Het is de Geest Die ons levend maakt … om onze behoefte aan Christus te voelen; om al wat wij nodig hebben in Hem en van Hem te zoeken; om in Hem te geloven tot het eeuwige leven en zo een leven van geloof in Hem te leiden.
Door Zijn … verborgen onderwijzingen, innerlijke aanrakingen, genadige glimlachen, zachte fluisteringen en zoete beloften trekt de Heilige Geest het hart omhoog naar Christus. Hij doet dat ook door openbaringen van Christus’ heerlijke Persoon en werk en van Zijn doodsstrijd en stervende liefde.
Zo wint Hij onze genegenheid. Hij houdt ons Christus voor ogen als Hem Die de banier boven tien duizend draagt en Die gans begeerlijk is. Zo wekt Hij die liefde en genegenheid tot Jezus op die de wereld onder onze voeten legt.
Alle ware godsdienst vloeit voort uit de genade, de tegenwoordigheid en de kracht van de Geest.
De wederbarende werking van de Heilige Geest
Door de aard van de val zelf is het onmogelijk dat een dode ziel … in God gelooft, God kent of God liefheeft.
Zij moet eerst levend gemaakt worden tot geestelijk leven voordat zij de enige ware God zaligmakend kan kennen. Zo ligt er al op de drempel — in het hart en de kern van de zaak — de volstrekte noodzaak van de wederbarende werking van de Heilige Geest in de ziel.
Juist de volledigheid en de diepte van de val maken het wederbarende werk van de Heilige Geest even noodzakelijk en even onmisbaar als het verlossende werk van de Zoon van God.
Deze harde school van pijnlijke bevinding
In tijden van beproeving en duisternis worden de heiligen en dienaren van God onderwezen. Zij zien en voelen wat het vlees werkelijk is en hoe vreemd het is aan het leven van God. Zij leren in Wie al hun kracht en bekwaamheid liggen.
Hun wordt geleerd dat in hen — dat is in hun vlees — niets goeds woont. Zij leren dat geen eigen inspanning het leven van God in kracht en frisheid kan onderhouden. En zij leren dat alles wat zij zijn en hebben voortvloeit uit de zuivere, soevereine genade. Dat geldt voor alles wat zij geloven, weten, voelen en genieten en voor al hun vermogen, nut, gaven en genade. Het vloeit voort uit de rijke, vrije, onverdiende maar onophoudelijke goedheid en barmhartigheid van God.
In deze harde school van pijnlijke bevinding leren zij hun leegheid en nietigheid. Zij leren dat zij zonder Christus inderdaad niets kunnen doen. Zo worden zij bekleed met nederigheid, dat lieflijke en passende gewaad. Zij laten af van hun eigen kracht en wijsheid en leren uit eigen bevinding dat Christus voor hen alles in allen is en altijd moet zijn, en ook alles in allen in hen.
Vele moeilijkheden, obstakels en belemmeringen
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den HEERE te kennen (Hosea 6:3)
De uitdrukking „voortgaan” houdt in dat een mens op zijn weg veel moeilijkheden, obstakels en belemmeringen ontmoet. Zij houden hem ervan terug den HEERE te kennen. Het werk van de Geest in zijn ziel is hem ondanks al die hindernissen verder te brengen. Hij leidt hem voorwaarts en houdt de vreze Gods in hem levend.
Hij versterkt hem in de inwendige mens, laat hoop in hem neerdruppelen en deelt die inwendige genade mee. Zo wordt hij gedwongen om „voort te gaan”.
Soms lijkt hij gedreven, soms getrokken, soms geleid en soms gedragen. Maar op de een of andere manier werkt de Geest van God zo op hem in dat hij toch „voortgaat” hoewel hij nauwelijks weet hoe.
Juist zijn lasten doen hem zuchten om verlossing. Juist zijn verzoekingen doen hem om hulp roepen. Juist de moeilijkheid en de ruwheid van de weg doen hem verlangen om bij elke stap gedragen te worden. Juist het ingewikkelde van het pad dwingt hem om een gids te roepen.
De Geest werkt midden in elke moeilijkheid en ontmoediging, eronder en erdoorheen. Zo draagt Hij hem erdoor en voert Hij hem verder. Zo brengt Hij hem door elke beproeving, elk verdriet, elke verzoeking en elke hindernis heen totdat Hij hem in de heerlijkheid plaatst.
Het verbaast mij hoe onze ziel in leven wordt gehouden. De christen is een wonder voor zichzelf. Hij wordt voortgedragen en toch zo verborgen. Er wordt aan hem gewerkt en toch zo geheimvol. Hij wordt geleid, begeleid en ondersteund door zoveel moeilijkheden en hindernissen heen. Zo is hij een wonder van barmhartigheid terwijl hij wordt voortgedragen te midden van al … die moeilijkheden, hindernissen, beproevingen en verzoekingen.
De giftand van de zonde!
Wij moeten afdalen in de diepten van de val om te weten wat ons hart is en waartoe het in staat is. Wij hebben het scherpe mes van God nodig om diepe sneden in ons geweten te maken. Zo wordt het kwaad blootgelegd dat zo diep in onze vleselijke gezindheid zit. Pas dan kunnen wij de schoonheid en de gezegendheid van de zaligheid uit genade binnengaan en ervaren.
Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht. (Jesaja 1:6)
Toen de gemeente van God in Adam viel, viel zij met een klap die elk bot brak en haar vlees bont en blauw sloeg. Haar wonden zweren van het hoofd tot de voeten.
Haar verstand, haar geweten en haar genegenheden werden alle vreselijk verminkt … haar verstand werd verblind; haar geweten verdoofd; haar genegenheden vervreemd.
Zo werd elk vermogen van de geest verdraaid en vervormd.
Toen Adam in zonde en verzoeking viel, stormde de zonde binnen in elk vermogen van lichaam en ziel. Zij drong door tot in de diepste schuilhoeken van zijn wezen.
Als een mens door een giftige slang wordt gebeten, stroomt het gif door elke slagader en ader. Dan sterft hij als een verrotte massa van top tot teen. Zo drong de giftand van de zonde door tot in Adams diepste ziel en lichaam en besmette hem met haar gif van voetzool tot kruin.
Maar alleen wanneer de Heilige Geest het wanhopige en kwaadaardige karakter van de zonde openlegt, wordt zij werkelijk gezien en gevoeld en gaat men er verdrietig onder gebukt. Dan treurt men erover als over een allervreselijkste en angstaanjagende werkelijkheid.
het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat
Elke gedachte, elk woord en elke daad is door de zonde bevlekt.
Elk vermogen van de geest is verdorven … de wil kiest het kwade; de genegenheden kleven aan aardse dingen; het geheugen houdt als een kapotte zeef het slechte vast en laat het goede vallen; het oordeel spreekt als een omgekochte of dronken rechter onbezonnen of verkeerde vonnissen uit; het geweten ligt als een opiumgebruiker slapend en bedwelmd in verdoofde stilte.
Een berouwvolle afdwaler en een vergevende God!
En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem. (Lukas 15:20)
Nadat een kind van God iets heeft genoten van de goedheid en barmhartigheid van God zoals die openbaar zijn in het aangezicht van Zijn dierbare Zoon, kan hij van Zijn weldaden afdwalen. Hij dwaalt weg van de uitgelezen weiden van het evangelie en komt in een woeste huilende wildernis terecht waar noch voedsel noch water is. Toch heeft hij in zichzelf geen kracht om terug te keren hoewel hij halfdood is van armoede en honger.
Maar op Zijn tijd zoekt de Heere dit dwalende schaap op. De eerste plaats waar Hij hem brengt is de genadetroon, waar hij zijn zonden belijdt en barmhartigheid zoekt.
O, wat een ontmoeting!
Een berouwvolle afdwaler en een vergevende God!
O, wat een ontmoeting!
Een schuldige ellendeling die in tranen baadt — en een liefdevolle Vader Die hem om de hals valt en hem kust!
O, wat een ontmoeting voor een arme, zichzelf veroordelende ellendeling die nooit te diep over zijn zonden kan treuren en toch de genade veel overvloediger vindt dan al zijn overvloedige zonden! De liefde van God breekt door de wolk als de zon op een aprildag en doet zijn hart smelten tot berouw en liefde!
Zaligheid!
En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid (Openbaring 12:10)
Het zoetste lied dat de hemel ooit liet horen en de gezegendste klank die ooit de ziel deed smelten is „zaligheid”.
Gered te worden van … dood en hel; de worm die niet sterft; het vuur dat niet wordt uitgeblust; de zwavelvlammen van de bodemloze put; de gemeenschap met kwellende duivels; al het gemeen gespuis waaronder de aarde heeft gezucht; het lasteren van God in onuitsprekelijke ellende; een eeuwigheid van rampspoed zonder hoop. En gered te worden tot … de hemel; het zien van Jezus zoals Hij is; volmaakte heiligheid en gelukzaligheid; het zalige gezelschap van heilige engelen en verheerlijkte heiligen! En dat alles gedurende de talloze eeuwen van een zalige eeuwigheid!
Welke tong van mensen of engelen kan het miljoenste deel beschrijven van wat in het woord zaligheid besloten ligt!
Een bijzonder volk
Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk (1 Petrus 2:9)
Laten wij nooit vergeten dat de lijdende Zoon van God Zichzelf heeft gegeven om Zichzelf een bijzonder volk te reinigen … een volk met bijzondere gedachten want hun gedachten zijn de gedachten van God. Zij hebben immers de gezindheid van Christus. Een volk met bijzondere genegenheden want die zijn gevestigd op de dingen die boven zijn. Een volk met bijzondere gebeden want die worden in hun hart gewerkt door de Geest van genade en gebeden.
Een volk met bijzondere smarten want die komen voort uit een geestelijke bron. Een volk met bijzondere vreugden want het zijn vreugden die de vreemdeling niet kan begrijpen. Een volk met bijzondere hoop want die ligt voor anker binnen het voorhangsel.
Een volk met bijzondere verwachtingen want zij verwachten in deze verwoeste wereld geen oogst van geluk. Zij zien uit naar geluk in het koninkrijk van rust en vrede in de schoot van God.
Zij tonen dat zij een bijzonder volk zijn doordat zij … wandelen in de voetstappen van de Heere het Lam, het kruis opnemen, zichzelf verloochenen en leven tot eer, lof en heerlijkheid van God.
Het heeft uw hart zacht gemaakt, gebroken en doen smelten
Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde (Hosea 11:4)
Wanneer God Zijn volk dicht bij Zichzelf trekt, gebeurt dat niet op mechanische wijze. Zij worden getrokken, niet met ijzeren touwen maar met touwen van goedheid. God legt Zijn volk geen ijzeren arm om hen naar Zich toe te slepen, of zij nu willen komen of niet. Zo handelt God niet met mechanische dwang.
Daarom lezen wij: Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht. Hij raakt hun hart aan met Zijn genadige vinger en geeft hun ziel zowel geloof als gevoel. Hij doet hun hart smelten, maakt het zacht en verootmoedigt het door een besef van Zijn goedheid en barmhartigheid. Want het is Zijn goedheid, bevindelijk gevoeld en ervaren, die tot bekering leidt.
Als u ooit een geheime en heilige trekking van uw ziel omhoog naar de hemel hebt gevoeld, was het geen dwang, geen geweld en geen mechanische drang. Het was een arm van medelijden en mededogen die in uw hart werd neergelaten, uw diepste geest aanraakte en die optrok in de schoot van God.
Het was een zicht op Zijn goedheid, barmhartigheid en liefde, met iets van Zijn medelijden en mededogen met u dat in uw geest neerdaalde. Dat maakte uw hart zacht, brak het en deed het smelten. U werd niet voortgedreven met zweep en geseling maar gezegend getrokken met touwen van goedheid. Die leken elk tedere gevoel aan te raken en door te dringen tot in de diepten van uw ziel.
Vastgezet en vastgemaakt door een almachtige hand.
De waarheid, zoals zij in het kale Woord van God staat, is levenloos en dood. Zo heeft zij geen kracht om mee te delen wat zij in zichzelf niet heeft: leven en kracht voor het hart van Gods volk. Zij staat daar in zoveel letters en lettergrepen, zo levenloos als de loden letters waarmee zij gedrukt is.
Maar wanneer het vleesgeworden Woord neemt van het geschreven woord en het inspreekt in het hart en geweten van een vat van barmhartigheid, in de letter of naar de zaak, dan begiftigt Hij het met goddelijk leven. Het dringt de ziel binnen en deelt haar een leven mee dat nooit kan sterven.
Dan worden eeuwige werkelijkheden in de ziel gebracht, vastgezet en vastgemaakt door een almachtige hand. Het geweten wordt levend gemaakt in de vreze van God en de ziel wordt opgewekt uit de dood in zonde tot een hemels, nieuw en bovennatuurlijk leven.
Wanneer wij tot armoede en bedelarij zijn teruggebracht
Hoe vaak lijkt het alsof wij geen echte godsdienst hebben en geen vaste troost genieten! Hoe vaak is ons gemoed met diepe duisternis bedekt! Hoe vaak verbergt de Heere Zich zodat wij Hem niet kunnen aanschouwen en niet bij Hem kunnen komen! Wat een pijnlijk pad is dit om te bewandelen maar wat is het nuttig!
Als wij tot armoede en bedelarij zijn teruggebracht, leren wij Christus’ heerlijke rijkdom te waarderen.
Hoe slechter de mening is die wij over ons eigen hart hebben en hoe bedrieglijker en wanhopiger boos wij het bevinden, des te meer vertrouwen wij op Zijn trouw. Hoe zwarter wij in eigen ogen zijn, des te schoner en lieflijker verschijnt Hij in onze ogen.
Als wij zinken — rijst Jezus.
Als wij zwak worden — bewijst Hij Zijn kracht.
Als wij in gevaar komen — brengt Hij uitkomst.
Als wij in verzoeking komen — breekt Hij de strik.
Als wij in duisternis en onbekendheid zijn opgesloten, laat Hij het licht van Zijn aangezicht schijnen.
Door op deze manier geleid te worden en op deze paden te wandelen komen wij ertoe Jezus recht te kennen. Dan zien en voelen wij hoe passend en kostbaar zo’n Zaligmaker is voor onze verloren zielen! Wij zijn arm — Hij heeft in Zichzelf alle rijkdom.
Wij hebben honger — Hij is het brood van het leven.
Wij hebben dorst — en Hij zegt: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
Wij zijn naakt — en Hij heeft kleding te schenken.
Wij zijn dwaas — en Hij heeft wijsheid te geven.
Wij zijn verloren en Hij spreekt: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden.
Zo sluit onze ellende ons allerminst buiten van Gods barmhartigheid. Zij is er juist het enige vereiste voor.
Onze schuld sluit Zijn vergeving niet uit maar is er juist het enige dat nodig is.
Onze hulpeloosheid richt onze ziel niet te gronde maar is de nodige voorbereiding op de openbaring van Zijn kracht in onze zwakheid.
Wij kunnen onze eigen wonden en zweren niet genezen. Dat is juist de reden waarom Hij Zijn arm moet uitstrekken.
Omdat er geen zaligheid is in onszelf of in enig ander schepsel, zegt Hij: Wendt U naar Mij toe, want Ik ben God, en niemand meer.
Geen greintje! Geen atoom!
Wat ben ik?
Wat bent u?
Zijn wij niet vuil, bezoedeld en onrein?
Voelen wij ons niet min of meer dagelijks geheel als een onreine? Is niet elke gedachte van ons hart volkomen verdorven?
Woont er van nature enige heiligheid, enige geestelijkheid, enige hemelse gezindheid, enige reinheid, enige gelijkenis met het goddelijke beeld in ons hart?
Geen greintje! Geen atoom!
Hoe kan ik dan, een bezoedelde zondaar, ooit het aangezicht van een heilige God zien?
Hoe kan ik, een worm van de aarde, van binnen en van buiten verdorven door inwonende en bedreven zonde, ooit hopen een heilige God te zien zonder in vernietiging ineen te krimpen?
Wanneer wij de zuivere en vlekkeloze heiligheid van Jezus zien die aan Zijn volk wordt toegerekend, en hen zien … heilig in Hem, rein in Hem, zonder vlek in Hem, hoe neemt dat dan alle rimpels van het schepsel weg! Het doet hen heilig en vlekkeloos voor God staan.
Zij zullen komen met geween
Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren (Jeremia 31:9)
Terwijl zij komen, wenen zij. Zij treuren … over hun lage afdwalingen, over het vele kwaad dat zij hebben bedreven, over de lichtzinnigheid van geest waaraan zij zich hebben overgegeven en over de wereldsgezindheid van hun geest. Zij treuren over de hoogmoed, aanmatiging, huichelarij, vleselijkheid, achteloosheid en halsstarrigheid van hun hart.
Zij gaan en wenen met een gebroken hart en een verzachte geest en zoeken de Heere hun God. Zij zoeken de verborgen openbaringen van Zijn barmhartigheid, de bezoekingen van Zijn gunst en de opheffing van het licht van Zijn aangezicht. Zij zoeken naar een openbaring van de liefde van Jezus om Hem te kennen door een geestelijke ontdekking van Zichzelf.
Zo gezind … zoeken zij niet hun eigen gerechtigheid op te richten. Zij zoeken niet het applaus van de wereld, niet de goede mening van belijders en niet de glimlach van heiligen. Maar zij … zoeken de Heere hun God.
Zij zoeken Zijn aangezicht dag en nacht, Zijn gunst, Zijn barmhartigheid, Zijn genade, Zijn liefde en Zijn heerlijkheid. Zij zoeken de zoete bezoekingen van Zijn tegenwoordigheid en kracht. Zij zoeken Hem totdat zij Hem vinden als hun Verbondsgod Die al hun afdwalingen heelt.
Dit is de erfenis van de heiligen!
En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. (Romeinen 8:17)
Dit is de bijzondere gezegendheid van een kind van God: de dood, die alle hoop en alle geluk van de onwedergeborenen definitief uitdooft, geeft hem de vervulling van al zijn hoop en de voleinding van al zijn geluk. Want de dood plaatst hem in het bezit van een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is.
In dit tegenwoordige aardse leven hebben wij soms slokjes en proeven van de kindschap, zwak weliswaar en onderbroken. Toch zijn zij in zoverre onderpanden van een erfenis die komen zal.
Maar dit leven is slechts een inleiding tot een beter leven. In dit leven zijn wij slechts kinderen. Maar in het toekomende leven zullen wij in het volle bezit van de eeuwige erfenis worden gesteld.
En wat is die erfenis? Niets minder dan God Zelf. De apostel zegt: erfgenamen van God! God Zelf is de erfenis van Zijn volk. Ja, Hij Zelf in al Zijn heerlijke volmaaktheden … alle liefde van God, alle goedheid van God, alle heiligheid van God. Al Zijn geluk, zaligheid en gelukzaligheid, al Zijn macht, majesteit en heerlijkheid in de volle gloed van één eeuwige onbewolkte dag!
Dit is de erfenis van de heiligen!
Laten wij door geloof en gebed voortgaan om deze eeuwige en heerlijke kroon te winnen!
Smakelijke spijs, zoals hun ziel liefheeft
Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank. (Johannes 6:55)
Deze spijs is speciaal voor de uitverkorenen … bloed vergoten voor hun zonden en alleen voor hun zonden; gerechtigheid voor hen aangebracht en alleen voor hen; liefde aan hen geschonken en alleen aan hen; beloften geopenbaard tot hun troost en alleen tot hun troost; een eeuwige erfenis in de hemel voor hen bewaard en alleen voor hen.
De uitverkorenen zijn de enigen … die er honger naar hebben, die er trek in hebben, die een mond hebben om ervan te eten en een maag om het te verteren. Zij zijn de enigen wier ogen werkelijk geopend zijn om te zien wat „spijs” is. Alle anderen voeden zich met schaduwen. Zij weten niets van de smakelijke spijs van het evangelie.
Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet. De spijs van Jezus was … de verborgen mededelingen van de liefde van God, de bezoekingen van de tegenwoordigheid van Zijn Vader en de goddelijke gemeenschap die Hij met Zijn Vader genoot.
Zo is er voor de kinderen van God spijs in Christus en de Heere geeft hun honger naar die spijs. Hij stelt hun niet alleen voor ogen wat die spijs is maar ontsteekt ook onuitsprekelijke verlangens in hun ziel om ermee gevoed te worden.
Gods volk kan zich niet voeden … met draf, noch met as, noch met kaf, noch met wind, noch met druiven van gal en de bittere trossen van Gomorra.
Zij moeten echte spijs hebben, „smakelijke spijs zoals hun ziel liefheeft”. Het is wat God Zelf meedeelt, wat alleen Zijn hand kan neerbrengen en hun kan geven zodat zij het van Hem ontvangen als hun zielsverzadigend deel.
Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank.
Een gemakkelijker weg naar de heerlijkheid?
Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen MOETEN ingaan in het Koninkrijk Gods. (Handelingen 14:22)
De Heere heeft bepaald dat Zijn volk door diepe en snijdende verdrukkingen moet gaan. Want zij moeten door vele verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk van God boven en in de zoetheid en kracht van het Koninkrijk van God hier beneden.
Maar ieder mens zal zich tegen deze leer verzetten tenzij God hem er bevindelijk in heeft geleid. Het is zo’n ruw en rotsachtig pad, zo tegen vlees en bloed in en zo onverklaarbaar voor natuur en verstand dat de mens, de hoogmoedige en opstandige mens, nooit zal geloven dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.
Daarom zoeken zo velen een gemakkelijker weg naar de heerlijkheid dan de Heere voor Zijn heiligen heeft bepaald, of menen die te vinden. Maar zal het Hoofd een andere weg gaan dan de leden? Zal de Bruidegom door zeeën van smart gaan en waden en de bruid nooit zelfs haar voeten nat maken? Zal de Bruidegom gekruisigd worden in zwakheid en lijden en zal er geen inwendige kruisiging zijn voor de innig geliefde van Zijn hart?
Zal het Hoofd … lijden, treuren, worstelen in doodsangst, zuchten en sterven en zullen de leden over een bloemrijke weg heen dansen zonder inwendig verdriet of uitwendig lijden?
Maar misschien zijn er sommigen die in hun hart zeggen: „Ik ben hier wel van overtuigd maar mijn laffe vlees deinst ervoor terug. Ik weet dat ik, om het Kanaän boven te bereiken, het aangewezen deel aan verdrukking moet doorstaan. Maar mijn laffe vlees deinst terug!”
Dat doet het zeker! Wie zou vrijwillig beproevingen over zichzelf afroepen? Daarom laat de Heere deze beproevingen niet in onze handen. Hij Zelf bepaalt voor ieder van Zijn volk een zekere maat van verdrukking om doorheen te gaan. Zij komen vroeg genoeg. U hoeft er niet op vooruit te lopen en u hoeft ze niet te wensen. God zal ze brengen — op Zijn eigen tijd en op Zijn eigen wijze.
En wat meer is: God zal u er niet alleen in brengen maar God zal u er ook doorheen brengen en God zal u er ook uit brengen! Het zal onze barmhartigheid zijn als wij de Heere mogen vragen … ons te zegenen met geloof en geduld onder de verdrukking; ons kracht te geven om de storm te dragen; als klei in Zijn handen te liggen; ons gelijkvormig te maken aan het beeld van Zijn Zoon; ons door dit dal van tranen hier beneden te leiden; en ons uiteindelijk bij Zich te nemen boven!
Zoudt u dan grote dingen voor uzelf zoeken?
En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet (Jeremia 45:5)
Predikanten zoeken vaak … grote gaven, grote welsprekendheid, grote gemeenten en grote populariteit.
Zij doen verkeerd deze zogenaamd grote dingen te zoeken. Laten zij liever echte dingen zoeken, dingen van genade, dingen die hun ziel gelukzalig maken hier en hierna.
Wij staan op glibberige plaatsen!
De HEERE zegene u, en behoede u! (Numeri 6:24)
Hoe hard hebben wij de Heere nodig om ons te behoeden!
Wij staan op glibberige plaatsen!
Overal zijn strikken en vallen voor ons gelegd.
Elk beroep, elk vak in het leven, van het hoogste tot het laagste, heeft zijn eigen verzoekingen. Er worden strikken gespreid voor de voeten van de meest onontwikkelde mensen en ook van de hoogst beschaafde geesten. Er is niemand, in welke positie ook, voor wie geen strik is gelegd — een strik die hem zeker ten val zal brengen als God hem niet bewaart.
Laat dan het verlangen van onze ziel zijn: „De Heere behoede mij” … behoed mij in Zijn voorzienigheid, behoed mij door Zijn genade; behoed mij door Zijn vreze diep in mijn ziel te planten en die vreze levend en werkzaam in mijn hart te houden; behoed mij waakend, behoed mij slapend; behoed mij ’s nachts, behoed mij overdag; behoed mij thuis, behoed mij onderweg; behoed mij bij mijn gezin, behoed mij bij mijn vrienden; behoed mij in de wereld en behoed mij in de gemeente.


