Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Rijkdommen van Philpot — deel 6 (vervolg): De sluier is weggenomen

Philpot toont hoe de sluier op het hart van de mens zijn ondergang voor hem verbergt en hoe zelfgerechtigheid een afgod is. De Geest leert ons twee lessen: wie wij zijn en wie Christus is.

De sluier is weggenomen!

Wat een bont samengesteld monster is de mens in zijn natuurlijke staat! Hij is vol kwaad en pleegt voortdurend zonde. Hij tart God in Zijn gezicht met duizend misdaden — en toch richt hij zijn eigen gerechtigheid op!

We zouden net zo goed kunnen verwachten dat een misdadiger die in de dodencel wacht op de verdiende straf voor zijn zware misdaden — zijn moorden, zijn roverijen en zijn voortdurende vergrijpen tegen alle menselijke wetten — hoopt uit de gevangenis te komen door zijn goede daden en zijn gehoorzaamheid aan de wetten van zijn land. Even goed kunnen we verwachten dat zo’n verachtelijk wezen als de mens hoopt langs de ladder van zijn goede woorden, goede gedachten, goede werken en goede bedoelingen naar de hemel te klimmen.

Zelfgerechtigheid is in al haar vormen zo verweven met elke gedachte van ons hart en zo verstrengeld met elke vezel van onze natuurlijke geest dat eigenroem en zelfvoldaanheid ons toeroepen toch iets te doen om Gods gunst te winnen — hoewel we weten dat we zondaars zijn! O, in wat een diepgezonken staat verkeert de mens! We kunnen de mens nooit te diep vernederen. O, de afgrond van ellende en ondergang waarin hij is gevallen! O, de diepten van verdorvenheid waarin hij is neergeslingerd! O, de bodemloze kolk van verderf en schuld waarin hij zich bij Adams val met heel zijn geslacht heeft gestort!

Maar hoe vreselijk de staat van de mens ook is — “de sluier” op zijn hart verhindert hem de diepten van zijn eigen val te zien. Dit is een van de ergste kenmerken van zijn ondergang: ze is voor hem verborgen. Hij weet er niets van totdat hij door een wonder van genade uit de put van verschrikking wordt getrokken en gered van het neerdalen naar de afgrond van de hel met al zijn zonden en misdaden op zijn hoofd!

Predikers kunnen de mens daarom nooit te diep vernederen en nooit te duidelijk wijzen op de vreselijke afgrond van ondergang en vernedering waarin hij is gevallen. Maar “de sluier” op het hart van de mens verbergt zijn ondergang voor hem! En zolang die sluier niet ten dele is weggenomen, kent hij geen enkele waarheid goed, ziet hij er geen en voelt hij er geen.

Twee grote lessen

Er zijn twee grote lessen te leren in de school van Christus. Al het goddelijk onderwijs ligt daarin besloten en wordt erin samengevat. De ene is dat we door het onderwijs van de Geest leren wat WIJ van nature zijn. Zo zien en voelen we de volkomen ondergang en het totale wrak van het eigen ik en de volslagen armoede, zwakheid en hulpeloosheid van het schepsel in de dingen van God. Dit is de eerste grote tak van het goddelijk onderwijs.

Deze les moeten we dag aan dag leren — regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. Door deze tak van onderwijs moeten we bijna dagelijks heen waden en soms wegzinken in zeer pijnlijke diepten onder het besef van onze verdorven natuur.

De andere grote tak van het goddelijk onderwijs is te weten wie JEZUS is en wat Hij voor ons is. We leren de kracht van Zijn verzoenend bloed om het schuldige geweten te reinigen. We leren de macht van Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid om van alle zonde vrij te spreken en te ontslaan. We leren het geheimenis van Zijn stervende liefde die de hardheid van ons hart breekt en enige liefde tot Hem in ons opwekt. En met het oog van het geloof zien we Zijn heilige wandel en Zijn lijdend beeld. Zo worden we enigszins aan Hem gelijkvormig en wordt Zijn gelijkenis enigszins in onze ziel gedrukt.

Door deze twee takken van onderwijs maakt en houdt de Geest de kinderen van God nederig. Al onze voorzienigheden, beproevingen, verzoekingen en verlossingen leiden hiertoe — alles wat we doormaken in de natuur en alles wat we doormaken in de genade. Kortom: de hele loop van omstandigheden waarmee het kind van God zich omringd vindt, brengt hem op deze twee wegen. Hij krijgt een diepere kennis van zichzelf of een diepere kennis van Christus — om hem te vernederen en de Heere van leven en heerlijkheid te verhogen.

Hierheen is alles gericht wat de Geest doet en in dit kanaal stromen al Zijn lessen. Elk onderwijs en elke bevinding die niet in dit kanaal stroomt en niet naar dit doel leidt komt niet voort uit het onderwijs van God de Heilige Geest in het hart. Zo’n onderwijs moet ons vernederen en tot in het stof neerbrengen. Tegelijk moet het de Heere van leven en heerlijkheid verhogen en de kroon op Zijn gezegend hoofd zetten. Want het is Zijn verbondsambt om van de dingen van Christus te nemen en ze aan de ziel bekend te maken, zodat Jezus wordt verheerlijkt en verhoogd.

Die afgod, het religieuze zelf

Niets hebben en niets zijn dan een bedelaar en een arme — wat breekt dat de menselijke hoogmoed! We moeten niets in onszelf hebben om op te rusten en op te steunen. Maar de waarheid is dat we pas binnengaan in de kracht, de zaligheid en de werkelijkheid van het koninkrijk van Christus als het eigen ik van de troon is gestoten. Eerst moeten de gerechtigheid, de vroomheid, de inspanningen en de kracht van het schepsel tot niets zijn gebracht. Eerder zijn we geen geschikte gasten om aan te zitten bij het bruiloftsmaal van het Lam.

We kunnen niet binnengaan in de schatten van vergevende liefde, de rijkdommen van het verzoenende bloed niet zien en de heerlijkheid en schoonheid van de rechtvaardigmakende gerechtigheid niet voelen — voordat die afgod, het religieuze zelf, van zijn voetstuk is geslingerd!

Zolang we vol hoogmoed en eigenliefde zijn, kunnen we Jezus niet volgen naar de hof van Gethsemane. Dan zien we met het oog van het geloof de lijdende, zuchtende, worstelende, bloedende Zoon van God niet. We kunnen onze plaats niet innemen aan de voet van het kruis om het wonderbare geheimenis te aanschouwen van Immanuël, de God-Mens, die daar bloedt en sterft.

Zolang we onze eigen farizeïsche godsdienst bekijken — onze vroomheid, onze inspanningen, ons eigen doen — hebben we geen ogen om Jezus te zien en geen oor om Zijn stem te horen. We zijn zo verliefd op onszelf dat de Koning van de koningen geen schoonheid heeft in onze ogen. Hij is voor ons als een wortel uit een dorre aarde en er is geen gestalte in Hem waarom we Hem zouden begeren.

Maar als we de lelijkheid, de verdorvenheid en de afschuwelijke werkingen van het eigen ik gaan zien, dan zien we hoe onmogelijk het is dat dit ooit voor God kan bestaan. En als we de ondergang van het eigen ik voelen, dan beginnen we te voelen wat een heerlijke zaligheid er tot stand is gebracht naar de raad en de wil van God. Dan zien we de Heere van leven en heerlijkheid neerbuigen om ellendigen te redden die nooit tot Hem hadden kunnen opklimmen. Hij vergeeft misdadigers die geen eigen gerechtigheid hebben. Hij ontsluit de schatten van Zijn stervende liefde en opgestane heerlijkheid voor wie zonder Hem volkomen moeten omkomen.

Wordt dit aan het geloof geopenbaard, dan omhelst het geloof dit als de grote verborgenheid der godzaligheid. De hoop werpt haar anker uit en gaat binnen achter de voorhang. En de liefde stroomt uit naar Jezus en omhelst Hem met armen van genegenheid vanwege zo’n stervende liefde als de Zoon van God aan het kruis van Golgotha heeft getoond.

Deze bevinding plaatst de zondaar op zijn juiste plaats. Ze vernedert hem in zijn gevoelens — maakt hem nederig in zijn ziel en breekt hem tot niets. Tegelijk verhoogt ze de Heere Jezus in zijn genegenheden en Hij wordt kennelijk in zijn geweten zijn alles in allen.

De smeltkroes van de ellende

Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende. (Jesaja 48:10)

Van tijd tot tijd brengt God Zijn volk in zware situaties en benauwende omstandigheden. Zo hebben ze niemand anders om naar op te zien. Ze hebben geen andere hulp, beschutting of toevlucht. Uit pure noodzaak zijn ze gedwongen hun ziel te werpen op Hem Die machtig is te redden. De Heere heeft Zijn volk uitgekozen in de smeltkroes van de ellende.

En O, hoe verdooft echte ellende ons voor al het andere! Zolang er geen ellende is, danst de “wereld” voor ons met een zonnestraal erop — aantrekkelijk, schitterend en mooi. In onze vleselijke gezindheid vliegen we dan van bloem tot bloem als een vlinder in de zon. Onze godsdienst staat dan op een heel laag peil. Er is misschien een fatsoenlijke belijdenis, maar hoe weinig leven en kracht is er, behalve wanneer de ellende de ziel neerdrukt!

We kunnen heel goed zonder Jezus zolang de wereld ons toelacht en vleselijke dingen in ons hart bovenaan staan. Maar laat de ellende komen — een zwaar kruis, een last die ons neerdrukt — dan zakken we weg naar de plaats waar de Heere Jezus Christus alleen te vinden is. Wanneer de ziel neergedrukt wordt in het dal van de ellende, behaagt het de Heere haar daar te ontmoeten!

Verzoeking

Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen (2 Petrus 2:9)

O, wat wordt het arme kind van God voortdurend verzocht! En wat een sterke verzoekingen! Hoe pijnlijk! Hoe krachtig! Hoe verwarrend! Hoe verstrikkend! Hoe kwellend! Hoe betoverend! Hoe satanisch is de zwarte duivel! Hoeveel satanischer nog is de witte duivel! Hoe voortdurend wordt het kind van God geoefend met verzoeking! Verzoekingen — zo passend — zo krachtig — zo overweldigend — dat niets dan de genade van God de verzoeking ooit kan overwinnen of de ziel eruit kan verlossen!

Hij viel door de zeef!

Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Lukas 22:31-32)

De Heere bad niet voor Judas. Hij was de zoon der verderfenis en daarom viel hij door de zeef en viel hij in de hel. Daar is hij nu en daar zal hij zijn tot in alle eeuwigheid! En u en ik zouden er zeker ook doorheen vallen als we geen zaligmakend aandeel hadden in de liefde en het bloed van het Lam. U kunt een tijd ontkomen. Maar als u geen deel hebt aan Zijn verzoenend bloed en Zijn genade en Hij niet voor u pleit, dan valt u vroeg of laat door de zeef en zinkt u weg in de hel — en misschien wel snel!

Mager, dor, dood en onvruchtbaar

Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken (1 Timotheüs 6:10)

Wie met ziende ogen heeft dit niet telkens weer duidelijk gezien? Een lid van een gemeente is, zolang hij in armoedige omstandigheden verkeert, een nederig, berouwvol en verbroken mens. Zijn gesprek is smakelijk, zoet en stichtelijk. Hij ontvangt veel tekenen van Gods gunst, barmhartigheid en liefde.

Maar dan krijgt hij geld nagelaten — of zijn zaken gaan goed — of hij trouwt met een rijke vrouw. En wat is het gevolg? Hij wordt mager, dor, dood en onvruchtbaar. Zijn gesprek is niet meer zoals eerst smakelijk en zoet en over de dingen van God. Het lijkt alsof de wereld en de dingen van de wereld al het groen in zijn ziel opeten. En is dit geen pijnlijke bewerking?

al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage (Johannes 15:2)

Wat zijn we van nature? Zijn we niet nauw vastgeklonken en vastgekleefd aan de wereld — aan de dingen van tijd en zinnen — aan onze eigen gerechtigheid — aan alles wat God met volkomen haat haat? Moet het scherpe zwaard van Gods Woord deze nauwe verbondenheid niet doorsnijden — met de wereld, met de dingen van tijd en zinnen en met onze eigen gerechtigheid? Zeker!

Voordat we in enige levende vereniging met Christus kunnen worden gebracht of enige geestelijke gemeenschap kunnen hebben met Zijn allergenadigste Majesteit, moet het scherpe mes doorgaan tussen ons en het eigen ik. Het moet doorgaan tussen ons en onze eigen gerechtigheid en tussen ons en onze eigen vleselijke gehoorzaamheid. Zo scheidt het ons van die dingen.

En is dit geen pijnlijke bewerking?

Kan het scherpe mes tussen ons en de wereld doorgaan — tussen ons en onze vleselijke gehoorzaamheid — tussen ons en onze eigen gerechtigheid — tussen ons en die afgod, het eigen ik, waar we zo van houden en die we zo vroom aanbidden — zonder littekens en sporen in ons vlees achter te laten of zonder zeer pijnlijke en scherpe gewaarwordingen te veroorzaken? Het kan niet! En wie deze dingen heeft ondervonden, weet dat het niet kan. Maar hoe onmisbaar — hoe volstrekt onmisbaar — is deze bewerking in de handen van de Geest om ons van het eigen ik af te snijden, zodat we een levende vereniging met de Heere Jezus Christus krijgen.

Want Christus en het eigen ik kunnen nooit samengaan. Christus’ gerechtigheid en onze eigen gerechtigheid, de liefde van God en de liefde van de wereld, de aanbidding van Jezus en de aanbidding van afgoden, bewondering voor onszelf en bewondering voor Hem: ze kunnen nooit op dezelfde troon zitten! Het eigen ik moet in puin liggen voordat Jezus daadwerkelijk in het hart kan worden opgericht. Er moet een scheiding komen van alles waaraan de natuur zich vastklemt, voordat een levende vereniging met de Heere Jezus Christus tot stand kan komen.

Dit is de reden waarom het volk van de Heere door zulke zware oefeningen en verlegenheden moet — door strijd, beproevingen, krachtige verzoekingen, wisselende gevoelens en diepe ellende. Zo worden ze ontworteld en geheel van het eigen ik afgesneden — opdat ze door goddelijk geloof een levende vereniging met de Heere Jezus Christus krijgen. Wanneer Jezus in het hart komt, dan komt Hij als Koning! Omdat Hij de rechtmatige Heerser is, regeert Hij over de vermogens van de ziel en maakt Hij haar gehoorzaam aan Zijn scepter. O Heere onze God, andere meesters hebben over ons geheerst — maar wij aanbidden U alleen.

Als Christus in ons blijft, zullen er enkele kenmerken en vruchten uit dat blijven voortvloeien. Er zullen enkele uiterlijke en innerlijke bewijzen zijn dat we van een andere geest zijn dan zij die dood zijn in zonden of dood in louter belijdenis. Er zal nederigheid zijn — oprechtheid — godzalige eenvoud — kinderlijke vreze — afgestorvenheid voor de wereld — afzondering van het kwaad — geringe gedachten over onszelf — verbrokenheid van hart — berouw van geest — tederheid van geweten.

Er zal een vluchten zijn van alles hier beneden om onze zoete woning te maken in de schoot van een opgestane Heere. Vinden we deze dingen in onze ziel? Zo niet, dan mogen we onszelf christenen noemen, maar dan hebben we weinig bewijs dat we die naam waardig zijn!

Aards, zinnelijk, duivels

Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels (Jakobus 3:15)

Jakobus stelt hier de wijsheid die van God komt tegenover de wijsheid die van de mens komt. Welk beslissend stempel drukt deze grote apostel op alle menselijke wijsheid? Hij schrijft er drie bijvoeglijke naamwoorden op als onderscheidende kenmerken — en zo veroordeelt hij haar tot de diepste vernedering.

Ten eerste heeft deze wijsheid die uit het schepsel en het vlees voortkomt haar oorsprong in de AARDE. Boven die aarde waaruit zij haar oorsprong heeft kan zij zich nooit verheffen. Omdat ze uit de aarde geboren is, moet ze altijd over de grond kruipen. Uit de aarde groeit zij en ze kan nooit uitstijgen boven de mist en de nevel die haar geboortegrond bedekken.

Ten tweede is zij “ZINNELIJK” of “natuurlijk”, zoals we lezen in de kantlijn van de Engelse Bijbel.

Het is dus een wijsheid die past bij onze gevallen natuur — een wijsheid die zich helemaal richt tot onze zintuigen. Ze weet niets van God, niets van hemelse dingen, niets van eeuwige werkelijkheden en niets van bovennatuurlijke en geopenbaarde waarheid. Ze komt voort uit verstand en zintuigen en past daarbij. Ze kent alleen die voorwerpen waarvan oog, oor, tastzin, smaak en reuk weet hebben en waarmee ze vertrouwd zijn. Het is dus een wijsheid die in het eigen ik begint — en in het eigen ik eindigt — en nooit boven de gevallen natuur van de ondergegane mens uitkomt.

En ten derde komt dat woord dat alle menselijke wijsheid in de zaak van de zaligheid vernedert en vernietigt tot in de diepste hel. Met één woord drukt hij er een noodlottig stempel op, alsof hij haar volkomen wil verwerpen — “DUIVELS.” Het is alsof hij zou zeggen: de mens met al zijn geroemde wijsheid wordt in dit opzicht zelfs door duivels overtroffen. De gevallen geesten, die vijanden van God die een eeuwige oorlog voeren tegen God en Zijn dierbare Zoon, zijn de ouders van die wijsheid die aards en zinnelijk is. Zo zijn de trekken van de hel erop gestempeld.

Bedenk echter dat deze bijvoeglijke naamwoorden alleen gelden voor menselijke wijsheid voor zover zij zich met goddelijke zaken bemoeit. Op haar eigen terrein is menselijke wijsheid nuttig en nodig. Alleen wanneer zij zich opdringt in goddelijke dingen en driest het heiligdom binnentreedt — en heilige en hemelse werkelijkheden omlaag haalt naar haar eigen niveau — moet zij worden veroordeeld. Omdat hij zag dat natuurlijke wijsheid in goddelijke dingen werd binnengebracht, veroordeelde hij haar oorsprong als aards, haar aard als zinnelijk en haar einde als duivels!

De mens in zijn natuurlijke staat heeft dus geen greintje hemelse wijsheid. Hij weet niets uit eigen bevinding van de weg van zaligheid — van zijn eigen ondergang en ellende — van de genade van God — van de Persoon en de werkingen van de Trooster — van Zijn leidingen, geleidingen, onderwijzingen en zalvingen.

Hij kan inderdaad een grote hoeveelheid aardse wijsheid bezitten. En is hij een belijder van de godsdienst, dan kan hij die tot de grootste hoogte opvoeren in de “letter van de waarheid”. Hij kan wijs zijn in de Schriften, wijs in het plan van zaligheid, wijs in het vergelijken van tekst met tekst, Schrift met Schrift en gedeelte met gedeelte. Maar tenzij er een maat van goddelijke wijsheid uit de mond van God in zijn hart is gevallen, heeft hij voorlopig niets dan die wijsheid die “aards, zinnelijk en duivels” is.

Goddelijke ogenzalf

zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt (Openbaring 3:18)

We weten niets dan door goddelijk onderwijs. Dit brengt ons naar de troon van de genade om de Heere te smeken ons te leren en te tonen wat we zijn, de sluier van ons hart weg te nemen en ons onze werkelijke staat te ontdekken. Goddelijk licht in het geweten van een mens leert hem wat hij is. Goddelijk leven in zijn ziel doet hem voelen wat hij is.

Heeft hij Gods licht niet, dan is hij duister. Heeft hij Gods onderwijs niet, dan is hij onwetend. Heeft hij Gods wijsheid niet, dan is hij louter dwaasheid. Heeft hij Gods leiding niet, dan dwaalt hij. Heeft hij Gods ondersteuning niet, dan valt hij. Heeft hij Gods bewaring niet, dan wijkt hij af op kromme paden en in dwaling. We kunnen onszelf niet zien, we kunnen anderen niet zien, we kunnen de waarheid niet zien. We kunnen Jezus niet zien in Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid, Zijn verzoenend bloed en Zijn stervende liefde — behalve voor zover de gezegende Geest onze ogen zalft met ogenzalf, zodat we zien!

Waar zijn zij?

door Jezus Christus bewaard (Judas 1)

O, het is een weldaad om te volharden! Als we om ons heen kijken en zien wie met ons aan de christelijke wedloop zijn begonnen — waar zijn zij? Sommigen zijn naar de wereld gegaan. Anderen zijn in zonde gevallen. Anderen hebben dodelijke teugen van ketterij en dwaling gedronken. Maar als wij één jaar of zelfs maar één dag volharden, dan is het alleen door de genade van God! Hij Die het werk van genade in de zielen van Zijn volk is begonnen, zal het voortzetten en zal hen doen volharden — opdat Hij Zijn genade kroont met eeuwige heerlijkheid.

Let op het contrast!

Ik ben wel ellendig en nooddruftig (Psalm 40:18)

Wat een eerlijke belijdenis! Hoe passend voor de bevinding van elke door God onderwezen ziel! Laten we deze nederige belijdenis stellen tegenover de grootspraak die uit de mond van de gemeente van de Laodicensen kwam: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek! Let op het contrast!

De dode, vleselijke, levenloze belijder schept op: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek! Het geoefende, beproefde, verzochte kind van God belijdt: Ik ben wel ellendig en nooddruftig. De een is vol hoogmoed en roemt in het eigen ik! De ander is gebroken, nederig, berouwvol en neergelegd aan de voetbank van de genade!

Hij kan niet zien, niet weten en niet voelen

Als we de Schriften als gezag nemen, in wat een vreselijke staat verkeert de mensheid in het algemeen! O, hoe vreselijk is de mens gevallen — o, hoe diep gezonken! En toch is één kenmerk van de ondergang van de mens zijn volkomen onwetendheid over de diepten van de val. Hij is het zondige kind van een zondige ouder. Hij staat onder de vloek van een wrekende wet. Hij is een vijand van God en van de godzaligheid. Hij snelt voort langs de brede weg die naar het eeuwig verderf leidt — en toch weet hij het niet!

De sluier van onwetendheid en blindheid ligt op zijn hart. Zoals de Schrift zegt is hij vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is. God heeft over hem een geest des diepen slaaps uitgegoten. Daarom kan hij niet zien, niet weten en niet voelen wie hij is, wat hij is en waar hij heen gaat! Geen taal kan de vreselijke staat van de mens beschrijven.

Maar door genade — oneindige genade — is er een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. Zij worden diep en gevoelig gebracht om hun verloren en ondergane staat te zien, te weten en te voelen. De gezegende Geest legt in hun hart een zucht en een roep om Gods grote zaligheid te kennen. En dezelfde gezegende Geest, Die hen eerst van hun ondergang overtuigde en die roep in hun ziel legde, voert hen uiteindelijk tot een gelukkig genieten van de zaligheid die in Christus Jezus is.

Het is de Heilige Geest — Hij alleen — Die ons onze schuldige, verloren en teniet gedane staat doet voelen. Hij en Hij alleen verwondt en doorboort ons hart met overtuiging. Hij opent de diepten van de val, brengt de kwaden van onze natuur aan het licht en doet ons zuchten en klagen onder de last van schuld op het geweten. Hij geeft ons niet alleen de last van de zonde te voelen, maar legt in ons hart een zucht en een roep dat Gods zaligheid aan ons hart geopenbaard mag worden.

Hij en Hij alleen ontvouwt voor onze ogen wie de Heere is. Hij openbaart Christus in het hart, sprengt Zijn bloed op het geweten en maakt Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid openbaar. Hij geeft ons ogen om Zijn heerlijke Persoon te zien en stort Zijn stervende liefde uit in de ziel.

Werp een blik

Als we een blik werpen op het lijdende en stervende Lam van God, hoe toont dat ons de vreselijke en afschuwelijke aard van de zonde! Als we met het oog van het geloof de Zoon van God kunnen zien komen in deze lagere wereld en onze natuur in eenheid met Zijn eigen goddelijke Persoon aannemen — als we de Man van smarten door het geloof kunnen vergezellen naar de sombere hof van Gethsemane of Hem zien zuchten, bloeden en sterven aan het kruis als een voorwerp van smaad en schande — en geloven dat alleen op deze weg de zaligheid kon worden bewerkt: o, wat een zicht geeft dat op de strafwaardigheid en de vreselijke aard van de zonde!

Niets minder dan de menswording van Gods eniggeboren Zoon, niets minder dan zo’n geweldig offer kon de zonde wegdoen en de uitverkorenen terugbrengen tot God! Een gelovige aanblik van de Heere Jezus, hangend aan het hout van Golgotha, toont ons enerzijds de vreselijke aard van de zonde. Maar anderzijds toont ze ons hoe vol, hoe volkomen, hoe heerlijk en hoe werkzaam die zaligheid moet zijn waarvan de stervende Zoon van God kon zeggen: Het is volbracht!

Strikken, vallen, lokaas

Het volk van de Heere wordt van tijd tot tijd diep geoefend door de macht van de zonde. Ze vinden zulke goddeloze lusten in zich. Ze voelen zulke verschrikkelijke kwaden. De verdorvenheden van hun hart liggen zo naakt en bloot, en ze vinden in zichzelf zo’n roekeloze neiging tot alle goddeloosheid. Ze voelen de zonde zo sterk — en zichzelf zo zwak! O, hoeveel van het volk van de Heere worden ‘s morgens, ‘s middags en ‘s avonds met zonde verzocht! Hoeveel kwaden, afschuwelijke kwaden, openen als het ware hun kaken om hen geheel te verslinden!

Waar ze ook gaan en waar ze zich ook wenden: strikken, vallen en lokaas liggen aan alle kanten, dik gestrooid op hun pad! Ze voelen zich zo hulpeloos en zijn zich er zo innerlijk van bewust dat niets dan Gods almachtige kracht hen kan ondersteunen op dit gevaarlijke pad vol strikken aan elke kant, dat ze tot de Heere worden gebracht om te roepen: Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn! Niets minder dan Gods zaligheid — in haar vrijheid, in haar volheid, in haar goddelijke openbaring, in haar zondebedwingende en lustdodende invloed — kan hen van de macht van de zonde redden!

Vleselijke blijdschap

Vleselijke blijdschap is gedood voor een kind van God. Ik bedoel niet dat de “vleselijke gezindheid” gedood is. We hebben maar al te bittere en pijnlijke bevinding van het tegendeel. Maar de bronnen van vleselijke blijdschap zijn gedood. Waarom? Omdat die dingen die vroeger vreugde gaven, nu leeg blijken en niets meer bieden van het genoegen dat men er eens in vond. Gezondheid — kracht — rijkdom — eer — wereldse vermakelijkheden — zondige genoegens: dit alles kon eens de vleselijke gezindheid verheugen en bevredigen. Maar God heeft in Zijn barmhartigheid bitterheid in deze beker gedaan.

Onze vleselijke gezindheid kan er een tijdlang nog door worden vermaakt. Maar o, wat een sombere terugblik! En hoe doorboort het het geweten dat we een ogenblik genot konden smaken of een ogenblik geluk konden ontlenen aan dingen die zo hatelijk en verfoeilijk zijn in de ogen van God! Is er nog enige echte blijdschap of geluk of troost, dan is ze alleen in Christus. Ze is in Zijn bloed — Zijn gerechtigheid — Zijn liefde — Zijn kostbaarheid — Zijn geschiktheid — Zijn tedere ontferming — de rijkdom van Zijn genade — Zijn heerlijke Persoon — alles wat Hij is en alles wat Hij voor ons heeft.

Als we ooit, terwijl we door deze woestijn trekken, één druppel degelijke blijdschap en waar geluk voelen, dan moet die voortvloeien uit één bron en kan ze alleen daaruit voortvloeien: de openbaringen van Christus aan onze ziel. In Hem alleen kunnen we blijdschap en vrede vinden. Zonde — de wereld — de dingen van tijd en zinnen — zaken — vermaak — zogenaamd genot: ze geven nu geen echte blijdschap. Er is een knagende leegte, een gevoel van somberheid en ellende dat verbonden is met alles buiten de goddelijke mededelingen van barmhartigheid, gunst en liefde.

Eén glimlach van de Heere, één woord uit Zijn mond, één genadig doorbreken van het licht van Zijn aangezicht geeft, zolang het duurt, blijdschap. En uit geen andere hoek en uit geen andere bron kan een ogenblik blijdschap worden geput.

Snuisterijen, speelgoed, voorbijgaande schaduwen

opdat gij in Mij vrede hebt (Johannes 16:33)

Vrede in het eigen ik! Die kan nooit gevonden worden. Vrede in de wereld! Die is nooit te krijgen. Vrede in de zonde! God verhoede dat een van Zijn kinderen daar ook maar een ogenblik van zou dromen. Vrede in de dingen van tijd en zinnen! Zijn ze niet allemaal bezoedeld — allemaal snuisterijen, speelgoed, voorbijgaande schaduwen — rook uit de schoorsteen, kaf van een zomerse dorsvloer?

Kan een beproefde, verzochte, neerslachtige gelovige, terneergeslagen door de moeilijkheden van de weg, in deze dingen enige vrede vinden? Zijn vleselijke gezindheid kan zich er, tot zijn schande, een tijdlang door laten afleiden. Zijn goddeloze lusten en hartstochten kunnen erin verstrikt raken en zijn gevallen natuur kan rondkruipen tussen deze arme vergankelijke dagdromen. Maar vrede? Er is geen vrede in deze dingen! En zolang onze goddeloze harten uitgaan naar goddeloze dingen, zal er geen echte, hechte vrede binnenin zijn.

Het is de bedoeling van de Heere dat heel Zijn dierbare gezin vrede in Hem heeft. Daarom drijft Hij hen uit elke toevlucht van leugens, zodat ze in het eigen ik geen vrede vinden. Hij brengt hen uit de wereld, zodat ze daar geen vrede vinden. Hij jaagt hen weg uit de zonde, zodat ze daar geen vrede vinden. Hij acht het ook goed hun gemoed te oefenen en hen telkens weer te beproeven. Zo vinden ze nergens anders vrede en komen ze als arme, gebroken zondaars naar de voetbank van de genade, zien ze op naar Jezus en vinden ze vrede in Hem!

Vastgekleefd en geboeid

De Heere heeft beloofd dat we in de wereld verdrukking zullen hebben. Maar wat doet dit een kind van God wankelen! Hij kan niet begrijpen dat zijn toegewezen pad in de wereld verdrukking zou zijn. En toch, hoe nodig — hoe volstrekt nodig — is het om verdrukking in de wereld te hebben, want hoe nauw is ons hart ermee verbonden. Hoe vastgekleefd en geboeid is ons vleselijke hart aan de dingen van tijd en zinnen! Wat een neiging — wat een dagelijkse, uurlijkse neiging — is er om afgoden na te lopen, onze ijdele geest te vermaken met voorbijgaande vertoningen en belang te stellen in de kleinste beuzelingen om ons heen.

Zo verlaten we de Fontein van levend water en houwen we voor onszelf bakken uit — gebroken bakken, die geen water houden.

Wat een betovering ligt er ook vaak over onze ogen! Wat een reeks van moeiten — wat dagen, weken, maanden en jaren van beproeving zijn er daarom nodig om ons te overtuigen dat de wereld niet ons thuis is, niet onze rust en niet onze blijvende woning. Maar de Heere gebruikt barmhartig en genadig verdrukking in allerlei gedaanten om ons uit de wereld te brengen.

Zo worden we niet met haar veroordeeld en maken we haar niet tot onze rust en ons thuis. Zo trekt Hij ons tot Zijn gezegende voeten, opdat we in Hem die vrede vinden die we nooit hebben gevonden en nergens anders ooit kunnen vinden. In de wereld kunnen we nooit — zullen we nooit — iets anders hebben dan verdrukking en beproeving.

Maar wat is het gevolg — het barmhartige gevolg — van deze moeiten? Is er niet een stem bij? Wanneer het oor geopend is, spreekt de verdrukking. Zijn er geen zeer heilzame vruchten en gevolgen die uit verdrukking voortvloeien? Bijvoorbeeld: is ons hart van nature niet sterk aan de wereld vastgekleefd? Houden we er niet van en hechten we ons er niet aan? Als we de verschillende bewegingen van ons hart gadeslaan, gaan ze dan niet voortdurend uit naar iets afgodisch? Naar iets om ons vleselijke gemoed te bevredigen en te vermaken, te boeien, bezig te houden en te behagen?

Om ons uit de wereld te brengen en ons te laten voelen dat ze niet onze blijvende woonplaats is en dat er in haar geen geluk te vinden is, acht de Heere het nodig verdrukking op ons te leggen. Het is verdrukking van die eigen aard die ons werkelijk van de wereld zal scheiden. Als we door verdrukking gaan, wat een arm, ijdel ding lijkt de wereld ons dan! We hebben innerlijke troost nodig, maar de wereld kan die niet geven. We hebben balsem nodig voor ons geweten, maar de wereld giet die balsem niet in en scheurt de wond liever open.

Zo hebben we verdrukking na verdrukking nodig — beproeving op beproeving — ellende na ellende — slag op slag — smart op smart — verdriet op verdriet. Dat is nodig om die nauwe verwantschap tussen ons en de wereld door te snijden. Het moet ons in ons hart en geweten overtuigen dat er geen rust, geen vrede, geen geluk en geen troost te vinden is in wat de wereld ook aanbiedt!

Donkere vlekken op deze heldere belijdenis!

Werpen we een blik op de belijdenis van sommigen, dan is die geheel aan de lichtzijde van de dingen. Ze willen u graag laten geloven dat ze werkelijk en bevindelijk voor God zijn wat ze voor mensen belijden te zijn. Maar wanneer we met een scherp en doorzoekend oog de vruchten gadeslaan die uit deze “schitterende belijdenis” voortkomen, hoe weinig stemmen die dan overeen met de belijdenis zelf! Hoogmoed — hebzucht — wereldgezindheid — lichtzinnigheid en frivoliteit — een harde en twistzieke geest — oneerbiedigheid in goddelijke dingen — onbezonnen schulden maken — algemene losbandigheid van gedrag.

Hoe vaak zijn deze donkere vlekken op deze heldere belijdenis gedrukt! Ze houden de waarheid leerstellig vast — maar het werk van de Geest aan het hart is onbekend!

Dat enorme, mismaakte, lelijke afgodsbeeld

Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben (Hosea 14:5)

Bent u nooit van God afgeweken? De Heere heeft u in barmhartigheid misschien bewaard voor openlijk afvallen of voor het brengen van smaad op Zijn zaak. Maar afvalligheid beperkt zich niet tot openlijke zonden. Zijn er geen afgoderijen van het hart? Geen overspel van het oog? Geen afwijken van de levende God? Geen uithouwen van bakken — gebroken bakken, die geen water houden? Geen vastklampen aan de wereld? Geen behagen scheppen in de dingen van tijd en zinnen?

Geen koesteren aan uw borst van dat enorme, mismaakte, lelijke afgodsbeeld — lelijker dan een hindoe ooit met zijn hand heeft vervaardigd? Dat bent u zelf: dat monster, het eigen ik. U houdt zo van hem en u bewondert en aanbidt hem bijna. Dat lelijke monster, het eigen ik, zal uw ogen en genegenheden voortdurend wegtrekken van de levende God om zich te richten op dat waardeloze en verfoeilijke afgodsbeeld.

Nu — wanneer we diep en dagelijks onze innerlijke afgoderijen, afvalligheden, overspelen en afwijkingen van de levende God voelen — heeft de Heere dan geen genadige belofte gegeven dat deze afvalligheden genezen zullen worden? Hij zegt: Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben.

Ons spinnenwebben kleed van schepselsgerechtigheid

Ons spinnenwebben kleed van schepselsgerechtigheid moet ons worden afgenomen! We moeten ontdaan worden van die “vuile lompen” die ons niet kunnen beschermen tegen het oog van de alwetende Rechtvaardigheid. Wanneer de verdorvenheden van ons hart worden blootgelegd — wanneer de zonde als een vloed binnen mag komen, zodat al die “dromen van vleselijke heiligheid en schepselsvolmaaktheid” worden weggespoeld — dan verliezen we deze “vleselijke heiligheid” die we eens zo hoog schatten en zo vurig en angstvuldig wensten te verkrijgen.

Dat gebeurt ook wanneer we in de zeef van de satan worden gelegd en onze godsdienst heen en weer wordt geschud totdat elk gezond graan verdwenen lijkt en er niets bovenkomt dan het kaf dat de wind wegblaast. En ook wanneer de Heere de ziel in de smeltkroes van de ellende zet en er niets aan de oppervlakte komt dan het schuim en de slakken die door de Smelter worden weggenomen. Dan gaat die heiligheid verloren — volkomen verloren — wanneer de Heere ons een blik geeft op wat wij zijn en een glimp op wat Hij is!

Weinig anders dan onwetendheid en dwaasheid!

Er was ongetwijfeld een tijd dat we onszelf zeer wijs achtten. Dat was vooral toen we, naar we meenden, enige vooruitgang hadden gemaakt in de godsdienst en enkele leerstukken in ons hoofd hadden opgeslagen. Het was toen we enkele schrijvers hadden gelezen of de Bijbel hadden bestudeerd en gedeelte met gedeelte en hoofdstuk met hoofdstuk hadden vergeleken. We feliciteerden onszelf ongetwijfeld met een grote hoeveelheid wijsheid en dachten dat we alles wisten, omdat we enig begrip hadden van de “letter van Gods Woord”.

Maar als we in moeilijkheden, beproevingen, verzoekingen en verlegenheden komen, dan verdwijnt al onze wijsheid en blijkt ze weinig anders dan onwetendheid en dwaasheid! Ze baat ons niet wanneer we haar het meest nodig hebben. Ze kan ons niet leiden op paden van vrede. Ze kan ons niet bewaren voor kwaad of dwaling. Als een ontwrichte voet geeft ze mee zodra er enig gewicht of enige druk op komt!

De beeldhouwer

God handelt met de ziel in genade zoals de kundige beeldhouwer met het marmerblok. Hij houwt hier een stuk weg en laat daar een stuk naar voren komen, en brengt ten slotte de prachtige gestalte te voorschijn. Zo ook de gezegende Geest — die ware beeldhouwer Die Christus’ beeld in het hart graveert. Soms geeft Hij en soms neemt Hij, soms schaaft Hij hier en zet Hij daar iets bij, totdat Hij ten slotte het beeld van Christus in de ziel te voorschijn brengt!

De lusten van het vlees!

Hoe sterk zijn de lusten van het vlees! Wat een macht hebben ze over de verbeelding! En hoe verleidelijk worden ze als ze in de minste mate worden toegegeven, totdat het hart een kooi van onreine vogels wordt! De lust van het vlees en de lust van de ogen hebben menig arm kind van God in de diepste slavernij gestort! Hoogmoed — hebzucht — wereldgezindheid — overdreven bezorgdheid in zaken — aanpassing aan wereldse mode in kleding en meubilair — omgang met wie God niet vrezen: wat een schreeuwende kwaden zijn dit in onze tijd en in ons geslacht!

Als u uw eten in ellende wilt nuttigen

Geef ons elken dag ons dagelijks brood (Lukas 11:3)

Het is het zien van de voorzienige hand van de Heere dat de gewoonste tijdelijke weldaden zoet maakt. Ons dagelijks brood, onze verschillende aardse en geheel onverdiende gemakken, onze kleding, ons huis en haard, ons gezin en onze vrienden — ze worden ons allemaal geschonken door Gods goedgunstige voorzienigheid!

Het is dubbel zoet wanneer we ze rechtstreeks uit Gods handen kunnen ontvangen, alsof Hijzelf ze ons bracht! Telkens wanneer we dus Gods goedheid kunnen zien in het schenken van de gaven van de voorzienigheid, drukt dat er als het ware een dubbele waarde op. Dan genieten we ervan met als het ware een dubbele smaak, omdat ze komen uit Zijn mildadige hand!

Wilt u uw eten in ellende nuttigen, neem het dan met een ondankbaar, weerspannig hart. Wilt u het in zoetheid eten, neem het dan met een dankbaar hart en zie het gestempeld met Gods goedheid. Een korst brood, dankbaar ontvangen als gave van God, is zoeter dan de rijkste en heerlijkste maaltijd waarin Zijn hand niet wordt gezien. Aan een zo gedekte tafel kunt u met ontevredenheid aanzitten en met ondankbaarheid opstaan.

Mijn zuchten!

HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen (Psalm 38:10)

Het volk van de Heere is zeer onderhevig aan vleselijkheid, duisternis, hardheid, doodsheid, onvruchtbaarheid en lauwheid. En soms lijkt er maar net zoveel leven in hun ziel te zijn om deze dingen te voelen en eronder te zuchten. Onder deze gevoelens roepen ze daarom tot de Heere. Ze kunnen die vleselijkheid en duisternis, onvruchtbaarheid en dood niet verdragen die zich van hen lijkt te hebben meester gemaakt. Met deze lasten komen ze tot de troon van de genade en smeken ze de Heere Zijn werk in hun hart te doen herleven.

Wat ligt er in de uitdrukking “mijn zuchten”? Zuchten wij niet onder een gevoel van pijn? Het is de meest natuurlijke uiting van onze gevoelens wanneer we hevig lijden. De barende vrouw, de patiënt onder het scherpe mes van de chirurg, de man die lijdt aan een pijnlijke inwendige ziekte — zij kunnen hun smartelijke gevoelens alleen luchten door te kreunen. En is het geestelijk niet zo? Wanneer het volk van de Heere zucht, laat zien dat ze binnenin een pijnlijk gevoel ervaren. Die pijnlijke gevoelens kunnen ze alleen uitdrukken door hardop te zuchten voor de voetbank van de genade!

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!