Philpot’s Pearls — Part 3: All True Religion and This Hard School of Painful Experience (Part 1 of 2)
Jezus is … onze zon en zonder Hem is alles duisternis. Hij is ons leven en zonder Hem is alles dood. Hij is de Beginner en Voleinder van ons geloof, het wezen van onze hoop en het voorwerp van onze liefde.
Het is de Geest Die ons levend maakt … om onze behoefte aan Christus te voelen; om al wat wij nodig hebben in Hem en van Hem te zoeken; om in Hem te geloven tot het eeuwige leven en zo een leven van geloof in Hem te leiden.
Door Zijn … verborgen onderwijzingen, innerlijke aanrakingen, genadige glimlachen, zachte fluisteringen en zoete beloften trekt de Heilige Geest het hart omhoog naar Christus. Hij doet dat ook door openbaringen van Christus’ heerlijke Persoon en werk en van Zijn doodsstrijd en stervende liefde.
Zo wint Hij onze genegenheid. Hij houdt ons Christus voor ogen als Hem Die de banier boven tien duizend draagt en Die gans begeerlijk is. Zo wekt Hij die liefde en genegenheid tot Jezus op die de wereld onder onze voeten legt.
Alle ware godsdienst vloeit voort uit de genade, de tegenwoordigheid en de kracht van de Geest.
De wederbarende werking van de Heilige Geest
Door de aard van de val zelf is het onmogelijk dat een dode ziel … in God gelooft, God kent of God liefheeft.
Zij moet eerst levend gemaakt worden tot geestelijk leven voordat zij de enige ware God zaligmakend kan kennen. Zo ligt er al op de drempel — in het hart en de kern van de zaak — de volstrekte noodzaak van de wederbarende werking van de Heilige Geest in de ziel.
Juist de volledigheid en de diepte van de val maken het wederbarende werk van de Heilige Geest even noodzakelijk en even onmisbaar als het verlossende werk van de Zoon van God.
Deze harde school van pijnlijke bevinding
In tijden van beproeving en duisternis worden de heiligen en dienaren van God onderwezen. Zij zien en voelen wat het vlees werkelijk is en hoe vreemd het is aan het leven van God. Zij leren in Wie al hun kracht en bekwaamheid liggen.
Hun wordt geleerd dat in hen — dat is in hun vlees — niets goeds woont. Zij leren dat geen eigen inspanning het leven van God in kracht en frisheid kan onderhouden. En zij leren dat alles wat zij zijn en hebben voortvloeit uit de zuivere, soevereine genade. Dat geldt voor alles wat zij geloven, weten, voelen en genieten en voor al hun vermogen, nut, gaven en genade. Het vloeit voort uit de rijke, vrije, onverdiende maar onophoudelijke goedheid en barmhartigheid van God.
In deze harde school van pijnlijke bevinding leren zij hun leegheid en nietigheid. Zij leren dat zij zonder Christus inderdaad niets kunnen doen. Zo worden zij bekleed met nederigheid, dat lieflijke en passende gewaad. Zij laten af van hun eigen kracht en wijsheid en leren uit eigen bevinding dat Christus voor hen alles in allen is en altijd moet zijn, en ook alles in allen in hen.
Vele moeilijkheden, obstakels en belemmeringen
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den HEERE te kennen (Hosea 6:3)
De uitdrukking „voortgaan” houdt in dat een mens op zijn weg veel moeilijkheden, obstakels en belemmeringen ontmoet. Zij houden hem ervan terug den HEERE te kennen. Het werk van de Geest in zijn ziel is hem ondanks al die hindernissen verder te brengen. Hij leidt hem voorwaarts en houdt de vreze Gods in hem levend.
Hij versterkt hem in de inwendige mens, laat hoop in hem neerdruppelen en deelt die inwendige genade mee. Zo wordt hij gedwongen om „voort te gaan”.
Soms lijkt hij gedreven, soms getrokken, soms geleid en soms gedragen. Maar op de een of andere manier werkt de Geest van God zo op hem in dat hij toch „voortgaat” hoewel hij nauwelijks weet hoe.
Juist zijn lasten doen hem zuchten om verlossing. Juist zijn verzoekingen doen hem om hulp roepen. Juist de moeilijkheid en de ruwheid van de weg doen hem verlangen om bij elke stap gedragen te worden. Juist het ingewikkelde van het pad dwingt hem om een gids te roepen.
De Geest werkt midden in elke moeilijkheid en ontmoediging, eronder en erdoorheen. Zo draagt Hij hem erdoor en voert Hij hem verder. Zo brengt Hij hem door elke beproeving, elk verdriet, elke verzoeking en elke hindernis heen totdat Hij hem in de heerlijkheid plaatst.
Het verbaast mij hoe onze ziel in leven wordt gehouden. De christen is een wonder voor zichzelf. Hij wordt voortgedragen en toch zo verborgen. Er wordt aan hem gewerkt en toch zo geheimvol. Hij wordt geleid, begeleid en ondersteund door zoveel moeilijkheden en hindernissen heen. Zo is hij een wonder van barmhartigheid terwijl hij wordt voortgedragen te midden van al … die moeilijkheden, hindernissen, beproevingen en verzoekingen.
De giftand van de zonde!
Wij moeten afdalen in de diepten van de val om te weten wat ons hart is en waartoe het in staat is. Wij hebben het scherpe mes van God nodig om diepe sneden in ons geweten te maken. Zo wordt het kwaad blootgelegd dat zo diep in onze vleselijke gezindheid zit. Pas dan kunnen wij de schoonheid en de gezegendheid van de zaligheid uit genade binnengaan en ervaren.
Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht. (Jesaja 1:6)
Toen de gemeente van God in Adam viel, viel zij met een klap die elk bot brak en haar vlees bont en blauw sloeg. Haar wonden zweren van het hoofd tot de voeten.
Haar verstand, haar geweten en haar genegenheden werden alle vreselijk verminkt … haar verstand werd verblind; haar geweten verdoofd; haar genegenheden vervreemd.
Zo werd elk vermogen van de geest verdraaid en vervormd.
Toen Adam in zonde en verzoeking viel, stormde de zonde binnen in elk vermogen van lichaam en ziel. Zij drong door tot in de diepste schuilhoeken van zijn wezen.
Als een mens door een giftige slang wordt gebeten, stroomt het gif door elke slagader en ader. Dan sterft hij als een verrotte massa van top tot teen. Zo drong de giftand van de zonde door tot in Adams diepste ziel en lichaam en besmette hem met haar gif van voetzool tot kruin.
Maar alleen wanneer de Heilige Geest het wanhopige en kwaadaardige karakter van de zonde openlegt, wordt zij werkelijk gezien en gevoeld en gaat men er verdrietig onder gebukt. Dan treurt men erover als over een allervreselijkste en angstaanjagende werkelijkheid.
het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat
Elke gedachte, elk woord en elke daad is door de zonde bevlekt.
Elk vermogen van de geest is verdorven … de wil kiest het kwade; de genegenheden kleven aan aardse dingen; het geheugen houdt als een kapotte zeef het slechte vast en laat het goede vallen; het oordeel spreekt als een omgekochte of dronken rechter onbezonnen of verkeerde vonnissen uit; het geweten ligt als een opiumgebruiker slapend en bedwelmd in verdoofde stilte.
Een berouwvolle afdwaler en een vergevende God!
En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem. (Lukas 15:20)
Nadat een kind van God iets heeft genoten van de goedheid en barmhartigheid van God zoals die openbaar zijn in het aangezicht van Zijn dierbare Zoon, kan hij van Zijn weldaden afdwalen. Hij dwaalt weg van de uitgelezen weiden van het evangelie en komt in een woeste huilende wildernis terecht waar noch voedsel noch water is. Toch heeft hij in zichzelf geen kracht om terug te keren hoewel hij halfdood is van armoede en honger.
Maar op Zijn tijd zoekt de Heere dit dwalende schaap op. De eerste plaats waar Hij hem brengt is de genadetroon, waar hij zijn zonden belijdt en barmhartigheid zoekt.
O, wat een ontmoeting!
Een berouwvolle afdwaler en een vergevende God!
O, wat een ontmoeting!
Een schuldige ellendeling die in tranen baadt — en een liefdevolle Vader Die hem om de hals valt en hem kust!
O, wat een ontmoeting voor een arme, zichzelf veroordelende ellendeling die nooit te diep over zijn zonden kan treuren en toch de genade veel overvloediger vindt dan al zijn overvloedige zonden! De liefde van God breekt door de wolk als de zon op een aprildag en doet zijn hart smelten tot berouw en liefde!
Zaligheid!
En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid (Openbaring 12:10)
Het zoetste lied dat de hemel ooit liet horen en de gezegendste klank die ooit de ziel deed smelten is „zaligheid”.
Gered te worden van … dood en hel; de worm die niet sterft; het vuur dat niet wordt uitgeblust; de zwavelvlammen van de bodemloze put; de gemeenschap met kwellende duivels; al het gemeen gespuis waaronder de aarde heeft gezucht; het lasteren van God in onuitsprekelijke ellende; een eeuwigheid van rampspoed zonder hoop. En gered te worden tot … de hemel; het zien van Jezus zoals Hij is; volmaakte heiligheid en gelukzaligheid; het zalige gezelschap van heilige engelen en verheerlijkte heiligen! En dat alles gedurende de talloze eeuwen van een zalige eeuwigheid!
Welke tong van mensen of engelen kan het miljoenste deel beschrijven van wat in het woord zaligheid besloten ligt!
Een bijzonder volk
Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk (1 Petrus 2:9)
Laten wij nooit vergeten dat de lijdende Zoon van God Zichzelf heeft gegeven om Zichzelf een bijzonder volk te reinigen … een volk met bijzondere gedachten want hun gedachten zijn de gedachten van God. Zij hebben immers de gezindheid van Christus. Een volk met bijzondere genegenheden want die zijn gevestigd op de dingen die boven zijn. Een volk met bijzondere gebeden want die worden in hun hart gewerkt door de Geest van genade en gebeden.
Een volk met bijzondere smarten want die komen voort uit een geestelijke bron. Een volk met bijzondere vreugden want het zijn vreugden die de vreemdeling niet kan begrijpen. Een volk met bijzondere hoop want die ligt voor anker binnen het voorhangsel.
Een volk met bijzondere verwachtingen want zij verwachten in deze verwoeste wereld geen oogst van geluk. Zij zien uit naar geluk in het koninkrijk van rust en vrede in de schoot van God.
Zij tonen dat zij een bijzonder volk zijn doordat zij … wandelen in de voetstappen van de Heere het Lam, het kruis opnemen, zichzelf verloochenen en leven tot eer, lof en heerlijkheid van God.
Het heeft uw hart zacht gemaakt, gebroken en doen smelten
Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde (Hosea 11:4)
Wanneer God Zijn volk dicht bij Zichzelf trekt, gebeurt dat niet op mechanische wijze. Zij worden getrokken, niet met ijzeren touwen maar met touwen van goedheid. God legt Zijn volk geen ijzeren arm om hen naar Zich toe te slepen, of zij nu willen komen of niet. Zo handelt God niet met mechanische dwang.
Daarom lezen wij: Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht. Hij raakt hun hart aan met Zijn genadige vinger en geeft hun ziel zowel geloof als gevoel. Hij doet hun hart smelten, maakt het zacht en verootmoedigt het door een besef van Zijn goedheid en barmhartigheid. Want het is Zijn goedheid, bevindelijk gevoeld en ervaren, die tot bekering leidt.
Als u ooit een geheime en heilige trekking van uw ziel omhoog naar de hemel hebt gevoeld, was het geen dwang, geen geweld en geen mechanische drang. Het was een arm van medelijden en mededogen die in uw hart werd neergelaten, uw diepste geest aanraakte en die optrok in de schoot van God.
Het was een zicht op Zijn goedheid, barmhartigheid en liefde, met iets van Zijn medelijden en mededogen met u dat in uw geest neerdaalde. Dat maakte uw hart zacht, brak het en deed het smelten. U werd niet voortgedreven met zweep en geseling maar gezegend getrokken met touwen van goedheid. Die leken elk tedere gevoel aan te raken en door te dringen tot in de diepten van uw ziel.
Vastgezet en vastgemaakt door een almachtige hand.
De waarheid, zoals zij in het kale Woord van God staat, is levenloos en dood. Zo heeft zij geen kracht om mee te delen wat zij in zichzelf niet heeft: leven en kracht voor het hart van Gods volk. Zij staat daar in zoveel letters en lettergrepen, zo levenloos als de loden letters waarmee zij gedrukt is.
Maar wanneer het vleesgeworden Woord neemt van het geschreven woord en het inspreekt in het hart en geweten van een vat van barmhartigheid, in de letter of naar de zaak, dan begiftigt Hij het met goddelijk leven. Het dringt de ziel binnen en deelt haar een leven mee dat nooit kan sterven.
Dan worden eeuwige werkelijkheden in de ziel gebracht, vastgezet en vastgemaakt door een almachtige hand. Het geweten wordt levend gemaakt in de vreze van God en de ziel wordt opgewekt uit de dood in zonde tot een hemels, nieuw en bovennatuurlijk leven.
Wanneer wij tot armoede en bedelarij zijn teruggebracht
Hoe vaak lijkt het alsof wij geen echte godsdienst hebben en geen vaste troost genieten! Hoe vaak is ons gemoed met diepe duisternis bedekt! Hoe vaak verbergt de Heere Zich zodat wij Hem niet kunnen aanschouwen en niet bij Hem kunnen komen! Wat een pijnlijk pad is dit om te bewandelen maar wat is het nuttig!
Als wij tot armoede en bedelarij zijn teruggebracht, leren wij Christus’ heerlijke rijkdom te waarderen.
Hoe slechter de mening is die wij over ons eigen hart hebben en hoe bedrieglijker en wanhopiger boos wij het bevinden, des te meer vertrouwen wij op Zijn trouw. Hoe zwarter wij in eigen ogen zijn, des te schoner en lieflijker verschijnt Hij in onze ogen.
Als wij zinken — rijst Jezus.
Als wij zwak worden — bewijst Hij Zijn kracht.
Als wij in gevaar komen — brengt Hij uitkomst.
Als wij in verzoeking komen — breekt Hij de strik.
Als wij in duisternis en onbekendheid zijn opgesloten, laat Hij het licht van Zijn aangezicht schijnen.
Door op deze manier geleid te worden en op deze paden te wandelen komen wij ertoe Jezus recht te kennen. Dan zien en voelen wij hoe passend en kostbaar zo’n Zaligmaker is voor onze verloren zielen! Wij zijn arm — Hij heeft in Zichzelf alle rijkdom.
Wij hebben honger — Hij is het brood van het leven.
Wij hebben dorst — en Hij zegt: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
Wij zijn naakt — en Hij heeft kleding te schenken.
Wij zijn dwaas — en Hij heeft wijsheid te geven.
Wij zijn verloren en Hij spreekt: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden.
Zo sluit onze ellende ons allerminst buiten van Gods barmhartigheid. Zij is er juist het enige vereiste voor.
Onze schuld sluit Zijn vergeving niet uit maar is er juist het enige dat nodig is.
Onze hulpeloosheid richt onze ziel niet te gronde maar is de nodige voorbereiding op de openbaring van Zijn kracht in onze zwakheid.
Wij kunnen onze eigen wonden en zweren niet genezen. Dat is juist de reden waarom Hij Zijn arm moet uitstrekken.
Omdat er geen zaligheid is in onszelf of in enig ander schepsel, zegt Hij: Wendt U naar Mij toe, want Ik ben God, en niemand meer.
Geen greintje! Geen atoom!
Wat ben ik?
Wat bent u?
Zijn wij niet vuil, bezoedeld en onrein?
Voelen wij ons niet min of meer dagelijks geheel als een onreine? Is niet elke gedachte van ons hart volkomen verdorven?
Woont er van nature enige heiligheid, enige geestelijkheid, enige hemelse gezindheid, enige reinheid, enige gelijkenis met het goddelijke beeld in ons hart?
Geen greintje! Geen atoom!
Hoe kan ik dan, een bezoedelde zondaar, ooit het aangezicht van een heilige God zien?
Hoe kan ik, een worm van de aarde, van binnen en van buiten verdorven door inwonende en bedreven zonde, ooit hopen een heilige God te zien zonder in vernietiging ineen te krimpen?
Wanneer wij de zuivere en vlekkeloze heiligheid van Jezus zien die aan Zijn volk wordt toegerekend, en hen zien … heilig in Hem, rein in Hem, zonder vlek in Hem, hoe neemt dat dan alle rimpels van het schepsel weg! Het doet hen heilig en vlekkeloos voor God staan.
Zij zullen komen met geween
Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren (Jeremia 31:9)
Terwijl zij komen, wenen zij. Zij treuren … over hun lage afdwalingen, over het vele kwaad dat zij hebben bedreven, over de lichtzinnigheid van geest waaraan zij zich hebben overgegeven en over de wereldsgezindheid van hun geest. Zij treuren over de hoogmoed, aanmatiging, huichelarij, vleselijkheid, achteloosheid en halsstarrigheid van hun hart.
Zij gaan en wenen met een gebroken hart en een verzachte geest en zoeken de Heere hun God. Zij zoeken de verborgen openbaringen van Zijn barmhartigheid, de bezoekingen van Zijn gunst en de opheffing van het licht van Zijn aangezicht. Zij zoeken naar een openbaring van de liefde van Jezus om Hem te kennen door een geestelijke ontdekking van Zichzelf.
Zo gezind … zoeken zij niet hun eigen gerechtigheid op te richten. Zij zoeken niet het applaus van de wereld, niet de goede mening van belijders en niet de glimlach van heiligen. Maar zij … zoeken de Heere hun God.
Zij zoeken Zijn aangezicht dag en nacht, Zijn gunst, Zijn barmhartigheid, Zijn genade, Zijn liefde en Zijn heerlijkheid. Zij zoeken de zoete bezoekingen van Zijn tegenwoordigheid en kracht. Zij zoeken Hem totdat zij Hem vinden als hun Verbondsgod Die al hun afdwalingen heelt.
Dit is de erfenis van de heiligen!
En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. (Romeinen 8:17)
Dit is de bijzondere gezegendheid van een kind van God: de dood, die alle hoop en alle geluk van de onwedergeborenen definitief uitdooft, geeft hem de vervulling van al zijn hoop en de voleinding van al zijn geluk. Want de dood plaatst hem in het bezit van een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is.
In dit tegenwoordige aardse leven hebben wij soms slokjes en proeven van de kindschap, zwak weliswaar en onderbroken. Toch zijn zij in zoverre onderpanden van een erfenis die komen zal.
Maar dit leven is slechts een inleiding tot een beter leven. In dit leven zijn wij slechts kinderen. Maar in het toekomende leven zullen wij in het volle bezit van de eeuwige erfenis worden gesteld.
En wat is die erfenis? Niets minder dan God Zelf. De apostel zegt: erfgenamen van God! God Zelf is de erfenis van Zijn volk. Ja, Hij Zelf in al Zijn heerlijke volmaaktheden … alle liefde van God, alle goedheid van God, alle heiligheid van God. Al Zijn geluk, zaligheid en gelukzaligheid, al Zijn macht, majesteit en heerlijkheid in de volle gloed van één eeuwige onbewolkte dag!
Dit is de erfenis van de heiligen!
Laten wij door geloof en gebed voortgaan om deze eeuwige en heerlijke kroon te winnen!
Smakelijke spijs, zoals hun ziel liefheeft
Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank. (Johannes 6:55)
Deze spijs is speciaal voor de uitverkorenen … bloed vergoten voor hun zonden en alleen voor hun zonden; gerechtigheid voor hen aangebracht en alleen voor hen; liefde aan hen geschonken en alleen aan hen; beloften geopenbaard tot hun troost en alleen tot hun troost; een eeuwige erfenis in de hemel voor hen bewaard en alleen voor hen.
De uitverkorenen zijn de enigen … die er honger naar hebben, die er trek in hebben, die een mond hebben om ervan te eten en een maag om het te verteren. Zij zijn de enigen wier ogen werkelijk geopend zijn om te zien wat „spijs” is. Alle anderen voeden zich met schaduwen. Zij weten niets van de smakelijke spijs van het evangelie.
Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet. De spijs van Jezus was … de verborgen mededelingen van de liefde van God, de bezoekingen van de tegenwoordigheid van Zijn Vader en de goddelijke gemeenschap die Hij met Zijn Vader genoot.
Zo is er voor de kinderen van God spijs in Christus en de Heere geeft hun honger naar die spijs. Hij stelt hun niet alleen voor ogen wat die spijs is maar ontsteekt ook onuitsprekelijke verlangens in hun ziel om ermee gevoed te worden.
Gods volk kan zich niet voeden … met draf, noch met as, noch met kaf, noch met wind, noch met druiven van gal en de bittere trossen van Gomorra.
Zij moeten echte spijs hebben, „smakelijke spijs zoals hun ziel liefheeft”. Het is wat God Zelf meedeelt, wat alleen Zijn hand kan neerbrengen en hun kan geven zodat zij het van Hem ontvangen als hun zielsverzadigend deel.
Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank.
Een gemakkelijker weg naar de heerlijkheid?
Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen MOETEN ingaan in het Koninkrijk Gods. (Handelingen 14:22)
De Heere heeft bepaald dat Zijn volk door diepe en snijdende verdrukkingen moet gaan. Want zij moeten door vele verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk van God boven en in de zoetheid en kracht van het Koninkrijk van God hier beneden.
Maar ieder mens zal zich tegen deze leer verzetten tenzij God hem er bevindelijk in heeft geleid. Het is zo’n ruw en rotsachtig pad, zo tegen vlees en bloed in en zo onverklaarbaar voor natuur en verstand dat de mens, de hoogmoedige en opstandige mens, nooit zal geloven dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.
Daarom zoeken zo velen een gemakkelijker weg naar de heerlijkheid dan de Heere voor Zijn heiligen heeft bepaald, of menen die te vinden. Maar zal het Hoofd een andere weg gaan dan de leden? Zal de Bruidegom door zeeën van smart gaan en waden en de bruid nooit zelfs haar voeten nat maken? Zal de Bruidegom gekruisigd worden in zwakheid en lijden en zal er geen inwendige kruisiging zijn voor de innig geliefde van Zijn hart?
Zal het Hoofd … lijden, treuren, worstelen in doodsangst, zuchten en sterven en zullen de leden over een bloemrijke weg heen dansen zonder inwendig verdriet of uitwendig lijden?
Maar misschien zijn er sommigen die in hun hart zeggen: „Ik ben hier wel van overtuigd maar mijn laffe vlees deinst ervoor terug. Ik weet dat ik, om het Kanaän boven te bereiken, het aangewezen deel aan verdrukking moet doorstaan. Maar mijn laffe vlees deinst terug!”
Dat doet het zeker! Wie zou vrijwillig beproevingen over zichzelf afroepen? Daarom laat de Heere deze beproevingen niet in onze handen. Hij Zelf bepaalt voor ieder van Zijn volk een zekere maat van verdrukking om doorheen te gaan. Zij komen vroeg genoeg. U hoeft er niet op vooruit te lopen en u hoeft ze niet te wensen. God zal ze brengen — op Zijn eigen tijd en op Zijn eigen wijze.
En wat meer is: God zal u er niet alleen in brengen maar God zal u er ook doorheen brengen en God zal u er ook uit brengen! Het zal onze barmhartigheid zijn als wij de Heere mogen vragen … ons te zegenen met geloof en geduld onder de verdrukking; ons kracht te geven om de storm te dragen; als klei in Zijn handen te liggen; ons gelijkvormig te maken aan het beeld van Zijn Zoon; ons door dit dal van tranen hier beneden te leiden; en ons uiteindelijk bij Zich te nemen boven!
Zoudt u dan grote dingen voor uzelf zoeken?
En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet (Jeremia 45:5)
Predikanten zoeken vaak … grote gaven, grote welsprekendheid, grote gemeenten en grote populariteit.
Zij doen verkeerd deze zogenaamd grote dingen te zoeken. Laten zij liever echte dingen zoeken, dingen van genade, dingen die hun ziel gelukzalig maken hier en hierna.
Wij staan op glibberige plaatsen!
De HEERE zegene u, en behoede u! (Numeri 6:24)
Hoe hard hebben wij de Heere nodig om ons te behoeden!
Wij staan op glibberige plaatsen!
Overal zijn strikken en vallen voor ons gelegd.
Elk beroep, elk vak in het leven, van het hoogste tot het laagste, heeft zijn eigen verzoekingen. Er worden strikken gespreid voor de voeten van de meest onontwikkelde mensen en ook van de hoogst beschaafde geesten. Er is niemand, in welke positie ook, voor wie geen strik is gelegd — een strik die hem zeker ten val zal brengen als God hem niet bewaart.
Laat dan het verlangen van onze ziel zijn: „De Heere behoede mij” … behoed mij in Zijn voorzienigheid, behoed mij door Zijn genade; behoed mij door Zijn vreze diep in mijn ziel te planten en die vreze levend en werkzaam in mijn hart te houden; behoed mij waakend, behoed mij slapend; behoed mij ’s nachts, behoed mij overdag; behoed mij thuis, behoed mij onderweg; behoed mij bij mijn gezin, behoed mij bij mijn vrienden; behoed mij in de wereld en behoed mij in de gemeente.
Jesus is . . . our sun, and without Him all is darkness; our life, and without Him all is death; the beginner and finisher of our faith; the substance of our hope; the object of our love. It is the Spirit who quickens us . . . to feel our need of Christ; to seek all our supplies in Him and from Him; to believe in Him unto everlasting life, and thus live a life of faith upon Him. By His . . . secret teachings, inward touches, gracious smiles, soft whispers, sweet promises, manifestations of Christ’s glorious Person and work, Christ’s agonizing sufferings and dying love, the Holy Spirit draws the heart up to Christ. He thus wins our affections, and setting Christ before our eyes as “the chief among ten thousand and the altogether lovely One,” draws out that love and affection towards Jesus which puts the world under our feet. All true religion flows from the Spirit’s grace, presence and power.
The regenerating operations of the Holy Spirit
From the very nature of the fall, it is impossible for a dead soul to . . . believe in God, know God, or love God. It must be quickened into spiritual life before it can savingly know the only true God. And thus there lies at the very threshold—in the very heart and core of the case—the absolute necessity of the regenerating operations of the Holy Spirit upon the soul. The very completeness and depth of the fall render the regenerating work of the Holy Spirit as necessary, as indispensable as the redeeming work of the Son of God.
This hard school of painful experience
In times of trial and darkness, the saints and servants of God are instructed. They see and feel what the flesh really is, how alienated from the life of God—they learn in whom all their strength and sufficiency lie—they are taught that in them, that is, in their flesh, dwells no good thing—that no exertions of their own can maintain in strength and vigor the life of God—and that all they are and have, all they believe, know, feel, and enjoy, with all their ability, usefulness, gifts, and grace—flow from the pure, sovereign grace—the rich, free, undeserved, yet unceasing goodness and mercy of God. They learn in this hard school of painful experience their emptiness and nothingness—and that without Christ indeed they can do nothing. They thus become clothed with humility, that lovely, becoming garb—cease from their own strength and wisdom—and learn experimentally that Christ is, and ever must be, all in all to them, and all in all in them.
Many difficulties, obstacles, and hindrances
“Oh, that we might know the Lord! Let us press on to know Him!” Hosea 6:3 The expression, “press on,” implies that there are many difficulties, obstacles, and hindrances in a man’s way, which keep him back from “knowing the Lord.” Now the work of the Spirit in his soul is to carry him on in spite of all these obstacles—to lead him forward—to keep alive in him the fear of God—to strengthen him in his inner man—to drop in those hopes—to communicate that inward grace—so that he is compelled to press on. Sometimes he seems driven, sometimes drawn, sometimes led, and sometimes carried, but in one way or another the Spirit of God so works upon him that, though he scarcely knows how—he still “presses on.” His very burdens make him groan for deliverance—his very temptations cause him to cry for help—the very difficulty and ruggedness of the road make him want to be carried every step—the very intricacy of the path compels him to cry out for a guide—so that the Spirit working in the midst of, and under, and through every difficulty and discouragement, still bears him through, and carries him on—and thus brings him through every trial and trouble and temptation and obstacle, until He sets him in glory. It is astonishing to me how our souls are kept alive. The Christian is a marvel to himself. Carried on, and yet so secretly—worked upon, and yet so mysteriously; and yet led on, guided, and supported through so many difficulties and obstacles—that he is a miracle of mercy as he is carried on amid all . . . difficulties, obstacles, trials, and temptations.
The poison fang of sin!
We must go down into the depths of the fall to know what our hearts are, and what they are capable of—we must have the keen knife of God to cut deep gashes in our conscience and lay bare the evil that lies so deeply imbedded in our carnal mind—before we can enter into and experience the beauty and blessedness of salvation by grace. “From the sole of the foot even unto the head there is no soundness in it—but wounds, and bruises, and putrefying sores—they have not been closed, neither bound up, neither mollified with ointment.” Isaiah 1:6 When the Church of God fell in Adam, she fell with a crash which broke every bone and bruised her flesh with wounds which are ulcerated from head to toe. Her understanding, her conscience, and her affections were all fearfully maimed . . . her understanding was blinded; her conscience stupefied; her affections alienated. Every mental faculty thus became perverted and distorted. When Adam fell into sin and temptation—sin rushed into every faculty of body and soul—and penetrated into the inmost recesses of his being. As when a man is bitten by a poisonous serpent, the venom courses through every artery and vein, and he dies a corrupted mass from head to foot; so did the poison fang of sin penetrate into Adam’s inmost soul and body, and infect him with its venom from the sole to the crown. But it is only as sin’s desperate and malignant character is opened up by the Holy Spirit that it is really seen, felt, grieved under, and mourned over as indeed a most dreadful and fearful reality. “The whole head is sick—and the whole heart faint.” Every thought, word, and action is polluted by sin.
Every mental faculty is depraved . . .
the will chooses evil; the affections cleave to earthly things; the memory, like a broken sieve, retains the bad and lets fall the good; the judgment, like a bribed or drunken judge, pronounces heedless or wrong decisions; the conscience, like an opium eater, lies asleep and drugged in stupefied silence.
A penitent backslider and a forgiving God!
“And while he was still a long distance away, his father saw him coming. Filled with love and compassion, he ran to his son, embraced him, and kissed him.” Luke 15:20 After a child of God has enjoyed something of the goodness and mercy of God revealed in the face of His dear Son, he may wander from his mercies—stray away from these choice gospel pastures—and get into a waste howling wilderness, where there is neither food nor water—and yet, though half starved for poverty, has in himself no power to return. But in due time the Lord seeks out this wandering sheep, and the first place he brings him to is the mercy seat—confessing his sins and seeking mercy. O what a meeting!
A penitent backslider and a forgiving God!
O what a meeting! A guilty wretch drowned in tears—and a loving Father falling upon his neck and kissing him! O what a meeting for a poor, self-condemned wretch, who can never mourn too deeply over his sins, and yet finds grace super-abounding over all his abounding sins—and the love of God bursting through the cloud, like the sun upon an April day—and melting his heart into contrition and love!
Salvation!
Then I heard a loud voice in heaven say: “Now has come the salvation.” Rev. 12:10 The sweetest song that heaven ever proclaimed, the most blessed note that ever melted the soul, is “salvation.” To be saved from . . . death and hell; the worm which dies not; the fire which is not quenched; the sulphurous flames of the bottomless pit; the companionship of tormenting fiends; all the foul wretches under which earth has groaned; blaspheming God in unutterable woe; an eternity of misery without hope; and saved into . . . heaven; the sight of Jesus as He is; perfect holiness and happiness; the blissful company of holy angels and glorified saints! And all this during the countless ages of a blessed eternity! What tongue of men or angels can describe the millionth part of what is contained in the word salvation!
A peculiar people
“But you are . . . a chosen generation, a royal priesthood, a holy nation, a peculiar people.” 1 Peter 2:9 May we never forget that the suffering Son of God gave Himself to purify unto Himself a peculiar people . . . a people whose thoughts are peculiar, for their thoughts are the thoughts of God, as having the mind of Christ; a people whose affections are peculiar, for they are fixed on things above; a people whose prayers are peculiar, for they are wrought in their heart by the Spirit of grace and supplication; a people whose sorrows are peculiar, because they spring from a spiritual source; a people whose joys are peculiar, for they are joys which the stranger cannot understand; a people whose hopes are peculiar, as anchoring within the veil; a people whose expectations are peculiar, as not expecting to reap a crop of happiness in this marred world—but are looking for happiness in the kingdom of rest and peace in the bosom of God. They make it manifest that they are a peculiar people by . . . walking in the footsteps of the Lord the Lamb, taking up the cross, denying themselves, and living to the honor, praise, and glory of God.
Softened, broke, and melted your heart
“I drew them with cords of human kindness, with ties of love.” Hosea 11:4 When God draws His people near unto Himself, it is not done in a mechanical way. They are drawn, not with cords of iron, but with the cords of kindness; not as if God laid an iron arm upon His people to drag them to Himself—whether they wished to come or not. God does not so act in a way of mechanical force. We therefore read, “Your people shall be made willing in the day of Your power.” He touches their heart with His gracious finger, and he communicates to their soul both faith and feeling. He melts, softens, and humbles their heart by a sense of His goodness and mercy—for it is His goodness, as experimentally felt and realized, which leads to repentance. If you have ever felt any secret and sacred drawing of your soul upward to heaven—it was not compulsion, not violence, not a mechanical constraint—but an arm of pity and compassion let down into your very heart, which, touching your inmost spirit, drew it up into the bosom of God. It was some view of His goodness, mercy, and love, with some dropping into your spirit of His pity and compassion towards you, which softened, broke, and melted your heart. You were not driven onward by being flogged and scourged, but blessedly drawn with the cords of kindness, which seemed to touch every tender feeling and enter into the very depths of your soul.
Fixed and fastened by an Almighty hand.
Truth, as it stands in the naked word of God, is lifeless and dead—and as such, has no power to communicate what it has not in itself—that is, life and power to the hearts of God’s people. It stands there in so many letters and syllables, as lifeless as the types by which they were printed. But when the incarnate Word takes of the written word, and speaks it home into the heart and conscience of a vessel of mercy, whether in letter or substance—then He endues it with divine life—and it enters into the soul, communicating to it a life that can never die. Eternal realities are then brought into the soul, fixed and fastened by an Almighty hand.
The conscience is made alive in the fear of God; and the soul is raised up from a death in sin, to a heavenly, new, and supernatural life.
When we are reduced to poverty and beggary
How often we seem not to have any real religion, or enjoy any solid comfort! How often are our minds covered with deep darkness! How often does the Lord hide Himself, so that we cannot behold Him, nor get near to Him! What a painful path is this to walk in, but how profitable! When we are reduced to poverty and beggary, we learn to value Christ’s glorious riches. The worse opinion we have of our own heart, and the more deceitful and desperately wicked that we find it—the more we put our trust in His faithfulness. The more black we are in our own esteem—the more beautiful and lovely does He appear in our eyes. As we sink—Jesus rises. As we become feeble—He puts forth his strength. As we come into danger—He brings deliverance. As we get into temptation—He breaks the snare. As we are shut up in darkness and obscurity; He causes the light of His countenance to shine. Now it is by being led in this way, and walking in these paths, that we come rightly to know who Jesus is; and to see and feel how suitable and precious such a Savior is to our undone souls! We are needy, He has in Himself all riches. We are hungry—He is the bread of life. We are thirsty—He says, “If any man thirst, let him come unto Me, and drink.” We are naked—and He has clothing to bestow. We are fools—and He has wisdom to grant. We are lost, and He speaks— “Look unto Me, and be saved.” Thus, so far from our misery shutting us out from God’s mercy—it is the only requisite for it. So far from our guilt excluding His pardon, it is the only thing needful for it. So far from our helplessness ruining our souls, it is the needful preparation for the manifestation of His power in our weakness. We cannot heal our own wounds and sores. That is the very reason why He should stretch forth His arm. It is because there is no salvation in ourselves, or in any other creature, that He says, “Look unto Me, for I am God, and there is no other.”
Not a grain! Not an atom!
What am I? What are you? Are we not filthy, polluted, and defiled? Do not we, more or less, daily feel altogether as an unclean thing? Is not every thought of our heart altogether vile? Does any holiness, any spirituality, any heavenly- mindedness, any purity, any resemblance to the divine image dwell in our hearts by nature?
Not a grain! Not an atom!
How then can I, a polluted sinner, ever see the face of a holy God? How can I, a worm of earth, corrupted within and without by indwelling and committed sin, ever hope to see a holy God without shrinking into destruction? When we view the pure and spotless holiness of Jesus imputed to His people, and view them . . . holy in Him, pure in Him, without spot in Him, how it does away with all the wrinkles of the creature, and makes them stand holy and spotless before God.
They will come with weeping
“They will come with weeping; they will pray as I bring them back.” Jeremiah 31:9 As they come, they weep. They mourn . . . over their base backslidings, over the many evils they have committed, over the levity of mind which they have indulged, over the worldliness of spirit, over the— pride, presumption, hypocrisy, carnality, carelessness, and obstinacy of their heart. They go and weep with a broken heart and softened spirit—seeking the Lord their God—seeking the secret manifestations of His mercy, the visitations of His favor, the “lifting up of the light of His countenance”— seeking after a revelation of the love of Jesus—to know Him by a spiritual discovery of Himself. Being thus minded . . . they seek not to establish their own righteousness; they seek not the applause of the world; they seek not the good opinion of professors; they seek not the smiles of saints. But they . . . seek the Lord their God, seek His face day and night, seek His favor, seek His mercy, seek His grace, seek His love, seek His glory, seek the sweet visitations of His presence and power, seek Him until they find Him to be their covenant God, who heals all their backslidings.
This is the saint’s inheritance!
“Now if we are children, then we are heirs—heirs of God and co-heirs with Christ, if indeed we share in His sufferings in order that we may also share in His glory.” Romans 8:17 This is the especial blessedness of being a child of God: that death, which puts a final extinguisher on all the hopes and happiness of all the unregenerate—gives him the fulfillment of all his hopes and the consummation of all his happiness—for it places him in possession of “an inheritance incorruptible and undefiled, and that fades not away, reserved in heaven.” In this present earthly life, we have sometimes sips and tastes of sonship, feeble indeed and interrupted; yet are they so far pledges of an inheritance to come. But this life is only an introduction to a better. In this life we are but children—but in the life to come, we shall be put into full possession of the eternal inheritance. And what is this? Nothing less than God Himself. “Heirs of God!” says the Apostle. God Himself is the inheritance of His people—yes, He Himself in all His glorious perfections . . . all the love of God, all the goodness of God, all the holiness of God, all His happiness, bliss, and blessedness, all His might, majesty, and glory, in all the blaze of one eternal, unclouded day!
This is the saint’s inheritance!
Let us press on by faith and prayer to win this eternal and glorious crown!
Savory food such as their soul loves
“For My flesh is real food and My blood is real drink.” John 6:55 This food is specially for the elect . . . blood shed for their sins, and for their sins only; righteousness brought in for them, and for them only; love bestowed upon them, and upon them only; promises revealed for their comfort, and for their comfort only; an eternal inheritance reserved in heaven for them, and for them only.
The elect are the only people . . .
who hunger after it, who have an appetite for it, who have a mouth to feed upon it, who have a stomach to digest it. They are the only people whose eyes are really open to see what “food” is. All others feed upon shadows—they know nothing of the savory food of the gospel. “I have food to eat which you know not of.” Jesus’ food was . . . the hidden communications of God’s love, the visitations of His Father’s presence, the divine communion that He enjoyed with His Father. So, for the children of God, there is food in Christ; and this food the Lord gives them a hunger after. He not only sets before their eyes what the food is, but He kindles inexpressible longings in their soul to be fed with it.
God’s people cannot feed . . .
upon husks, nor upon ashes, nor upon chaff, nor upon the wind, nor upon grapes of gall and the bitter clusters of Gomorrah. They must have real food, “savory food such as their soul loves,” that which God Himself communicates, and which His hand alone can bring down, and give unto them, so that they may receive it from Him as their soul- satisfying portion. “For My flesh is real food and My blood is real drink.”
A smoother way to glory?
“They encouraged them to continue in the faith, reminding them that they MUST enter into the Kingdom of God through many tribulations.” Acts 14:22 The Lord has chosen that His people should pass through deep and cutting afflictions, for it is “through many tribulations” they are to enter the Kingdom of God above, and into the sweetness and power of the Kingdom of God below. But every man will resent this doctrine, except God has led him experimentally into it. It is such a rough and rugged path—it is so contrary to flesh and blood —it is so inexplicable to nature and reason—that man, proud, rebellious man, will never believe that he must “enter into the Kingdom of God through many tribulations.” And this is the reason why so many find, or seek to find, a smoother way to glory than the Lord has appointed His saints to walk in. But shall the Head travel in one path—and the members in another? Shall the Bridegroom walk and wade through seas of sorrow—and the bride never so much as wet her feet with the water? Shall the Bridegroom be crucified in weakness and suffering—and there be no inward crucifixion for the dearly beloved of His heart? Shall the Head . . . suffer, grieve, agonize, groan, and die— and the members dance down a flowery road, without inward sorrow or outward suffering? But, perhaps, there are some who say in their heart, “I am well convinced of this—but my coward flesh shrinks from it. I know if I am to reach the Canaan above, I must pass through the appointed portion of tribulation. But my coward flesh shrinks back!” It does! it does! Who would willingly bring trials upon himself? Therefore the Lord does not leave these trials in our hands—but He Himself appoints a certain measure of tribulation for each of His people to pass through. They will come soon enough; you need not anticipate them; you need not wish for them. God will bring them—in His own time and in His own way. And what is more, God will not merely bring you into them, but God will bring you through them, and God will bring you out of them! It will be our mercy if enabled to ask the Lord . . . to bless us with faith and patience under tribulation; to give us strength to bear the storm; to lie as clay in His hands; to conform us to the image of His Son; to guide us through this valley of tears below; and eventually to take us to be with Him above!
Should you then seek great things for yourself? “Should you then seek great things for yourself? Seek them not.” Jeremiah 45:5 Ministers often seek . . . great gifts, great eloquence, great congregations, great popularity. They are wrong in seeking these so-called great things. Let them rather seek real things, gracious things, things that will make their souls blessed here and hereafter.
We stand upon slippery places!
“The Lord keep you.” Numbers 6:24 How we need the Lord to keep us!
We stand upon slippery places!
Snares and traps are laid for us in every direction. Every employment, every profession in life, from the highest to the lowest—has its special temptations. Snares are spread for the feet of the most illiterate as well as the most highly cultivated minds. Nor is there anyone, whatever his position in life may be, who has not a snare laid for him—and such a snare as will surely prove his downfall if God does not keep him. Well, then, may it be the desire of our soul, “The Lord keep me” . . . keep me in His providence, keep me by His grace; keep me by planting His fear deep in my soul, and maintaining that fear alive and effectual in my heart; keep me waking, keep me sleeping; keep me by night, keep me by day; keep me at home, keep me abroad; keep me with my family, keep me with my friends; keep me in the world, and keep me in the church.