Riches from Philpot — Part 6: It Was Not the Nails (Part 1 of 2)
Het waren niet de spijkers die door Zijn handen en voeten werden geslagen. Het was niet de doornenkroon op Zijn voorhoofd. Het waren niet de striemen die Zijn rug verscheurden. Het was niet de uitputting en machteloosheid waaronder Hij leed. Dit alles was het niet dat de Heere deed sterven. Het was niet slechts de lichamelijke pijn van het kruis — niet slechts de pijn, hoe scherp en hevig ook, van de spijkers door Zijn heilige handen en voeten. Dat Hij zes uur lang aan het kruis was uitgestrekt vormde niet het voornaamste deel van het lijden van de Verlosser.
Het was de bijna onverdraaglijke last van toegerekende zonde — de toegerekende zonden van miljoenen. Het was de verschrikkelijke uitstorting van Gods toorn in Zijn heilige ziel. Het was het verbergen van het aangezicht van Zijn Vader en de pijnen van de hel zelf die Hem daar overvielen! Onze lijdende Zaligmaker dronk de beker van Gods toorn tot op de bodem leeg toen onze gemene, verschrikkelijke en afschuwelijke zonden op Hem werden gelegd!
Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben (Jesaja 53:10)
Satans keten!
Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen (Hebreeën 2:8)
Zie de soevereine oppermacht van Jezus! Ook alle verzoekingen zijn onder de voeten van Jezus gesteld. Hoe zoet is het dit te zien en te voelen! Uw pad is op dit ogenblik misschien een pad van grote verzoeking. Strikken van de gevaarlijkste en meest bedrieglijke soort kunnen in allerlei richtingen voor uw voeten gespannen zijn. Satan mag uw ziel misschien aanvallen met al zijn hellekunsten en wapens. U kunt een droevige strijd hebben met de gemene begeerten van uw verdorven natuur en voelen dat u evenveel zonden levend in uw hart hebt als er haren op uw hoofd zijn!
Maar zijn ook deze dingen niet onder Zijn voeten onderworpen? Zou het waar zijn dat God alle dingen onder Zijn voeten heeft gesteld als de verzoekingen waren weggelaten? Kan Satan u ook maar één punt verder verzoeken dan de Heere toestaat? Hoe was het met Job toen Satan hem mocht verzoeken? Had God niet de precieze lengte van Satans keten bepaald toen Hij zei: verschoon zijn leven?
Satan mocht al zijn bezittingen vernietigen. Hij mocht al zijn kinderen in één klap wegvagen. Hij mocht hem met zweren slaan van de voetzool tot de kruin van zijn hoofd. Maar hij kon zijn leven niet aantasten, zijn natuurlijke noch zijn geestelijke leven. Hij kon hem er ook niet toe drijven God te lasteren, al slaagde hij er wel in dat Job de dag van zijn geboorte vervloekte.
Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, zei de Heere in feite tegen Satan, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven. Zo is het ook met u. Welke verzoekingen u ook moet verduren — zij kunnen nooit uw leven aantasten. Want dat is verborgen met Christus en veilig bewaard in het hart en de handen van Hem Die regeert in oppermacht en heerlijkheid!
Liefde op het eerste gezicht!
Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jeremia 31:3)
Er is geen begin aan de liefde van Christus, want zij bestond toen Hij bestond — en dat was van eeuwigheid. Er is ook geen einde aan die liefde. Zijn liefde is dus even eeuwig als Hijzelf. Wat een barmhartigheid is het voor wie enige genadige, bevindelijke kennis van de liefde van Christus hebben te kunnen geloven dat zij van eeuwigheid tot eeuwigheid is! Geen gebeurtenissen in de tijd — geen stormen van zonde of Satan — kunnen die eeuwige liefde ooit veranderen of wijzigen. Zij blijft nu en zal in alle eeuwigheid dezelfde blijven!
De liefde van Christus tot Zijn volk is eeuwig, onveranderlijk en onwrikbaar. En waarom? Omdat Hij liefheeft als God. Dit eeuwige, onveranderlijke karakter van de liefde van Christus geeft ons iets om op te staan, los van onze wisselende gevoelens — onze wankelende gemoedsstemmingen — en de veranderingen die voortdurend plaatsvinden in onze gedachten, harten en levens. De liefde van Christus tot ons is niet veranderlijk en wisselvallig zoals de onze tot Hem. Zij blijft eeuwig bestaan, zoals Hij Zelf. Jezus heeft hen die Hem door de Vader gegeven zijn in de raadsbesluiten van de eeuwigheid vrij, volkomen en onveranderlijk lief. Zij zijn Hem voorgesteld als Zijn toekomstige gemalin en bruid.
De liefde van Christus tot Zijn bruid was liefde op het eerste gezicht! Toen zij Hem door de Vader werd voorgesteld om Zijn gemalin te zijn werd Hij verliefd op haar zodra Hij Zijn uitverkoren bruid aanschouwde. Want Hij zag haar niet verzonken en gevallen maar in al haar schoonheid. Hij zag haar bekleed met de volheid van die heerlijkheid waarin zij eens zal stralen wanneer zij met Hem aanzit aan het bruiloftsmaal van het Lam!
Niets kan de liefde van Christus uitdoven of vernietigen! Zij zal zegevieren over zonde, dood en hel — ja, over elke belemmering en elk obstakel — totdat zij de eindoverwinning behaalt. In de gloed van de volle volmaaktheid en het volle genot zal zij de hemel vervullen met haar eeuwige heerlijkheid!
Zij zijn slechts mestkevers!
Welker einde is het verderf, welker God is de buik, en welker heerlijkheid is in hun schande, dewelken aardse dingen bedenken (Filippenzen 3:19)
Paulus snijdt hier duizenden naamchristenen af als hen dewelken aardse dingen bedenken. Dit betekent dat zij geen smaak, geen eetlust en geen behagen hebben in goddelijke dingen en geen genegenheden die op de dingen boven zijn gericht. Hun gedachten zijn op aardse dingen gericht. Zij zijn slechts mestkevers — voortdurend tastend en kruipend naar geld en gewin!
Naar hun verschillende behoeften
En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade (Johannes 1:16)
Jezus schenkt Zijn volk voortdurend Zijn genade naar hun verschillende behoeften. Genade voor elke last die wij moeten dragen — genade voor elke beproeving die wij moeten doorstaan — genade voor elke verdrukking die wij moeten lijden — genade voor elke plicht die wij moeten vervullen — genade om ons door het leven te dragen — genade om bij ons te zijn in de dood zelf en ons er veilig doorheen te dragen!
Wanneer de Heere Zijn juwelen samenstelt
Als onbekenden, en nochtans bekend (2 Korinthe 6:9)
Gods volk wordt evenals Gods dienaren in deze wereld weinig gekend en nog minder geacht. Het is Gods bedoeling en een deel van Zijn oneindige wijsheid dat het zo is. De Heere kweekt erfgenamen op van een uitnemend en eeuwig gewicht van heerlijkheid. Hij bereidt hen voor op die woningen van heiligheid en zaligheid die Hij voor hen heeft bereid vóór de grondlegging van de wereld. Maar zolang zij hier beneden zijn, verkeren zij in een staat van onbekendheid.
Wij kunnen hen vergelijken met een grote, kostbare diamant die op dit moment wordt geslepen en gepolijst in een of ander afgelegen binnenplaatsje van de stad. Bijna niemand weet van zijn bestaan of waarde dan zijn eigenaar en de juwelier die hem geduldig in vorm slijpt. Maar op een dag kan hij de kroon van een vorst sieren! Zo zijn Gods diamanten verborgen voor de ogen van de mensen terwijl God ze slijpt en polijst door beproevingen en verzoekingen, lijden en verdrukkingen. Maar wanneer de Heere Zijn juwelen samenstelt zullen zij voor altijd stralen in Zijn kroon!
God heeft voor het grootste deel de armen van deze wereld uitgekozen om rijk te zijn in het geloof. Niet veel mensen die bekend zijn in de annalen van geleerdheid, macht of rang — niet vele edelen, niet vele rijken, niet vele machtigen — heeft Hij door Zijn genade geroepen tot de kennis van Zichzelf. Het volk van de Heere bezit zelden rijkdom, positie, eigendom of wereldse onderscheiding. Zij zijn voor het grootste deel arm en veracht, zoals hun Heere en Meester vóór hen. En naar zulke mensen vraagt de wereld niet en zij let ook niet op hen.
zij zullen, zegt de HEERE der heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal, Mij een eigendom zijn (Maleachi 3:17)
Gever en Onderhouder
De Heilige Geest is niet alleen de Gever maar ook de Onderhouder van al het leven in de ziel.
Aanstootgevend voor de wereld?
Niets is aanstootgevender voor de wereld dan levende godzaligheid!
Een monster in de gemeente van God!
Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood (1 Johannes 3:14)
Wat zou een christen zijn zonder liefde? Een monster inderdaad! Soms horen wij van monsters in de natuur — van een lam dat met twee koppen, zes poten of twee harten geboren is. Zo zou ook een belijdend christen zonder enige liefde voor het volk van God een monster zijn in de gemeente van God. De genade kent vele pijnlijke en langdurige geboorten. Maar het hemelse Jeruzalem, dat de moeder van ons allen is, heeft nog nooit een monster voortgebracht uit haar vruchtbare schoot.
de vrucht des Geestes is liefde (Galaten 5:22)
Doof en stom?
Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt (Johannes 8:47)
Sommigen worden, zoals dat heet, doof en stom geboren. Zij zijn niet werkelijk spraakloos, hoewel men dat zegt, want al hun spraakorganen zijn even volmaakt als de onze. Maar zij kunnen ze niet gebruiken om verstaanbare taal te vormen, omdat er nooit enig geluid tot hun gemoed is doorgedrongen. En wat zij nooit gehoord hebben kunnen zij niet nabootsen.
Ook in de godsdienstige wereld hebben wij onze doven en stommen. Zij kunnen de taal van Kanaän niet spreken, want zij hebben haar nooit in hun hart horen spreken. En ook hebben wij hen die eens doof waren en nu horen — en dat door de kracht van een almachtig ‘Word geopend!’
Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij (Johannes 10:27)
Veranderd naar Zijn gelijkenis
ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen (1 Petrus 2:21)
Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft (1 Johannes 2:6)
Het beeld van Jezus wordt weerspiegeld in de harten van Zijn volk. Een echte christen is zachtmoedig, nederig, teder, gebroken en verbrijzeld. Hij heeft een hart van geloof, hoop en liefde en wandelt in de vreze Gods. Hij wil Gods wil kennen en doen, is onderworpen in het lijden en geestelijk gezind, en siert de leer door een godzalig leven. Maar de ‘louter belijder van godsdienst’ leeft in strijd met de gezindheid en het beeld van Christus. Hij is trots, halsstarrig, werelds en hebzuchtig. Hij is opschepperig en aanmatigend en vol zelfverheffing en eigenwaan. Hij is luchtig, onbenullig, vleselijk en aards gezind.
De soevereiniteit van God
En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij? (Daniël 4:35)
Het oordeel van God in Zijn Woord is dat Hij Soeverein is. Gods soevereiniteit, zoals die in alle zaken groot en klein wordt uitgeoefend, is voor het volk van God vaak moeilijk — vooral wanneer zij hen persoonlijk raakt. Wanneer zij afgoden uit hun boezem wegneemt, hun plannen verdort, hun vooruitzichten doet verwelken en hun verwachtingen teleurstelt. Wanneer zij voor hen staat als een berg van koper en een poort van ijzer waar zij niet overheen en niet doorheen kunnen.
De woestijn
Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken (Hosea 2:13)
De kinderen van God zouden niet vrijwillig de woestijn ingaan. Het is een te kale plaats voor hen om te betreden, tenzij zij op bijzondere wijze door de genade van God gelokt en door de kracht van God geleid worden. Meestal weten zij ook niet waarheen de Heere hen brengt. Zij volgen Zijn trekken en worden geleid door Zijn lokken. Zij luisteren naar Zijn overredende stem en vertrouwen op Hem als op een onfeilbare Gids. Maar zij kennen de ‘plaats van kaalheid’ niet waarheen Hij hen brengt — dit verbergt de Heere gewoonlijk voor hun ogen.
Hij lokt en zij volgen. Maar Hij vertelt hun niet wat Hij met hen gaat doen of waar Hij hen heen wil brengen. Hij verbergt Zijn genadige bedoelingen om ze later duidelijker aan het licht te brengen.
Kijk naar de plaats waar Hij Zijn volk brengt: de woestijn. Dit is een beeld en zinnebeeld dat de Heilige Geest veel gebruikt en dat ons veel diepe en nuttige lering geeft. De woestijn is een afgelegen, eenzame plek, ver, ver van steden en dorpen en andere drukke verblijfplaatsen van mensen. Het is een verre en vaak troosteloze woonplaats waar geen indringend oog is dat de stappen van de zwerver gadeslaat en geen luisterend oor dat zijn zuchten en kreten hoort.
Wanneer de Heere Zijn heilige kracht op het hart laat werken om Zijn volk de woestijn in te lokken, brengt Hij hen op een plek waar zij in eenzaamheid en stilte van iedereen behalve van Hem gescheiden zijn. De ‘woestijn’ nemen wij als zinnebeeld van alleen zijn met God — uit de wereld komen — weg van de zonde en de wereldse gezelschappen — uit alles wat vleselijk, zinnelijk en aards is — en gebracht worden op die plechtige plek waar geheime, heilige en eenzame omgang met God plaatsvindt!
Slechts een enorme kluit stof
Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof (Jesaja 40:15)
Alles op aarde is, bezien door de ogen van de Majesteit van de hemel, waardeloos en armzalig. De aarde is tenslotte slechts een enorme kluit stof! En als zodanig is zij in de ogen van haar Maker even onbeduidend als een druppel in de emmer of stof op de weegschaal. Wat zijn dan alle hoogste doelen, verhevenste streven, grootste bezigheden en edelste werkzaamheden van de aarde in de ogen van Hem Die in de eeuwigheid woont? Zij zijn slechts laag en waardeloos.
Nee, zelfs in onze ogen is er één overweging die het stempel van ijdelheid op dit alles drukt. Alle bezigheden van de aarde — welke hoge dingen de mensen in dit leven ook bereiken, of het nu rijkdom, rang, geleerdheid, macht of genot is — eindigen allemaal in de dood. De adem van Gods misnoegen werpt alles wat rijk en machtig, hoog en trots is spoedig neer in het graf. Want de Heere, de Almachtige, zal de hoogmoedigen straffen en hen tot in het stof neerhalen!
Het krachtige werk van de genade in het hart, waardoor de uitverkoren vaten van barmhartigheid verlost worden uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van Gods dierbare Zoon, roept hen uit die lage, kruipende bezigheden — die aardse speeltjes — die gemene en zinnelijke lusten waarin de mensen van deze wereld tegelijk hun geluk en hun ondergang zoeken!
Gemeenschap met God te genieten — te voelen hoe het gemoed omhoog wordt getrokken naar hoge en hemelse dingen — het hart te hebben gespeend en losgemaakt van de armzalige, kruipende, ellendige zorgen van deze wereld — de ziel plechtig bezig te hebben met de werkelijkheden van een eeuwigheid zonder einde — te leven een leven van geloof in de Zoon van God — geestelijk gezind te zijn — dood voor de zonde en de wereld — geluk te zoeken in het kennen en doen van de wil van God — en uit te zien naar het einde van de wedloop als de gever van een kroon van heerlijkheid — zeker, er is iets in deze levende bevinding van het kind van God dat zijn ziel verheft boven dit arme, ellendige tranendal — dit ellendige toneel waar alles het stempel van kwelling en teleurstelling draagt!
Velen zijn geroepen
Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren (Mattheüs 22:14)
Er is een roeping die niet krachtdadig is — die niet zaligmakend is — die niet bewijst en bevestigt dat iemand uitverkoren is naar Gods eeuwige voornemen tot het eeuwige leven. Sterfgevallen in het gezin en lichamelijke ziekte — vooral als de ziekte gevaarlijk of ernstig is — het klimmen van de jaren en gebreken en zware slagen in de voorzienigheid. Sterke overtuigingen van het geweten en verlangens om zich te bekeren en tot de Heere te keren. Vrees voor dood en hel en het zitten onder het geluid van de waarheid. De raad en het voorbeeld van godvrezende ouders. De schrikken van de Heere in een verbroken wet en de uitnodigingen van barmhartigheid in een gepredikt evangelie. Dit alles zijn roepstemmen waarin en waardoor de Wijsheid bij de ingang van de stad, bij de poorten van de stad, overluid roept.
Maar wij weten heel goed dat al deze ‘uitwendige roepingen’ krachteloos blijven totdat de Heilige Geest Zijn verborgen en heilige kracht op het hart laat werken!
Hij legt Zijn hand op een geheimzinnige wijze in het hart
Voordat wij Christus kunnen ontvangen moet er ruimte voor Hem gemaakt worden. Dat moet gebeuren door de kracht van Gods genade, want zonde en Satan zijn zo sterk dat niets anders ze kan overwinnen. De gewone manier waarop deze ruimte voor Christus wordt gemaakt is door snijdende overtuigingen, benauwende verzoekingen en verontrustende zichten op de majesteit en reinheid van God. Want door zulke handelingen met het geweten leren wij bevindelijk onze eigen ellendige zondigheid kennen.
De gezegende Geest werkt in en door deze overtuigingen en maakt het hart zacht en week door goddelijke invloed. Zo breekt Hij de trots en de eigengerechtigheid in stukken. Hij breekt ook het vooroordeel, de vijandschap en het verzet. Hij breekt al die hindernissen die het evangelie zo buiten hebben gesloten, de ogen zo verblind, de oren gestopt en het hart verhard tegen de stem van de waarheid. Het is nu niet meer de vraag of wij ons al dan niet tot de Heere zullen keren en de wegen van de zonde zullen verlaten. Want Hij maakt ons gewillig op de dag van Zijn kracht en legt Zijn hand op een geheimzinnige wijze in het hart.
De Heere legt door de verborgen kracht en invloed van Zijn genade Zijn hand in het hart. Door de verborgen bewegingen van Zijn Geest in en op het geweten wekt Hij niet alleen een besef op van de ondergang en ellende van de ziel. Hij wordt uitgestort als een Geest van genade en gebeden en deelt dan verlangens, ademtochten, zuchten, kreten en kermen mee. Ook geeft Hij een uitzien en smachten naar barmhartigheid, vergeving en vrede.
Op deze wijze maakt de Heere Jezus Christus Zijn volk bereid om Hem te ontvangen. Want Hij overtuigt hen niet alleen van hun ellendige toestand. Op een verborgen, geheimzinnige wijze ontdekt Hij hun van tijd tot tijd zoveel van Zijn geschiktheid, schoonheid, zaligheid, genade en heerlijkheid dat het hart bereid is Hem te ontvangen. Het hart vreest dan niets zozeer als te leven en te sterven zonder de openbaring van Zijn bloed en liefde!
Hoe nemen wij Jezus aan?
Maar zovelen Hem aangenomen hebben (Johannes 1:12)
Hoe nemen wij Jezus aan? Wij nemen Jezus aan als de eeuwige Zoon van God in al Zijn gezegende betrekkingen. Wij nemen Jezus aan als onze verzoenende Hogepriester. Wij nemen Jezus aan als onze lerende Profeet Die ons zal leiden in alle waarheid. Wij nemen Jezus aan als onze zeer genadige Vorst Die Zijn vredige scepter zal zwaaien over elk vermogen van de ziel.
Wij nemen Jezus aan als onze Heere en Koning. Wij nemen Jezus aan als onze Zaligmaker van de toekomende toorn. Wij nemen Jezus aan als onze Middelaar tussen God en mensen. Wij nemen Jezus aan als onze Bruidegom Die ons in het eeuwige verbond heeft verloofd.
Wij nemen Jezus aan als onze Broeder, geboren voor de nood. Wij nemen Jezus aan als onze Vriend Die te allen tijde liefheeft. Wij nemen Jezus aan als onze Plaatsvervanger Die onze zonden in Zijn eigen lichaam heeft gedragen. Wij nemen Jezus aan als onze Vertegenwoordiger in de hoven van de hemel. Wij nemen Jezus aan als ons heerlijke Hoofd uit Wie wij alle voorzieningen ontvangen om ons te heiligen en geschikt te maken voor het erfdeel van de heiligen in het licht.
Zonde, Satan en de wereld
Door de kracht van de zonde, de sluwheid van Satan en de sterkte van de verzoeking raken wij vaak afgetrokken van de eenvoudigheid die in Christus is.
1. Wanneer het de Heere behaagt Zich op enigerlei wijze aan de ziel te openbaren, krijgt de zonde een verlammende slag. Zij kan haar hoofd niet opheffen in de tegenwoordigheid van Jezus. Hij zet Zijn zegevierende voeten op haar nek, want Hij staat niet toe dat zij in het hart van de gelovige regeert en heerst. Dat kan zij ook niet onder de invloed van Zijn genade, volgens de belofte: de zonde zal over u niet heersen.
Maar wanneer Hij Zijn genadige tegenwoordigheid onttrekt, begint de zonde die eerst dood lag weer op te leven. Het is als de slapende slang die in de winter verstijfd is maar door de warme stralen van de lente weer tot leven komt.
Wanneer de zonde zo weer uit haar verstijfde toestand tevoorschijn komt en zich opnieuw begint te tonen in al haar verborgen kracht en verschrikkelijke invloed, raakt de ziel in erger verwarring en nood dan ooit. Want nieuwe zonde brengt nieuwe schuld. En wanneer schuld als een donkere, sombere wolk over het geweten valt, verbergt en verduistert zij alles wat God in het hart heeft gedaan. Zij begraaft de bewijzen, werpt een nevel van duisternis over de troon van de genade, sluit de toegang tot God af en vervult het hele gemoed met gebondenheid, twijfel en vrees.
2. Ook Satan, die zich een tijd lang terugtrok toen de Heere Zich wilde openbaren, begint weer zijn verborgen strikken te leggen. Soms blaast hij het hart op met trots. Soms fluistert hij heimelijk in hoe goed en gezegend de bevinding is waarmee de ziel is begunstigd, zodat zij zich verheft met ijdel vertrouwen en aanmatiging, zichzelf verhoogt en anderen veracht. Soms spant hij een verborgen valstrik voor de voeten waarin hij haar verstrikt in een gemene zonde of waardoor hij haar in één keer neerhaalt door een plotselinge misstap of val.
Lukt hem dat niet, dan misleidt hij soms het gemoed met een dwaling. Of hij werkt op ons verstand in of wekt ongelovige gedachten op of fluistert gemene ingevingen in. Hij laat ons ook weleens denken dat alles wat de ziel heeft geproefd, aangeraakt en gevoeld slechts waan en misleiding was en dat wij schuldig zijn aan huichelarij als wij spreken over iets wat God volgens ons voor ons heeft gedaan.
3. De wereld, die weinig invloed leek te hebben toen de ziel onder het gezegende onderwijs van de Heere stond, begint opnieuw met hernieuwde kracht te werken. De wereldse geest die in de boezem van elke gelovige bestaat is gemakkelijk te ontvlammen, want zonde en Satan zijn altijd bij de hand om brandbaar materiaal op te stapelen en het in brand te steken. Onder deze ellendige invloed neemt een hele troep wereldse gedachten en verlangens opnieuw bezit van het gemoed.
Naarmate deze hun vroegere kracht herwinnen, sluiten zij de vereniging en gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid buiten.
Die gedachten en verlangens brengen innerlijke duisternis, doodsheid, koude, hardheid, dorheid en een algemene afstomping van het gemoed voort. Al deze droevige kwaden geven de machten van de hel veel aanmoediging om hun aanvallen te vernieuwen en dat vaak met te veel succes. Op deze en verschillende andere manieren wordt de ziel afgetrokken van de eenvoudigheid die in Christus is. Zij wordt beroofd van haar genietingen, haar geestelijke gezindheid en haar hemelse genegenheden. Zo is zij niet langer in staat met God te wandelen in de zoete gemeenschap waarmee zij begunstigd was toen Christus dierbaar voor de ziel was gemaakt.
Het moeilijkste ding ter wereld!
Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Mattheüs 11:28)
Voordat wij op de juiste wijze tot Jezus kunnen komen moeten wij door de Heilige Geest geleerd worden onze behoefte aan Hem te voelen. Dit lijkt misschien heel eenvoudig en dat is het ook in leer en theorie — maar niet in bevinding. Want tot Jezus komen is het moeilijkste ding ter wereld!
Niemand komt werkelijk tot Hem voordat hij elke andere toevlucht en elke andere hoop op zaligheid heeft beproefd. Hij komt pas wanneer hij uit huis en haard is verdreven en een verstotene is geworden die op het punt staat te vergaan. John Newton zegt terecht: ‘Weinigen, zo er al enigen zijn, komen tot Jezus totdat zij tot wanhoop aan zichzelf gebracht zijn.’
Het eerste goddelijke werk van de Heilige Geest aan de ziel is vooral ons onze behoefte aan Jezus te doen voelen. Onze overtuigingen, onze benauwende gewaarwordingen van schuld, schaamte en droefheid, onze twijfels en vrezen, onze beproevingen en verzoekingen en onze verschillende verdrukkingen — uit welke bron zij ook komen en van welke aard zij ook zijn — zijn allemaal middelen in de hand van de Geest om ons dicht bij Jezus te brengen!
Het waren niet de spijkers en niet de speer
Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout (1 Petrus 2:24)
In zekere zin zijn wij allen moordenaars van Jezus. Het waren niet de spijkers en niet de speer die de Zoon van God doodden. Onze zonden — dat waren de spijkers! Onze ongerechtigheid — dat was de Romeinse speer!
De Godheid leed, bloedde en stierf!
Want gij zijt duur gekocht (1 Korinthe 6:20)
Het kan zijn dat sommigen van u zichzelf op verschillende tijden hebben gezien en gevoeld als de smerigste, vuilste, zwartste en meest besmette ellendelingen die God op Zijn aarde laat kruipen. Want hoewel uw leven vrij mag zijn geweest van uitwendige vlekken en u ertoe gebracht bent te wandelen in de vreze Gods, heeft het inschijnen van goddelijk onderwijs u de diepten van uw gevallen natuur ontdekt. U voelde dat uw schuld niet te betalen was, uw misdaden te groot waren, uw zonden te zwart en uw ongerechtigheid te vuil.
Miljoenen zonden van miljoenen zondaren zijn weggedaan, uitgewist, doorgehaald, verwijderd, achter Gods rug geworpen en verdronken in de diepten van de zee. Dat gebeurde toen dat dierbare bloed van de handen, de voeten en de zijde van Jezus viel op Golgotha’s wrede boom. De Godheid leed, bloedde en stierf! Jezus stond als het ware tussen de toorn van God en Zijn volk. Het was alsof Hij daardoor zei: ‘Laat de wet al haar vloeken op Mij uitstorten. Hier is Mijn hoofd — laat de bliksem vallen. Ik ontbloot Mijn voorhoofd. Laat de toorn van God over Mij komen — opdat Mijn schapen vrij uitgaan!’
Wij zullen de verlossende liefde, het verzoenende bloed, de rechtvaardigmakende gerechtigheid en de gave van de Zoon van God nooit naar waarde schatten totdat wij bevindelijk de slavernij van de zonde hebben gekend en als arme gevangenen hebben gekreund onder de heerschappij van Satan. Voordat het ijzer onze ziel is binnengedrongen, voordat de boeien onze voeten en de ketens onze polsen hebben stukgeschuurd en wij naar God kunnen opzien en wijzen op onze bloedende wonden die door zonde, Satan en de wet zijn toegebracht — kunnen wij nooit waarlijk onze behoefte aan de verlossing voelen of die werkelijk waarderen die door de lijdende Zoon van God is volbracht.
Maar o, wat een gezegende verandering is het wanneer de eerste straal van barmhartigheid de ziel binnenbreekt en de arme gevangene verkwikt die jarenlang heeft gekreund. Hij zat opgesloten in onze kerkercellen, half uitgehongerd, bedekt met vuil en weerzinwekkend van het ongedierte — het ongedierte van de zonde. Maar o, het daglicht door de gevangenisdeuren te zien binnenbreken en van boven geluiden te horen van vergeving, vrede en zalige bevrijding — is dat niet genoeg om het hart van de arme gevangene van vreugde te doen springen?
Als u een verlamd kind had
HEERE! Gij doorgrondt en kent mij (Psalm 139:1)
Wij kunnen onszelf bedriegen en wij kunnen elkaar bedriegen. Maar er is Eén Die wij niet kunnen bedriegen — een God Die het hart doorgrondt. De Heere Zelf schrijft deze waarheid met Zijn eigen vinger in elk wedergeboren hart. Hij leert elke ziel in wie Zijn machtige hand werkt twee lessen: 1. Dat Hij niet bedrogen kan worden. 2. Dat men Hem niet bespotten mag. Dit onderwijs van boven maakt een mens oprecht voor God.
Want als hij niet oprecht is, wat is hij dan of wat is iemand in een belijdenis van godsdienst? Niets! Niets, zei ik? Hij is erger dan niets — want onoprecht zijn voor God is huichelarij toevoegen aan onze andere zonden.
Het is de Majesteit van de hemel beledigen. Het is, als het mogelijk was, een dubbele molensteen om onze hals binden om ons in de diepten van de hel te laten zinken. God, de alziende, alwetende Jehova, doorzoekt de harten. Hij doorzoekt ze naar het goede evenzeer als naar het kwade — want beide liggen even naakt voor Zijn doordringend oog. Er is geen kwade gedachte, geen wellustige begeerte, geen hebzuchtige wens en geen goddeloze verbeelding in ons gemoed gevormd die niet openligt voor de ogen van onze hartendoorzoekende God!
Net als de struisvogel kunt u uw kop in het zand steken en denken dat u niet gezien wordt — maar uw hele lichaam staat bloot aan de boog van de onfeilbare schutter. God ziet dus al het kwaad dat in ons is — en wel mag die gedachte ons bedekken met schaamte en verlegenheid! U zou uw naaste en dierbaarste vriend niet kunnen vertellen wat dagelijks en elk uur in de diepten van uw vleselijke gezindheid gebeurt — maar alles ligt open voor God!
Dit moet u waakzaam en biddend maken omdat u leeft onder het oog van een alwetend Wezen Dat elke gedachte leest, elk woord hoort en elke daad bespiedt. Dit moet u bevreesd maken om te beledigen en verlangend om de Majesteit van de hemel te behagen.
Maar Hij Die het hart doorzoekt, doorzoekt niet alleen naar het kwade maar ook naar het goede. Hij is vol mededogen, barmhartigheid, liefde en waarheid. Voor Zijn kinderen is Hij geen strenge Rechter of harde Meester. Hij is een goedertieren, liefhebbende Vader en Vriend. Een ouder kijkt met een zeer tedere blik naar de onvermijdelijke zwakheden van zijn kinderen en handelt daarnaar. Zo doet ook de grote Hartendoorzoeker met Zijn geestelijke gezin. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.
Als u een verlamd kind had, zou u het dan hardhandig neerduwen omdat het niet met vaste en krachtige tred kon lopen? Of als het met enig lichamelijk of geestelijk gebrek was getroffen — zou juist dat gebrek het dan niet des te meer aanbevelen aan uw tederste genegenheid en bezorgde zorg? Hoe u het naar uw beste vermogen zou beschermen tegen de ruwheid en onvriendelijke behandeling van anderen! U zou het nauwelijks uit het oog kunnen verliezen uit vrees dat het enig letsel oploopt. Zo ziet onze hemelse Vader met medelijden en mededogen neer op de zwakheden van Zijn kinderen. Hij beziet hun leed met ogen van heilig medelijden!
Waar gebed
Waar gebed is de innerlijke ademtocht van het hart naar God. Er is vaak meer diepte, kracht en overwinning in de innerlijke zucht en kreet van een gebroken hart en een verslagen geest dan in de uitdrukking van de lippen!
Een verzegeld boek
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden (Lukas 24:45)
Duizenden lezen de Schriften en voor hen is de Schrift een verzegeld boek. Wij moeten de Heere smeken de heilige bladzijde te verlichten en een goddelijk licht te laten schijnen over de Schriften en daarna in ons hart. Dan zullen wij de Schriften verstaan door dezelfde inspiratie waaronder dat heilige Woord geschreven is. Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
Het oog van God
HEERE! Gij doorgrondt en kent mij (Psalm 139:1)
Mensen letten over het algemeen niet op ‘hartzonden’. Als zij zich kunnen onthouden van zonden in het leven — van openlijke daden van onzedelijkheid — zijn zij tevreden. Wat er in de binnenkamers vol beeldwerk omgaat zien noch voelen zij. Zo is het niet met het kind van de genade. Hij draagt de verborgen overtuiging met zich mee dat het oog van God elke gedachte leest. Hij voelt innerlijk dat het heilige oog van God elke innerlijke beweging leest — van trots, eigengerechtigheid, opstandigheid, ontevredenheid, gemelijkheid, mopperen, wellust en baldadigheid. Dat oog merkt alles op en haat en verfoeit alles.
Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg (Psalm 139:23-24)
Een ruwe, oneffen en doornige weg
dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods (Handelingen 14:22)
De weg naar de hemel is een weg van beproeving, verzoeking en verdrukking. Het is geen gladde en gemakkelijke weg maar een ruwe, oneffen en doornige weg. Gebeurtenissen in de voorzienigheid en beproevingen in de genade komen voortdurend op om ons die les te leren. Verdriet in het gezin, lichamelijke ziekte, pijnlijke sterfgevallen, verlies van bezittingen en een uiterst ruw en oneffen pad in allerlei uitwendige omstandigheden zijn gewoonlijk het deel van Gods gezin. En bij dit ruwe pad van buitenaf komen er gewoonlijk vele pijnlijke beproevingen van binnenuit bij.
Jezus zei Zijn volk dat zij door de wereld gehaat en veracht zouden worden en een pad van droefheid zouden moeten bewandelen. Toch ontdekken zij dat al deze dingen medewerken tot hun geestelijk goed. Geen van deze beproevingen en verdrukkingen scheidt hen van de liefde van God of kan dat doen. Zij ontdekken ook dat deze droevige dingen alle in de juiste maat en gewicht zijn afgewogen — alle door soevereine wijsheid zijn bestemd — alle door eeuwige liefde zijn getimed!
Als ik iets geleerd heb
want zonder Mij kunt gij niets doen (Johannes 15:5)
Ik ben meer dan dertig jaar predikant geweest — en toch voel ik mij nu zwakker dan ooit. Ik ben louter zwakheid! Hoewel ik honderden, ik zou bijna zeggen duizenden preken heb gehouden, heb ik geen kracht om enig deel van Gods waarheid met uitspraak, vrijheid, leven of gevoel open te leggen. Ik sta vanmorgen voor u zoals ik voor God sta — geheel afhankelijk van Zijn kracht die in mijn zwakheid wordt volbracht.
Als ik iets geleerd heb dan is het mijn zondigheid en zwakheid. En ik weet en voel dat als ik iets ben — iets heb — iets doe — iets spreek — iets schrijf wat geestelijk is en aanvaardbaar voor de gemeente van God — het moet zijn door de werking en invloed van de gezegende Geest op mijn hart!
Naarmate wij dus onze zwakheid leren kennen beginnen wij onze kracht te leren kennen. Wanhopend aan alle kracht in onszelf zien wij op naar de Heere Jezus Christus. Alleen wanneer wij zo kracht ontvangen uit Zijn volheid worden wij sterk — om te geloven — te hopen — lief te hebben — te strijden tegen onze aanklevende zonden — en het vlees met zijn driften en begeerten te kruisigen!
Kijk hoe de zonde uw ziel heeft verwoest
Kijk hoe de zonde uw ziel heeft verwoest — hoe zij u onder de toorn van God heeft gebracht. Zie hoe u in de zonde verstrikt bent geraakt. Kijk naar de lange lijst van misdaden die u hebt begaan — zo niet in daad dan wel in woord of gedachte — sinds u in de schoot van uw moeder lag.
Denk alleen maar aan de zonden van één enkele dag — wat een vleselijkheid — wat een ongeloof — wat een trots — wat een hebzucht — wat een zelfzucht! Maar ik hoef de lijst niet door te lopen. Ik zou niet kunnen opstaan om haar voor te lezen en u zou niet kunnen blijven zitten om haar te horen — artikel voor artikel de inhoud van die lange donkere rol.
Het menselijk hart is een te diepe afgrond van zonde om open en bloot te worden gelegd! Het is als het openbare riool — het is het best afgedekt met een overwelving. Er is stank genoeg bij de opening zonder door te dringen tot de hele lengte van zijn afschuwelijke inhoud!
Een wortel verborgen in de grond
Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken (1 Timotheüs 6:10)
De geldzucht verblindt het gemoed wanneer zij ook maar enigszins buitensporig is. Zij verhardt en verdooft het geweten in vreselijke mate. Sommige zonden, zoals dronkenschap, oneerlijkheid of onzedelijkheid, dragen hun eigen veroordeling zo bij zich dat zij hun verschrikkelijke zondigheid niet goed kunnen verbergen — noch voor de schuldige zelf noch voor de wereld om hem heen. Maar hebzucht is een zonde van zo subtiele aard en zo onmerkbare groei dat een mens er ver in kan zijn zonder dat zijn eigen geweten wordt gealarmeerd. Zij roept ook niet veel opmerkingen of afkeuring op van belijders of goddelozen.
Een wortel is verborgen in de grond. Daarom trekt de geldzucht niet veel aandacht totdat de stengel dik en hoog wordt en bloemen en vruchten toont. Juist dit maakt haar des te bedrieglijker en gevaarlijker. Hebt u ooit een hebzuchtig mens gekend die zijn eigen hebzucht kon zien? Of hebt u ooit iemand gekend die ervan overtuigd werd, haar beleed en haar verliet? Nee! Zij gaan erin voort en naarmate zij ouder worden, worden zij er meer in verhard en bevestigd. Want anders dan andere zonden is hebzucht de bijzondere en groeiende kleefzonde van de toenemende leeftijd.
Ziet toe en wacht u van de gierigheid (Lukas 12:15)
De geschiedenis van het Oude Testament
De geschiedenis van het Oude Testament is bijna niets anders dan een verslag van de weerspannigheid van de mens en van de goedheid en barmhartigheid van God. Vanaf de dag dat de Heere de kinderen van Israël uit Egypte leidde tot het slot van de canon van het Oude Testament is hun geschiedenis niets dan één ononderbroken reeks van weerspannigheid en opstand. En al Gods handelingen met hen waren van begin tot eind slechts herhaalde voorbeelden van Zijn onvergelijkelijke lankmoedigheid, rijke verdraagzaamheid en onuitsprekelijke goedheid jegens hen.
Maar hoewel de Heere zo Zijn goedheid en barmhartigheid jegens hen toonde, moeten wij altijd bedenken dat Hij hun zonden haatte en terecht door hun ongerechtigheden werd getergd. Daarom wekte Hij van tijd tot tijd profeten op om tegen hun zonden te getuigen en Zijn ongenoegen tegen hen aan te kondigen. En niet alleen dat — Hij zond tuchtiging na tuchtiging en verkocht hen telkens weer in gevangenschap om hen tot berouw te brengen over hun ongehoorzaamheid.
“My God, My God, why have You forsaken Me?” — Mark 15:34
It was not the nails driven through His hands and feet—it was not the crown of thorns placed upon His brow—it was not the stripes which mangled His back—it was not the languor and faintness under which He suffered—that caused the Lord to die. It was not the mere bodily agony of the cross—it was not the mere pain, though most acute and severe, of the nails driven through His sacred hands and feet. It was not the being stretched upon the cross six hours, that constituted the chief part of the Redeemer’s suffering.
But it was the almost intolerable load of imputed sin—the imputed sins of millions—it was the tremendous pouring of the wrath of God into His holy soul—it was the hiding of His Father’s face, and the very pangs of hell that there caught hold of Him! Our suffering Savior drank the cup of the wrath of God to the very dregs—when our vile, dreadful, and horrible sins were laid upon Him! “Yet it pleased the Lord to bruise Him; He has put Him to grief: when You shall make His soul an offering for sin.” Isaiah 53:10
Satan’s tether!
“You have put all things in subjection under His feet.” Hebrews 2:8
See the sovereign supremacy of Jesus! All temptations are also put under Jesus’ feet. How sweet to see and feel this! Your path may at present be a path of great temptation—snares of the most dangerous and most deceitful kind may be laid for your feet in various directions—Satan may be allowed to assault your soul with all his infernal arts and weapons. You may have a sad conflict with the vile lusts of your depraved nature, and feel that you have as many sins alive in your heart as there are hairs upon your head!
But are not these things put in subjection under His feet? Would it be true that God has put all things under His feet if temptations were omitted? Can Satan tempt you a single point beyond the Lord’s permission? How was it with Job, when Satan was allowed to tempt him? Did not God fix the exact length of Satan’s tether when He said, “Touch not his life?” Satan was allowed to destroy all his property—to sweep off all his children at a stroke—to smite him with sore boils from the sole of his foot unto his crown. But he could not touch his life, either natural or spiritual, or drive him to blaspheme God, though he so far prevailed as to make him curse the day of his birth. “Here you may come, but no further,” the Lord virtually said to Satan, “and here shall your proud waves be stayed.” So with you. Whatever temptations you may have to endure, they can never touch your life—for that is hidden with Christ—safely lodged in the heart and hands of Him who reigns supreme in power and glory!
Love at first sight!
“I have loved you with an everlasting love: therefore with lovingkindness have I drawn you.” Jeremiah 31:3
There is no beginning to the love of Christ, for it existed when He existed—which was from eternity. Neither is there any end to that love. His love then, is as eternal as Himself. O what a mercy it is for those who have any gracious, experimental knowledge of the love of Christ, to believe it is from everlasting to everlasting—that no incidents of time—no storms of sin or Satan—can ever change or alter that eternal love—but that it remains now and will remain the same to all eternity! The love of Christ to His people is eternal, unchanging, unchangeable. And why? Because He loves as God.
This eternal, unchanging character of the love of Christ gives us something to stand upon—apart from our fluctuating feelings—our wavering frames—and the changes that ever take place in our thoughts, hearts and lives. The love of Christ to us is not changing and changeable like ours to Him—but like Himself abides forever. Jesus freely, fully, and unchangeably loves those who were given to Him by the Father in the councils of eternity—and presented to Him as His future spouse and bride.
Christ’s love to His bride was love at first sight! For when she was presented to Him by the Father that she might be His spouse—as soon as He beheld His chosen bride He fell in love with her—for He saw her not sunk and fallen—but in all her beauty as clothed in the fullness of that glory in which she will one day shine forth—when she sits down with Him at the marriage supper of the Lamb!
Nothing can quench or destroy the love of Christ! It will prevail over sin, death, and hell—yes, over every impediment and obstacle—until it achieves the final victory, and in all the blaze of full perfection and fruition—fill heaven with its eternal glory!
They are mere muckworms!
“Whose end is destruction, whose God is their belly, and whose glory is in their shame, who think about earthly things.” Philippians 3:19
Paul here cuts off thousands of nominal Christians, as those “who mind earthly things.” This means that they have no taste, no appetite or relish for divine things—no affections fixed on things above. Their mind is on earthly things. They are mere muckworms—ever groping and groveling after money and gain!
According to their various needs
“From His fullness we all received grace upon grace.” John 1:16
Jesus is ever bestowing His grace to His people according to their various needs—grace for every burden we may have to carry—grace for every trial we may have to endure—grace for every affliction we may have to suffer—grace for every duty we may have to perform—grace to carry us through life—grace to be with us in, and carry us safely through, death itself!
When the Lord makes up His jewels
“As unknown, and yet well known.” 2 Corinthians 6:9
God’s people, as well as God’s servants, are little known, and less esteemed in this world. It is God’s purpose and a part of His infinite wisdom that it should be so. The Lord is training up heirs of an exceeding and eternal weight of glory, and preparing them for those mansions of holiness and bliss which He has prepared for them before the foundation of the world.
But while they are here below, they are in a state of obscurity. We may compare them to a large and valuable diamond, which is now undergoing the operations of cutting and polishing in some obscure court in the city, no one scarcely knowing of its existence or value, but its owner and the jeweler who is patiently cutting it into shape. But one day it may adorn a monarch’s crown! So while God is cutting and polishing His diamonds by trials and temptations—sufferings and afflictions—they are hidden from the eyes of men. But when the Lord makes up His jewels, they will shine forth forever in His crown!
God has chosen the poor of this world, for the most part, to be rich in faith. Not many notable in the annals of learning, power, or rank—not many noble, not many rich, not many mighty, has He called by His grace to a knowledge of Himself. The Lord’s people rarely possess any wealth, station, property, or worldly distinction. They are for the most part poor and despised, as their Lord and Master was before them—and such the world cares neither to know, nor notice. “They will be mine,” says the Lord Almighty, “in the day when I make up My jewels!” Malachi 3:17
Giver & Maintainer
The Holy Spirit is not only the Giver, but the Maintainer of all life in the soul.
Offensive to the world?
Nothing is more offensive to the world than vital godliness!
A monster in the church of God!
“We know that we have passed out of death into life, because we love the brothers. He who doesn’t love his brother remains in death.” 1 John 3:14
What would a Christian be without love? A monster indeed! We hear sometimes of monsters in nature—of a lamb born with two heads, or six legs, or two hearts. So a professing Christian, without any love to the people of God, would be a monster in the Church of God! Grace has many painful, many lingering births; but the heavenly Jerusalem, which is the mother of us all, never brought forth a monster from her teeming womb. “The fruit of the Spirit is love.” Galatians 5:22
Deaf & dumb?
“He who is of God hears the words of God. For this cause you don’t hear, because you are not of God.” John 8:47
Some are born, as it is called, deaf and dumb. They are not really speechless, though called so, for all their vocal organs are as perfect as ours. But they cannot use them so as to form intelligible language, for no sound has ever reached their mind—and what they have never heard they cannot imitate.
We have our deaf and dumb in the religious world as well. They cannot speak the language of Canaan, for they have never heard it spoken into their heart. And we also have those once deaf who now hear—and that by the power of an Almighty “Be opened!” “My sheep hear my voice, and I know them, and they follow me.” John 10:27
Transformed into His likeness
“Leaving us an example, that you should follow His steps.” 1 Peter 2:21
“He who says he remains in Him ought himself also to walk as He walked.” 1 John 2:6
The image of Jesus is reflected in the hearts of His people. A real Christian is one who is meek, humble, tender, broken, contrite—with a heart of faith, hope, and love—walking in the fear of God, desirous to know His will and do it—submissive under affliction—spiritually-minded—and adorning the doctrine by a godly life. But the ‘mere professor of religion’ lives contrary to the mind and the image of Christ. He is proud, obstinate, worldly, covetous, boasting, presumptuous—full of self-exaltation and self-conceit—light, trifling, carnal, earthly-minded.
The sovereignty of God
“All the peoples of the earth are regarded as nothing. He does as He pleases with the powers of heaven and the peoples of the earth. No one can hold back His hand or say to Him: ‘What have You done?’” Daniel 4:35
The verdict of God in His word is that He is Sovereign. The sovereignty of God, as exercised in all matters great or small, is often a hard thing for the people of God, especially when it touches them close. When it—takes away idols out of their bosom—blights their schemes—withers their prospects—disappoints their hopes—and stands before them as a mountain of brass and a gate of iron, which they can neither pass over nor pass through.
The wilderness
“Therefore, behold, I will allure her, and bring her into the wilderness, and speak tenderly to her.” Hosea 2:14
The children of God would not voluntarily go into the wilderness—it is a place too barren for them to enter, except as allured in a special manner by the grace of God—and led by the power of God. Nor do they for the most part know where the Lord is taking them. They follow His drawings—they are led by His allurings—they listen to His persuading voice, trusting to Him as to an unerring Guide. But they do not know the ‘place of barrenness’ into which He is bringing them—this the Lord usually conceals from their eyes. He allures and they follow—but He does not tell them what He is going to do with them, or where He intends to take them. He hides His gracious purposes, that He may afterwards bring them more clearly to light.
Look at the place where He brings His people—the wilderness. This is a type and figure much used by the Holy Spirit, and conveys to us much deep and profitable instruction. The wilderness is an isolated, solitary spot, far, far away from cities, and towns, and other busy haunts of men—a remote and often dreary abode, where there is no intruding eye to mark the wanderer’s steps, where there is no listening ear to hear his sighs and cries. The Lord, when He puts forth His sacred power upon the heart, to allure His people into the wilderness, brings them into a spot where in solitude and silence they may be separated from every one but Himself. The ‘wilderness,’ we take as an emblem of being alone with God—coming out of the world—away from sin and worldly company—out of everything carnal, sensual, and earthly—and being brought into that solemn spot where there are secret, sacred, and solitary dealings with God!
Only a huge clod of dust
“Surely the nations are like a drop in a bucket; they are regarded as dust on the scales; He weighs the islands as though they were fine dust.” Isaiah 40:15
Everything upon earth, as viewed by the eyes of the Majesty of heaven—is worthless and paltry. Earth is after all, only a huge clod of dust! And as such, as insignificant in the eyes of its Maker as a drop in the bucket, or dust on the scales. What, then, are all earth’s—highest objects—loftiest aims—grandest pursuits—noblest employments—in the sight of Him who inhabits eternity—but base and worthless?
No, even in our eyes there is one consideration that stamps vanity upon them all. That all earth’s pursuits, whatever high attainments men may reach in this life, be it of wealth, rank, learning, power, or pleasure—they all end in death! The breath of God’s displeasure soon lays low in the grave all that is rich and mighty, high and proud—for the Lord Almighty will punish the proud, bringing them down to the dust!
The effectual work of grace on the heart whereby the chosen vessels of mercy are delivered from the power of darkness and translated into the kingdom of God’s dear Son, calls them out of—those low, groveling pursuits—those earthly toys—those base and sensual lusts, in which the people of this world seek at once their happiness and their ruin!
To enjoy fellowship with God—to feel the mind drawn up to high and heavenly things—to have the heart weaned and separated from the poor, groveling, miserable cares of this world—to have the soul solemnly engaged with the realities of a never-ending eternity—to live a life of faith in the Son of God—to be spiritually-minded—to be dead to sin and the world—to seek happiness in knowing the will of God and doing it—and to be looking forward to the end of the race as giving a crown of glory—surely there is something in this vital experience of the child of God, which elevates his soul beyond this poor, wretched valley of tears—this miserable scene where everything is stamped with vexation and disappointment!
Many are called
“Many are called, but few are chosen.” Matthew 22:14
There is a calling which is not effectual—which is not saving—which does not prove and evidence the reality of a person’s being chosen according to God’s eternal purpose unto eternal life. Family bereavements—bodily sickness, especially if the illness be dangerous or severe—advancing age and infirmities—heavy strokes in providence—strong convictions of conscience—desires to repent and turn to the Lord—fears of death and hell—sitting under the sound of truth—the counsel and example of godly parents—the terrors of the Lord in a broken Law—and the invitations of mercy in a preached Gospel—all these are so many calls wherein and whereby Wisdom, at the entrance to the city, at the city gates, cries aloud. But we well know that all these ‘external calls’ are ineffectual until the Holy Spirit puts forth His secret and sacred power upon the heart!
He puts His hand in a mysterious way into the heart
Before we can receive Christ, there must be room made for Him, and this must be done by the power of God’s grace—for sin and Satan are so strong that nothing else can overcome them. The usual way by which this room is made for Christ is by cutting convictions, distressing temptations, and alarming views of the majesty and purity of God—for it is by such dealings upon the conscience that we come experimentally to learn our own miserable sinfulness. The Blessed Spirit working in and by these convictions, and softening and melting the heart by a divine influence, thus breaks to pieces the pride, self-righteousness, prejudice, enmity, opposition—and all those obstacles that have so shut out the gospel—so blinded the eyes—stopped the ears—and hardened the heart against the voice of truth. It is not now whether we will turn to the Lord or not, and leave the ways of sin or not; for He makes us willing in the day of His power, and puts His hand in a mysterious way into the heart.
The Lord, by the secret power and influence of His grace, puts His hand into the heart—and by the secret movements of His Spirit in and upon the conscience—raises up not only a sense of the soul’s ruin and misery, but, being poured out as a Spirit of grace and of supplication—communicates desires, breathings, sighs, cries and groans, lookings and longings for mercy, pardon, and peace. It is in this way that the Lord Jesus Christ makes His people willing to receive him—for He not only convinces them of their miserable state—but in a secret, mysterious way discovers, from time to time, so much of His suitability, beauty, blessedness, grace, and glory—as to make the heart willing to entertain Him, and to dread nothing so much as to live and die without the manifestation of His blood and love!
How do we receive Jesus?
“But as many as received Him.” John 1:12
How do we receive Jesus? We receive Jesus as the eternal Son of God in all His blessed relationships. We receive Jesus as our atoning High Priest. We receive Jesus as our teaching Prophet, that He may lead us into all truth. We receive Jesus as our most gracious Sovereign, who is to sway His peaceful scepter over every faculty of the soul. We receive Jesus as our Lord and King. We receive Jesus as our Savior from the wrath to come. We receive Jesus as our Mediator between God and man. We receive Jesus as our Husband who has espoused us in eternal covenant ties. We receive Jesus as our Brother born for adversity. We receive Jesus as our Friend who loves at all times. We receive Jesus as our Substitute who has borne our sins in His own body. We receive Jesus as our Representative in the courts of heaven. We receive Jesus as our glorious Head, out of whom we receive all supplies to sanctify us, and make us fit for the inheritance of the saints in light.
Sin, Satan & the world
We often, through the power of sin—the subtlety of Satan—and the strength of temptation—get drawn aside from the simplicity that is in Christ.
1. When the Lord is pleased in any manner to manifest Himself to the soul, sin receives a paralyzing blow—it cannot lift up its head in the presence of Jesus. He puts His victorious feet upon its neck, for He will not allow it to reign and rule in the believer’s heart. Nor indeed can it do so when under the influence of His grace, according to the promise—“Sin shall not have dominion over you.” But when He withdraws His gracious presence, sin that before lay dead, begins to revive. It is like the sleeping serpent—torpid in the winter, but revived by the warm beams of spring. So when sin once more comes forth out of its torpid state, and begins again to manifest itself in all its secret power and all its dreadful influence—the soul gets into worse confusion and trouble than ever—for fresh sin brings fresh guilt, and when guilt falls as a dark and gloomy cloud over the conscience, it hides and obscures all that God has done in the heart; it buries evidences, casts a mist of darkness over the throne of grace, shuts out access to God, and fills the whole mind with bondage, doubt, and fear.
2. Satan, too, who, when the Lord was pleased to manifest Himself, withdrew for a time—begins again to lay his secret snares—sometimes puffing up the heart with pride—sometimes secretly insinuating what a good and blessed experience the soul has been favored with, so as to lift it up with vain confidence and presumption, exalting itself and despising others—sometimes spreading a hidden trap for the feet, whereby he entangles it in some vile sin, or thrusts it down at once by some sudden slip or fall. If he does not succeed in this way, he will sometimes beguile the mind with some error—or work upon our reasoning powers—or raise up infidel thoughts—or whisper vile suggestions—or insinuate that all the soul has tasted, handled, and felt, was but delusion and deception—and that we have been guilty of hypocrisy in speaking of anything which we thought God had done for us.
3. The world, which seemed to have little influence when the soul was under the blessed teaching of the Lord, begins again to work with renewed power. The worldly spirit which exists in every believer’s bosom is easily inflamed—for sin and Satan are ever at hand to pile up combustible material and set it on fire. Under this wretched influence a whole troop of worldly thoughts and desires begin again to take possession of the mind—and as these regain their former strength—they shut out union and communion with the Lord of life and glory—and produce inward darkness, deadness, coldness, hardness, barrenness, and a general stupor of mind—all which sad evils give great encouragement to the powers of hell to renew their attacks, and often with too much success.
By these and various other ways, the soul is drawn aside from the simplicity that is in Christ, and stripped of its enjoyments, its spirituality of mind, and its heavenly affections—and is thus no longer able to walk with God in the sweet fellowship which it had been favored with when Christ was made precious to the soul.
The hardest thing in the world!
“Come to Me, all you who labor and are heavily burdened, and I will give you rest.” Matthew 11:28
Before we can come rightly to Jesus, we must be taught by the Holy Spirit to feel our need of Him. This may seem very simple, and indeed is so in doctrine and theory—but not so in experience—for to come to Jesus is the hardest thing in the world! No one really comes to Him until he has tried every other refuge, every other hope of salvation—until he has been driven out of house and home, made an outcast and ready to perish. John Newton justly says, “Few, if any, come to Jesus, until reduced to self-despair.”
The first divine work upon the soul by the Holy Spirit, is chiefly to make us feel our need of Jesus. Our convictions—our distressing sensations of guilt, shame, and sorrow—our doubts and fears—our trials and temptations—our varied afflictions, from whatever source they come or of whatever nature they be, are all so many means in the hand of the Spirit to bring us near unto Jesus!
It was not the nails nor the spear
“Who His own self bore our sins in His own body on the tree.” 1 Peter 2:24
In a sense we are all murderers of Jesus. It was not the nails nor the spear that killed the Son of God. Our sins—these were the nails! Our iniquity—this was the Roman spear!
Deity suffered, bled & died!
“For you were bought with a price.” 1 Corinthians 6:20
It may be that some of you have seen and felt yourselves at various times, to be some of the foulest, filthiest, blackest, most polluted wretches that God allows to crawl upon His earth—for though your lives may have been free from outward spot, and you are made to walk in the fear of God—yet the shining in of divine teaching has discovered to you the depths of your fallen nature. You felt that—your debt was unpayable—your crimes were too great—your sins were too black—your iniquity was too foul.
Millions of sins of millions of sinners were all put away, blotted out, cancelled, removed, cast behind God’s back, and drowned in the depths of the sea—as that precious blood fell from the hands and feet and side of Jesus upon Calvary’s cruel tree! Deity suffered, bled and died! Jesus stood, as it were, between the wrath of God and His people—and it was as if by so doing He said, “Let the law discharge all its curses upon Me. Here is My head—let the lightning fall. I bare My brow. Let the wrath of God come upon Me—that My sheep may go free!”
We shall never properly value redeeming love, atoning blood, justifying righteousness, and the gift of the Son of God until we have known experimentally the slavery of sin—and groaned as poor captives under the dominion of Satan. Until the iron has entered our very soul—until the fetters have galled our feet and the manacles our wrists, and we can look up to God and point to our bleeding wounds as inflicted by sin, Satan, and the law—we can never truly feel our need of, or really value—the redemption that has been accomplished by the suffering Son of God.
But O, what a blessed change it is when the first ray of mercy breaks in upon the soul, and cheers the poor captive, who has been groaning for years, shut up in our dungeon cells, half starved, covered with filth and loathsome with vermin—the vermin of sin. But O to have the light of day breaking in through the prison doors, and to hear sounds from above of pardon and peace and blessed liberation—is not this enough to make the poor prisoner’s heart leap for joy within him?
If you had a crippled child
“O Lord, You have searched me, and known me.” Psalm 139:1
We may deceive ourselves, and we may deceive one another. But there is one whom we cannot deceive—a heart-searching God. The Lord Himself writes this truth with His own finger upon every regenerate heart. He teaches two lessons to every soul in whom His powerful hand works— 1. That He cannot be deceived. 2. That He must not be mocked.
This teaching from above makes a man sincere before God. For if not sincere, what is he, or what is any man in a profession of religion? Nothing! Nothing, did I say? He is worse than nothing—because to be insincere before God is to add hypocrisy to our other sins—is to insult the Majesty of heaven—is to tie, if it were possible, a double millstone round our neck to sink us in the depths of hell. God, the all-seeing, the omniscient Jehovah, searches the hearts, and He searches them for good as well as for evil—for both lie equally naked before His penetrating eye. There is not—an evil thought—a licentious desire—a covetous wish—or an ungodly imagination framed in our mind—that does not lie open before the eyes of our heart-searching God!
Like the ostrich, you may bury your head in the sand, and think yourself unseen—but your whole body stands exposed to the bow of the unerring archer. God sees, then, all the evil which is in us—and well may that thought cover us with shame and confusion of face! You could not tell your nearest, dearest friend what daily and hourly takes place in the depths of your carnal mind—but all is open before God! This should make you watchful and prayerful, as living under the eye of an omniscient Being who reads every thought—hears every word—and spies out every action. This should make you fearful to offend, and desirous to please the Majesty of heaven.
But He who searches the heart searches not only for evil—but also for good. He is full of compassion, mercy, love, and truth. To His children, He is not a rigorous Judge, or a hard Master. But He is a kind, affectionate Father, and Friend. And as a parent looks with very tender eye upon the unavoidable infirmities of his children, and deals with them accordingly—so does the great Searcher of hearts in the case of His spiritual family. For He knows our frame. He remembers that we are dust. If you had a crippled child, would you harshly push him down, because he could not walk with a firm and vigorous step? Or if he were afflicted with any bodily or mental infirmity—would not that very affliction commend him all the more to your tenderest affection, and anxious care? How you would shield him to the utmost of your power from the rudeness and unkind treatment of others, and could scarcely bear him out of your sight, lest he meet with any injury. So our heavenly Father looks down with pity and compassion upon the infirmities of His children. He regards their woes with eyes of holy pity!
True prayer
True prayer is the inward breathing of the heart after God. There is often more depth, power, and prevalence in the inward sigh and groan of a broken heart and a contrite spirit—than in the vocal expression of the lips!
A sealed book
“Then He opened their minds, that they might understand the Scriptures.” Luke 24:45
Thousands read the Scriptures to whom it is a sealed book. We must beg the Lord to illuminate the sacred page, to cast a divine light upon the Scriptures, and thence into our heart. And then we shall understand the Scriptures by the same inspiration under which that holy word was written. “Open my eyes, that I may see wondrous things out of Your law.”
The eye of God
“O Lord, You have searched me, and known me.” Psalm 139:1
Men in general take no notice of ‘heart sins.’ If they can keep from sins in life—from open acts of immorality—they are satisfied. What passes in the chambers of imagery they neither see nor feel. Not so with the child of grace. He carries about with him the secret conviction that the eye of God reads every thought. Every inward movement of pride, self-righteousness, rebellion, discontent, peevishness, fretfulness, lust, and wantonness—he inwardly feels that the holy eye of God—reads all—marks all—hates and abhors all. “Search me, O God, and know my heart: try me, and know my thoughts: And see if there be any wicked way in me, and lead me in the everlasting way.” Psalm 139:23, 24
A rough, rugged & thorny road
“Through many afflictions we must enter into the kingdom of God.” Acts 14:22
The way to heaven is a way of trial, temptation, and tribulation. It is not a smooth and easy—but a rough, rugged, and thorny road. Events in providence, and trials in grace are continually springing up to teach us that lesson. Family afflictions—illness of body—painful bereavements—losses in property—and a path extremely rough and rugged in a variety of outward circumstances—are usually allotted to God’s family. And to this rough path from without, there are generally added many painful trials from within. Jesus told His people that they would be hated and despised by the world—and would have to walk in a path of sorrow. Yet they find that all these things work together for their spiritual good—that none of these trials and afflictions do or can separate them from the love of God. They also discover that these sorrowful things are—all weighed out in due weight and measure—all appointed by sovereign wisdom—all timed by eternal love!
If I have learned anything
“Without Me you can do nothing.” John 15:5
I have been a preacher more than thirty years—and yet I feel now weaker than ever. I am all weakness! Though I have preached hundreds, I might almost say thousands, of sermons, I have no power to open up any part of God’s truth with utterance, liberty, life, or feeling. I stand before you this morning as I stand before God—depending wholly upon His strength made perfect in my weakness. If I have learned anything—it is my sinfulness and weakness. And I know and feel that if I am anything—have anything—do anything—speak anything—write anything spiritual and acceptable to the church of God—it must be by the operation and influence of the Blessed Spirit upon my heart!
As, then, we learn our weakness—we begin to learn our strength. Despairing of all strength in self—we look to the Lord Jesus Christ. It is only as we thus receive strength out of His fullness that we are made strong—to believe—to hope—to love—to fight against our besetting sins—to crucify the flesh with its affections and lusts!
Look how sin has ruined your soul
Look how sin has ruined your soul—how it has brought you under the wrath of God. See how you have been entangled in sin. Look at the long catalogue of crimes which you have committed—if not in deed, in word or thought—since you lay in your mother’s lap. Think only of the sins of a single day—what carnality—what unbelief—what pride—what covetousness—what selfishness! But I need not go through the catalogue. I could not stand up to read, nor could you sit to hear, article by article, the contents of that long dark scroll. The human heart is too deep an abyss of sin to be laid bare to open view! It is like the common sewer—it is best covered up by a culvert. There is stench enough at the mouth, without penetrating through the whole length of its hideous contents!
A root is hidden in the ground
“For the love of money is a root of all kinds of evil. Some have been led astray from the faith in their greed, and have pierced themselves through with many sorrows.” 1 Timothy 6:10
The love of money, when at all inordinate, blinds the mind, and hardens and deadens the conscience to a fearful degree. Some sins, as, for instance, drunkenness, dishonesty or immorality—so carry with them their own condemnation—that they cannot well disguise their dreadful sinfulness—either from the guilty criminal himself or from the world around him. But covetousness is a sin of so subtle a nature—and so imperceptible a growth—that a man may be very far gone into it without his own conscience being alarmed—or its drawing down much observation or censure from professor or profane.
A root is hidden in the ground—and therefore the love of money does not attract much attention until the stem gets stout and tall—and shows flowers and fruit. This very circumstance, therefore, makes it all the more deceptive and dangerous. Did you ever know a covetous man who could see his own covetousness? Or did you ever know one to be convinced of it, to confess it, and forsake it? No! They go on in it, and the older they get the more are they hardened and confirmed in it. For, unlike other sins, covetousness is the special and growing besetting sin of advancing years. “Beware! Keep yourselves from covetousness.” Luke 12:15
The history of the Old Testament
The history of the Old Testament is little else but a record of the perverseness of man—and of the goodness and mercy of God. From the day that the Lord brought the children of Israel out of Egypt to the close of the canon of the Old Testament—their history is but one unmingled series of perverseness and rebellion. And all God’s dealings with them from first to last were but repeated instances of His unparalleled patience—rich forbearance—and unspeakable goodness towards them.
But though the Lord thus displayed His goodness and mercy towards them, we must ever bear in mind that He hated their sins, and was justly provoked by their iniquities. He, therefore, from time to time, raised up prophets to testify against their sins, and to denounce His displeasure against them. And not only so, but He sent chastisement after chastisement, and sold them again and again into captivity, in order to bring them to repentance for their disobedience.