Sterk zijn bij de meesten van ons de natuurlijke banden die ons aan het tegenwoordige leven binden. Wij hangen instinctief aan het leven om het leven zelf en deinzen van nature terug voor de dood als iets verschrikkelijks voor het vlees. Er zijn de banden van gezin en genegenheid, vooral wanneer het onderhoud van vrouw en kinderen, of anders toch hun comfort en bescherming, sterk van ons voortbestaan hier lijkt af te hangen. Deze en andere boeien van gelijke aard, waarop wij nu niet hoeven in te gaan, ketenen het grootste deel van ons stevig aan de aarde.
Vaak voelen wij ons bovendien door duisternis van gemoed, doodsheid van geest, koude van genegenheid en afwezigheid van de Trooster volkomen ongeschikt om te sterven. Alleen Hij kan de somberheid verdrijven die zich van tijd tot tijd over de ziel samentrekt. Dan menen wij dat wij een bijzondere doorbraak van licht, leven, vrijheid en liefde nodig hebben en een krachtige toepassing van het bloed van de besprenging op ons geweten. Pas dan zijn wij bereid, ja verlangen wij ernaar, om voorgoed deze ellendige wereld van zonde en droefheid te verlaten. Dan leggen wij graag het lichaam van de dood af, waaronder wij vaak zuchten, met een zware last beladen.
Toch zeggen wij, ondanks al deze toegevingen die wij aan de zwakheid en gebrekkigheid van het vlees moeten doen, nogmaals dat de enige doelen die het leven werkelijk waard zijn de volgende zijn. Wij willen een besef van Gods gunst en liefde genieten, tot Zijn eer en heerlijkheid leven en werktuigen in Zijn hand zijn om Zijn zaak te bevorderen. Daartoe behoort ook het dienen van Zijn volk in hun tijdelijke en geestelijke nood en het doen van wat wij kunnen voor het lichaam en de ziel van onze medemensen.
Met deze drie hoofddoelen van ons tegenwoordige leven willen wij natuurlijk geen nauwkeurige en strakke omschrijving geven van genadige verlangens of van nuttigheid als werktuig. Het volstaat voor ons doel ze voor te stellen als een algemeen beeld van wat een christen zou moeten verlangen te hebben, te doen en te zijn.
Maar als dit de hoofddoelen zijn of zouden moeten zijn waarvoor het leven wenselijk is voor allen die God werkelijk vrezen en in Zijn dierbare Zoon geloven, dan geldt dat des te meer voor hen die geroepen zijn om in de gemeente van God een meer vooraanstaande plaats in te nemen dan de gewone gelovigen.
De dienaren van God die vooraan in de strijd staan, hebben bijzondere genade en bijzondere gaven nodig voor het werk waartoe God hen heeft geroepen. Daarom moeten zij meer dan alle andere mensen verlangen te wandelen in het licht van Zijn aangezicht, tot Zijn lof te leven, Zijn heerlijkheid te zoeken, Zijn zaak te bevorderen, Zijn waarheid te verkondigen, Zijn volk te dienen en overvloedig te zijn in elk goed woord en werk.
Dat moet dan ook het verlangen zijn van allen die, zoals wij, een soort ambtelijke positie innemen doordat zij de pen gebruiken in de dienst van God en ter bevordering van Zijn waarheid. Wij leven in een tijd van lezen. Boeken zijn goedkoop, worden veel gelezen en zijn gemakkelijk te krijgen. Daardoor bereikt de pers een bredere kring en heeft zij meer invloed op de openbare mening dan enig ander middel van mededeling.
De grote vloedgolf van de wereld beïnvloedt onvermijdelijk het kleinere getij van de gemeente, zodat het met haar mee ebt en vloeit. Zo heeft ook de christelijke pers zich, net als de wereldse pers, in alle richtingen verspreid. Zij oefent een invloed uit die nauwelijks onderdoet voor die van de kansel.
Geschriften van genadige mensen, levend of gestorven, kunnen daarom worden beschouwd als een eigen bediening. Zij loopt als het ware evenwijdig aan die van de kansel en in overeenstemming ermee. Zij heeft het voordeel dat zij doordringt op plaatsen en spreekt bij gelegenheden waar de stem van de levende prediker niet kan komen. Ook is zij op elk moment bereikbaar. Stil en onopvallend ligt zij op de tafel of op de boekenplank, klaar om naar believen te worden opgepakt of neergelegd. Als wij ze goed hebben gekozen, zijn zij onze trouwste vrienden en wijste raadgevers, die ons altijd de waarheid zeggen zonder vrees en zonder vleierij.
Onder zulke trouwe vrienden en raadgevers zouden wij graag geteld worden. Wij hebben niet gezocht of begeerd om zo’n gewichtige en verantwoordelijke plaats in te nemen. Toch vinden wij ons in een plaats van groot vertrouwen, al is het misschien geen plaats van grote nuttigheid. Maand na maand en nu al jaar na jaar hebben wij de gelegenheid om als van aangezicht tot aangezicht te spreken tot een groot aantal kinderen van God.
Wat in onze bladzijden verschijnt, hetzij van onze eigen pen of van die van anderen, richt zich tot een levende familie. Die ontvangt wat haar zo wordt voorgelegd, omdat zij gelooft dat het voor het grootste deel het stempel van oprechtheid en waarheid draagt en in overeenstemming is met de Schriften en met het onderricht van de gezegende Geest in het hart.
Onze maandelijkse bezoeker komt soms met een Preek van een heengegane dienaar van God. Al bestaat die maar uit fragmenten van de eigenlijke rede, toch spreekt hij dezelfde taal en ademt hij dezelfde geest als toen hij van de lippen van die dienaar kwam. Soms komt hij met een genadige Bevinding van Gods handelingen met een van Zijn levende kinderen. Die zou anders in de vergetelheid begraven zijn gebleven. Zo wordt de belofte vervuld dat er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen. (Lukas 8:17.)
Soms komt hij als een Brief die uit de volheid van een gebroken of jubelend hart aan een vriend is geschreven. Als zodanig spreekt hij in onze bladzijden ook tot andere harten dan dat van de persoonlijke briefschrijver. Soms boekt hij in een Levensbericht de bevinding van een stervende heilige en getuigt zo van de goedheid en de trouw van God in die plechtige ogenblikken waarin hart en vlees bezwijken. Soms legt de Redacteur zijn lezers zijn Overdenkingen voor over verschillende belangrijke punten van de waarheid, of hij probeert de Schriften te ontvouwen zoals zij zich voor zijn gemoed lijken te openen.
En eenmaal per jaar, in de openingsmaand, komt ons kleine werk bij hen met op de eerste bladzijden een Boodschap aan de geestelijke lezers. Daarin spreekt de Redacteur hen toe met de vertrouwelijkheid van een vriend. Toch biedt hij hun zo’n liefdevol advies aan als hij zelf ter harte zou willen nemen en volgen.
God werkt door werktuigen. Als Hij het goed heeft gevonden de hand die nu deze regels schrijft te gebruiken tot Zijn eigen eer en tot het welzijn van Zijn volk, dan is de opdracht des te plechtiger en de verantwoordelijkheid des te groter. En voorts wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde. Als iemand reden heeft te geloven dat hem een rentmeesterschap over de verborgenheden van God is toevertrouwd, dan moet ontrouw aan die opdracht een grote en schreeuwende zonde zijn. Wij bedoelen dan opzettelijke ontrouw, want voor menselijke zwakheid moet ruimte worden gelaten.
Natuurlijk zou geen rentmeester, hoe ontrouw ook, zijn eigen ontrouw erkennen. Evenmin zou een dienaar, hoe dwalend ook, zichzelf dwalend noemen. Hij moet dus naar zijn daden worden beoordeeld. Als die het onderzoek kunnen doorstaan, wordt hij vertrouwd in precies dezelfde mate als zijn vermeende bekwaamheid, want die is vanzelfsprekend een noodzakelijk element van vertrouwen, en zijn bewezen trouw.
Maar als men hem dat vertrouwen schenkt, hoe zorgvuldig moet hij dan zijn om het niet te schaden door nalatigheid! Hoe moet hij zich ervoor hoeden er misbruik van te maken door zich onbehoorlijk gezag aan te matigen, het te verlagen en te verminderen door misstappen en fouten, of het te gebruiken tot verheffing of voordeel van zichzelf in plaats van de eer en heerlijkheid van God te zoeken!
Deze dingen drukken op ons gemoed. Enerzijds zijn wij bereid met onze pen te arbeiden, vooral omdat dat nu ons voornaamste ambtelijke werk is. Anderzijds wordt ons pad steeds moeilijker naarmate onze arbeid groter en gevarieerder wordt, de oplage en de invloed van ons tijdschrift toenemen en wij de verantwoordelijkheid van onze positie voelen.
Tot nu toe hebben wij echter ervaren dat onze kracht is geweest zoals onze dag was. In al onze behoeften is rijkelijk voorzien. Het meel in het vat is niet opgeraakt en de olie in de kruik niet verminderd. Als de Heere tot ons zou zeggen, zoals tot Zijn discipelen, heeft u ook iets ontbroken? dan moeten wij antwoorden: Niets, Heere, behalve een ruimere mate van Uw genade voor onszelf en een ruimere mate van zegen op onze arbeid voor anderen.
Maar genoeg hierover. Heeft iemand onderricht of troost ontvangen van onze arbeid? Heeft wat in onze bladzijden stond zijn geloof versterkt, zijn hoop aangemoedigd of zijn liefde opgewekt? Is er licht geworpen op een donker pad, een waarheid bevestigd of een dwaling blootgelegd waarin men bijna verstrikt raakte? Is een berisping of terechtwijzing minder scherp, maar niet minder krachtig gevoeld omdat een verborgen stem haar toediende?
Is iemand wakker geschud of hersteld uit luiheid en onverschilligheid? Is er gebrokenheid van geest, ware boete en godzalige droefheid over de zonde teweeggebracht? Is een afval genezen, of een genadige vernieuwing of herleving van het goede werk binnenin bewerkt? Is er kortom enig echt, degelijk en blijvend nut aan een van onze lezers meegedeeld door onze arbeid voor hen?
Laat zij dan hun dankbaarheid tonen aan God als de Auteur en aan ons als het werktuig door ons voor de troon van Zijn genade te dragen. Mogen zij bidden dat Hij ons die geestelijke en bevindelijke kennis van Zijn waarheid schenkt, die hemelse wijsheid en dat hemelse oordeel, die heilige vrijmoedigheid en getrouwheid, die ijver voor Zijn eer en dat verlangen naar het welzijn van Zijn volk. Als die ons geschonken worden, zijn zij zowel onze als hun beste beloning.
Wij twijfelen er inderdaad niet aan dat velen die ons om de waarheid liefhebben en achten zulke gebeden hebben opgezonden en nog opzenden. Die gebeden zijn verhoord doordat de Heere ons de voorraden van Zijn genade heeft geschonken, zonder welke wij niet meer zouden zijn dan een klinkend metaal, of luidende schel.
Wij zijn de draad wat kwijtgeraakt door zo over onszelf en ons kleine werk te spreken. Omdat dit bij ons geen veelvoorkomende overtreding is, hopen wij dat zij niet als een grote zal worden aangerekend. Zeker niet in een Boodschap aan onze geestelijke lezers, waarin wij de terughoudendheid en de ernst van een redacteur terzijde leggen en als vriend en broeder van hart tot hart spreken. Wij binden ons dan niet aan die ordelijke schikking van gedachten en uitdrukking die artikelen als onze Overdenkingen lijken te vereisen.
Wij hebben dus aan het begin van onze Boodschap drie hoofddoelen van ons leven hier beneden genoemd. Dat waren: het genieten van een besef van de goedheid, de barmhartigheid en de liefde van God, het leven tot Zijn eer en heerlijkheid en het dienen van Zijn zaak en Zijn volk naar ons beste vermogen. Laten wij nu bezien of wij uit deze tekst niet onze Nieuwjaarspreek kunnen houden. Of liever: zonder de vormelijkheid van een preek kunnen wij dit tot het thema van onze Boodschap maken, om onze gedachten eromheen te verzamelen. Zo geven wij ze die eenheid die hen behoedt voor afdwalen en verwarring.
I. Als een van de hoofddoelen van het tegenwoordige leven stelden wij het verlangen om meer te genieten van de goedheid, de barmhartigheid en de liefde van God in ons eigen hart. Er kunnen en zullen zonder twijfel enkele gezegende uitzonderingen zijn, misschien zelfs vele. Maar in de regel wandelt de levende familie van God in onze dagen niet veel in het licht van Zijn opgeheven aangezicht.
Zij hebben wel hun bevoorrechte ogenblikken, waarin de wolken zich voor korte tijd lijken te verdelen en er stralen zonlicht door de lucht heen breken. Bij het lezen of horen van het woord worden hun harten soms week en gesmolten. Het geloof wordt opgewekt en uitgetrokken naar de Heere van leven en heerlijkheid, terwijl de hoop haar anker uitwerpt en de liefde opstijgt naar Hem Die aan de rechterhand van God zit. In zulke tijden worden hun vrees weggenomen en hun twijfels verdreven. Hun kentekenen worden helderder, hun duisternis, schuld en slavernij worden verlicht en weggenomen en hun ziel is gelukkig in de Heere.
Maar na regen keren de wolken terug. Aardse dampen stijgen van beneden op, wolken pakken zich van boven samen en spoedig is de lucht bijna, of zelfs geheel, weer even bewolkt als eerst. Dan volgt de hele stoet van twijfel, vrees en bange vermoedens. Die worden weliswaar verlicht door zoete herinneringen aan eerdere gunsten en door een vastere aanklevendheid aan het woord van de belofte. Toch drukken zij het gemoed meestal neer en gaan zij gepaard met een flinke dosis van de geest van slavernij.
In deze gemoedstoestand worden hun gewoonlijk heel wat preken gehouden. Sommigen zeggen hun dat zij niet moeten twijfelen en vrezen. Zij leven daarmee beneden hun voorrechten. Zij moeten in Christus geloven en God op Zijn woord nemen. Deze twijfels en vrees onteren God zeer. Zij mogen er niet aan toegeven en er geen godsdienst van maken. Zij moeten zich verblijden in de Heere in de volle verzekerdheid des geloofs.
Zulke predikers hebben, net als de vrienden van Job, gedeeltelijk gelijk en gedeeltelijk ongelijk. Het is verkeerd om te twijfelen en te vrezen nadat de Heere de ziel met een besef van Zijn barmhartigheid en liefde heeft gezegend. Die twijfels en die vrees mogen niet worden aangemoedigd of als kentekenen worden opgesteld. Zij onteren God en beroven de ziel. Dat alles is volkomen waar.
Maar kunnen deze vriendelijke vrienden hun ook vertellen hoe zij van die twijfels en die vrees afkomen op een manier die het geweten gerust stelt, de duisternis uit het gemoed wegneemt en hen tevredenstelt met de glimlach van God en het getuigenis van een besprenkeld en vredig geweten? Helaas, nee! Daar schieten zij tekort en zijn zij dus even ellendige troosters als de vrienden van Job ooit waren. Het geloof dat zij hen willen laten oefenen is louter een natuurlijk, verstandelijk geloof. De zekerheid waartoe zij hen aansporen is louter aanmatiging.
Zo’n geloof als zij leren en prediken, en dat zij naar wij aannemen zelf bezitten, anders zouden zij het niet zo bij anderen aandringen, doet niets voor wie het heeft. Het werkt niet door de liefde, reinigt het hart niet, overwint de wereld niet en triomfeert niet over dood en hel. Het brengt geen verzoenend bloed, geen stervende liefde en geen vergevende barmhartigheid in de ziel. Het laat de ziel precies waar het haar vond. Het doet haar evenveel goed als de priester en de Leviet de man deden die onder de rovers was gevallen en gestript, gewond en halfdood langs de weg lag.
Wij en u, lieve lezers, hechten even weinig aan ongeloof, twijfels en vrees, duisternis en slavernij als deze mensen. Wij weten immers dat zij onze grootste hindernissen zijn en de ergste dieven en rovers. Stel dat iemand een ziekte of kwaal heeft die hem dichter op de huid zit dan de kraag van zijn jas. Zij kwelt hem dag en nacht en maakt zijn leven tot een last. Hij verwacht haar mee te dragen tot in zijn graf. Houdt hij dan van haar? Geniet hij ervan? Maakt hij er gezondheid en kracht van? Zeg maar “Ja” of “Nee”, u die lichamelijk lijdt.
Zo is het ook met twijfels, vrees en ongeloof. Zij zijn onze zielsziekte, onze innerlijke kwaal. Er een godsdienst van maken zou net zoiets zijn als gezondheid maken van een verstoorde lever, een tering, een verlamd lid, een astmatische kwaal of een zenuwaandoening.
Stel nu dat onze dokter, wanneer wij zijn raad inriepen over een van deze of dergelijke kwalen, zou zeggen: “Wees gezond, wees gezond; word niet ziek, word niet ziek; schud uw kwaal van u af. Geloof maar dat u gezond bent en u zult gezond zijn.” “Ach,” antwoordt de patiënt, “maar ik word er niet beter van door te geloven dat ik gezond ben, terwijl elk gevoel, elke pijn en elk lijden in mijn arme lichaam mij zegt hoe ziek ik ben. Ik bedrieg mezelf alleen door te geloven dat ik gezond ben terwijl ik werkelijk ziek ben. U moet wel zeer onwetend zijn over mijn kwaal en mijn verschijnselen als u niet ziet hoe ziek ik ben. En ik vrees dat u even onwetend bent over het juiste geneesmiddel.”
Wij laten het oordeel aan onze lezers over om de vergelijking toe te passen op de waardeloze geneesheren die voorschrijven voor de kwalen van de familie van God. Maar omdat deze ellendige geneesheren noch de kwaal noch het geneesmiddel begrijpen, is er dan geen genezing? Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester aldaar? Zegt de Heere Zelf niet: Ik ben de HEERE, uw Heelmeester? Hoe gezegend spreekt de psalmdichter: die al uw krankheden geneest.
En wat een genadige belofte is dit: Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de HEERE; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar. (Jeremia 30:17.)
Maar wat is dit geneesmiddel? Is het niet juist datgene wat wij als een van de grote levensdoelen hebben genoemd: een genieten van de goedheid, de barmhartigheid en de liefde van God in onze eigen ziel, onder een besef van vergeven zonde en een volle en vrije aanvaarding in de Geliefde? Wat anders dan een doorbreken van het licht van Zijn aangezicht en een ontdekking en openbaring van de liefde en barmhartigheid van God kan de duisternis van ons gemoed verdrijven, de hardheid van ons hart doen smelten en de schuld van ons geweten wegnemen? Wat anders kan ons met nieuw leven bezielen en ons brengen uit die doodsheid van de ziel die een van onze ergste kwalen lijkt te zijn?
Hier zien wij de wijsheid van God, Die toelaat dat Zijn volk zo door zonde en Satan wordt geslagen en door verzoeking wordt geplaagd en gekweld. Hij laat toe dat het zo wordt geoefend door ongeloof, ontrouw, vijandschap, jaloezie, twijfel en vrees en zo wordt opgesloten en vastgebonden door ketenen die vaak hun eigen werk zijn. Doet gij dit niet zelven? Is het niet opdat zij vertwijfelen aan alle andere zaligheid buiten Gods zaligheid en voor de zonde geen geneesmiddel vinden dan in het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God?
Is het niet opdat zij geen rust, vrede of troost genieten dan die de Heere Zelf hun wil geven? Zo worden zij bevindelijk geleerd hoe nodig het is altijd naar Hem op te zien en aan Hem te hangen voor een glimlach van Zijn aangezicht, een woord van Zijn lippen, een aanraking van Zijn hand, een openbaring van Zijn tegenwoordigheid en enige aanwijzing van Zijn gunst.
Wie zo onder de zware druk van innerlijke zielsoefening naar de Heere opziet, zal niet tevergeefs opzien. Een wending in de voorzienigheid, zeer onverwacht en toch zeer passend en welkom, zal hen soms doen voelen, al zeggen zij het niet: Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij. Dit blijk dat de Heere aan hen denkt, zal hun hart doen smelten tot de overtuiging van Zijn gunst jegens hen.
Soms worden zij begunstigd met een bijzondere tijd in het gebed. Dan zien zij door het geloof de heerlijke Middelaar op Zijn genadetroon en putten zij kracht en vermogen uit Zijn volheid. Met vrije en heilige vrijmoedigheid komen zij naar buiten in het licht van zo’n dag als de lieflijke Psalmist van Israël beschrijft: gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken. (2 Samuël 23:4.)
Soms breekt bij het lezen van het woord in het verborgene licht door in de inhoud ervan. Gezag en kracht, majesteit en heerlijkheid lijken erin gedrukt als het woord van de levende God. Het geloof wordt opgewekt en uitgetrokken naar de genadige waarheid die in dat bijzondere gedeelte is geopenbaard. Zo omhelst het geloof die waarheid in liefde en wordt het ermee vermengd. Dat verruimt, troost en sticht de ziel merkbaar en is haar tot nut.
Soms vloeit er, zonder dat een bepaald woord wordt toegepast of er bijzonder licht of leven uit enig tekstgedeelte komt, een eigen besef in de ziel van de goddelijke werkelijkheid van de waarheden van het evangelie en de verborgenheden van ons allerheiligst geloof. Hun gewicht en belang en hun eeuwige en onvergankelijke aard worden met een bijzonder gewicht en kracht in het hart gebracht.
Dat geldt ook voor hun zuiverheid en heiligheid, afgezet tegen deze zondige wereld en de nog ergere zondigheid van onze eigen ellendige natuur. Het geldt voor hun zoetheid en gezegendheid, hun geschiktheid voor onze nood en ons leed en de heerlijke wijsheid van God die erin straalt. Het geldt vooral voor Zijn genade, barmhartigheid en trouw in de Persoon en het werk van de Middelaar.
Zo schijnt God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, in het hart om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. (2 Korinthe 4:6.) En wat is het gevolg? De geestelijkheid van gemoed die zulke goddelijke indrukken meedelen, de ernstige gebeden die zij voortbrengen, de hemelse genegenheden die zij ontsteken en de gezegende opheffing die zij ons geven uit duisternis, doodsheid en aardsgezindheid zijn allemaal overtuigende getuigenissen van de werkelijkheid en de kracht van een godsdienst die van God komt.
Dit is geen bouwen op zand. Het brengt de ziel immers tot de Rots, legt haar daarop, verbindt haar eraan en geeft haar levende vereniging met de Rots. Bouwen op twijfels en vrees of op overtuigingen van zonde is bouwen op zand. Dat geldt ook voor bouwen op doodsheid en koude, duisternis, dorheid, schuld en slavernij. Het is bijna erger dan zand, want het is bouwen op een moeras.
Het is juist daarom dat het heet: De HEERE proeft den rechtvaardige. Daarom laat Hij toe dat zij met ongeloof en elke andere vorm van kwaad worden verzocht: om hen van het zand en het moeras af te slaan en hen uit behoefte aan een schuilplaats de Rots te laten omhelzen.
Een bediening die een godsdienst zou aanmoedigen die op twijfels en vrees is gebouwd, zou dus ongeloof prediken als de weg in plaats van geloof. Zij zou zwakheden in de plaats van zegeningen zetten. Zij zou kennis van de zonde een even duidelijk getuigenis van aandeel in Christus maken als kennis van de zaligheid. En zij zou schuld, slavernij, duisternis en verdoemenis verheffen tot de plaats van vergeving, bevrijding, liefde, blijdschap, vrede en elke andere vrucht van de Geest.
II. Maar hebben die bezoekingen, waardoor de geest bewaard blijft, geen ander gevolg? Brengen zij niet een ernstig verlangen voort om te leven tot lof, eer en heerlijkheid van God? Dat noemden wij het tweede grote doel van het leven van een christen.
Het is de zaligmakende genade Gods die ons onderwijst dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld. Omdat wij niet van onszelf zijn maar duur gekocht, geldt voor ons: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. En het is de liefde van Christus die ons dringt omdat wij zo oordelen: Als die dit oordelen, dat, indien Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is. (2 Korinthe 5:14-15.)
Waar de genade van God is, dringt zij haar deelgenoot om te verlangen tot Zijn eer en heerlijkheid te leven. Maar hij merkt al snel hoe moeilijk dat is. Zo groot is de zwakheid van het vlees, de macht van de zonde, de sluwheid van Satan, de kracht van de verzoeking en het aantal strikken dat aan alle kanten voor onze voeten is gespreid, dat wij niet kunnen doen wat wij willen en niet kunnen zijn wat wij willen.
Voor wij het beseffen, raken wij verstrikt in een afgod of worden wij meegetrokken in een toegeven aan het vlees. Dat brengt duisternis in het gemoed en kan ons voor de rest van onze dagen bitter werk bezorgen. Maar zo leren wij niet alleen de zwakheid van het vlees kennen, maar ook waar en in Wie al onze kracht ligt.
De genade van de Heere Jezus wordt openbaar in en door de zwakheid van het vlees, in haar geschiktheid, haar genoegzaamheid en haar overvloed. Een besef van Zijn wonderbare liefde en zorg, waarmee Hij ons zo verdraagt, ons lot zo beklaagt en barmhartigheid bewijst waar wij terecht toorn mochten verwachten, dringt ons dan met een heilige verplichting om in Zijn vrees te wandelen en tot Zijn lof te leven.
Wij hebben de bitterheid van de zonde gevoeld, de ellende van overgelaten te zijn aan onze eigen wil en weg, het gevaar van de verzoeking, de list en de macht van Satan en wat voor arme, hulpeloze, snode en verdorven schepselen wij in onszelf zijn. Wij kennen onze vermenigvuldigde, verzwaarde en onophoudelijke overtredingen. Wij kennen ook Zijn medelijden, ontferming en liefderijke goedertierenheid jegens arme, berouwvolle, zichzelf verfoeiende, gebroken en belijdende overtreders.
Een gemengd besef van onze ellende en van Gods barmhartigheid, van de grootte van onze zonde en de volheid van Zijn zaligheid, vergezeld van gezichten op Zijn bloedende, stervende liefde, dwingt elke genadige gewaarwording van de ziel zich als het ware te wapenen tegen die vreselijke vijand: de zonde die in ons woont.
Het kan het werk van jaren zijn om ons deze eenvoudige beginselen van het levende godzaligheid te leren. Het is al een genade als wij ze leren en uiteindelijk niet gevonden worden onder hen die altijd leren en toch nooit tot de kennis van de waarheid kunnen komen, dat wil zeggen tot de zaligmakende kennis ervan.
O, de moeite die de Heere neemt met Zijn domme, onwetende, stompzinnige, koppige en eigenzinnige leerlingen! Hoe is het regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. Soms moet Hij ons drijven, soms trekken, soms Zijn waarheid in ons slaan met de slagen van Zijn tuchtigende hand. En soms laat Hij haar zachtjes en stil in ons druppelen wanneer Hij de ogen heeft ontzegeld om naar Hem op te zien en de oren heeft geopend om onderwijs van Zijn lippen te ontvangen.
Wij zijn zulke vreemde schepselen. Wij willen, ja meer dan willen, van de Heere onderwezen worden, want wij smeken Hem voortdurend in alle oprechtheid van hart ons te leren. En toch bevalt Zijn manier van onderwijzen ons niet wanneer zij het vlees dwars zit.
Wij verlangen er oprecht naar te leven tot de eer en heerlijkheid van God. Toch deinzen wij terug en komen wij in opstand wanneer dat een offer vraagt van geld, gemak, comfort of aanzien. Nog sterker geldt dat wanneer het lijkt te vereisen dat wij een rechteroog uittrekken of een rechterhand afhouwen. Dan klagen wij dat er voor het vlees geen gemakkelijker en aangenamer weg is.
En toch is er, als wij het offer kunnen brengen dat het woord en ons eigen geweten vragen, misschien een zoetheid voor onze geest vermengd met de bitterheid voor het vlees. Het is met die bitterheid voor het vlees bijna zoals de heer Deer over het berouw spreekt:
Het is geen zo droef en somber ding
als sommigen het noemen:
een zondaar die berouw ontving
kan zingen, juichen en zich schamen.
Het kan zijn dat het een oproep was om een offer te brengen van wat geld in bezit of in uitzicht. Na een felle strijd tussen een milde geest en een hebzuchtig hart behaalde het betere beginsel de overwinning. Merken wij dan, nu de zege is behaald, niet vaak dat wat gegeven is nauwelijks wordt gemist? Het goed dat het heeft gedaan voor de zaak van de waarheid of voor een van de arme en behoeftige kinderen van de Heere is een ruime vergoeding voor het overwinnen van de tegenstand van een hebzuchtige geest. Het is ook een vergoeding voor het geschreeuw van de oude mens, die een paar spijkers in zijn gierige vuist kreeg geslagen.
Maar spoedig komt er, omdat hij moeilijk sterft en kronkelt onder de kruisigende spijker, misschien een kreet van ons of van iemand die met ons verbonden is: “Spaar uzelf. Als u zo doorgaat, berooft u uw vrouw en gezin en brengt u hen tot bedelarij. Er is deze en die rekening te betalen en u weet hoe moeilijk geld te verdienen is en hoe snel het weg is.” Maar dan komt er een goede voorzienigheid opdagen en dan zakt het hoofd in het stof met een: “Heere, ik ben snood en U bent goed. Vergeef mijn hebzuchtige, ongelovige hart. O laat mij nooit meer aan U twijfelen.”
Zo begint het vlees ook te klagen, als wij een beetje van onze goede naam of faam of van onze geliefde aanzienlijkheid moeten opgeven, en kan het de schande van het kruis niet verdragen. Maar hoe snel kan de Heere ons hart zo doorbreken met een besef van Zijn goedheid, barmhartigheid en liefde dat wij ons zelfs onwaardig voelen om voor Zijn naam schande te lijden en het als een eer rekenen Zijn smaad te dragen!
Wij hoeven dit onderwerp niet verder uit te werken. De eigen ervaring van onze lezers zal hun overvloedig voorbeelden aanreiken, zowel van de zwakheid en goddeloosheid van het vlees als van de overvloedige genade. Zij zullen met ons instemmen dat zowel ellende als barmhartigheid, alles wat wij hebben gezien en gevoeld van het kwaad van de zonde en alles wat wij hebben gesmaakt, gevoeld en betast van de zaligheid, alles wat wij van onszelf weten en alles wat wij van de Heere weten, ons als met één stem oproepen en dringen. Zij dringen ons om in Zijn vrees te wandelen, tot Zijn lof te leven en te zoeken Hem te verheerlijken met ons lichaam en onze geest, die Hem toebehoren.
III. En met dit verlangen zal zeker ook een gewillige bereidheid volgen om de zaak van de Heere te dienen, de armen van de Heere te helpen, met hen mee te voelen in hun benauwdheden en beproevingen en hun onze achting, genegenheid en liefde te betonen. Op welke andere wijze kunnen wij de waarheid en werkelijkheid, het leven en de kracht van onze godsdienst tonen?
Mensen zullen ons, en terecht, beoordelen naar onze werken en niet naar onze woorden, naar onze vrucht en niet naar onze bladeren, naar onze christelijke geest. Daartoe behoren zachtmoedigheid, stilheid, nederigheid, oprechtheid, onbaatzuchtigheid en bereidheid om te dienen in plaats van te heersen. Ook behoort daartoe de algemene gewilligheid om te verdragen en te dulden, het voordeel van anderen te zoeken en niet het onze en te doen wat wij kunnen aan de zielen en lichamen van onze medemensen.
Maar onze ruimte waarschuwt ons dat wij naar het slot moeten toewerken. Sta ons dan toe enkele woorden te zeggen over ons maandblad en onze verlangens en arbeid daarvoor. De Heere werkt, zoals wij eerder hebben gezegd, door werktuigen. Meestal zijn dat lage en verachte werktuigen, opdat duidelijker blijkt dat de kracht en de eer van Hem zijn.
Als Hij ons kleine maandblad wil gebruiken als werktuig voor het welzijn van Zijn volk en Zijn eigen eer, hoe rijk zal het ons dan belonen voor alle moeite, zorg, bezorgdheid en verantwoordelijkheid van het leiden ervan die ons toekomen! Ons verlangen is het zo leerzaam, stichtelijk en nuttig te maken als wij maar kunnen voor de levende familie van de Heere.
Wij willen daarom alle twist en strijd vermijden, alle twijfelachtige redetwisten, alle roddel, laster en nieuwtjesjagerij en alle vleierij en naar de mond praten. Ook vermijden wij alle dorre en louter verstandelijke bespreking van leerpunten, die gewoonlijk leidt tot eindeloze disputen en ijdel gepraat, en al het andere dat het vlees voedt en de ziel uithongert.
Wij willen maand na maand eenvoudig, stil en onopvallend komen, zonder luide klop of lawaaierige bel, en naast de Bijbel en het gezangboek komen te liggen. Wij willen dezelfde taal spreken, dezelfde geest ademen, dezelfde kracht meedragen, met dezelfde invloed bedauwd zijn en hetzelfde uitwerken. Zoals de apostel van zichzelf en zijn mededienaren zegt: Want wij zijn Gods medearbeiders (1 Korinthe 3:9), zo willen ook wij bezig zijn met hetzelfde gezegende werk: met God arbeiden aan de opbouw van Zijn volk op hun allerheiligst geloof.
Maar de Heere werkt niet door iets anders dan door Zijn eigen gezegende waarheid, en die alleen als zij met Zijn Geest en genade is doordrenkt. Daarom moeten wij steeds waakzaam zijn onze geestelijke zintuigen te gebruiken bij het dekken van onze tafel. Wij mogen alleen zulke gezonde, voedzame en smakelijke spijzen opdienen als Hij zal erkennen en zegenen.
Als spijsmeesters voor de familie van de Heere moeten wij het voedsel dat op tafel komt zorgvuldig wegen, onderzoeken, ruiken, betasten, omdraaien en proeven. Is het te licht van gewicht? Is het aangetast door dwaling? Is het door vliegen bedorven? Is het te rauw of te gaar? Is het niet genoeg gezouten en gekruid? Is het niet sappig of smakelijk? Ontbreekt kortom die onbeschrijfelijke smaak en geur die allen kennen die hebben gesmaakt dat de Heere goedertieren is en Zijn woord hebben gevonden en gegeten tot vreugde en verheuging van hun hart? Dan zal het de levende familie niet voeden.
Dit legt ons veel meer op dan alleen het werk van het lezen van ingezonden stukken of het schrijven van wat wij zelf uitgeven. Wij moeten uit veel preken, brieven, stukken en levensberichten die stukken kiezen die het juiste stempel lijken te dragen en enig bewijs bij zich hebben dat de adem van het leven erin is. Zo moeten wij ook bij wat wij zelf schrijven het onderricht en getuigenis van de gezegende Geest zoeken om ons regel voor regel te onderwijzen en te leiden. Daarna moeten wij het met kracht en smaak tot de harten van Gods volk laten doordringen.
Ons werk is dus geen gewone taak en geen louter mechanische bezigheid. Het is geen werk zoals een klerk op een kantoor doet: lezen, etiketteren, registreren, kiezen en stuk na stuk in de juiste volgorde leggen, zodat elk op zijn juiste plaats komt. Zo kan A. B. het genoegen hebben zijn lange stuk geplaatst te zien, zoals hij gewoonlijk verzoekt, “in ons volgende nummer”, en C. D. zijn uitleg van een tekst, die volgens hem niemand dan hijzelf tot nu toe heeft mogen begrijpen.
En E. F. kan zijn Levensbericht van een zondagsschoolleerling geplaatst zien, dat hij ook naar een half dozijn andere tijdschriften heeft gestuurd, G. H. zijn Bevinding van misschien wel 100 of 200 bladzijden in dicht en nauwelijks leesbaar handschrift en J. K. zijn Poëzie van 300 of 400 regels. En toch zijn allen misschien zwaar beledigd omdat soms gebrek aan ruimte en nog vaker gebrek aan het voornaamste in hun inzendingen verhindert dat zij in onze bladzijden verschijnen.
Wij hebben inderdaad veel reden tot dankbaarheid voor de manier waarop in al onze behoeften is voorzien. Wij zijn dankbaar voor de waardevolle en bevindelijke brieven van heiligen, levende en heengegane, die ons zijn toegestuurd. Wij zijn dankbaar voor de interessante en stichtelijke Levensberichten die nagebleven vrienden en familieleden hebben opgetekend en die wij zo hebben kunnen plaatsen. En wij zijn dankbaar voor de verschillende verslagen die ons zijn gezonden van de persoonlijke handelingen van God met sommigen van Zijn begunstigde kinderen.
Ook willen wij een nederige erkenning uitspreken van Zijn goedheid en barmhartigheid aan ons persoonlijk. Hij stelt ons nog steeds in staat om voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is, ernstig te strijden. Te midden van vele moeilijkheden en hindernissen sterkt Hij ons nog steeds om te arbeiden op dat bijzondere terrein waarop wij nu al vele jaren, met weinig hulp behalve van Hemzelf, de zaak van de waarheid en het welzijn van Zijn volk trachten te dienen.
In Zijn kracht en niet in de onze willen wij nog steeds arbeiden. Staande als te midden van de graven van zovele heengegane vrienden en broeders in het ambt, en niet wetende hoe spoedig wij onder hen geteld zullen worden, willen wij in ons eigen geweten en in dat van anderen openbaar laten worden dat de hoofddoelen van ons persoonlijke, ambtelijke en redactionele leven drie dingen zijn. Wij willen een besef van Gods goedheid en barmhartigheid genieten, Hem verheerlijken met ons lichaam en onze geest, die Hem toebehoren, en Zijn zaak, waarheid en volk dienen.
Broeders, bid voor ons. Uw toegenegen Vriend en Dienaar, de Redacteur.


