Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

De hemelvaart

Philpot toont uit de Schrift dat de Heere Jezus zichtbaar en in hetzelfde lichaam ten hemel voer. Hij gaat in als zegevierend Koning en als Hogepriester die voor Zijn volk pleit.

Er is een bijzondere zegen in de Persoon en het werk van de aanbiddelijke Verlosser. Als de zon die in elk werelddeel schijnt, laat Hij uit Zijn onuitputtelijke volheid steeds stralen van genade en heerlijkheid uitgaan, in elk opzicht, naar gelovige ogen en harten. Hoe meer wij naar Hem opzien, des te meer vinden wij in Hem om te aanbidden en lief te hebben. Hoe meer wij in Zijn naam geloven, des te meer wordt die naam als uitgegoten zalf. En hoe meer wij van Zijn genade ervaren, des te meer voelen wij van haar kracht.

„Ben Ik een woestijn geweest voor Israël?” vraagt Hij Zijn volk. „Een land van de uiterste donkerheid?” (Jeremia 2:31). Nee, Heere, mogen wij dan antwoorden. Geen „woestijn”, want van U komt al onze vrucht. Geen „land van donkerheid”, want bij U is het licht des levens. Als wij dus geen vrucht plukken van dat deel van de hemelse hof waar wij nu, met Gods hulp en zegen, met onze lezers doorheen willen wandelen, dan komt dat niet doordat er daar geen vrucht groeit. Dan zijn onze ogen te dof om haar te zien of onze handen te zwak om haar van de boom des levens neer te halen.

Hierin, zoals in alles wat wij in Zijn naam spreken, schrijven of doen, erkennen wij gewillig onze tekortkomingen. Wij willen met al onze kracht de genade en heerlijkheid van de mensgeworden Zoon van God uiteenzetten. Ook is wat onze pen de laatste tijd bezighield niet zonder zorgvuldig nadenken gebleven. Toch voelen wij dat wij jammerlijk tekortschieten in gedachte en uitdrukking. Wij moeten met Berridge belijden:

Wij stamelen slechts en hakkelen zacht,
gebroken woorden, Zijn waarde niet half bedacht.

Als dit waar is van onze voorgaande overdenkingen over de heilige menselijke natuur van Jezus in Zijn staat van vernedering hier beneden, hoeveel te meer dan nu wij Hem moeten bezien zoals Hij nu is. Hij is hoog verheven op de troon, in de volle rijkdom van Zijn middelaarsgenade en heerlijkheid. Toch wagen wij de taak.

Wij hopen dat onze overdenking van Hem zoet mag zijn en vergezeld gaat van een zegen van omhoog voor hen die Zijn naam liefhebben en verlangen naar Zijn verschijning. Want al is Hij ver boven alle huidige voorstelling verheven, in het woord van de waarheid hebben wij een zekere gids. Als wij die volgen, kunnen wij gelovig iets verstaan van wat Hij is voor hen die Hem door het geloof zien aan de rechterhand van de Vader.

1. Het eerste punt dat ons nu bezighoudt is de HEMELVAART van de gezegende Heere. De eerste stap in onze overdenking is het bewijs van het feit zelf. In de diepte van Zijn wijsheid heeft God dit buiten alle twijfel en tegenspraak gesteld, althans voor allen die de Schrift als een door God ingegeven openbaring aanvaarden. Daarin hebben wij veel reden om Zijn oneindige neerbuigendheid en genade te bewonderen.

De Heere had direct na Zijn opstanding naar de hemel kunnen gaan zonder Zich aan Zijn discipelen te tonen. Of Hij had, nadat Hij hun verschenen was om te bewijzen dat Hij uit de doden was opgestaan, zonder ooggetuigen naar omhoog kunnen gaan. Maar dit machtige en toch zo onmisbare feit moest op een onwrikbaar fundament rusten. Daarom voer de Heere pas veertig dagen na de opstanding op.

Door Zijn herhaalde verschijningen aan Zijn discipelen gaf Hij hun zoveel „gewisse kentekenen” (Handelingen 1:3) dat Hij werkelijk was opgestaan. En toen Hij opvoer, gebeurde dat in het bijzijn en voor de open ogen van Zijn elf apostelen. Zo konden zij zelf het bewijs van hun eigen ogen hebben, het sterkste van alle mogelijke bewijzen. En zo kon de gemeente door alle eeuwen heen met vast vertrouwen rusten op zo’n onbetwistbare getuigenis.

Het feit van de hemelvaart van de Heere moeten wij nu nader uit de Schriften van de waarheid aantonen. Op de morgen van de dag waarop Hij ten hemel voer, verscheen de gezegende Heere voor de tiende en laatste keer aan Zijn volgelingen. De elf apostelen kwamen op Zijn bevel in Jeruzalem bijeen en Jezus verscheen in hun midden.

Wij lezen: En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij, zeide Hij, van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. (Handelingen 1:4-5).

Tijdens deze laatste plechtige ontmoeting sprak de Heere vrij uitvoerig met Zijn discipelen, zoals is opgetekend. Wij hoeven die plaatsen niet uitvoerig aan te halen (Markus 16:15-18; Lukas 24:44-49; Handelingen 1:4-8). Zo gaf Hij hun niet alleen de zoete troost van Zijn werkelijke, levende aanwezigheid voordat Hij van hen scheidde. Hij gaf hun ook het duidelijkst mogelijke bewijs dat Hij dezelfde Jezus was die zij zo goed hadden gekend en zo innig hadden liefgehad in de dagen van Zijn vlees, de hele tijd dat Hij met hen omging.

Nadat Hij hun dit bevestigende bewijs had gegeven dat Hij het zelf was, voer Hij zichtbaar voor hun ogen op. Daarmee gaf Hij hun, en door hen de gemeente van God door alle eeuwen heen, de zekerste getuigenis dat Hij ten hemel was gegaan in dezelfde lichamelijke gestalte, in dezelfde menselijke natuur waarin zij Hem altijd hadden gekend. Dit is zo’n belangrijk kenmerk van ons onderwerp en moet het fundament van onze overdenkingen vormen.

Daarom willen wij de eigen woorden van de Heilige Geest aanhalen zoals ze op de ingegeven bladzijde staan: En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanie, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel. En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap. En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God. (Lukas 24:50-53). En: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen. (Handelingen 1:9).

Bedenk eens even hoe sterk deze getuigenis is. Konden deze elf mannen zich vergissen in wat zij zo persoonlijk hadden gezien? De meesten van hen hebben later hun leven gegeven ter bevestiging van wat zij toen zagen. Zij zagen Hem, met wie zij zo’n tijd zoete gemeenschap hadden gehad, voor hun ogen opgenomen worden. Zij keken Hem na totdat een wolk Hem aan hun ogen onttrok.

Konden zij een onbetwistbaarder getuigenis hebben van de vervulling van Zijn eigen woorden? Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot den Vader. (Johannes 16:28). En ook: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God. (Johannes 20:17).

Om niet de minste schaduw van twijfel in hun gemoed te laten en het nog dieper in hun hart te zegelen, en ook om hun Zijn toekomstige wederkomst te verzekeren, voegde de Heere in Zijn genade aan hun eigen ooggetuigenis nog een getuigenis van engelen toe: En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding; Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren. (Handelingen 1:10-11).

Sommige lezers vinden het misschien bijna overbodig dat wij zoveel Schriftgetuigenis aanvoeren over een punt waaraan geen gelovige twijfelt. Maar wij kennen enigszins het ongeloof van het menselijk hart en de voortdurende aanvallen van die kant. Daarom hebben wij allang gezien en gevoeld dat het geloof de sterkste en zekerste voetsteun nodig heeft die God gegeven heeft, om op te staan in tijden van duisternis en verzoeking.

Sommigen lijken nooit te twijfelen aan de zekerheid van de rots of aan hun staan daarop. Maar wij belijden vrijuit dat er tijden zijn waarin de hel met al haar helse geschut en het ongeloof van ons verstand zich verenigen om ons geloof tot in het diepst te doen wankelen. Wij hebben echter in de school van de verzoeking deze les geleerd: het geloof heeft de allerstevigste voetsteun nodig om op te staan terwijl de storm woedt.

Een schipbreukeling wordt door de golvende baren aan land geworpen. Hij klampt zich met al zijn kracht vast aan de rots die hij gelukkig heeft bereikt, opdat de terugtrekkende golf hem niet weer de zee in sleept. Zo houdt ook de gelovige ziel, geland op de rots van de waarheid, zich met al haar macht vast aan het woord van Gods genade, opdat de golf van het ongeloof haar niet meesleept naar de zee van het verderf.

Als het geloof door goddelijke genade kan staan op zo duidelijk bevestigde feiten als de opstanding en hemelvaart van de gezegende Heere, dan voelt het vaste grond onder de voeten. Door te geloven in een opgestane en opgevaren Heere volgt het geen kunstelijk verdichte fabelen. Het neemt de waarheid zoals die in Jezus is aan uit de zekere getuigenis van hen die u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heere Jezus Christus als aanschouwers van Zijn majesteit (2 Petrus 1:16).

Het geloof heeft ook voedsel nodig, niet alleen een voetsteun. Juist op deze goddelijke werkelijkheden, zo duidelijk geopenbaard en zo helder bevestigd in het woord van de waarheid, voedt het geloof zich als met uitgelezen kost. Er kan een tijd komen, lieve lezer, dat u zich voelt alsof u een steile, hoge berg beklimt waarvan u de top moet bereiken of sterven. Toch rolt, ondanks al uw inspanning, elke steen waarop u uw voet wilt zetten onder u weg.

Bij elke stap bent u bang dat u uw leven verliest of een ledemaat breekt. Hoe zou u dan een vaste rots waarderen waarop u stap voor stap uw bevende, wankelende voeten kunt zetten. Deze rots is Christus, Die God in Sion gelegd heeft. Maar opdat het geloof er onbewogen op kan staan, onwrikbaar voor de aanvallen van ongeloof en goddeloosheid, heeft Hij in het woord van Zijn genade dit fundament vast en zeker gelegd door de sterkste getuigenis.

2. Wij hebben nu de sterke grondslag gezien waarop de hemelvaart van de gezegende Heere rust als een vaststaand feit. Daarom kunnen wij Hem nu door het geloof zien binnengaan in de hoven van de zaligheid. Het eerste en meest voor de hand liggende wat het geloof van Hem ziet, is dat Hij de hemel binnenging in hetzelfde menselijke lichaam waarmee Hij het laatst met Zijn discipelen had omgegaan en dat zij voor hun ogen hadden zien opnemen.

Want een deel van de verborgenheid der godzaligheid, die groot is, is dat God is geopenbaard in het vlees en is opgenomen in heerlijkheid. Hij is dus opgenomen in hetzelfde vlees waarin Hij geopenbaard is (1 Timotheüs 3:16).

John Owen heeft het geloof van de gemeente op dit wezenlijke punt zo helder onder woorden gebracht dat wij zijn woorden verkiezen boven onze eigen:

„Alle volmaaktheden waartoe de menselijke natuur in staat is, die in beide wezenlijke delen, lichaam en ziel, blijft wat zij was, komen de Heere Jezus Christus toe in Zijn verheerlijkte staat. Haar toeschrijven wat met haar wezen onverenigbaar is, is geen toekenning van heerlijkheid aan haar staat en toestand, maar een vernietiging van haar bestaan.

Aan de menselijke natuur goddelijke eigenschappen toevoegen, zoals alomtegenwoordigheid of onmetelijkheid, is haar van haar eigen eigenschappen beroven. Het wezen van Zijn lichaam is niet meer veranderd dan dat van Zijn ziel. Het is een grondartikel van het geloof dat Hij in de hemel is in hetzelfde lichaam waarin Hij hier op aarde verkeerde. Zo blijven ook de vermogens van Zijn redelijke ziel dezelfde in Hem.

Dit is dat ‘heilige’ dat onmiddellijk door de Heilige Geest in de schoot van de maagd is gevormd. Dit is die ‘Heilige’ die in het graf geen verderf zag. Dit is dat lichaam dat voor ons is opgeofferd en waarin Hij onze zonden op het hout heeft gedragen. Zich zo’n verandering in dit lichaam of van dit lichaam voor te stellen door de verheerlijking, dat het niet wezenlijk en zakelijk hetzelfde zou blijven als wat het was, is het geloof van de gemeente in een hoofdartikel omver te werpen.

Wij geloven dat juist het lichaam waarin Hij voor ons heeft geleden, zonder enige verandering in zijn zelfstandigheid, wezen of samenstellende delen, nog steeds de tempel is waarin God woont. Het is geen ander lichaam van een hemelse, ijle bouw waarin niets is van vlees, bloed of beenderen, waardoor Hij zo vaak de trouw van God in Zijn menswording betuigde. In dat lichaam bedient Hij in het heiligdom dat niet met handen gemaakt is. Het lichaam dat doorstoken is, is dat wat alle ogen zullen zien, en geen ander.”

De helderheid, wijsheid en heilige, hemelse nuchterheid van dit citaat behoeven van ons geen aanbeveling. Het spreekt voor zichzelf tot hen die de waarheid kennen en liefhebben en zich willen onderwerpen aan de uitspraken van God als haar onfeilbare bron. Wij mogen dus niet knoeien met dat grondartikel van ons allerheiligst geloof: de Heere Jezus nam in de hemel precies die menselijke natuur mee die Hij in de schoot van de maagd had aangenomen.

Toch doet deze volkomen gelijkheid van Zijn heilige menselijke natuur geen afbreuk aan enige volmaaktheid die nu in die verheerlijkte menselijke natuur geopenbaard is en verenigbaar is met het behoud van haar werkelijke gestalte en wezen. Een heldere aanwijzing hiervoor lijken wij in het woord van de waarheid te hebben. Toen de heilige Johannes op het eiland Patmos een openbaring ontving van Zijn verheerlijkte menselijke natuur, was dat niet een ijl lichaam zonder enig spoor van een menselijke gestalte.

Het was geen Jezus die Johannes niet meteen herkende als Degene die hem in het vlees had gezien. Het was Een, den Zoon des mensen gelijk. Dat was precies dezelfde Mensenzoon die hij hier beneden had gekend. Hij had ook Zijn hoofd en haar en Zijn ogen en Zijn voeten en een rechterhand. Al deze menselijke ledematen had Hij nog volledig, maar allemaal onuitsprekelijk heerlijk. En Zijn aangezicht, nog steeds hetzelfde menselijke aangezicht, was, gelijk de zon schijnt in haar kracht (Openbaring 1:13-16).

Het is wel nodig te bedenken dat wij, als wij spreken over de gelijkheid van het opgestane en opgevaren lichaam van de Heere, daar volkomen van scheiden wat de apostel de zwakheid van Christus noemt: hoewel Hij gekruist is door zwakheid (2 Korinthe 13:4). Want hoewel deze zwakheid verenigbaar was met Zijn staat van vernedering en daar zelfs voor nodig was, past zij niet bij een hemelse staat of bij Zijn verhoging tot eeuwige heerlijkheid.

Het lichaam van de gezegende Heere at, dronk en sliep, en was hier beneden moe en dorstig. Maar zulke zwakheden, of liever zulke zondeloze omstandigheden van een staat van vernedering, nam Hij niet mee de hemel in. Zijn lichaam en ziel zijn nog steeds precies en onveranderlijk dezelfde als op aarde. Maar de hemelse heerlijkheid heeft, zonder het werkelijke van Zijn menselijke natuur te vernietigen of ook maar te schaden, al die voorbijgaande en toevallige omstandigheden eeuwig verzwolgen die Zijn menselijke natuur in een tijdelijke staat noodzakelijk vergezelden.

Dit geldt ook voor de opgestane lichamen van de heiligen op de grote dag. De apostel zegt het zo mooi: Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. (1 Korinthe 15:51-53).

Zij zullen gelijkvormig worden aan het opgestane lichaam van Jezus. Toch moeten wij steeds bedenken dat de heerlijkheid van Christus’ menselijke natuur in Zijn middelaarsstaat wezenlijk verschilt van de heerlijkheid die de zielen en lichamen van de opgestane heiligen op de grote dag zal bekleden. Want Zijn menselijke natuur bestaat in innige vereniging met Zijn goddelijke Persoon. Daardoor onderscheidt zij zich eeuwig van de hunne en is zij oneindig verheven boven elke heerlijkheid die de opgestane lichamen van de heiligen zullen dragen.

Zij zullen Zijn heerlijkheid zeker van aangezicht tot aangezicht zien, zonder sluier ertussen (Job 19:27; Johannes 17:24; 1 Korinthe 13:12). En zij zullen eraan deelhebben, wat hun eeuwige vreugde zal zijn (Johannes 17:22; Lukas 22:29-30; Openbaring 3:21). Zij zullen in lichaam en ziel gelijkvormig worden aan Zijn verheerlijkt beeld, zodat zij eeuwig stralen in alle schoonheid van de heiligheid (Psalm 17:15; 1 Korinthe 15:49; Filippenzen 3:21). Zo zullen zij blinken als de glans des uitspansels en gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk (Daniël 12:3).

Maar bij al dit eeuwige gewicht van heerlijkheid zal de verheerlijkte menselijke natuur van de gezegende Heere door haar onuitsprekelijke vereniging met Zijn Godheid altijd van de hunne verschillen, niet alleen in mate maar ook in aard. Daarom is Zijn menselijke natuur, die zo heerlijk is door haar verbinding met Zijn Godheid, het voorwerp van de aanbidding van alle schepselen.

Het is precies dezelfde aanbidding als die aan de Persoon van de Vader wordt gebracht: En alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid. (Openbaring 5:13).

Deze heerlijkheid heeft Zijn menselijke natuur doordat zij bestaat in Zijn goddelijke Persoon. Zij is er dus aan eigen, en daardoor wezenlijk onderscheiden van de mindere heerlijkheid van de opgestane heiligen. Die hebben haar als een gift en niet als een noodzakelijk bijkomstigheid. Alle heerlijkheid die zij zullen hebben, komt van Hem als een gift van Zijn genade, omdat zij leden zijn van Zijn mystieke lichaam.

Maar in Hem woont zij in haar volle fonteinvolheid, want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou. Wat wij hier hebben of hierna zullen hebben, is slechts een gift. Maar wat Hij is en heeft, is en heeft Hij van rechtswege.

Bovendien blijft Zijn heilige menselijke natuur in haar verheerlijkte staat een schepsel. Zij is niet vergoddelijkt en kan dat ook niet worden. Toch ontvangt zij door haar innige verbinding met Zijn Godheid uitstralingen van kracht en heerlijkheid. Die kunnen wij door het geloof vatten, maar een eindig verstand kan zich daar nooit een passende voorstelling van maken, zelfs de hoogste engel niet.

Zijn eeuwige Godheid bestraalt Zijn menselijke natuur met een glans die verder gaat dan haar eigen. Zij schijnt er met schitterende heerlijkheid doorheen, zoals de zon door een wolk schijnt. Zo straalde ook op het ogenblik van Zijn verheerlijking op de berg de heerlijke Persoon van de Godmens zo dat Zijn klederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw (Markus 9:3).

Als zo’n vergelijking geoorloofd is: zoals onze ziel ons lichaam veredelt en ons, zelfs in onze gevallen staat, als een onsterfelijk beginsel scheidt van de lagere schepping, zo veredelt de wezenlijke Godheid van de Zoon van God Zijn menselijke natuur en scheidt haar af van elke benadering of vergelijking met de mindere heerlijkheid van Zijn opgestane heiligen. Maar wij houden hier in, om niet te veel in te dringen in hoge en bespiegelende onderwerpen. Toch voelen wij dat het, voor zover wij gekomen zijn, gezegende verborgenheden zijn wanneer een levend geloof ze vat.

3. Wij kunnen nu verdergaan met de vraag op welke wijze en met welke bijzondere doeleinden van wijsheid en genade de gezegende Heere Zijn tegenwoordige staat van middelaarsverhoging aan de rechterhand van de Vader is binnengegaan. Wij zien Hem opvaren om in Zijn samengestelde Persoon als Godmens gezet te worden tot Zijn rechter hand in den hemel; Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende (Efeze 1:20-21). Daarom kunnen wij Zijn ingaan in Zijn heerlijkheid (Lukas 24:26) onder twee verschillende gezichtspunten bezien: als zegevierend Koning en als genadig Hogepriester.

Hij ging de hemel dus binnen in glorieuze zegepraal om bezit te nemen van Zijn middelaarskoninkrijk, als de gezalfde Koning van Sion, van Wie geschreven staat: Hij zal zitten, en heersen op Zijn troon (Psalm 2:6; Zacharia 6:13; Lukas 1:32-33). God de Vader had Hem een koninkrijk verordend (Lukas 22:29) als loon voor Zijn menswording en vernedering (Filippenzen 2:9-10; Hebreeën 2:9). Daar ging Hij de hemel in om het in bezit te nemen (Lukas 19:12; Openbaring 3:21).

Zodra Hij de aarde verliet en in een wolk van heerlijkheid aan de ogen van de elf apostelen werd onttrokken, begon Zijn koninklijke tocht. Als er een vurige wagen met vurige paarden werd gezonden om Elia ten hemel te brengen (2 Koningen 2:11), dan had de gezegende Heere zeker geen geringer geleide. Werd de dienstknecht zo geëerd en zou de Meester geen eer ontvangen?

Zou de onderdaan heerlijk ten hemel worden gebracht en de Koning geen stoet van hemelse heerlijkheid hebben? Vulden Zijn zomen den tempel toen Jesaja Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak (Jesaja 6:1; Johannes 12:41)? En zou dan geen stoet van heerlijkheid Hem gevolgd zijn toen Hij opvoer om Zijn middelaarskoninkrijk in bezit te nemen?

Wij hoeven hier niet te gissen. De Schrift geeft het duidelijkste bewijs van de zegevierende wijze waarop de Heere van het leven en de heerlijkheid opvoer. In Psalm 68 staat een gezegende beschrijving van het heerlijke geleide van engelen dat Hem op Zijn koninklijke tocht tot aan de poorten van de hemel vergezelde. Want wanneer Hij ten anderen male zonder zonde gezien wordt (Hebreeën 9:28), zal Hij van den hemel geopenbaard worden met de engelen Zijner kracht (2 Tessalonicenzen 1:7) en komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen (Mattheüs 16:27).

Zo vergezelden duizenden en duizenden dienstbare engelen Hem bij Zijn zegevierende hemelvaart: Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid! Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God! (Psalm 68:18-19).

Ook in Psalm 47 wordt deze zegevierende hemelvaart van de gezegende Heere duidelijk aangeduid: Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang. Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde. (Psalm 47:2-3). En verder: God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin. Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt! Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing! (Psalm 47:6-8).

Ook over de ontvangst van de gezegende Heere aan de poorten van de zaligheid zelf laat de Schrift ons niet zonder aanduidingen. Toen Hij de poorten van de hemel bereikte, kwamen de hemelse voorhoven als het ware in beweging bij Zijn nadering. Toen vond die gedenkwaardige wisseling plaats die in Psalm 24 is opgetekend. Zoals ons geloof het ziet, riepen de begeleidende engelen die Zijn heerlijk geleide vormden luid voor Hem uit, als heraulten van Zijn komst: Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga! (Psalm 24:7).

Maar van binnen klinkt de vraag: Wie is de Koning der ere? Van buiten antwoorden de gezellen van Zijn gevolg: De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd. (Psalm 24:8). Dan klinkt het algemene koor, van buiten en van binnen: Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga! Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. (Psalm 24:9-10).

Wij zeggen niet dat dit alles letterlijk en werkelijk zo is gebeurd. Dat zou wellicht overmoedig zijn, want hemelse werkelijkheden gaan het menselijk voorstellingsvermogen te boven. Maar zo wordt het ons geloof in het woord van de waarheid voorgesteld, en zo nemen wij het aan in de eenvoud van kleine kinderen.

Het waren niet alleen de goede engelen die Zijn gevolg vormden. Oude koningen brachten na zegevierende oorlogen niet alleen gelukwensende vrienden mee naar huis, maar ook overwonnen vijanden. Zo wordt de gezegende Heere in de Schrift voorgesteld als iemand die toen zichtbaar zegevierde over de satan en al zijn engelen.

Het is alsof Hij bij Zijn heerlijke hemelvaart, toen Hij de gevangenis gevankelijk voerde, de helse heerscharen aan Zijn zegekar achter Zich aan sleepte en ze openlijk aan alle heilige engelen toonde als overwonnen gevangenen. Zo spreekt de apostel in elk geval: En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd, dat wil zeggen in het kruis, of, zoals de kanttekening het weergeeft, in Zichzelf (Kolossenzen 2:15).

De oude belofte was dat het zaad van de vrouw de slang de kop zou vermorzelen. Toen de satan, door in Judas te varen en de overpriesters en het volk aan te zetten om Christus’ kruisiging te eisen, naar zijn eigen mening Jezus volkomen had vernietigd, had hij er geen idee van dat dit naar Gods eeuwig ontwerp juist het middel zou zijn om die voorzegging te vervullen. Aan het kruis vermorzelde het zaad van de vrouw de kop van de slang, de zetel van zijn gifslagtanden en van zijn helse sluwheid en wreedheid. Daar ontwapende Jezus overheden en machten en wierp hen uit hun aangematigde heerschappij.

Maar toen Hij opvoer in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen (Psalm 68:19; Efeze 4:8). Dat betekent dat Hij hen gevangen voerde die de arme gevallen mens gevangen hadden gevoerd. Dat deed Hij voor de open ogen van het hele engelenheir, opdat de uitverkoren engelen ooggetuigen zouden zijn van het verderf en de ellende die hun afvallige broeders troffen door het mislukken van al hun plannen tegen de Heilige Israëls.

Uit het getuigenis van de Schrift blijkt dat de heilige engelen de plannen van God in het mysterie van de menswording gedeeltelijk, zo niet geheel, niet kenden totdat alles vervuld was in de dood en opstanding van Jezus. Ook nu nog wachten zij op verdere ontvouwing van Gods wijsheid, zoals die zich toont in de tegenwoordige genade en toekomstige heerlijkheid van de gemeente van Christus. Dit werd in de Levitische bedeling afgebeeld door de cherubim die naar het verzoendeksel van de ark keken. Petrus verklaart het beeld zo: in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien (1 Petrus 1:12).

Let erop dat de apostel niet zegt dat zij begerig waren, maar dat zij begerig zijn. Zij verlangen er dus nog steeds naar in deze hemelse verborgenheden in te zien, om nieuwe ontdekkingen te krijgen van Gods wijsheid en heerlijkheid. Want Gods wijsheid wordt aan engelachtige geesten niet bekend door de schepping met al haar wonderen, noch door de voorzienigheid in al haar verschijningsvormen, maar door de verlossing: Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods; Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere. (Efeze 3:10-11).

Met welke onovertroffen en schitterende heerlijkheid werd dan de oneindige wijsheid van God aan deze stralende engelachtige verstanden getoond toen zij bij de hemelvaart van hun Heere en de onze persoonlijk getuige waren van het volgende. In die natuur, die een weinig minder dan de engelen was geworden in Zijn staat van vernedering (Hebreeën 2:9), had Hij alle plannen van de satan verijdeld.

Hij had Gods eer gehandhaafd en Zijn gerechtigheid verheerlijkt. Hij had de wet, door hun bediening gegeven, groot en eervol gemaakt. Hij had de genade, barmhartigheid en liefde van de Vader geopenbaard in de zaligheid van miljoenen verloste zondaren. En nu keerde Hij zegevierend terug in de hemel om te regeren en te heersen aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte.

4. Dit brengt ons bij de doeleinden waarvoor Jezus zo zegevierend in de heerlijkheid opvoer. Kort gezegd zijn het er twee, die onderscheiden kunnen worden naar de twee verschillende werktuigen van koninklijke macht die de op de troon gezette Koning van Sion draagt als tekenen van Zijn gezag.

1. De ijzeren scepter, waarmee Hij over Zijn vijanden heerst. Die is Hem door Zijn Vader in handen gegeven: Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. (Psalm 2:9). Heers in het midden Uwer vijanden was het charter van Zijn gezag, toen de Vader tot Hem zei: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. (Psalm 110:1-2).

Zo is Hem macht gegeven over alle vlees (Johannes 17:2), ja, alle macht in hemel en op aarde (Mattheüs 28:18). Want God heeft alle dingen en dus al de vijanden onder Zijn voeten gelegd (1 Korinthe 15:25-27). Alle personen en dingen staan onder Zijn gezag. Al wordt gezegd: De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, toch geldt: Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten (Psalm 2:2, 4).

2. Daarnaast is er de scepter van Zijn genade, waarmee Hij regeert in de harten van een gewillig volk (Psalm 110:3). Hij buigt hen aan Zijn voeten in zoete onderwerping aan Zijn wil en wordt als Vredevorst op de troon gezet in hun hart en genegenheden. Maar wij zullen over de uitoefening van deze tweevoudige koninklijke macht nog nader moeten spreken wanneer wij komen aan de beschouwing van de tegenwoordige staat van onze Heere in de hemel. Daarom blijven wij er hier niet langer bij stilstaan. Wij gaan verder met het beschouwen van de aanbiddelijke Verlosser als:

5. Opvarend in de hoogte om een Hogepriester te zijn over het huis van God, en wel niet naar de wet des vleselijken gebods, zoals de priesters onder de wet, maar naar de kracht des onvergankelijken levens (Hebreeën 7:16). Van Hem was geprofeteerd: Hij zal priester zijn op Zijn troon (Zacharia 6:13).

In Zijn heerlijke Persoon verenigt Hij dus de koninklijke en de priesterlijke waardigheid. Van deze verbinding van koning en priester in één Persoon was Melchizedek een voorbeeld. Hij was koning van Salem, een priester des Allerhoogsten Gods (Hebreeën 7:1). En wij weten dat Gods getuigenis aan Zijn dierbare Zoon was: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. (Psalm 110:4; Hebreeën 7:17).

Hier beneden had de gezegende Heere één deel van Zijn priesterlijk ambt vervuld. Aan het kruis had Hij Zijn heilige menselijke natuur, Zijn reine lichaam en Zijn heilige ziel, als offer gebracht en zo verzoening gedaan voor de zonden van Zijn volk. Daarna voer Hij omhoog om voor hen het tweede deel van het priesterlijk ambt te vervullen. Dat is voor hen te pleiten (Romeinen 8:34; Hebreeën 7:25).

Dit werd prachtig afgebeeld in wat op de plechtige Verzoendag gebeurde. De hogepriester droeg de heilige linnen klederen, een beeld van de reine menselijke natuur van Jezus. Eerst bracht hij offer in de voorhof en deed verzoening voor de zonde.

Daarna ging hij met het bloed van de var en van de bok en met de rook van fijngestoten reukwerk, aangestoken met kolen van het koperen altaar, het heilige der heiligen binnen. Dit heilige der heiligen was een beeld van de hemel (Hebreeën 9:24). De hemelvaart van onze grote Hogepriester werd daar afgebeeld door de treden waarlangs de hogepriester opging toen hij na het offer met het bloed de tempel binnenging.

Wij mogen ook opmerken dat, toen de hogepriester zo de treden van de tempel opging om zich voor het aangezicht van de Heere te stellen in het heilige der heiligen, juist dan de jubelbazuin door het land klonk. Die verkondigde vrijheid aan alle slaven en gevangenen, en aan hen die hun huizen en landerijen hadden verkocht, zodat zij vrij konden terugkeren en er weer bezit van konden nemen.

Zo werd ook, toen Christus opvoer en met Zijn eigen bloed de hemel binnenging, vergeving en vrede afgekondigd. Toen begon het geestelijke jubeljaar. Zij die onder de wet gevangen lagen, in de slavernij van twijfel en vrees, en die zichzelf en al hun bezit voor niets hadden verkocht, zouden bevrijd worden door het blijde geluid van een evangelie van vrije genade, dat de apostelen op de Pinksterdag predikten.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!