Getting and Losing

“Een tijd om te zoeken, en een tijd om verloren te laten gaan” — Prediker 3:6
Toen Zijn discipelen Hem iets vroegen, antwoordde de Heere dat het om tijden of gelegenheden gaat “die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft” (Hand. 1:7). Zo is er dus een tijd vastgesteld om te verkrijgen. Laten we eens kijken naar enkele geestelijke dingen die een levende ziel verkrijgt.
Een geestelijke kennis van Gods heilige karakter hoort daarbij: een genadig inzicht in de volmaaktheden van Jehova, in Zijn reinheid, Zijn heiligheid, Zijn majesteit, Zijn grootheid en Zijn almacht, en een goddelijke bekendheid met Hem. De enige ware God zo te kennen is een onderdeel van dit hemelse verkrijgen. Maar dat kunnen we niet verkrijgen zonder dat we tegelijk ontdekken hoe mismaakt we zelf zijn. We zien dan dat we het beeld van God kwijt zijn en vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid die in ons is en de blindheid van ons hart.
Job had deze ontdekking van de reinheid van Jehova toen hij zei: “Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as” (Job 42:5-6). Toen Jesaja de heerlijkheid van de Heere in de tempel zag, riep hij uit: “Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben” (Jes. 6:5). En al Daniëls schoonheid veranderde in verderf toen hij de Heere zag aan de oever van de grote rivier (Dan. 10:8).
Andere delen van dit pijnlijke verkrijgen zijn: kennis van de geestelijkheid en de breedte van Gods heilige wet, een gezonde overtuiging van zonde, kennis van de verdorvenheden van onze gevallen natuur en kennis van de verzoekingen, listen en strikken van de satan.
Maar er is ook een verkrijgen van een andere soort, een aangename soort. Bijvoorbeeld een geest van genade en smekingen. Er is ook een tijd om geloof te verkrijgen. Wanneer de gezegende Geest het behaagt om deze kostbare genade in de ziel op te wekken, trekt Hij haar uit om de beloften te grijpen die Hij toepast, het bloed dat Hij besprenkelt, de Zaligmaker die Hij openbaart, de liefde die Hij uitstort en de waarheid die Hij bevindelijk bekend maakt. Om kort nog andere takken van dit hemelse verkrijgen te noemen: er is een tijd om de vergeving van zonde te verkrijgen, en de kennis dat je deel hebt aan de liefde en het bloed van het Lam. Er is een tijd om de Heere Jezus Christus in Zijn lijden geestelijk te zien. Er is ook een tijd om hemelse genegenheden te verkrijgen, geestelijke verrukkingen en heilige verlangens. Er is een tijd om alles te verkrijgen wat de ziel geschikt maakt voor een heerlijke en gelukkige onsterfelijkheid.
Maar er is ook een tijd om te verliezen, en het ene seizoen staat tegenover het andere. Het is de gezegende Geest, en Hij alleen, Die de tijd om te verkrijgen laat aanbreken. Zo is het ook Hij, en Hij alleen, Die de tijd om te verliezen laat aanbreken. Maar wat verliest een mens dan? Alleen datgene waarvan zijn ziel schade zou lijden als hij er geen afstand van deed. Er is bijvoorbeeld een verliezen van onze eigen gerechtigheid. O, hoevelen bouwen hun hoop op de hemel helemaal op dit zandige fundament! Maar zo is het niet bij het huisgezin van de Heere. Voor hen komt er een tijd om dit spinnenwebkleed te verliezen. En wanneer is die tijd? Wanneer het geweten ontdekt hoe volmaakt Jehova is en hoe rein Zijn wet, die een zuivere, vlekkeloze en onbezoedelde gerechtigheid eist en geen andere kan aannemen. Er is ook een verliezen van onze vleselijke heiligheid, van onze eigen wijsheid, onze eigen kracht, ons zelfvertrouwen en ons steunen op onszelf.
Maar wat heb je nu verkregen? Hoeveel jaren belijd je al? Tien, twintig, dertig jaar? Wat heb je in al die tijd verkregen? Iets dat het bewaren waard is? Enige godsdienst die de storm zal doorstaan? En reken erop: als we ooit iets van God hebben verkregen, dan hebben we zowel verloren als verkregen. Er is een tijd geweest om te verliezen en een tijd om te verkrijgen.
Als je godsdienst nu in deze weegschaal wordt gelegd, hoe weinig, o hoe weinig blijft er dan over! En toch maakt dat weinige zalig. Ik weet zeker dat een mens wiens hart eerlijk is gemaakt voor God, nooit een andere godsdienst wil hebben dan wat God hem leert. Nee, hij kan de eeuwigheid niet ingaan dan met wat de Heere het behaagd heeft met kracht in zijn hart te werken.
“A time to get and a time to lose”. — Ecc 3:6
The Lord, in answer to a question put by His disciples, declared that “The Father hath put the times and seasons in His own power”. Thus there is appointed “a time to get”. But let us consider some of the spiritual things that a living soul “gets”.
A spiritual knowledge of God’s holy character; a gracious sight into and a divine acquaintance with Jehovah’s perfections, His purity, His holiness, His majesty, His greatness, His omnipotence-thus to know the only true God is a branch of heavenly getting. But this we cannot get without a corresponding discovery of our own deformity, our loss of the divine image, our alienation from the life of God through the ignorance that is in us, because of the blindness of our heart. Job had this discovery of the purity of Jehovah, when he said “I have heard of The by the hearing of the ear: but now mine eye seeth Thee. Wherefore I abhor myself and repent in dust and ashes” Job 42:5,6. Isaiah, under a view of the glory of the Lord in the temple, cried out “Woe is me! for I am undone; because I am a man of unclean lips” Isa 6:5; and all Daniel’s comeliness was turned into corruption when he saw the Lord by the side of the great river Da 10:8 .
A knowledge of the spirituality of and breadth of God’s holy law, a sound conviction of sin, a knowledge of the corruptions of our fallen nature, a knowledge of Satan’s temptations, wiles and snares are other parts of this painful getting.
But there are gettings of a different kind, of a pleasurable kind. Such as: A spirit of grace and supplications; there is also a “time” to get faith. When the blessed Spirit is pleased to raise up this precious grace in the soul, He draws it out to lay hold of the promises that He applies, the blood that He sprinkles, the Saviour that He reveals, the love that He sheds abroad and the truth that He makes experimentally known. And to mention summarily other branches of this heavenly “getting”, there is a time to get the pardon of sin, a knowledge of interest in the love and blood of the Lamb. There is a time to get a spiritual sight of the Lord Jesus Christ in His sufferings. There is a time also to get heavenly affections, spiritual delights, holy longings; there is “a time to get” everything which fits the soul for a glorious and happy immortality.
But there is also “a time to lose”; and the one season is set over against the other. And just as it is the blessed Spirit, and He alone, who brings about the time to get; so it is He and He alone, who brings about “the time to lose”. But what does a man lose? Only that which were it not parted with, his soul would be the sufferer. For instance, there is a losing of our own righteousness. O how many there are who are building their hopes of heaven entirely upon this sandy foundation! But not so with the Lord’s family. There is “a time” for them to “lose” this cobweb garment. And when is this time? When there is a discovery to the conscience of the perfections of Jehovah and of the purity of His law, which requires a righteousness pure, spotless and undefiled, and can accept no other. There is also a losing of our fleshly holiness, our own wisdom, our self-strength, self-confidence and self-dependence.
But now what have you got? How many years have you made a profession? Ten, twenty, thirty years? What have you got during all this time? Anything worth keeping? any religion that will stand the storm? And depend upon it if ever we have got anything from God, we have lost as well as got; There has been “a time to lose” as well as “a time to get”.
Now when your religion is held up in these balances, how little, O how little remains! And yet that little will save. And sure I am, the man whose heart is made honest before God, never wants to have any religion but what God teaches him. No; he cannot go into eternity except with what the Lord has been pleased to work in his heart with power.