Een heiligende invloed
Wanneer het woord van de waarheid met kracht tot het hart komt, brengt het altijd een heiligende invloed mee. Het trekt de genegenheden omhoog en richt het hart op de hemelse dingen. Jezus wordt gezien met het oog van het geloof en elk teder verlangen van een liefhebbend hart stroomt naar Hem uit. Hij is immers de banier boven tien duizend en gans begeerlijk.
Dit zien van Christus, de Koning in Zijn schoonheid, werkt heiligend op de ziel. Het geeft heilige en hemelse gevoelens. Het bedwingt de macht van de zonde. Het maakt los van de wereld en van wereldse dingen. En het brengt elke gedachte gevangen onder de gehoorzaamheid van Christus.
Zo drukt het geloof deze heerlijke en hemelse waarheden aan haar borst en zegt: “Wat passen zij bij al mijn zonden en smarten! Wat druppelen zij troost in mijn bezwaarde geest! Wat zijn zij geschikt voor elke tijd van duisternis en benauwdheid!”
Wij worden in alles verdrukt
Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen (Job 5:7)
Sinds de val is moeite het lot van ieder mens. Als er nooit zonde was geweest, zou er nooit smart zijn geweest. Het is dus niets vreemds of bijzonders dat Gods kinderen moeite hebben. Dat hebben zij gemeen met hun medezondaars en medesterfelijken. Armoede – sterfgevallen – ziekte – ergernis – teleurstelling – ellende – rampspoed en dood zijn het gemeenschappelijke lot van allen – van het huilende kind tot de grijze vader.
Kijk dus waar u wilt. Laat uw oog gaan over alle lagen van de maatschappij – van het paleis van de vorst tot de hut van de bedelaar. U zult niemand onder de mensenkinderen vinden die op vrijstelling van moeiten aanspraak kan maken. Zij verzamelen zich rond zijn hoofd als wolken rond een bergtop. Zij komen in de vorm van teleurgestelde verwachtingen, vervlogen hoop, zorgen in het gezin, pijnlijke sterfgevallen of lichamelijke kwalen.
Wij zijn mensen die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig (2 Korinthe 4:8). Hierin ligt dan de onderscheidende zegen van hen in wier harten God heeft geschenen. Al is de moeite aan alle kanten, toch zal het met hen nooit gaan zoals met hen die geen Vader hebben om hen te zegenen met Zijn Vaderlijke liefde. Zij hebben geen Zaligmaker die hen met Zijn verzoenend bloed besprenkelt. En zij hebben geen gezegende Geest die hen troost met Zijn uitgelezen vertroostingen.
Bevrijd!
Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde (Kolossenzen 1:13)
Van nature en door ons gedrag zijn wij slaven van de zonde en van Satan. Wij zijn de speelbal van de Overste van de macht van de lucht, die ons gevangen neemt wanneer hij wil. Ook worden wij vastgehouden door vele schadelijke begeerten. En zijn wij vrij van grove zonde, dan zijn wij misschien slaven van hoogmoed, hebzucht of eigengerechtigheid.
Misschien is er ergens in de kamers van de beeldendienst een afgod opgesteld die de hele binnenste mens bezoedelt. Of een strik van Satan houdt onze voeten gevangen. Dan zijn wij slaven van de zonde en hebben wij geen kracht om onszelf uit die wrede slavernij te bevrijden. Wij zuchten eronder zoals de kinderen van Israël onder hun lasten. En net als zij kunnen wij onszelf niet verlossen.
Enkele voorrechten van het zoonschap
Een dagelijks kruis – een pad van beproeving en verdrukking – een tuchtroede voor het afdwalen – een smeltoven van ellende die het schuim en het tin wegzuivert. Zij brengen ware nederigheid van gemoed voort – verbrokenheid van hart – verslagenheid van geest – tederheid van geweten – met veel zelfverfoeiing – zelfafschuw – godzalige droefheid over de zonde – en oprechte verlangens naar nauwe en heilige gemeenschap met God.
Dit zijn enkele voorrechten van het zoonschap. De belijders van onze dagen waarderen ze niet echt en begeren ze evenmin. Toch zijn het gezegende kenmerken van een hemelse geboorte.
Een hemelse godsdienst
De ware godsdienst is een hemelse godsdienst. Zij daalt neer van God en stijgt op naar God. Laat u niet misleiden! Denk niet dat een louter uiterlijke godsdienst of een belijdenis van de waarheid u ooit zal redden zonder bevinding van haar leven en kracht. Zolang de ogen van ons verstand niet geestelijk verlicht zijn en ons hart niet is aangeraakt door wedergeboortegenade, zien wij niets en weten wij niets. Wij voelen niets van de kracht van God bij de redding van de ziel – niets dat zaligmakend is of uit eigen bevinding komt.
Wij kunnen godsdienstig zijn – zeer godsdienstig. Wij kunnen ernstig zijn – buitengewoon ernstig. Wij kunnen vroom zijn – beslist vroom. Wij kunnen ter kerk gaan of ter kapel – het sacrament ontvangen of aan het avondmaal deelnemen – onze gebeden zeggen – de Schriften lezen en goede boeken. En als wij ons godsdienstige leven vergelijken met het goddeloze gedrag van velen om ons heen, kunnen wij onszelf de misleidende waan voorhouden dat wij ons bij God aanbevelen. Dan zouden wij beloond worden met het eeuwige leven wanneer de dood het toneel sluit.
En toch kunnen wij al die tijd zonder de kracht van God zijn die de ziel redt. Wij kunnen even onwetend zijn van wet en evangelie, van veroordeling of zaligheid, van wat wij als zondaars zijn en wie de Heere Jezus is, als de beesten die vergaan.
De ware godsdienst moet in de ziel gewerkt worden door de kracht van God. Dezelfde genade die onze namen schreef in het boek van het leven van het Lam, maakt onze ziel levend voor het geestelijke leven. Zij overtuigt ons van zonde. Zij geeft ons berouw. Zij brengt ons aan de voet van het kruis. Zij openbaart in ons een dierbare Zaligmaker. En zij wekt een geloof, een hoop en een liefde op die ons beide redden en heiligen tot het eeuwige leven.
Wij worden dus niet gered door iets godsdienstigs dat wij onszelf kunnen meegeven of anderen ons kunnen meegeven. Wij worden gered door de genade van God en door de genade van God alleen!
Als die genade ons hart dan nooit bezoekt met haar wedergeboortekracht en haar heiligende invloeden, kunnen wij alle godsdienst hebben die het vlees kan bezitten en toch sterven onder de toorn van God en ons deel hebben bij de verdoemden. Een aardse godsdienst kan een farizeeër tevreden stellen. Een vleselijke, vormelijke eredienst kan een dode belijder voldoen. Maar alleen de levende vereniging met een levende Heere en het ontvangen van mededelingen uit Zijn volheid kan een levende ziel bevredigen.
Een dode belijder is tevreden met een aardse godsdienst – een kring van vormen – uiterlijke verordeningen – het vleiende applaus van stervende schepselen zoals hijzelf. Maar het kind van God, in wiens hart de Geest woont en die door Zijn eigen hemelse genade wordt onderwezen, ziet van tijd tot tijd op naar Jezus om uit Zijn volheid te ontvangen. Aan de borst van Christus stort hij zijn smarten uit. Van die borst ontvangt hij zijn vreugde.
Wij mogen er ons hart niet aan hechten
Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kolossenzen 3:2)
Van nature hebben wij voor niets anders genegenheid. Er is geen geestelijk verlangen of hemelse genegenheid in onze ziel zolang wij onwedergeboren zijn. Zo diep zijn wij gevallen dat wij de wereld en de dingen van de wereld liefhebben – en niet anders kunnen. Wij hebben alleen hart voor de dingen van tijd en zinnen. Sterker nog: omdat onze vleselijke gezindheid vijandschap is tegen God, haten wij alles wat geestelijk, hemels en heilig is.
Een voornaam deel van het werk van God aan de ziel is daarom dat Hij onze genegenheden losmaakt van deze aardse dingen. Hij richt ze op Jezus, waar Hij hoog op Zijn troon zit. Zo gaan wij liefhebben en haten wat Hij liefheeft en haat. Onze genegenheden mogen niet gericht zijn op de dingen op aarde. Zaken, wereldse zorgen, de belangen van ons gezin, de dingen van tijd en zinnen – in welke vorm ze ook komen – welke gedaante ze ook aannemen – mogen zich niet zo om onze genegenheden slingeren dat zij die aan de aarde binden.
Wij mogen ze gebruiken voor het onderhoud en de ondersteuning van ons leven – maar wij mogen ze niet misbruiken. Wij mogen er ons hart niet aan hechten! Huizen – tuinen – land – bezit – vrienden – gezin – al deze aardse dingen – wij mogen er onze genegenheid niet aan hechten zodat zij afgoden worden. Zo kan elk lieflijk voorwerp verderfelijk zijn – omdat het een afgod is geworden. Het kan maar een bloem zijn en toch een afgod zijn. Het kan een lief kind zijn dat iedereen bewondert om zijn schoonheid en bekoorlijkheid – en toch een bezoedelende afgod zijn. Een gekoesterd plan kan een afgod zijn.
Een graanoogst – een kudde schapen – een goede boerderij – een bloeiende zaak – de achting van de wereld – zij kunnen allemaal bezoedelende afgoden zijn. Want al deze dingen trekken de ziel van God weg wanneer men ze vurig najaagt en liefheeft. Zij trekken haar ongemerkt van Hem af en brengen zo bezoedeling en schuld in het geweten. Nu worden wij – of zullen wij door genade op Gods tijd worden – losgemaakt en gescheiden van de aarde met al haar bekoringen en genoegens en al haar bezoedelende afgoden. Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden (1 Johannes 5:21).
Bezoedeld, weerzinwekkend en gruwelijk
De zonde heeft ons ieder persoonlijk bezoedeld en ons weerzinwekkend en gruwelijk gemaakt voor God. Zij heeft ons onder de slag van Gods gerechtigheid gebracht. Zij heeft ons de deur van de hel geopend en de poort van de hemel voor ons gesloten. Als een bezoedeling heeft de zonde ons ook van top tot teen verontreinigd. Zij heeft ons in vuile kleren gehuld en ons zo onrein gemaakt naar lichaam en ziel. Daardoor zijn wij ongeschikt om in de reine voorhoven van de hemelse zaligheid binnen te gaan.
Er is één punt van de goddelijke waarheid waarop de Schriften zeer uitdrukkelijk en duidelijk zijn en dat toch het hardnekkigst wordt weerstaan door de hoogmoed en de eigengerechtigheid van het mensenhart: de volledigheid van de val. Deze waarheid is onsmakelijk voor de eigengerechtige natuur van de mens. Hoe weinigen zijn bereid toe te geven dat de mens verkeert in de toestand die het Woord van God beschrijft! De Schrift noemt hem dood door de misdaden en de zonden – vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten – menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende – in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende – geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
En toch staan deze onweerlegbare en uitdrukkelijke verklaringen van de Schrift zo lijnrecht tegenover het natuurlijke beginsel dat in ons allen woont. Wij denken dat wij niet zo volkomen hulpeloos zijn dat wij niets kunnen doen om God te behagen en de zaligheid te verkrijgen. Wordt deze waarheid naar voren gebracht en met kracht aangedrongen – dan komt de vijandschap tevoorschijn. De mens haat het Woord van God omdat het hem veroordeelt. Hij weet dat hij de praktijken moet opgeven die dat Woord veroordeelt als hij onder zijn kracht en invloed zou leven.
De diepste vijandschap van de goddeloze en belijdende wereld
Wanneer het de Heere behaagt voor het eerst met onze ziel te handelen, zijn wij in die vroege dagen van onze geestelijke jeugd nog weinig bekend met het kwaad van ons eigen hart of het kwaad dat in andermans hart huist. Dan zijn wij vaak verbaasd over de plotselinge uitbarsting van vervolging die uit de meest onverwachte hoek tegen ons opkomt. Vaak komt zij van enkele van onze naaste en dierbaarste vrienden en verwanten.
In die dagen drukken de eeuwige werkelijkheden gewoonlijk met groot gewicht en kracht op onze geest. Zij vervullen onze gedachten wakend en slapend. En omdat het hele onderwerp nieuw is, neemt het hart en tong stevig in beslag. Wij kunnen niet zwijgen en spreken zoals wij voelen, omdat wij eerlijk en oprecht gemaakt zijn. De dingen van de eeuwigheid drukken met ernstig en plechtig gewicht op ons hart en persen woorden uit onze mond. Wij vermoeden toen nauwelijks welk effect die woorden hebben op hen tot wie ze gericht zijn.
Wat is dat effect? Wat wij allerminst verwachten – vijandschap! Wij rekenen op enige overtuiging van de waarheid die wij hun voorleggen of op zijn minst op een vriendelijk en gunstig onthaal. Wij spreken eerlijk en oprecht en bedoelen het voor hun bestwil. Maar in plaats van het te ontvangen zoals wij het bedoelden, komen zij in vijandschap en opstand tegen ons op.
Waarom is dat zo? Omdat hun vleselijke gezindheid – en een andere kunnen zij niet hebben – vijandschap is tegen God. Bovendien ligt er een sluier van ongeloof en onwetendheid over hun hart. Daardoor wordt onze bedoeling verkeerd begrepen – onze daden verdraaid – en onze vriendelijkste woorden en bedoelingen ten kwade uitgelegd. De dienaren van God zijn vooral blootgesteld aan deze vijandschap. Het evangelie dat zij prediken – de trouw die zij betonen – de heiligheid die zij tonen – de scheidslijn die zij trekken tussen het kostelijke en het snode – wekken de diepste vijandschap op van de goddeloze en belijdende wereld.
Geen verdoemenis
Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn (Romeinen 8:1)
Al leef ik niet in de zonde, ik kan niet zonder zonde leven. Ik heb zondige gedachten – zondige verbeeldingen – zondige begeerten – zondige hartstochten – en zeer zondige gevoelens. Ik kan niet kijken zonder zonde – niet spreken zonder zonde – niet horen zonder zonde – nee, ik kan zelfs niet prediken zonder zonde. Maar hoe kan het dan waar zijn dat er geen verdoemenis is voor degenen, die in Christus Jezus zijn?
Welnu, als ik in Christus Jezus ben, word ik in Christus Jezus bemind. Ik ben in Christus Jezus uitverkoren. Ik ben in Christus Jezus gerechtvaardigd. Ik ben in Christus Jezus vergeven. En ik ben in Christus Jezus behouden. Als mijn geweten mij dus veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen (1 Johannes 3:20). Ik heb dagelijks de veroordeling van een schuldig geweten. Maar zijn al mijn zonden weggewassen door het bloed van het Lam en is mijn geweten gereinigd van schuld en vuil door het bloed van de besprenging – dan zal ik op de grote dag niet veroordeeld worden. En zelfs nu ben ik, voor zover de kracht van dat bloed gevoeld wordt, vrij van alle veroordeling.
De zonde ligt op de loer en werkt
Zolang wij een lichaam van zonde en dood met ons dragen – een natuur die tot op het merg verdorven is – zal de zonde in onze boezem op de loer liggen en werken. Heeft ons geweten een tederheid gekregen in de vreze Gods, dan zal het ons veroordelen voor de kwaden die zich zo dagelijks en uurlijks vertonen. Zij kunnen wel weerstaan en bedwongen worden maar nooit worden zij uitgeroeid.
Wat heeft u in staat gesteld tot op heden te volharden?
Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag (Handelingen 26:22)
Het kan vele jaren geleden zijn dat de Heere u voor het eerst door Zijn genade riep. Wat heeft u in staat gesteld tot op heden te volharden? Hoe is uw geloof bewaard te midden van zoveel verzoekingen en beproevingen – zoveel inwendige en uitwendige tegenstand – zoveel gevechten van buiten – zoveel vrezen van binnen? U weet heel goed dat u niet door uw eigen inspanning en uw eigen strijden nog staat – maar door de zuivere genade van God. Zo sprak Paulus: hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag. Zo zullen allen spreken die zijn geloof en zijn volharding hebben.
Geen verzoening of wedergeboorte in het graf
Wij komen in de wereld vervreemd van Gods beeld, want wij verloren het in de val. Wij groeien op en vervreemden er nog meer en meer van. Sterven wij zo vervreemd, wat kan dan het einde zijn dan eeuwig verderf van het aangezicht van Zijn heerlijkheid? Want er is geen verzoening of wedergeboorte in het graf. Er is geen mogelijkheid om in een staat van vriendschap met God te komen wanneer de adem het lichaam heeft verlaten. Zoals de boom valt, zo blijft hij liggen. Sterven wij vervreemd van God, dan sterven wij onder de toorn van God.
Hoe volkomen verloren en hoe geheel verdorven moet dan de toestand zijn van de mens die leeft en sterft zoals hij in de wereld kwam – onveranderd, onvernieuwd en niet wedergeboren!
De ziel vergiftigen
De ziel vergiftigen is niet minder misdadig of gevaarlijk dan het lichaam vergiftigen!
Dit eenvoudige, enkelvoudige en oprechte verlangen
Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren (Hooglied 1:4)
In het hart van de Bruid werd dit eenvoudige, enkelvoudige en oprechte verlangen opgewekt om Jezus te volgen waar Hij ook gaat. En dat is het kenmerk van een ware volgeling van het Lam. Door de vloed – door het vuur – door de woestijn – door de duisternis – door verzoeking – door verdrukking – door strijd – waar het Lam ook leidt, Zijn volk volgt. Hij is hun Hoofd. Hij is hun Gids. Hij is hun Heere. Hij is hun Bruidegom. Hij is hun Koning. Hem volgen zij, Hem lopen zij na en in Zijn voetstappen verlangen zij te wandelen.
Zo zegt de Bruid onder de gezegende werkingen van de Heilige Geest, uit een eenvoudige, oprechte, enkelvoudige uitademing van liefde en genegenheid tot Jezus als volkomen passend en gans begeerlijk: Trek mij, wij zullen U nalopen!
O, wat is het wreed!
de ijver is hard als het graf (Hooglied 8:6)
O, wat is het graf wreed! Dat was het, dat is het en dat zal het blijven zolang er nog een graf op aarde is dat in zijn verslindende keel de overblijfselen verzwelgt van een innig geliefd wezen! O, wat lijkt het graf wreed dat de geliefde echtgenoot verzwelgt of de liefhebbende echtgenote – of de bloeiende dochter in de bloem van jeugd en schoonheid – of de dappere, mannelijke zoon in de volle kracht van het leven!
O, wat is het graf wreed dat vaak minnenden scheidt wanneer misschien de trouwdag al is vastgesteld. Alles is vol liefelijke verwachting – maar de dood komt – het wrede graf opent zijn mond en de aanstaande bruid of bruidegom ligt uitgestrekt in die sombere woning. O, wat is het graf wreed – geen leeftijd of geslacht sparend – geen verwantschap ontziend – de teerste banden scheidend – en zegevierend over alle aanspraken van menselijke genegenheid.
Mijn genade is u genoeg
Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Korinthe 12:9)
Deze genade betoont de Heere door heimelijke voorraden van kracht mee te delen. Wordt de genade van de Heere in de tijd van beproeving en verzoeking genoeg bevonden, dan geeft zij de ziel een vaste standplaats – een heilige rust – en een alles dragende steun voor de zwakheid om op te leunen.
Deze genade van de Heere wordt gegeven onder beproeving en verzoeking en blijkt genoeg te zijn – maar niet meer dan genoeg – genoeg en niets te veel. Geen kind van God zal ooit te veel genade hebben. Hij zal genoeg hebben om in zijn nood te voorzien – genoeg om hem te redden en te heiligen – genoeg om hem te steunen in zijn ellende – genoeg om eervol te leven en gelukkig te sterven, maar niet meer dan genoeg. Zoals uw dagen zijn, zal uw kracht zijn.
Waarom staat u nu waar u staat en bent u wat u bent? Wie hield u overeind in het zware uur? Wie bewaarde u toen uw voeten bijna wankelden en uw stappen bijna uitgleden? Wat anders dan Zijn genade?
Het eeuwige leven
Het eeuwige leven is een zeer zoet onderwerp voor een gelovige. Het vooruitzicht van een eeuwigheid van zaligheid in de tegenwoordigheid van God, waar de tranen van alle aangezichten worden afgewist, is een gezegende vertroosting voor het gelovige hart. Denken wij aan wat dit leven is – hoe kort en hoe onzeker – voelen wij ons belast met zijn zorgen en verontrust door zijn kommer – en zijn wij bovenal beladen en bezwaard met een ellendig lichaam van zonde en dood – dan zou het ons kunnen doen zuchten: “Wat is er in dit leven werkelijk de moeite waard om voor te leven?”
Maar kijken wij voorbij de smalle landengte van deze ellendige, stervende wereld naar de eeuwige woningen in het huis van Zijn Vader die Jezus is gaan bereiden voor Zijn volk, dan troost dat de vermoeide pelgrim. Hij reist door dit tranendal, beladen met zonde en smart, in de zoete hoop eindelijk die hemelse kust te bereiken!
Zullen wij dan teruggaan?
Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem. Jezus dan zeide tot de twaalven: Wilt gijlieden ook niet weggaan? (Johannes 6:66-67)
Zullen wij dan teruggaan naar de WERELD? Hebben wij daar nog niet genoeg van? Waren wij er niet in voordat de Heere het behaagde ons door Zijn genade eruit te roepen? Was er daar enig waar geluk – enige echte voldoening, tevredenheid, rust, vrede of stilte? Terecht mogen wij antwoorden: “Nee!” Ook toen was het slechts één voortdurend toneel van kwellende onrust – ijdel vermaak – lege genoegens – waarvan wij wisten dat het einde de dood zou zijn.
Toen wij er in waren, was er geen echt geluk – en zal er dan nu geluk zijn als wij eruit zijn gekomen en erin terugkeren? Neem de wereld nu op haar best of op haar slechtst. Vindt u enige troost in wereldse gezelschappen of enig geluk in vleselijke omgang? Passen haar stelregels u – haar gewoonten – haar genoegens – haar ijdelheden? Geven zij u enig geluk? Nee! Moet u dan niet meteen antwoorden: “Wat ik ook doe en wat er ook van mij wordt, ik kan niet terug naar de wereld. Toen ik erin was, had ik er geen troost van. Nu terugkeren zou mijn ellende slechts verdubbelen en mijn volledige ondergang verzekeren.”
Maar zullen wij teruggaan naar de ZONDE? O, wee die gedachte! Wat! De zonde die in vroeger tijden zo’n schuld op uw geweten legde! De zonde die een ware hel in uw ziel bracht! De zonde die een dierbare Verlosser kruisigde! Terug naar de zonde – zich wentelen in de lage lusten van het vlees – de ongerechtigheid indrinken – alle onreinheid bedrijven met gulzigheid – en gezondheid, kracht en het leven zelf doorbrengen in dingen waarvan wij weten dat het einde zeker verderf is.
O, hoe kunnen wij ook maar een ogenblik durven denken dat wij een heilige Jezus kunnen verlaten – een hemelse Verlosser – het zoete gezelschap van Gods gezin – de heilige gemeenschap met de Heere Zelf – om ons in de zonde te wentelen? Dan brengen wij een zekere hel in ons geweten en de dood in onze ziel. Het verschrikkelijke einde van al onze belijdenis zou zijn dat wij voor eeuwig worden verbannen uit de tegenwoordigheid van de Heere in de zwartheid van de duisternis!
O Heere, wat wij ook doen en waar wij ook heengaan – wij kunnen nooit terug naar de zonde! Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens! (Johannes 6:68)
Slechts twee grote klassen
Bij alle maatschappelijke verschillen die er in de wereld bestaan, van rang, stand en positie, zijn er in Gods ogen in werkelijkheid maar twee grote klassen. De rechtvaardigen en de bozen – de godvrezenden en de goddelozen – de heilige en de zondaar – de tarwe en het onkruid – zij die van Christus zijn en zij die van de boze zijn.
Wij hebben een hogepriester nodig
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden (Hebreeën 4:15)
wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechter hand van den troon der Majesteit in de hemelen (Hebreeën 8:1)
Wij hebben een hogepriester nodig. Niet alleen iemand die een offer bracht aan het kruis – niet alleen iemand die stierf en opstond – maar iemand die nu leeft aan de rechterhand van God ten behoeve van ons. Wij hebben iemand nodig met een tedere, barmhartige en medelijdende gezindheid – met wie wij van tijd tot tijd heilige gemeenschap kunnen oefenen. Wij willen Hem met gelovige ogen kunnen aanzien als passend bij onze nood en medelijdend met onze behoeften en ons wee. Wij willen op Hem kunnen hopen met verwachtend hart als op Iemand die zich niet van ons zal afkeren. En wij willen Hem kunnen liefhebben niet alleen om Zijn eigen schoonheid en zaligheid – maar als Iemand die vol medelijden is met ons.
Wij hebben op dit ogenblik een vriend nodig aan de rechterhand van God. Een alwetende, alomtegenwoordige, almachtige en toch medelijdende en liefdevolle Middelaar tussen God en ons. Een pleitende Hogepriester, Borg en Vertegenwoordiger in onze natuur in de hemelse hoven. Hij moet barmhartigheid en medelijden aan ons kunnen betonen nu wij op aarde zijn. Zijn hart moet bewogen zijn van tederheid – Zijn genegenheden smelten van liefde! Onze nood doet ons dat voelen. Onze zonden en smarten geven ons voortdurend reden om naar de troon te gaan.
Dit tranendal ligt steeds voor onze ogen. Er schieten voortdurend doornen en distels in op die ons vlees openhalen en verscheuren. Wij hebben een echte vriend nodig. Hebt u zich niet soms heen en weer gewend op uw vermoeide leger en bijna hardop geroepen: “O, had ik maar een vriend!” Misschien hebt u bittere slagen ontvangen van iemand die u voor een echte vriend hield – en bent u wreed bedrogen. Nu voelt u dat u niemand hebt die voor u zorgt of u liefheeft en van wie u op uw beurt kunt houden – en uw hart zucht naar een vriend die werkelijk een vriend is. De weduwe, de wees, de vriendeloze en de verlatene voelen dit allen scherp en diep.
Maar heeft de genade uw hart aangeraakt, dan voelt u dat er, al verlaten alle mensen u, een vriend van zondaren is – een broeder voor de benauwdheid geboren – een vriend die liefheeft te allen tijde – die u nooit zal verlaten of begeven. En hoe verkwikt het de verontruste geest en ondersteunt het de vermoeide ziel te voelen dat er een vriend is tot wie wij mogen gaan! Zijn ogen zijn altijd open om te zien. Zijn oren zijn altijd geopend om te horen. Zijn hart wordt altijd bewogen met medelijden en ontferming jegens ons!
Maar wij hebben een almachtige vriend nodig want geen ander past bij onze nood. Hij moet een goddelijke vriend zijn. Want wie behalve God kan ons zien waar wij ook zijn? Welk oog behalve een goddelijk oog kan onze gedachten lezen? Welk oor behalve een goddelijk oor kan onze smekingen horen? En welke hand behalve een goddelijke hand kan zich uitstrekken en redden? Zo is de Godheid van Christus geen droge, dorre bespiegeling – geen louter Bijbelse waarheid – maar een bevinding die krachtig is ingewerkt in de diepste ziel van een gelovige.
Gelukkige ziel! Gelukkig ogenblik! Wanneer u kunt zeggen: “Dit is mijn Liefste – en dit is mijn Vriend!” Zo leren de verlangens van de ziel zelf ons instinctief dat een vriend, om een vriend te zijn, een hemelse vriend moet zijn. Zijn hart en hand moeten goddelijk zijn – anders zijn zij niet het hart en de hand die wij nodig hebben.
Deze vriend wiens bitterste smaad op aarde was dat Hij de vriend van zondaren was, is de gezegende Jezus – onze grote hogepriester in de hoven boven. Wij vinden Hem soms zeer barmhartig – vol medelijden en zeer ontfermend. En ik ben er zeker van dat wij al het medelijden van Zijn liefdevolle boezem nodig hebben. Want wij verkeren voortdurend in toestanden van gemoed waarin niets dan Zijn zuivere barmhartigheid past. Alleen Zijn rijke en onbegrensde ontferming is dan geschikt voor onze nood.
De gevolgen van de dood
gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel (Hebreeën 9:27)
Somberheid moet wonen in een dal der schaduw des doods. Denken wij na over wat de dood werkelijk is – niet alleen als een eindpunt, misschien met een steek van dodelijke angst, voor alles wat de natuur liefheeft, maar als een geopende poort tot eindeloos wee – dan verbazen wij ons er eerder over dat mensen hem met zo’n stoïcijnse ongevoeligheid tegemoet treden in plaats van bij zijn nadering meer ontsteld en beangstigd te zijn.
Maar wat is de dood? Is het alleen wat wij met onze lichamelijke ogen zien als wij het lijk op het bed uitgestrekt zien liggen? Of wat wij ons voorstellen als wij de kist volgen naar het kerkhof? Betekent de dood alleen dat bleke lijk, die lijkwagen, die wenende rouwenden, die snikkende zuchten van vrouw of man – met alle beelden en geluiden van wee wanneer de zware kluiten in de stilte op de kist vallen? Voor de meesten is dit alles wat zij van de dood zien of kennen. Maar de dood heeft in schriftuurlijke zin een veel ruimere en uitgebreidere betekenis dan deze louter uiterlijke tooi van droefheid.
Het is dus niet zozeer de dood als wel de gevolgen van de dood die hem zo werkelijk verschrikkelijk maken en tot koning van de verschrikkingen verheffen. Zij geven hem dat vreselijke gelaat dat somberheid inboezemt. Die gevolgen zijn het geworpen worden in de poel des vuurs – eeuwig onder Gods vreselijke toorn te zijn – eeuwig te rollen in de golven van zwavelvlam – opgesloten te zijn in die vreselijke put waarin geen hoop doordringt.
Waarom zou de dood een voorwerp van vrees zijn? Omdat na de dood het oordeel komt! En waarom zou het oordeel een voorwerp van schrik zijn? Omdat oordeel veroordeling inhoudt en veroordeling een eeuwigheid van wee!
Dwalingen vieren hoogtij aan alle kanten
Dwalingen vieren hoogtij aan alle kanten. Weinigen kennen en beminnen de waarheid – weinig predikers prediken haar – weinig gemeenten belijden haar – en weinigen, zeer weinigen leven onder haar kracht en in de praktijk ervan.
Geef! Geef!
De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! (Spreuken 30:15)
Zo is de wereld in haar verlangen naar geluk. Alle gaven van God in Zijn goedertieren voorzienigheid kunnen het wereldse hart niet verrijken. De hunkerende begeerten van de vleselijke gezindheid zijn als de twee dochters van de bloedzuiger die altijd roepen: “Geef! Geef!”
“Geef! Geef!” roept de hebzucht. “Geef! Geef!” roept de hoogmoed. “Geef! Geef!” roept elke vleselijke begeerte van de aardse gezindheid wanneer haar verschillende lusten en hartstochten worden opgewekt. Maar kon alles gegeven worden waar de zonde naar kan verlangen, het resultaat zou nog hetzelfde zijn: “Geef! Geef!”
De zonde is als een dronkaard die hoe meer hij drinkt hoe meer hij wil drinken – altijd hunkerend – altijd hunkerend naar sterkere en sterkere drank alsof alleen drank zijn verdroogde tong kon verkoelen of zijn wegzinkende moed kon opbeuren. En zo drinkt hij tot hij sterft – een arme ellendige, dronken zelfmoordenaar. Zo is het natuurlijke hart van de mens!
Heilige verlangens en geestelijke zuchten
O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water (Psalm 63:2)
Weten vleselijke, onwedergeboren mensen iets van deze heilige verlangens en geestelijke zuchten naar een onzichtbare God – of naar een openbaring van de liefde van Christus? Vertrouw erop dat geen onwedergeboren mens ooit werkelijk en waarachtig naar God heeft verlangd.
Hij kan wensen dat zijn zonden vergeven worden – onder de overtuigingen en prikkels van zijn natuurlijke geweten. Hij kan zelfs willen dat hij naar de hemel gaat – om de hel te ontlopen. Maar naar God om wat Hij in Zichzelf is, heeft hij nooit verlangd. God is een te zuiver en heilig, een te groot en heerlijk Wezen voor een natuurlijk hart om lief te hebben of voor een vleselijke gezindheid om te begeren. Elke onwedergeboren zondaar zegt tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.
Er moet een nieuwe natuur in de ziel worden opgewekt, een nieuw hart en een nieuwe geest, voordat God om Zichzelf begeerd kan worden. Hebt u soortgelijke verlangens, zoekingen en dorst, dan hebt u een onbetwistbaar bewijs dat God een genadewerk in uw hart heeft gedaan. Weet een mens niets van de kracht van God in zijn ziel, dan kan hij niets weten van ware godsdienst of levende godzaligheid.
De weegschaal!
Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel? (Mattheüs 16:26)
Leg uw ziel op de ene schaal van de weegschaal – en leg alles wat de wereld goed en groot noemt op de andere schaal. Denk aan alles wat het hart van de mens kan begeren – rijkdom, eer, genot, macht. Stapel het goed op! Vul de ene schaal totdat er geen plaats meer is. Leg erop al het goud van Australië – alle diamanten van Indië – alle genoegens van jeugdige liefde – al de vreugden van vrouw en huis – van kinderen en vrienden, van gezondheid en kracht, van naam en roem. Leg erop alles wat de natuurlijke geest van de mens als het toppunt van geluk beschouwt en alles wat deze kant van de weegschaal naar beneden kan drukken.
Leg nu, als u deze schaal hebt gevuld, uw ziel op de andere schaal – de staat van uw ziel voor alle eeuwigheid. Stel u uw sterfbed voor – houd de weegschaal vast met stervende handen aan de rand van de eeuwigheid. Zie hoe de weegschaal nu hangt! Wat als u de hele wereld die u in de weegschaal hebt gelegd zou bezitten en haar geheel de uwe zou kunnen noemen – maar op dat plechtige uur zou voelen dat uw ziel voor eeuwig verloren was – dat u stierf onder de toorn van God – en dat er niets voor u lag dan een eeuwigheid van ellende! Wat zou u op zo’n moment in de weegschaal kunnen leggen dat opweegt tegen het gewicht van uw onsterfelijke ziel?
Neem de weegschaal opnieuw. Leg op de ene schaal elke ellende, beproeving, smart en benauwdheid die de verbeelding kan bedenken of de tong kan uitspreken. Laat ze allemaal van u zijn – nood van geest – pijn van lichaam – armoede van omstandigheden – verachting van mensen – aanvallen van Satan – de ellende van Job – de sterfgevallen van Jakob – de vervolgingen van David – de gevangenis van Jeremia – de ziekte van Hizkia. Leg op deze schaal alles wat het leven natuurlijk ellendig maakt – en leg dan op de andere schaal een behouden ziel.
Zoals bij wereldse eer en rijkdom en geluk een verloren ziel ze zeker allemaal zwaarder weegt – zo weegt bij ellende en smart en moeiten een behouden ziel ze ook allemaal zwaarder!
Wanneer Jezus Zich aan de ziel openbaart
Wanneer Jezus Zich aan de ziel openbaart, wordt Hij haar Heere – want Hij onderwerpt alle andere mededingers en zet Zichzelf op de troon van de genegenheden. Dan wordt Hij in werkelijkheid wat Hij eerst slechts in naam was – Christus Jezus, onze Heere. Dan liggen wij aan Zijn heilige voeten – wij omhelzen Hem met de armen van het geloof – Hij zwaait de scepter over een gewillig hart en wij kronen Hem tot Heere van alles.
Enkele minuten zoete gemeenschap
Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus (2 Korinthe 4:6)
U kunt de Bijbel van jongs af gelezen hebben en bijna van het begin tot het einde uit het hoofd kennen. U kunt de Hebreeuwse tekst lezen en het Griekse origineel verstaan. U kunt de ene uitlegger na de andere bestuderen. En toch zal al uw lezen en al uw zoeken naar de betekenis van de Schrift – al zet u het voort totdat uw ogen van vermoeidheid versleten zijn – u nooit die geestelijke en zaligmakende kennis geven van de Persoon en het werk, de genade en de heerlijkheid van de Heere Jezus die vijf minuten van Zijn geopenbaarde aanwezigheid aan uw ziel zullen ontdekken.
Het licht van Zijn aanschijn, het binnenstralen van Zijn heerlijkheid en het uitstorten van Zijn liefde zullen u in enkele minuten zoete gemeenschap meer leren over wie en wat Hij is als de Koning in Zijn schoonheid dan u zonder deze openbaring in een eeuw zou kunnen leren.
Wat een genade!
Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht. Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen (Filippenzen 3:7-8)
O, wat een genade moet er in uw harten zijn om u in staat te stellen af te zien van wat de wereld zo dwaas najaagt en wat uw eigen natuur zo innig liefheeft! Al die aardse genoegens als in een panorama voor uw ogen uitgespreid te zien – de genoegens, de vermaken, de pracht en praal van de wereld die u worden voorgehouden. En in u een natuur te dragen die ze liefheeft en er behagen in schept – en toch, door de kracht van de genade en het onderwijs van de Heilige Geest, ze te beschouwen als ver beneden uw aandacht, als verachtelijk en als bezoedelend als het vuil op straat waar u haastig overheen stapt uit vrees uw schoenen of kleren te bevlekken.
O, welk een diep en levend besef moet de ziel hebben van de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus haar Heere. En welk een zicht door het geloof op Zijn schoonheid en heerlijkheid moet haar tot die staat brengen – om alles wat de aarde kan geven of bijdragen aan het persoonlijke genot te rekenen als afval en drek!
Er is geen vagevuur
Er is geen middenweg naar de hemel. Er is geen tussenstaat tussen hel en hemel. Er is geen vagevuur voor die talrijke groep die zichzelf nauwelijks goed genoeg acht voor de hemel en toch nauwelijks slecht genoeg voor de hel. Nee! Er is geen tussenweg of tussenstaat. Wij moeten Christus winnen als onze eigen allergezegendste Jezus en met Hem het geluk en de heerlijkheid van de hemel genieten. Of wij zinken weg naar de hel met al onze zonden op ons hoofd onder Zijn allervreselijkste toornige blik.
De ziel die betoverd is door de schoonheid en zaligheid van Jezus, verlangt Hem te hebben. En dat niet voor een dag, maand of jaar maar voor de eeuwigheid. Want als zij Hem verkrijgt, verkrijgt zij alles wat God de ziel van de mens te genieten kan geven als onsterfelijk geschapen en voor de onsterfelijkheid.
Een wonder van genade
Elke behouden zondaar is een wonder van genade. De Heere zal elk vat van barmhartigheid dit doen weten, voelen en erkennen. Want Hij zal hem van tijd tot tijd zulke diepe ontdekkingen van zijn zonde geven dat hij boven alle twijfel overtuigd wordt dat niets dan de rijke, soevereine, onderscheidende en overvloedige genade van God zijn ziel kan redden van de bodemloze put!
Kracht in de tijd van benauwdheid
Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid (Psalm 37:39)
De ellenden van de rechtvaardige zijn vele. Wij kunnen geen vaste weg van lijden aanwijzen. Misschien moet u door zware beproevingen in de voorzienigheid heen – sterfgevallen van vrouw of kind of pijnlijke en bijzondere zorgen in het gezin die uw warmste genegenheden en tederste gevoelens kunnen verwonden en verscheuren. Het hele gezin van God heeft zijn toegemeten aantal en maat van smarten en verdriet. Naarmate die over hen komen, vormen zij “tijden van benauwdheid”. Die liggen, evenals al onze andere tijden, in de hand van de Heere. Hij deelt ze uit met onfeilbare wijsheid en de trouwste liefde.
De Heere versterkt Zijn kinderen doordat Hij hen in staat stelt het zware kruis te dragen. Hij laat hen de zware last van beproeving en ellende torsen. Hij laat hen hun mond in het stof leggen als mensen die Zijn kastijdende slagen nodig hebben en verdienen. En Hij laat hen zich onderwerpen aan Zijn rechtvaardige beschikkingen en handelingen als duidelijk gezonden door een genadige en liefhebbende hand. Wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen. Het moet een naakt vertrouwen zijn op een onzichtbare God.
De hemel zou voor u geen hemel zijn
Stel dat u in de hemel werd gebracht zonder nieuw hart – zonder innerlijk element van heiligheid dat door de Geest van God in uw ziel geblazen is. In dat geval zou de hemel voor u geen hemel zijn. U zou eruit willen. De aanwezigheid van een heilig God zou u ontstellen. De heiligen in zaligheid die de lof van het Lam zingen, zouden zo vreemd zijn aan al uw gevoelens dat u zou zeggen: “Zend mij naar de hel, want ik heb geen hart om de hemel te genieten. Laat mij naar de hel gaan, waar ik kan vloeken en lasteren, haten en huilen. De hel, de hel is de enige geschikte plaats voor mij.”
Wat zou onze sombere toestand zijn geweest
Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde (Kolossenzen 1:13)
Niemand dan de Heilige Geest kan met Zijn almachtige kracht een arme zondaar nemen in al zijn schuld en vuil, lompen en ondergang – in al zijn veroordeling, ellende en rampzaligheid. Alleen Hij kan hem gevoelig en bevindelijk in Zijn koninkrijk brengen. Hij doet dat door het woord van Zijn genade met kracht op zijn ziel toe te passen – door een zoete belofte in zijn hart te zenden – door Christus te openbaren in Zijn bloed en gerechtigheid – en door Zijn liefde uit te storten. En dit doet God, heeft Hij gedaan of zal Hij doen voor allen die werkelijk en waarachtig de Zijnen zijn.
Geen kracht van het schepsel, geen arm van het vlees kan hier iets uitrichten. Barmhartigheid en genade doen alles. Liefde en macht werken samen en reiken als het ware hun armen uit de hemel neer. Zij tillen de zondaar op uit de macht van de duisternis en brengen hem in het koninkrijk van licht en leven en vrijheid, waar Jezus alles in allen is.
Wat zou onze sombere toestand zijn geweest, ook wat deze tegenwoordige wereld betreft – en wat zou onze nog somberder toestand zijn geweest wat onze eeuwige staat betreft – als God Zijn hand niet had uitgestrekt om ons te redden uit de macht van de duisternis? Wij zouden onder de macht van de duisternis hebben geleefd tot wij voor altijd in de zwartheid van de duisternis zouden zijn weggezonken! Wij zouden onze duisternis hebben liefgehad en omhelsd en er trots op zijn geweest. En wij zouden zijn gevallen zoals duizenden vallen – zelfbedrogen en ellendige slachtoffers van de onwetendheid, de hoogmoed en de eigengerechtigheid van onze gevallen natuur!
Maar God was vastbesloten in te breken in onze benevelde zielen – en toen Hij inbrak, week de duisternis. Zo behaagde het de Heere ons te redden uit de heerschappij van de duisternis en ons te brengen in het koninkrijk van Zijn dierbare Zoon. En zullen wij Hem geen dank en lof brengen en Zijn gezegende Majesteit aanbidden voor deze daden van Zijn genade – deze openbaringen van Zijn barmhartigheid, goedheid en liefde?


