester was Hij het Die gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze (Hebreeën 5:7).
Dat was niet, zoals sommigen dwaas hebben gedacht en gezegd, uit vrees dat Zijn onderneming zou mislukken of dat Hij in de hel zou wegzinken. Het was omdat Hij Zijn hemelse Vader vreesde met de eerbied van een Zoon.* Want kinderlijke vrees was, met elke andere genade, in het hart van Jezus als Zijn schat (Jesaja 11:2-3).
Laten wij altijd bedenken dat het lijden van de heilige ziel van Jezus even werkelijk was als het lijden van Zijn heilige lichaam, dat wil zeggen even werkelijk gevoeld, en duizendmaal heviger en onverdraaglijker. Hoewel het lijden van het lichaam onbeschrijfelijk pijnlijk en folterend was, was het toch licht in vergelijking met het lijden van de ziel.
* Wie het eeuwig Zoonschap van Jezus ontkennen, beroven Hem van Zijn genade en van Zijn heerlijkheid. Zij verminderen Zijn lijden en ontdoen zo in werkelijkheid het offer van Zijn grootheid en daarmee van een groot deel van zijn verdienste. Omdat Hij Gods eigen ware en eigenlijke Zoon was, voelde Hij Zijn toornend ongenoegen zo diep en zo scherp. Een Zoon van ambtswege, louter in naam, had geen kinderlijke betrekking behalve een kale titel. Die titel had evengoed een andere kunnen zijn. Zo iemand kon jegens zijn aangenomen Vader niet voelen wat de ware, de eigenlijke, de eniggeboren Zoon van God jegens Zijn hemelse Vader voelde.
Eén dwaling trekt altijd een andere na zich. Zo zien wij dat de ontkenning van het eeuwig Zoonschap van Christus de grootheid van de verzoening verlaagt en kleineert en daarmee ook haar verdienste. Laten de ontkenners van het eeuwig Zoonschap hierop letten.
** In de kantlijn staat: ‘om Zijn godsvrucht’, maar de ware en meer letterlijke betekenis is: ‘vanwege Zijn eerbiedige vreze’. ‘Had God in eer.’ — Luther.
Zo is het ook met de heiligen van God zelf wanneer de Heere in hun geweten dit woord waarmaakt: Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood, en een besef van Zijn toorn en ongenoegen in hun ziel laat dalen. Wat is alle lichamelijk lijden vergeleken met het besef van Gods ongenoegen en met de pijlen van Zijn toorn die in het geweten blijven steken?
Zo was het ook met onze grote Hogepriester toen Hij, zowel offeraar als geofferde, evenzeer priester als slachtoffer, met de touwen van liefde en gehoorzaamheid aan de hoornen van het altaar gebonden werd (Psalm 118:27). Nooit was er sinds de grondlegging van de aarde zo’n pijn als die welke de ziel van de Verlosser verscheurde toen de laatste druppel van doodsangst in de reeds overlopende kelk werd gegoten en Hij uitriep: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?
Zelfs de natuur leefde mee met Zijn smart en werd bewogen door Zijn roep. De aarde beefde, de zon onttrok haar licht en de graven gaven hun doden terug. Zo werd het werk van de verlossing volbracht: de zonde verzoend en uitgewist, Gods toorn gestild, eeuwige gerechtigheid aangebracht en de gemeente voor altijd verzoend en behouden.
Toen de Heere volledig gedoopt was met Zijn doop van lijden en bloed, had Hij de beker van smart en angst tot de laatste droesem gedronken. Hij had alle gehoorzaamheid volbracht die de wet eiste en de wil van God vereiste. Toen riep Hij met luide stem, opdat hemel en aarde het zouden horen: Het is volbracht! En toen, en niet eerder, boog Hij gewillig Zijn hoofd, legde Zijn leven neer als laatste daad van Zijn vrijwillige, lijdende gehoorzaamheid en gaf de geest.


