Niets haalt immers zo het kostelijke uit het snode, niets scheidt zo de levenden van de doden en niets blaast zo het kaf van het koren als een bediening die door de kracht van God wordt vergezeld.
Een scheidende bediening beproeft noodzakelijk de levende familie van God, want de doden voelen het niet. Daarom zal zij hun altijd een scheidend, doordringend en vaak scherp doorborend woord zijn, vooral als zij gevoelige plekken en zere plaatsen hebben. Wat een beschrijving geeft de Heilige Geest ons van het woord van God in de handen van de Geest, als het hart doorzoekt tot in zijn diepste afgronden en meest verborgen hoeken en schuilplaatsen!
Het is een levend woord en geen dood woord, een woord vol leven dat daarom leven schenkt. Het is krachtig, want de kracht van God vergezelt het. Het is scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, want dat kan alleen het lichaam doorboren, maar dit woord gaat verder. Het gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes en onderscheidt zo tussen wat natuurlijk is en wat geestelijk is. Ja meer, het dringt door, scheidt gewricht van gewricht en bereikt door het breken van de beenderen hun binnenste merg. Zo wordt het een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten. (Hebreeën 4:12.)
Mogen wij nu, in alle eenvoud en godzalige oprechtheid, zonder onnodig aanstoot te willen geven en toch zonder terug te deinzen voor het kruis, deze beschrijving van een krachtige, doorzoekende, scheidende bediening vergelijken met de bediening van onze dagen? Mogen wij onszelf vragen, of wij nu dienaar zijn of geen dienaar, of de ene op de andere lijkt? Wij zijn niemands rechter. Hij staat, of hij valt zijn eigen heer.
Maar dit zijn gewichtige zaken. Als de algemene doodsheid en lethargie van de gemeenten enigszins zijn terug te voeren op het gebrek aan kracht op de kansel en aan een doorzoekende bediening, dan betaamt het hen die voor God recht willen staan te onderzoeken in hoeverre zij in dit opzicht vrij uitgaan. Onze dierbare vriend, wijlen W. Tiptaft, was in zijn laatste ziekte hier zeer sterk over en citeerde vaak de woorden: “Het bloed van zielen laat diepe vlekken.”
3. Maar nu wij toch bij dit punt zijn, kunnen wij niet nalaten nog een kenmerk van de bediening te noemen dat de geest van sluimering die zo over de gemeenten is gekomen sterk voedt. Dat is het opstellen van een lage maatstaf van bevinding voor het lidmaatschap van de gemeente. Het gevolg daarvan is niet alleen dat de gemeenten overstroomd worden met twijfelachtige karakters. Het gevolg is ook dat wat op zijn best slechts zwakke verschijnselen zijn van het leven van God wordt neergezet als positieve kenmerken van genade.
“Wij mogen de zwakken niet ontmoedigen”, is de kreet. “Wij moeten prediken: Troost, troost Mijn volk.” Maar de zwakken niet ontmoedigen is vaak de huichelaars aanmoedigen. En voortdurend troost aandragen kan vergif geven in plaats van medicijn. Een oprecht kind van God houdt van een doorzoekende bediening. Hij wil geen gladde dingen, want hij vreest valse troost. Hij zou liever zijn last dragen dan hem af te laten nemen of op de verkeerde manier te laten verdwijnen.
Zij die voortdurend om bemoediging roepen, willen vaak bemoedigd worden in hun zonden of althans in hun vleselijkheid en dood. Wat zij werkelijk nodig hebben is neergeworpen te worden in plaats van opgebouwd en gewond in plaats van genezen. Zij moeten kreunend naar huis gestuurd worden met een pijl in hun geweten, zodat zij in nood en angst op hun bed rondwentelen. Dat is beter dan hun ziel vrede toe te roepen terwijl er geen vrede is.
Het is een valse rust wanneer zij rusten op het bemoedigende getuigenis van de prediker in plaats van op het getuigenis van God in hun eigen geweten. Maar wij zullen niet langer bij dit punt blijven. Wij hebben genoeg gezegd voor wie oren hebben om te horen en te veel voor wie hun oren zouden sluiten voor elk woord dat hen zou doorzoeken en veroordelen.
II. En nu enkele woorden over de VERSCHIJNSELEN van deze wijdverbreide epidemie. Laten zij die God willen vrezen onderzoeken en zien of zij in zichzelf enige overheersende verschijnselen van deze algemene kwaal vinden.
1. Een van de eerste duidelijke verschijnselen, uit vele andere, is een verval van de geest van het GEBED in de ziel. Wanneer de Heere den Geest der genade en der gebeden voor het eerst uitstort, bereikt die gewoonlijk een grotere hoogte dan in enige latere periode. Het zou daarom niet billijk en zelfs niet rechtvaardig tegenover onszelf zijn als wij onze tegenwoordige geest van gebed zouden afmeten aan wat die in vervlogen dagen was.
Die vroege dagen kunnen niet worden teruggeroepen. Het waren de dagen van onze geestelijke jeugd. Zij kunnen evenmin terugkeren als de lente van het leven voor wie in de herfst van hun jaren zijn gekomen.
Maar ook als wij ons niet aan deze maatstaf toetsen, zijn wij ons dan bewust van enige duidelijke of opvallende afname van de geest van gebed die de laatste tijd over ons is gekomen? Is hij minder ernstig dan hij was? Is de toegang tot de genadetroon minder voelbaar? Worden gebed en smeking eerder gevoeld als een last, een taak, een plicht, iets wat gedaan moet worden, dan als een zoet voorrecht, een gezegende barmhartigheid en een wonderbare deur?
Door die deur kan de ziel haar klachten, belijdenissen, wensen, verlangens en zuchten voor de Heere uitstorten. Als de geest van gebed in onze boezem merkbaar is afgenomen, is dat een teken dat wij in een geest van sluimering zijn gevallen of dat wij in een strik van zonde of Satan worden vastgehouden.
2. Hoe staat het verder met ons lezen van het woord van God? Gebeurt het als een taak, een prestatie, een plicht waartoe het geweten aanspoort en waarvoor de neiging terugdeinst? En is dit een gewone gewaarwording? Wij moeten immers niet oordelen naar af en toe voorkomende tijden van koude en doodsheid, want de levendigste christenen zijn daaraan onderhevig. Maar is het woord van God in het algemeen dood, dof en dor en wordt het als zodanig met weinig belangstelling, genoegen of nut gelezen? Dan zijn wij ingeslapen of in vleselijke zorgeloosheid weggezonken.
Maar is het woord van God daarentegen hoog gewaardeerd als een vriend en metgezel in onze afzondering? Wordt er nu en dan nieuw en zoet licht over geworpen? Opent het zich soms voor ons verlichte verstand als bevatte het nieuw onderricht en nieuwe schatten van hemelse waarheid? Raakt het ons hart met bewondering en liefde voor Hem Die er zo gezegend van getuigt? Verzacht het onze geest en doet het die smelten tot zachtmoedigheid en berouw? Verheft het onze genegenheden tot de dingen die boven zijn? Maakt het de greep van de zonde en de wereld losser?
En doet het ons, door ons de dingen die niet gezien worden voor te houden als eeuwige werkelijkheden, afsterven en doodgaan voor de dingen die gezien worden, als louter voorbijgaande schaduwen van de dag?
3. Een ander verschijnsel van dat geestelijk verval waarover wij nu spreken is een toenemende verdoving van het geweten. Het geweten wordt daardoor minder gevoelig voor het kwaad van de zonde en voor het gevaar van afwijken van de Heere. De vreze Gods in een teder geweten is een bijzondere gave en genade van het nieuwe verbond (Jeremia 32:40) en onze uitgelezen schat (Jesaja 33:6). Zij is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods. (Spreuken 14:27.)
Zij brengt in het hart een heilige eerbied voor Gods naam en een diep besef van Zijn heerlijkheid, majesteit, tegenwoordigheid en kracht. Zij buigt de ziel voor Hem neer in nederigheid en zelfvernedering. Zij vult haar met haat tegen de zonde en ernstig verlangen naar heiligheid. Zij gaat gepaard met berouw en godzalige droefheid en brengt zachtmoedigheid en rust van geest, onderwerping, berusting en geduld voort. Zij is daarom onze voornaamste bescherming tegen het naderen van het kwaad. Zij doet ons onze woorden bewaken, zowel tegenover God als tegenover mensen. Zij maakt ons omzichtig in onze bewegingen, oprecht in onze daden, voorzichtig in onze wegen en consequent in ons leven.
Maar deze genade van de Geest heeft, net als andere genaden, haar groei en haar afname, haar tijden van kracht en van zwakheid, haar tijden van activiteit en van slapte en verval. Wanneer deze genade in kracht afneemt, verliest zij in dezelfde mate haar scherpte van zicht, haar gevoeligheid en haar sterke stem. Het is verbazingwekkend hoe laag zij in de ziel kan zinken. Soms lijkt zij bijna uit het zicht verdwenen: haar ogen zijn gesloten, haar vlugheid om de stem van God te horen is verdwenen en haar stem is tot een zwak gefluister geworden.
Wat is dan het gevolg? De strikken van de dood worden niet vermeden, want de springader springt niet met haar levende wateren om de ziel levend te houden voor God en het geweten teder in Zijn vrees. Dit is juist de gelegenheid waarnaar de vleselijke gezindheid heeft uitgezien en verlangd. Zij haat de beperkingen die de genade haar oplegt en is ze moe. Zij wil de toegeeflijkheid en het voedsel hebben die zij alleen door zonde kan krijgen.
Nu is het de tijd dat de wachter is ingeslapen. Dan kan de meesterdief, de zonde die hem steeds belaagt, binnenkomen en door de stad sluipen. Hij laat al snel zijn mededieven binnen, totdat de hele bende aan het werk gaat om te roven en te plunderen. Het gemoed raakt vervuld van allerlei kwaad. Geheime lusten beginnen te werken en worden toegegeven in plaats van weerstaan. Allerlei wereldse plannen en bedenksels voor eigen vooruitgang of eigen genoegen houden de gedachten bezig.
Hoogmoed, hebzucht en wereldsgezindheid maken een droevige opmars en de mens is, om zo te zeggen, slechts een schaduw van wat hij was. Zijn tederheid lijkt verdwenen en daarmee het leven en de kracht van zijn godsdienst. Er blijft weinig over dan de vorm, behalve dat er nu en dan herlevingen en ontwakingen zijn. Die zijn net genoeg om hem te tonen waar hij is en vanwaar hij is gevallen.
Hoevelen, zelfs van hen die God werkelijk vrezen, zijn hier of zijn hier geweest! Er zijn misschien maar weinig kinderen uit de levende familie van God die niet op enig tijdstip van hun leven, sinds zij door genade werden geroepen, enige persoonlijke en bevindelijke kennis hebben gehad van het pad dat wij zo hebben geschetst. Zij zijn de beste beoordelaars in hoeverre onze woorden waarheid zijn. Het zijn geen louter fantasieschetsen maar een beschrijving van diepe en gewichtige werkelijkheden, zaken van dagelijkse oefening en levenslange herinnering.
Veel van wat dagelijks in onze eigen boezem omgaat of ons gemoed voor God heeft beziggehouden, kunnen wij nooit aan mensen vertellen of belijden. Maar een woord van anderen raakt soms de verborgen plek. Zo kunnen onze geestelijke lezers die door genade zijn bevrijd uit deze slaaptoestand, waarin zij eens werden gehouden, en als het ware zijn gebracht tot een nieuw en herleefd leven van geloof in de Zoon van God, het best hun zegel erop zetten in hoeverre onze beschrijving waar is of onze woorden noodzakelijke waarschuwingen en heilzame raad bevatten.
III. Maar laten wij nu proberen de GENEZING van deze heersende kwaal te laten zien, of liever de wijze waarop zij tot stand komt, met haar vruchten en gevolgen.
1. Het gewone begin van een herleving van de ziel uit deze diepe slaap, en ook het middel waarmee zij tot stand komt, is een slag van VERDRUKKING. God heeft een tuchtroede in reserve voor degenen van Zijn familie die van Hem afwijken. Vroeg of laat laat Hij haar op hun rug neerkomen. Zo zendt Hij soms een lange en pijnlijke ziekte, een benauwend sterfgeval, een zware beproeving in het gezin of een snijdende slag en zware wending in de voorzienigheid. Door Zijn Geest en genade in en met deze slagen van Zijn hand te werken, wekt Hij de ziel uit haar slaap.
De ogen worden nu geopend om te zien, de oren om te horen, het hart om te verstaan en het geweten om te voelen. En wat een gezicht krijgt de verbaasde ziel te zien! Soms is het bijna meer dan zij kan dragen, want het lijkt of het einde hopeloze wanhoop zal zijn. Nu begint zij te zien waar zij is geweest, de droevige staat waarin zij was gevallen, de strikken en verzoekingen waarin zij vastgehouden werd en de betreurenswaardige staat van vleselijkheid en wereldsgezindheid waarin zij geleidelijk was weggezonken.
Door mensen was in het uiterlijke gedrag misschien niets verkeerds opgemerkt, maar elk hart kent zijn eigen bitterheid. Daar ligt de wortel van alle afval. De ziel weet goed dat God op het hart ziet en dat, als dat niet recht voor Hem is, niets recht is. Onder Zijn kastijdende hand zinkt zij daarom soms zeer diep, totdat haar hoop bijna als een boom weggerukt lijkt. Maar dit is het werk van God en het middel waardoor Hij de ziel uit haar staat van dorheid en dood brengt. Daarom komt Hij haar zeer vriendelijk en genadig te hulp. De manier waarop Hij dat doet is meestal de volgende:
2. Hij doet de geest van het GEBED, die zeer diep gezonken was, herleven. Met deze herleving komt de kracht om die zonden en afvallen te belijden die het zwaarst op het geweten drukken. Alleen wie een dergelijke of soortgelijke bevinding heeft doorgemaakt, kan weten hoe de ziel die zo wordt behandeld zich in nederige belijdenis voor de Heere vernedert. Zelfs hij kan haar zelfverfoeiing en zelfverafschuw niet beschrijven. Hij kan evenmin de lage plaats beschrijven die zij inneemt en haar ernstige verlangens en angstige begeerte naar een woord van barmhartigheid en vergeving van Zijn genadige lippen.
Hij kan niet beschrijven hoe zij telkens weer, bij nacht en bij dag, opziet naar Zijn genadige Majesteit om een besef van Zijn geopenbaarde liefde en gunst.
De ziel slaapt nu niet meer. Haar doodsheid is weg, haar koude en dorheid zijn verwijderd en zij is nu waarlijk en werkelijk levend voor God. Het is een herleven zoals het graan herleeft wanneer na een lange tijd van droogte de regen komt. Het is ook als de wijnstok die in het voorjaar groeit na de sombere dagen van de winter, toen er niets te zien was dan de kale stam. (Hosea 14:8.) Zo keert zij bijna terug naar de dagen van haar jeugd en komt er een vernieuwing van het vroegere leven van God in de ziel.
3. Nu volgt hierbij, terwijl de Heere in antwoord op gebed nadert in de openbaringen van Zijn genade, ook een herleving van het geloof in de Persoon en het werk van de Zoon van God. Het is een eenvoudiger en helderder geloof dan eerst. Nooit lijkt de geschiktheid van Christus of de rijkdom van Zijn genade zo groot als voor een ziel die uit de geest van sluimering is gewekt om weer naar Hem op te zien.
Hoe verwondert zij zich over Zijn grote lankmoedigheid, Zijn vriendelijke en tedere verdraagzaamheid en Zijn wonderbare genade, waarmee Hij zo lang geduld heeft met zulke snode vergelding voor al Zijn goedheid en barmhartigheid! Hoe bewondert en aanbidt zij Zijn heerlijke Persoon, ziet en voelt zij de werking van Zijn allerkostbaarste bloed en gerechtigheid en de zoete geheimen van Zijn stervende liefde! Hoe teder is nu het geweten om te zondigen tegen zulke barmhartigheid en zulke liefde!
Wat een bittere en kwade zaak wordt de zonde gezien en gevoeld! Wat een ontdekking is er ook van het verborgen bederf van het hart, van het gevaar om in enige verborgen strik verward te raken en van een afscheiding van geest van de wereld en de wereldse dingen! Nooit tot nu toe leek de ziel waarlijk en werkelijk de zonde te berouwen met die godzalige droefheid waarvan men geen berouw behoeft te hebben. Nooit waren er ernstiger verlangens naar heiligheid, geestelijkheid van gemoed en gemeenschap met God en Zijn dierbare Zoon.
Nooit lag het woord van God opener voor het verlichte verstand. Nooit werden de ingeving, wijsheid en waarheid ervan duidelijker gezien of de kracht ervan dieper in het hart gevoeld. Nooit lagen de eeuwige werkelijkheden met groter gewicht en kracht op het gemoed en nooit leken de dingen van tijd en zinnen lichter, vergankelijker en ijdeler.
De ziel zegt nu tot zichzelf: “Laat mij nooit meer zondigen tegen zulke goedheid en barmhartigheid. Laat mij nooit meer wegzakken in vleselijkheid, wereldsgezindheid en dood.” Maar omdat zij meer dan ooit de kracht van de zonde en de zwakheid van het vlees ziet en voelt en pijnlijk weet wat het is aan zichzelf overgelaten te zijn, smeekt zij de Heere haar te bewaren als het zwart des oogappels. Zij vraagt Hem haar te ondersteunen op elke gladde plaats, opdat zij niet uitglijdt of valt. Zij vraagt Hem voortdurend op haar te schijnen met de stralen van Zijn liefde en haar steeds te bewateren door Zijn Geest en genade.
Zij verlangt ernaar steeds in Zijn vrees te wandelen en tot Zijn lof te leven, Zijn wil te kennen en te doen en vruchtbaar bevonden te worden in elk goed woord en werk. Maar wij zullen hierop niet verder ingaan. Wij hebben hierover genoeg gezegd en misschien te veel voor het merendeel van onze lezers, want wij hebben misschien een pad beschreven dat hun vreemd en onbekend is. Maar wij schrijven voor de geestelijken, voor hen die goddelijke dingen kennen door goddelijk onderwijs, want wij zoeken en wensen hun voordeel.
Wij kunnen niet vaak een vertrouwelijk gesprek met onze geestelijke lezers voeren of die punten op hun geweten drukken die vaak op ons eigen geweten drukken. Het is met schrijven als met een gesprek. Hoeveel van onze gemeenschap met het volk van God gaat in het gesprek over louter uiterlijke zaken en onderwerpen waarin niet veel hart en gewetenswerk zit!
Wat een weinig vertrouwelijk praten! Wat een weinig komen tot de kern van de zaak, tot de verborgen geheimen van ware godsdienst en levende godzaligheid die wij het sterkst voor God voelen! Hoe spelen wij aan de oppervlakte, scheren wij alleen de buitenkant, praten wij op afstand over goddelijke zaken. Wij dringen niet door in elkaars harten en gewetens en komen niet op die plekken waar de verborgen bronnen van ons hele geestelijke leven werkelijk liggen.
Wat een arm, koud werk is wat godsdienstig gesprek wordt genoemd meestal! Het is weinig stichtend, teleurstellend en verdovend, in plaats van de ziel te doen herleven, te verfrissen en te sterken door onderlinge gemeenschap. Het schept geen liefde en eenheid doordat voeding wordt toegediend door de gewrichten en banden van de leden die het Hoofd vasthouden! (Kolossenzen 2:19.)
Zelfs in onze gemeenschap met het echte volk van God, hoe zeldzaam zijn de tijden waarin wij zo oog in oog zien en hart bij hart voelen dat geest in geest versmelt en de gemeenschap van de heiligen leidt tot nieuwe gemeenschap met God! Met het verlangen om zo de zielen van onze lezers, met wie wij alleen met de pen en niet met de mond kunnen spreken, te stichten en te bevoordelen, ontmoeten en groeten wij hen in dit openingsjaar liefdevol met onze Boodschap. Ontvang haar, lieve vrienden, in de geest waarin wij hopen dat zij is geschreven en u wordt toegezonden. Zij is bedoeld voor uw bestwil.
Wij hebben misschien enkele zere plekken aangeroerd en sommigen van u doen ineenkrimpen. Maar als wij hebben verwond, dan is het opdat u van het vuil en het geronnen bloed daarvan zou worden gereinigd door de toepassing van het kostbare bloed. En als wij enigszins ruw of hardhandig de sluier hebben weggetrokken en u uw schuldige schaamte hebben getoond, dan is het opdat u meer zou zien en kennen van het kleed van de gerechtigheid dat hen die geloven wordt aangedaan.
Wij schrijven niet, wij durven niet te schrijven, vleiende woorden om de doden te behagen. Onze zending, onze opdracht, onze bediening is aan de levenden, en vooral aan hen onder hen die beproefd en geoefend worden met verzoekingen en verdrukkingen waardoor hun ziel levend wordt gehouden voor God. Het is gezegd: laat de doden hun doden begraven. Laat de vleiers doorgaan met hun vleierij, bedriegend en bedrogen, hun muren bouwend en ze bepleisterend met loze kalk.
Ons wordt geboden geen gemeenschap aan anderer zonden te hebben. Dat zouden wij hebben als wij zulke mensen en zulke dingen willens en wetens zouden goedkeuren. Ons verlangen is trouw bevonden te worden aan de plaats waarin wij zijn gesteld en de levende familie van God te stichten en te bevoordelen. Wij bevelen u, die de genade tot zodanig heeft gemaakt en geopenbaard, aan bij Zijn wijze en veilige bewaring, Die alleen schrijver en lezer kan zegenen. Daarbij vragen wij om uw gebeden voor onze arbeid in uw dienst.
Lieve Vrienden in de Heere, uw toegenegen Vriend en Dienaar, de Redacteur.


