Om enige gemeenschap met de Heere te genieten moeten wij uitgaan uit een wereld die vijandig tegenover Hem staat. Wij moeten ook uitgaan uit onszelf. Want het zelf verloochenen en afzweren en eruit uitgaan ligt aan de grondslag van de levende godsvrucht.
De zoete geestelijke gezindheid
Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede (Romeinen 8:6).
Zonder deze geestelijke gezindheid is de godsdienst slechts een naam — een leeg masker — een waan — een strik. In dezelfde mate als ons hart en onze genegenheden op hemelse dingen gericht zijn zullen wij een zoete hemelgeur op onze geest voelen rusten.
De bereiding voor de hemel bestaat grotendeels in die zoete geestelijke gezindheid waardoor hemelse dingen ons enige geluk worden. Wij voelen er een innerlijke verrukking in die het hart verruimt — het gemoed veredelt — de geest verzacht — en de hele ziel als het ware optilt in een heilige dampkring waarin zij baadt als in haar uitverkoren element!
Een verborgen maar heilige kracht
Overal waar Jezus in genade en bevindelijk aan de ziel wordt geopenbaard en bekend wordt gemaakt door een zoete openbaring van Zijn heerlijke Persoon — Zijn verzoenend bloed en Zijn volbrachte werk — gaat een verborgen maar heilige kracht uit. Daardoor worden wij tot Hem getrokken en stroomt elke genade van de Geest naar Hem toe als naar haar aantrekkelijke middelpunt.
Vriendelijke vijanden
Zullen wij twisten met deze twijfels en vrezen — deze verzoekingen en beproevingen — deze aanvallen van Satan — deze opwellingen van het innerlijk bederf — terwijl zij in Gods barmhartigheid en voorzienigheid zulke gezegende helpers zijn? Drijven zij ons naar de genadetroon? Worden wij door hen uit leugenachtige toevluchten gebracht? Wordt door hen alle valse hoop van ons afgestroopt? Maken zij ons eerlijk en oprecht voor God? Keren wij ons door hen af van alle menselijke hulp om geheel en alleen tot de Heere te komen? Zullen wij dan twisten met deze dingen?
Zij zijn, als ik het zo mag zeggen, zulke vriendelijke vijanden. Zij zijn van vloeken in zegeningen veranderd. In Gods besturende voorzienigheid werken zij op zo geheimzinnige wijze mee ten goede. Zullen wij God niet liever zegenen voor elke beproeving die ons tot Zijn voetbank brengt? Voor elke verzoeking die onze eigen gerechtigheid heeft weggestroopt? Voor elke slag die ons van de wereld heeft afgesneden? Voor elke smart die de dingen van tijd en zinnen heeft verbitterd? Voor alles wat ons dichter bij Hemzelf heeft gebracht — hoe pijnlijk voor het vlees ook — en ons meer liefde tot Hem en meer verlangen naar Hem heeft doen voelen?
Als wij Gods barmhartigheden optellen moeten wij er zeker ook de dingen onder rekenen die pijnlijk zijn voor het vlees — dingen waarin wij eens alleen ellende konden zien. Ja bij het optellen van het rijke totaal moeten wij in de lijst opnemen: elke steek van schuld — elke slag van overtuiging — elke folterende twijfel — elke pijnlijke vrees — elke verborgen verzoeking — alles wat ons het meest heeft beroerd.
En konden wij aan een van Gods barmhartigheden een nog voornamere plaats geven dan zouden wij de eerste plaats geven aan de diepste beproeving. Wij zouden zeggen: „Van alle barmhartigheden zijn onze moeiten — beproevingen — oefeningen en verzoekingen de grootste geweest. Wij zien nu dat zij ons gezegend hebben losgesneden van de vleselijke godsdienst en van die waanbeelden die onze ondergang zouden zijn geweest als wij erin waren gebleven. Deze beproevingen hebben ons uiteindelijk gebracht in een zoetere en bijzondere gemeenschap met God Zelf!”
Een vleselijke godsdienst
Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn (Johannes 1:13).
Het vlees kan zich nog zo hoog verheffen maar nooit boven zichzelf uitstijgen. Het begint in huichelarij — gaat voort in huichelarij — en kan nooit anders eindigen dan in huichelarij. In welke gedaanten het zich ook vertoont — een vleselijke godsdienst kan nooit boven zichzelf uitkomen.
Er is geen gebrokenheid van hart — geen verslagenheid van geest — geen godzalige droefheid — geen echte nederigheid — geen levend geloof — geen geestelijke hoop — geen hemelse liefde die door de Heilige Geest in het hart is uitgestort — bij hen die geboren zijn uit den wil des vleses.
Geen vernederende gedachten over zichzelf — geen tedere gevoelens van eerbied tegenover God — geen kinderlijke vrees voor Zijn grote Naam — geen smelting van het hart — geen verzachting van de geest — geen afgestorvenheid aan de wereld — geen zoete gemeenschap met de Heere van het leven en de heerlijkheid — heeft ooit in hun borst gewoond!
Het vlees met al zijn werkingen en al zijn sluwe bedrog en huichelarij is nooit zo diep gezonken dat het zichzelf verfoeide en godzalig treurde. En het is nooit zo hoog gestegen dat het gemeenschap met God had. De diepte van het eerste is te diep en de hoogte van het tweede te hoog voor ieder die niet uit God geboren is.
Deze geboorte uit de wil van het vlees laat een mens waar zij hem vond — dood in zonde — zonder vreze Gods — en volkomen onwetend van die goddelijke onderwijzing die alleen zijn ziel kan redden van de eeuwige toorn.
Dolverliefd op zijn eigen gerechtigheid
Een reden waarom mensen Christus niet aannemen is hun eigengerechtigheid. Zolang de eigengerechtigheid in het hart van een mens niet enigszins is gebroken kan hij nooit enige schoonheid of lieflijkheid zien in een bloedende Jezus. Hij is dolverliefd op zijn eigen gerechtigheid. Hij ziet haar niet in het licht van Gods aangezicht als een wegwerpelijk kleed. Daarom heeft hij geen ogen om te zien — geen oren om te horen — geen hart om dat heerlijke kleed van de gerechtigheid te ontvangen dat de Zoon van God heeft gewrocht en dat wordt toegerekend aan allen die in Zijn Naam geloven.
Dit werk van genade
En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Efeze 2:1).
Zolang God door Zijn Geest de ziel niet levend maakt tot geestelijk leven moet er een vastbesloten verwerping van Christus zijn. Hoe een mens Hem ook in zijn verstand mag aannemen — de innerlijke neiging van zijn hart en de verborgen taal van zijn ziel is: „Niet Dezen, maar Bar-abbas!” Zijn er dan mensen die wel in Hem geloven — Hem aannemen — Hem liefhebben en een gezegende vereniging met Hem hebben — dan komt dat alles voort uit de levendmakende Geest van God die met kracht in hun ziel werkt.
Overal waar de levendmakende kracht van Gods Geest over iemands geweten is gegaan wordt hij onfeilbaar gebracht om zichzelf als zondaar te zien en te voelen. Dit innerlijke zien van zichzelf snijdt hem vroeg of laat af van alle eigengerechtigheid — alle valse toevluchten — en alle ijdel vertrouwen waarmee hij zijn ziel zou willen schragen. De Heere zal al Zijn volk overtuigen van hun verloren staat voor Hem. Hij werpt hen als geruïneerde ellendigen in het stof — zonder hoop — kracht — wijsheid — hulp of gerechtigheid — behalve wat hun als een vrije gave door soevereine genade wordt geschonken.
Dit werk van genade in het geweten haalt alle valse toevluchten van een mens omver — berooft hem van elke leugenachtige hoop — en drukt hem neer in zelfvernedering en zelfverfoeiing. Het is onmisbaar voor een ware aanneming van Christus. Wat een mens ook in zijn hoofd geleerd heeft — en hoever hij ook in zijn oordeel onderricht is — hij zal Christus nooit geestelijk in zijn hart en genegenheden ontvangen voordat hij door Gods hand in zijn ziel is gebroken tot een geruïneerde ellendeling.
Is een mens werkelijk daar gebracht dan behaagt het de Heere meestal om voor zijn verbaasde blik een zaligmakende kennis van de Heere van het leven en de heerlijkheid te ontsluiten en in zijn ziel te brengen. Hij werpt een licht in het gemoed en brengt een kracht in het hart. Daardoor wordt de heerlijke Persoon van Christus — Zijn verzoenend bloed — Zijn stervende liefde — Zijn volbrachte werk en rechtvaardigmakende gerechtigheid — met geestelijke ogen aanschouwd — met geestelijke handen aangeraakt — en ontvangen in een geestelijk en gelovig hart.
Een verborgen — zachte — stille uitgang van liefde en genegenheid
Er zal van tijd tot tijd in behouden zielen een uitstromen van genegenheid tot Jezus zijn. Van tijd tot tijd geeft Hij de ziel een glimp van Zijn Persoon. Hij vertoont Zich, zoals de Schrift zegt, blinkende uit de tralien. Misschien gaat Hij haastig voorbij — maar Hij laat zulk een vluchtige glimp zien van de schoonheid van Zijn Persoon en de voortreffelijkheid van Zijn volbrachte werk — Zijn stervende liefde en verzoenend bloed — dat het hart verrukt wordt en de genegenheden van de ziel stilletjes worden aangetrokken. Zo ontstaat een hard najagen van Hem en een uitgaan van het verlangen van de ziel naar Hem.
Zo behaagt het de Heere soms stilletjes in het hart te werken. Dan is er een wegsmelten aan de voeten van Jezus — of een verborgen — zachte — stille uitgang van liefde en genegenheid tot Hem. Daardoor verkiest de ziel Hem boven duizenden van goud of zilver en begeert zij niets zozeer als de innerlijke openbaringen van Zijn liefde — genade en bloed.
En zo neemt een ziel Christus aan — niet alleen gedreven door nood — maar ook getrokken door genegenheid. Zij neemt Christus niet alleen aan als een uitweg uit de komende toorn — alleen als iets dat een ziel redt van het onuitblusbare vuur en de worm die niet sterft. Nee — vermengd met de nood — zoet en krachtig ermee verbonden — en innig en onlosmakelijk ermee werkend — is er het uitstromen van echte genegenheid en oprechte liefde. Die gaat uit naar Hem als het enige voorwerp dat werkelijk onze hartsgenegenheid — onze geestelijke aanbidding — en ons zielsverlangen waard is.
Dit is iets heel anders dan Christus alleen in ons verstand of op leerstellige wijze in ons begrip aannemen. Zaligmakend geloof is Hem ontvangen in de diepten van een gebroken hart — als de enige Zaligmaker voor onze schuldige ziel — als onze enige hoop voor de eeuwigheid — als de enige Heere van onze hartsaanbidding — en het enige voorwerp van onze zuivere liefde. Zo is er in het verborgen — wanneer geen oog ziet dan het oog van God en alleen het oor van Jehova het hijgen van ons smekende hart hoort — het uitademen van de geest naar het genieten van Zijn liefde — genade en bloed.
Wat ziet dat er mooi uit!
De man uit de fabel vond een dode adder — althans dood naar de schijn door de kou. Wat ziet dat er mooi uit! Hij stopt hem in zijn boezem en warmt hem op — dan komt hij weer tot leven en bijt hem! Zo gaat het met een mens die speelt met zijn begeerlijkheden en eraan toegeeft. Zijn vleselijk hart gaat ernaar uit — totdat zij ten slotte als de verstijfde adder in een levende slang veranderen en hem steken!
De spin en de vlieg
Zie de spin die op een vlieg loert. Het arme vliegje is net aan de rand van het web gevangen — de spin ligt in zijn hol. Zodra hij het web ziet trillen rent hij naar beneden — wikkelt de draden om zijn slachtoffer — doodt het — zuigt het karkas leeg — en laat het liggen. Zo kan de duivel worden vergeleken met de spin die in zijn web werkt. Hij wacht en loert — in werkelijkheid om een kind van God het bloed en zelfs de beenderen uit te zuigen en het in de hel te werpen. En zo zou hij doen als er geen bewarende genade was.
Groei in genade
Niemand die het Woord van God met verlichte ogen leest kan ontkennen dat daarin een leer van groei in genade vervat is. Het begrip leven zelf houdt immers vooruitgang in — groei — voortgang — toename. Lammeren groeien op tot schapen — wijnknoppen tot wijnranken — zonen tot vaders. Het grote kenmerk van levende dingen is dat zij groeien. En daarom betekent het ontbreken van groei het ontbreken van leven.
Huichelaars kunnen weliswaar groeien in huichelarij — farizeeën in eigengerechtigheid — Arminianen in vleselijke prestaties — dode calvinisten in hoofdkennis — hoogmoedige belijders in aanmatiging — zelfbedriegers in waan — en de onbeproefden in ijdel vertrouwen. Maar de doden groeien nooit in het goddelijke leven want de wortel der zaak is niet in hen.
Een verdoemelijk ding
Zonde is een verdoemelijk ding — en ieder van Gods volk wordt er toe gebracht — is er toe gebracht — of zal er nog toe gebracht worden dit zo te voelen. Hoe meer zij van de zonde zien — van de zonde kennen — van de zonde voelen — des te verdoemelijker zal de zonde in hun ogen verschijnen. Met des te groter gewicht en kracht zal haar vreselijke schuld en vuilheid op hun geweten drukken.
Er zijn betrekkelijk weinigen die een helder inzicht of een diep gevoel hebben van wat de zonde werkelijk is. De reden is meestal dat zij zo’n geringe — oppervlakkige — vluchtige kennis hebben van wie en wat God is. Maar laat hen eenmaal door het oog des geloofs de reinheid van God zien. Laat hen eenmaal een openbaring van Zijn gerechtigheid en heiligheid — majesteit en grootheid in hun ziel ontvangen. En laat hen een overeenkomstig zicht en gevoel hebben van de diepe en wanhopige toestand waarin zij verkeren als gevallen kinderen van een gevallen vader.
Dan zullen zij niet langer oppervlakkige gevoelens hebben over de aard en het kwaad van de zonde. Dan zullen zij haar afschuwelijke en verdoemelijke karakter zo zien en voelen dat zij met Jesaja in de tempel uitroepen: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien (Jesaja 6:5).
O wat een werk maakt de zonde dan in het geweten wanneer zij door de Geest van God wordt ontsloten! Hoe oppervlakkig of vluchtig onze beschouwingen van de zonde eerder ook geweest zijn — pas wanneer haar wanhopige en kwaadaardige karakter door de Heilige Geest wordt geopend wordt zij werkelijk gezien — gevoeld — bedroefd beleden — en bejammerd als een zeer schrikwekkende en vreselijke werkelijkheid.
Het is dit zwaard van de Geest dat snijdt en verwondt. Het is deze intrede van leven en licht die het geweten openrijt. Het is dit goddelijke werk dat het hart verscheurt en die diepe wonden toebrengt die niets dan de balsem in Gilead kan genezen.
Maar de stem komt spoedig
Er zijn vele tijden waarin het lijkt alsof deze tegenwoordige wereld ons kan bevredigen — wanneer wij onze aardse paradijzen opbouwen en als het ware rust en gemak zoeken hier beneden. Maar de stem komt spoedig: „Maakt u dan op, en gaat henen; want dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is” (Micha 2:10).
Bewaar mij voor het kwade
Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: … en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde. (1 Kronieken 4:10)
Jabez was een arme beladen zondaar die zichzelf niet kon bewaren. Kon hij zichzelf bewaren dan zou dit gebed een ijdel bespotten zijn. Hij had niet uiterlijk te vallen om dit te leren. Er zijn innerlijke vallen — uitglijders van de tong — blikken van het oog — vuile begeerten — dwalende verbeeldingen — hebzuchtige plannen — hoogmoedige verlangens — afgodische lusten — verborgen terugvallen in vleselijkheid en wereldsgezindheid.
Waarlijk een zegen
Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen … (1 Kronieken 4:10)
Gespeend te zijn van afgoden — verlost van gebroken bakken — in geest en genegenheid gescheiden van de wereld — en ons hart gevestigd te hebben op de dingen die boven zijn — is waarlijk een zegen. Een eetlust te voelen naar Gods Woord — de waarheid te ontvangen in de liefde ervoor — zoete en heilige gemeenschap met Jehova te hebben — en te leven onder de plechtige zalvingen van de gezegende Geest — is waarlijk een zegen. Dat zo’n ellendeling en vuil gedrocht van ongerechtigheid een glimlach zou ontvangen van de grote en heilige Jehova lijkt een te grote zegen — maar het zou waarlijk een zegen zijn!
Wat doet hen roepen?
Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten (Psalm 107:6).
Niet ervoor — niet erna — maar erin. Toen zij er middenin waren — toen de benauwdheid om hun hoofd gewikkeld was zoals het zeegras om het hoofd van Jona was gewikkeld — toen zij erdoor omringd waren en geen uitweg zagen — toen zij als iemand in de mist voor noch achter een uitweg zagen — toen niets dan een donkere wolk van benauwdheid hun ziel omringde en zij niet wisten of die wolk ooit zou optrekken — toen riepen zij.
Maar wat doet hen roepen? Het is dit plechtige gevoel in hun hart dat zij geen andere toevlucht hebben dan God. De Heere brengt al Zijn volk daar — dat zij geen andere toevlucht hebben dan Hemzelf. Vrienden — raadgevers — bekenden — zij kunnen meeleven maar geen verlichting geven. Er is geen toevlucht — geen schuilplaats — geen haven — geen thuis waarheen zij kunnen vluchten — behalve de Heere.
Zo brengen benauwdheden ons ertoe op persoonlijke wijze met God te handelen. Zij verjagen die halfslachtige godsdienst waarvan wij er zoveel hebben. Zij verdrijven die verstandelijke bevinding en dorre belijdenis waarmee wij zo vaak tevreden zijn. Zij verjagen ze zoals een sterke noordenwind de nevels verjaagt. En zij brengen een mens op dit plechtige punt — dat hij mededelingen van God moet hebben om hem onder zijn benauwdheid te ondersteunen en eruit te brengen.
Als een mens door zijn benauwdheden niet op dit punt wordt gebracht hebben zij hem geen goed gedaan. Zij zijn geweest als de wolken die over de woestijn trokken en haar geen vruchtbaarheid en geen vrucht gaven. Zij zijn geweest als de regen die op het plaveisel valt en door de zon verdampt wordt zonder vrucht of bloem voort te brengen. Maar de benauwdheden die God in de harten van Zijn volk zendt zijn als de regen die op vruchtbare grond valt. Daardoor dragen zij vrucht en verdiept en vermeerdert elke genade van de Geest zich in hun ziel.
Het pad van de gelovige
Het pad van de gelovige is waarlijk geheimzinnig — vol harmonische tegenstrijdigheden en hemelse paradoxen. Hij is nooit gerust als hij rust heeft — en nooit zonder last als hij er geen heeft. Hij is nooit tevreden zonder iets te doen — en toch nooit tevreden met iets wat hij doet. Hij is nooit zo sterk als wanneer hij stilzit — nooit zo vruchtbaar als wanneer hij niets doet — en nooit zo bedrijvig als wanneer hij het minst haast maakt.
Hij wint vergeving door schuld — hoop door wanhoop — verlossing door verzoeking — vertroosting door verdrukking — en een kleed van gerechtigheid door vuile lompen. Hoewel een worm en geen man overwint hij de Almacht zelf door geweld. En hoewel minder dan ijdelheid en niets neemt hij de hemel zelf met geweld in.
Zo is hij te midden van de vreemde tegenstrijdigheden die in een gelovig hart samenkomen — nooit zo biddend als wanneer hij niets zegt — nooit zo wijs als wanneer hij de grootste dwaas is — nooit zo alleen als wanneer hij het meest in gezelschap is — en nooit zo onder de kracht van een innerlijke godsdienst als wanneer hij het meest gescheiden is van een uitwendige.
De last kan blijven
Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden (Psalm 55:23).
De last kan nog blijven — maar er wordt kracht gegeven om hem te dragen. De beproevingen zijn misschien niet verminderd — maar de kracht om ze te verdragen is vermeerderd. De kwaden van het hart zijn niet weggenomen — maar er wordt genade meegedeeld om ze te onderwerpen. „Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.”


