Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Bevindelijke prediking

Een bediening zonder kracht is voor de gemeente van God waardeloos. Philpot waarschuwt zowel voor dode bevindelijke prediking als voor de nieuwe opvattingen waarmee dienaren die dorheid ontvluchten, en toont het verschil tussen natuurlijk en geestelijk geloof.

Een bediening zonder kracht is nooit voordelig of aangenaam geweest voor de gemeente van God en kan dat ook nooit zijn. In welk treffend taalgebruik zegt Paulus hoe zijn eigen bediening op dit punt was en welk effect zij had in de harten van hen voor wie zij tot zegen was: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht; Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.

En ook: Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid.

Hoe zorgvuldig maakt hij hier onderscheid tussen het woord en de kracht in zijn eigen bediening! En over die van anderen oordeelt hij aan de hand van dezelfde beslissende toets: Maar ik zal haast tot u komen, zo de Heere wil, en ik zal dan verstaan, niet de woorden dergenen, die opgeblazen zijn, maar de kracht. Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht.

Dit is dus het grote kenmerkende en beslissende verschil tussen de bediening van de letter en die van de Geest. De eerste is een leeg geluid en louter lawaai van gebabbel. De tweede is een levendmakende kracht. De eerste brengt voort tot slavernij en dood. De tweede deelt genade uit aan de hoorders en werkt krachtig in hen die geloven.

Maar als iemand de kracht van God nooit in zijn eigen ziel heeft gevoeld hoe kan hij die dan aan anderen uitdelen? Leven en kracht moeten in iemands hart zijn voordat zij op zijn lippen kunnen zijn. Dauw en geur moeten er eerst zijn. Voor deze bijzondere gave en genade uit de hemel bestaat geen vervanging.

Geleerdheid, begaafdheid en welsprekendheid mogen niet worden verguisd of terzijde geschoven. Zij kunnen immers aan de dienst van het heiligdom worden gewijd.

Maar zij zijn jammerlijke vervangers van die gloeiende kool van het altaar waarmee God de lippen aanraakt van Zijn gezonden dienstknechten. Paulus, Augustinus en Luther bezaten alle drie deze gaven in hoge mate. Toch maakten zij Paulus niet tot een mindere apostel, Augustinus niet tot een minder bewonderenswaardig uitlegger en Luther niet tot een minder onverschrokken of succesvol hervormer. Maar ver boven en voorbij al deze natuurlijke gaven uit ging die goddelijke kracht die op hen rustte en hun woorden bekleedde met een hemelse invloed op de zielen van de mensen.

Als dit voor ons fundamentele beginsel niet diep in het hart van een predikant is geplant en daar voortdurend levend wordt gehouden door het onderwijs van de Geest dan zal hij tevreden zijn met louter de letter. Of als hij een tijdlang strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is dan wordt hij bijna onvermijdelijk vroeg of laat van het pad van de bevindelijke waarheid afgetrokken.

Dit is of behoort te zijn het gevoel van elke dienaar van God: ik ben niets dan door Gods maken. Ik heb niets dan door Gods geven. Ik weet niets dan door Gods onderwijzen. Ik voel niets (op de juiste wijze) dan door Gods ingeven en ik kan niets doen dan door Gods werken. Het diepe en dagelijkse besef van zijn eigen volkomen onmacht en ontoereikendheid houdt hem op bevindelijke grond. Daarbij komt een levende ervaring van de genade en kracht van Christus die in zijn zwakheid volbracht wordt.

En naarmate de gezegende Geest in hem telkens nieuwe ontdekkingen werkt van zonde en zaligheid, ellende en barmhartigheid, ondergang en herstel, hel en hemel zal hij ook uitgeven wat hem ingegeven is. Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen (en dan de goede lering).

Elke beproeving en verzoeking, elke smeltoven en vloed, elke aanval van buiten of van binnen, elk opkomend gif van de inwonende zonde en elke vurige pijl uit het geschut van de hel zullen hem alleen maar dieper in de bevindelijke waarheid doen wortelen en gronden. Zo wortelt en grondt ook elke storm de eik vaster in de bodem. En elke straal van de Zon der gerechtigheid zal hem meer en meer uit trots en eigenliefde trekken naar het licht en de lucht van de hemel. Hetzelfde doen elke druppel dauw op zijn tak en elke regenbui op zijn wortel.

Nacht en dag, winter en zomer, storm en zonneschijn, kou en hitte, de duisternis van het lage dal en de glans van de bergtop: alles werkt in genade samen, zoals in de schepping. Zij zetten Gods werk voort en versterken en laten rijpen de boom die Zijn rechterhand heeft geplant in de gemeente van God.

Zolang iemand zo genadig wordt behandeld blijft hij op bevindelijke grond. Zijn ziel wordt levend gehouden door de kracht van God en hij is zelf in de dingen waarover hij spreekt. Daarom vergezellen leven, kracht en frisheid zijn woord. Dat beveelt zich niet alleen aan bij het geweten van het gezin van God. Het wordt ook met zoetheid en geur in hun harten gedragen.

Maar laat een dienaar van de waarheid op een gladde en gemakkelijke weg terechtkomen. Laat de zonde hem niet meer kwellen, Satan hem niet meer plagen en de wereld hem niet meer haten. Laat de belijders hem niet meer belasteren en God hem niet meer zegenen. Dan wordt zijn prediking, hoewel nog op dezelfde grondslag en nog uiterlijk met dezelfde dingen bezig, door onvermijdelijke noodzaak dor en droog.

Deze armoede van geest en onvruchtbaarheid van de bediening zal hij zelf spoedig beginnen te voelen tenzij hij wonderlijk is opgeblazen door trots en eigendunk. Langzamerhand merkt hij dat zijn prediking steeds hetzelfde is. De voorraad in de tank wordt zo vaak aangesproken en niet telkens opnieuw gevoed door een opwellende bron. Daardoor zakt het peil steeds verder en wordt het water flauwer en smakelozer. Het lijkt bijna dood en verderf te kweken in hemzelf en in de hoorders.

Hier is voor hem het keerpunt: zal hij zijn hele leven voor de gemeente van God een oude nutteloze versleten regenton zijn of een stromende beek? Blijft hij zonder oefening dan zal hij spoedig weinig anders overhouden dan duigen en hoepels. Keert God Zijn hand een tweede maal en handelt Hij weer genadig met hem dan zal er opnieuw levend water vloeien.

Maar neem het eerste geval aan. Laat roede en kus, frons en glimlach, verdrukking en vertroosting, beproeving en verlossing alle even zeer wegblijven. Laat de Heere hem om Zijn eigen wijze redenen op zijn droesem laten zitten. Laat hem koud, onvruchtbaar en droog blijven in zijn ziel. Zo zal dan ook zijn bediening zijn. Die goddelijke werkelijkheden uit levende ervaring waarvan hij ooit zoetheid vond in het verkondigen en het volk in het horen zijn nu dood en levenloos voor hem geworden.

Het komt dan op dit punt neer: of hij moet steeds weer over hetzelfde terrein blijven lopen tot zijn tanden en hoeven, als bij een vastgebonden ezel, elke grasspriet hebben afgesleten, of hij moet zijn touw breken en iets nieuws zoeken. Want zijn magerheid komt op zijn gezicht te staan en zijn eigen onvruchtbaarheid laat het volk duidelijk verhongeren.

Sommige mannen zijn te blind om het te zien, te dood om het te voelen of te trots om het te belijden. Zij houden vastberaden vast aan hetzelfde terrein. Zondag na zondag klinkt hetzelfde dode droge gebed en dezelfde dode droge preek. Niet alleen wordt hetzelfde oude verhaal verteld maar bijna in dezelfde woorden en met niets nieuws dan de tekst.

Dit kan bevindelijke prediking heten en in zekere zin is het dat ook. Maar het is een prediking die de ziel arm maakt. Wij geloven stellig dat de magere en ellendige staat van veel bevindelijke gemeenten er voor een groot deel aan te wijten is dat zij gevoed worden met de afgekloven en afgeknaagde botten en de oude droge korsten van een dode versleten bevinding. Geen wonder dat zulke prediking wordt veracht en dat mensen een vooroordeel hebben tegen bevindelijke prediking wanneer dit voor bevindelijk doorgaat.

Maar dit lijkt even weinig op echte bevindelijke prediking als het manna dat wormen kweekte en stonk leek op het manna dat met de ochtenddauw viel. Het droge en beschimmelde brood van de Gibeonieten was evenmin gelijk aan het koekje dat de engel voor Elia bakte. En hun oude schoenen met lappen waren niet dezelfde als de schoenen van ijzer en koper die God aan de voeten van Zijn volk deed. (Deuteronomium 33:25)

Op dit punt worden veel vergissingen gemaakt. Er bestaat een geloofsbelijdenis van de bevinding zoals er een belijdenis van de leer bestaat. Die kan op precies dezelfde dode en droge wijze worden geleerd. Er zijn bepaalde algemeen erkende en bijna gewijde termen en een stel gangbare uitdrukkingen.

Die zijn in het verleden gebruikt door echte bevindelijke dienaren en doorgegeven als een godsdienstig herkenningswoord en een vast gereedschap van predikers. Wie deze sleutel heeft geleerd en deze wachtwoorden bezit treedt naar voren als een bevindelijk dienaar van God. Hij komt zelf meteen op de lijst van de door God gezonden gezanten van de hemel te staan of wordt er door anderen op gezet.

Maar iemand wordt geen gezant van de Koningin aan het hof van Oostenrijk omdat hij een beetje Duits spreekt. Ook wordt hij geen gezant aan het hof van Frankrijk omdat hij wat Frans kan brabbelen. Zo maakt ook een stel bevindelijke uitdrukkingen iemand niet tot een gezant van de Koning der koningen aan het hof van Sion.

Maar veel zwakke en schuchtere kinderen van God kunnen niet door de woorden heen op de zaken zien. Zij voelen een toenemende doodsheid en onvruchtbaarheid onder de bediening van zulke mannen en nemen toch alle schuld op zichzelf. Zij eerbiedigen de predikant met bijna verachtelijk bijgeloof omdat hij predikant is. Zij geloven dat zijn woorden woorden van genade moeten zijn omdat zij op een bepaalde manier worden uitgesproken. Die woorden zijn zo vertrouwd in hun oren dat zij in hun ogen een soort godsdienstige waarde hebben gekregen.

Maar woorden zijn op zijn best slechts woorden. Tenzij er meer is dan woorden maakt een dergelijke bediening, hoe zeer ook in overeenstemming met de waarheid, de ziel van de hongerigen leeg en laat zij de drank van de dorstigen ontbreken. Maar het is moeilijk om van de kansel af te komen naar hun passende plaats, de kerkbank. Zo blijven zij prediken en behouden zij de naam en de goede faam van bevindelijke predikanten. Zij zouden zeer beledigd zijn als hun werd gezegd dat zij meer een last waren dan een voordeel voor de gemeente van God. Of dat zij de slachtschapen eerder plunderden dan weidden.

Anderen zien dit kwaad. Zij zien hoe dood en droog bevindelijke prediking vaak is geworden en hoe mager en verarmd de gemeente van God erdoor wordt. Zij verlangen ernaar de enge kring te doorbreken waarin zij tot nu toe hebben gelopen. „Wij willen”, zeggen zij, „ruimere opvattingen van Gods woord. Waarom zouden wij steeds in de enge kring van twijfels en vrezen, troost en zegeningen blijven ronddraaien? Waarom steeds de kenmerken van genade nagaan en praten zoals onze arme oude predikant vroeger praatte? Waarom niet uitbreken in iets anders dan wat wij telkens opnieuw hebben gehoord tot wij moe zijn van het woord bevinding zelf?”

Zodra iemand in zo’n gemoedstoestand verkeert is hij niet meer door innerlijke beproevingen gebonden aan de bevindelijke zaken. Hij is moe en beschaamd over zijn eigen magerheid en die van anderen. Dan lijkt de letter van Gods woord een deur te openen uit deze afgesleten weide. Er komt een nieuwe opvatting van de leer of wat licht over de profetie. Of een nieuwe ontdekking, zo lijkt het, over de kerkregering of een inzicht in een gebod. Of een toegang tot de voorbeelden en voorbeeldfiguren van de mozaïsche bedeling. Het maakt niet uit wat het is. Een nieuw licht lijkt in zijn denken door te breken.

Zijn opvattingen die eens zo nauw en beperkt waren worden ruimer. Hij leest en bestudeert de Schrift en lijkt bij elke lezing meer en meer kennis te verzamelen. Ja, het licht dat naar zijn gevoel in zijn denken doorbreekt gaat gepaard met een kracht die hij al enige tijd niet meer had gevoeld. Zijn ijver wordt aangewakkerd. Zijn mond gaat open of hij grijpt naar de pen en hij kan niet anders dan lucht geven aan zijn opvattingen en gevoelens.

Die nieuwe opvatting van de leer kan een herleefde ketterij zijn of een allang weerlegde dwaling. Zijn licht over de profetie kan louter uit boeken en schrijvers geleend zijn. Of hij heeft het zelf bij elkaar gezocht door parallelle plaatsen te vergelijken zonder dat er één woord op zijn knieën is verkregen of in zijn ziel is gevallen. Zijn beginselen over kerkregering kunnen volkomen hersenschimmig en onuitvoerbaar zijn. Zijn inzicht in voorbeelden en voorbeeldfiguren kan deels gestolen en deels fantasie zijn.

Of om het in het gunstigste licht te stellen: al zijn opvattingen kunnen heel gezond zijn en overeenstemmen met de letter van de Schrift. Maar wat het ook is: het is hem niet door de kracht van God in de ziel gewerkt. Het is niet in hem ingebrand in de smeltoven. Het is niet zijn eigen geworden door het onderwijs van de gezegende Geest. Het is niet aan zijn hart geopenbaard en toegepast en zo een onderdeel van een levende bevinding geworden. Het is ook niet ontvangen in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes.

Op zijn best zijn het slechts meningen die in de hersenen zweven. Het zijn gezichtspunten voor het oog van een verstandelijke godsdienst die de Schrift afspeurt zoals een kaartenmaker of een landschapsschilder de kenmerken van een uitgestrekt gebied bekijkt. Of het is een theorie uit het woord bijeengebracht zoals een student geschiedenis feiten verzamelt uit kronieken en kranten en ze samensmeedt tot een samenhangend stelsel van politieke geschiedschrijving.

Wel, het middel is erger dan de kwaal! Op bevindelijke grond was hij tenminste veilig. Als hij weinig te zeggen had dan was dat weinige gezond. Hij kon langs de baaien en kapen varen en wist enigszins waar hij was. De reis ging niet erg ver en was slechts van haven naar haven langs de kust. Maar nu heeft hij al zijn oude bakens en bekende boeien verlaten. Hij is stoutmoedig de zee opgestoken en vaart op en neer over de letter van het woord ver, ver weg van het oude spoor.

Iemand die zo plotseling voorwaarts schiet kan zichzelf wonderbaarlijk gevorderd vinden: een reus vergeleken met zijn vroegere dwergachtige gestalte en de achtergebleven gestalten van anderen. Maar hij vergist zich hierin treurig. Letter is geen Geest. Kennis is geen genade. Licht is geen bevinding. Woord is geen kracht. Hoofd is geen hart. Parallelle plaatsen zijn geen toegepaste beloften.

Men zou denken dat iemands eigen geweten hem zou overtuigen dat al deze plotseling verworven kennis die heilige dauw en hemelse zalving mist die het onderwijs van de Geest altijd vergezellen. Dat zij te snel is om echt te zijn. Men zou denken dat een man met godvrezendheid niet zo vol vertrouwen zou voortzeilen op de letter van het woord met wijde schoot en uitgespannen zeil.

Hij zou eerder beven bij elke opkomende wolk uit vrees voor een storm die zijn schip kan doen zinken. En hij zou terugdeinzen voor de nadering van elk oorlogsschip uit vrees dat hij als een zeerover en piraat zonder vergunning ter plekke aan de ra wordt opgehangen.

Wij spreken over wat wij kennen en hebben gevoeld. Wij schrijven niet over deze dingen in het donker of van een afstand. Als ons geweten het toeliet dan konden wij met de beste van deze zeerovers meezeilen. Wij konden net zo’n hoge mast hijsen en net zo’n wijd zeil spannen. Maar wij hebben een stille raadsman in ons die ons op bevindelijke grond houdt. Dat is de enige grond waarop mens of dienaar, prediker of schrijver veilig kan blijven.

Als wij wilden konden wij met hen meezeilen over de zee van onvervulde profetie. Wij konden de historische betekenis van de Schrift verklaren en kogels en granaten afvuren op alle twijfel en vrees. Wij konden duiken in de mystieke betekenis van voorbeeld en beeldspraak, spreuk en gelijkenis. Wij konden tekst op tekst en parallelle plaats op parallelle plaats stapelen en als een kruiser van de douane over het oppervlak van de letter scheren.

Een paar minuten zouden genoeg zijn om al hun geloof en al hun vertrouwen over te nemen. Want wij kennen die mannen en hun taal maar al te goed. Maar wat zou het geweten van binnen zeggen en wat zouden wij voelen als wij in de wapenrusting van Saul voor de gemeente van God stonden? Konden wij die aankrijgen dan zouden wij haar net als David spoedig graag weer uittrekken. Dan keerden wij terug naar de wapens die wij kunnen hanteren en waarvan wij de werking hebben ervaren: de slinger en de steen en het eenvoudige herdersgewaad.

Wij kijken dus naar al deze hoop woorden en geven die de juiste waarde: nul. Een nul geeft de volle som ervan weer. Mensen mogen prediken en schrijven en hun ruimere opvattingen luister bijzetten met beroep na beroep op het geschreven woord. Tekst na tekst mag hun geschriften bezetten zoals dauwdruppels het gras. Maar als zij niet geleerd hebben wat zij prediken en schrijven in de smeltoven van de verdrukking en door het onderwijs van de Geest dan is al zulke kennis waardeloos en ijdel.

Zij mogen het denken of noemen zoals zij willen. Wij zeggen zonder aarzelen: tenzij het is geleerd op het pad van de verdrukking en door de kracht van God in hun ziel is Ichabod zijn naam en Tekel zijn waarde.

Breng dus voor ons wat u maar wilt. Tenzij het gestempeld is door de kracht van God kunnen wij vrijmoedig zeggen: dit is geen godsdienst. Dit is geen genadevolle bevinding. Dit is geen proeven en betasten van het woord des levens. Het is ook geen deel van de verborgenheid des HEEREN die is voor degenen, die Hem vrezen.

„Maar”, zeggen zij, „wij werden het bevindelijke preken zo moe.” Dat is heel goed mogelijk. „En wij zagen dat de mensen het ook moe werden.” Dat is nog waarschijnlijker: namelijk uw prediking. „En nu zijn wij vol leven.” Dat is het waarschijnlijkst van al wat uzelf betreft. Al betwijfelen wij of het volk van God onder uw nieuwe prediking even levendig is als u. Maar dit bewijst niet dat de zaak van God is. Ranters zijn levendig. Mormonen zijn levendig. Zusters van Barmhartigheid en pas ingeklooisterde nonnen zijn levendig.

Zo is nu eens de inrichting van de menselijke geest dat alle nieuwe dingen haar merkbaar raken. Daarom schokken nieuwe opvattingen in de godsdienst haar wakker uit sloomheid en dofheid. Maar dit is slechts een opwekking van de levensgeesten. Het is een uitwerking op het denken en het verstandelijk beginsel in tegenstelling tot het genadevolle en geestelijke beginsel.

„Ach, maar wij prediken met meer kracht dan eerder. Ons hart zit er meer in en wij zijn ernstiger en warmer.” Stel nu dat u tot het pausdom was bekeerd. Zou er dan niet dezelfde ernst zijn geweest? Dezelfde gerichtheid van het denken op eeuwige dingen? Dezelfde warmte en ijver en gloed? Hoogstwaarschijnlijk veel meer. Maar wij noemen dit uiterste geval om het effect te laten zien dat elke verandering van opvattingen op het denken heeft.

Ongeveer 25 jaar geleden leerden wij hierover een les die ons van wonderbaarlijk nut is geweest. Het was juist toen het irvingianisme uitbrak met zijn gave van tongen, wonderen enzovoort. Een intieme vriend van ons, toen een leider en prediker van naam en faam, viel er halsoverkop in. Hij was naar Londen gegaan en had getuige geweest van wat de „manifestaties” werden genoemd in de kapel van de heer Irving. Hij kwam thuis als een even overtuigd gelovige in de goddelijke oorsprong van deze dingen als Irving ooit was.

Maar het meest opvallende was het zichtbare effect dat de verandering op hem had. Hij bad en vastte dag na dag. Hij las onophoudelijk de Schrift. Hij preekte en bezocht voortdurend de zieken. Hij streefde onvermoeibaar naar innerlijke en uiterlijke heiligheid. Dit alles werkte zo op zijn denken en lichaam dat de arme man binnen enkele weken slechts de schim van zichzelf was. En wat bracht dit alles voort? Wat hij zelf na een tijd verwierp en veroordeelde als een misleiding van Satan.

Zo zagen wij met eigen ogen welk een wonderbaarlijk effect nieuwe opvattingen kunnen hebben. Dat gaf ons inzicht in de natuurlijke godsdienst en in het bedrieglijke van louter ijver, vuur en vleselijke heiligheid. Het heeft ons geholpen enkele raadsels in de belijdende wereld te ontcijferen die ons anders misschien voor een probleem hadden gesteld.

Zoeken wij ergens stabiliteit bij een mens dan is het bij een dienaar van de bevindelijke waarheid. Hij treedt op als iemand die door God is onderwezen. Hij heeft het woord des levens geproefd, gevoeld en betast. Hij is door de Heilige Geest neergezet en gevestigd in de waarheid zoals die in Jezus is. Hij staat voor de gemeente van God als ogen voor de blinden en voeten voor de kreupelen (Job 29:15): als gids, onderwijzer, raadsman en vriend.

Hij is een uitdeler van de verborgenheden van God aan wie vereist wordt dat hij getrouw wordt bevonden. Hij is een gezant van de Koning der koningen en daarom diep betrokken bij de eer van zijn Meester. Hij is een dienaar van Jezus Christus wiens hoogste voorrecht het is persoonlijk de wil van zijn Heere te kennen en te doen en die als dienaar aan anderen bekend te maken tot gehoorzaamheid des geloofs.

Voor wie zo’n post bekleedt is onstandvastigheid op zijn zachtst gezegd een zwaar gebrek. Als de officier wankelt en de vaandeldrager bezwijmt, wat een verwarring brengt dat onder het gewone voetvolk! Een dienaar van de waarheid zien wankelen en zich zien tonen zoals Ruben (Snelle afloop als der wateren, Genesis 49:4) ondermijnt het fundament van ons vertrouwen dat hij door God is onderwezen. Het werpt een smet op zijn hele bediening. Het geeft ernstige reden tot vrees dat wat hij vóór zijn verandering naar voren bracht louter in de letter was geleerd en niet door het werk en de getuigenis van de Heilige Geest in zijn ziel.

Maar wat de onstandvastigheid van een dienaar zo belangrijk maakt is dat zij niet alleen hemzelf maar ook anderen raakt. Veel kinderen van God zijn goed van hart maar uiterst zwak van oordeel. In hun ogen is een predikant bijna een heilig wezen dat niet kan dwalen. Heeft hij schijnbaar een grote geestelijkheid van gemoed (iets wat trouwens gemakkelijk wordt aangenomen) dan zijn zij overweldigd door zijn eminente heiligheid. Kan hij bekwaam en vloeiend praten en redeneren dan worden zij overstelpt door de waterval van woorden. Zij zijn niet werkelijk overtuigd maar toch tot zwijgen en instemmen gebracht.

Een van de grootste verborgenheden in de godsdienst is naar ons denken het verschil tussen de kracht van de waarheid op het natuurlijke geweten en de kracht van de waarheid op het geestelijke geweten. Het is het verschil tussen het geloof dat in het natuurlijke denken wordt voortgebracht door de letter van het woord en het geloof dat in het hart wordt gewerkt door de Geest van God door de geest van het woord. En toch ligt hierin het hele verschil tussen een belijder en een bezitter, tussen de verdoemden en de behoudenen.

Hier is de rots waarop duizenden stranden. Hier is het grote bedrog van Satan als engel des lichts: dat iemand al het geloof kan hebben en toch niets is. Ja, hij kan het sterkste en meest onwankelbare geloof hebben in zijn natuurlijke denken, daar voortgebracht door de letter van het woord, en toch leven en sterven in zijn zonden als een niet vergeven misdadiger en een niet geheiligde rebel. Hij kan het meest onvoorwaardelijke geloof in Jezus Christus hebben en toch sterven buiten Christus. Hij kan de belofte geloven en geen belang hebben bij de belofte. Hij kan het gebod gehoorzamen en toch verdoemd worden wegens ongehoorzaamheid.

Dit is de grote sleutel van het kabinet. Wie deze sleutel niet in zijn hand heeft en toch het werk van de Geest probeert te beschrijven, hetzij als prediker of schrijver, zal slechts rommelen. Zonder haar kan hij geen enkele geheime la van het hart openen en in geen enkele binnenste schuilhoek van natuur of genade doordringen. Een ontzaglijke verborgenheid maar niet ontzaglijker dan waar: tussen een geestelijk en een natuurlijk geloof lag het hele verschil tussen David en Saul, tussen Johannes en Judas. Daarvan hangen leven of dood af, hemel of hel, onuitsprekelijke zaligheid of eeuwige wanhoop!

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!