Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

De vernedering van de Verlosser

Philpot volgt het genadeverbond van de eerste belofte in Eden tot de menswording van de Zoon van God. Hij toont hoe Christus Zichzelf ontledigde en als Knecht Zijn Vader gehoorzaamde met een vrijwillige, volmaakte en verdienstelijke gehoorzaamheid.

Wij naderen het plechtige onderwerp van de heilige menselijke natuur van onze gezegende Heere, zoals die hier beneden bezig was met het werk van de verlossing. Wij willen dat doen onder het bijzondere onderwijs en de zalving van de Heilige Geest. Dan zal ons niets onjuists, onbestaanbaars of onbetamelijks uit de pen vloeien. Dan zal wat wij schrijven in de strengste overeenstemming zijn met de woorden van God en met de bevinding van Zijn heiligen. En dan zullen leven, kracht en smaak onze overdenkingen vergezellen voor die gelovige harten die met ons willen wandelen in deze velden van hemelse overpeinzing.

In alle waarheid leiden, het Zijne van Christus nemen en het aan Zijn discipelen tonen en zo Jezus verheerlijken: dat is het bijzondere werk van de Heilige Geest. (Johannes 16:13-15.) Dit goddelijke onderwijs ontvangen betekent de zalving van den Heilige hebben en daardoor alle dingen weten. (1 Johannes 2:20.) Het is gezegend zijn met die zalving die ons leert van alle dingen. Zij is waarachtig, en is geen leugen. (1 Johannes 2:27.)

Gebed en smeking, eerbiedige gedachten en gevoelens jegens de heilige Majesteit van de hemel en innerlijke nederwerping van de geest voor Zijn troon zullen deze hemelse zalving vergezellen. Dat geldt ook voor onderwerping van het verstand aan het woord van de waarheid en voor geloof dat in levende oefening is op de Persoon en het werk van de Zoon van God. Ook hoop die binnen de voorhang is verankerd en liefde die uitstroomt naar de aanbiddelijke Verlosser horen erbij.

Zo onuitsprekelijk heilig, zo groot en zo volmaakt is die ware tabernakel die de Heere heeft opgeslagen en geen mens. Zij is niet met handen gemaakt, zoals de tabernakel in de woestijn. Zij is toebereid door God de Vader, aangenomen door God de Zoon en geheiligd door God de Heilige Geest. Wij zouden er daarom evenzeer voor terugdeinzen een woord te laten vallen dat haar genade en heerlijkheid onteert of ermee in strijd is, als de hogepriester onder de wet ervoor zou hebben gebeefd om zwijnenbloed of het sop van gruwelijke dingen in het heilige der heiligen te dragen.

De heilige menselijke natuur van Zijn dierbare Zoon is de tempel van Zijn Godheid en doorstraald met de stralen van Zijn eeuwige heerlijkheid. De ogen van de Vader beschouwen haar altijd met onuitsprekelijk welbehagen en verrukking. Deze tabernakel was ook niet minder heerlijk in de heilige ogen van Hem die de dingen ziet zoals zij werkelijk zijn en niet zoals zij de mens voorkomen. Dat gold zelfs in de diepste vernedering en schande van Jezus, toen Hij was een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

Honden omsingelden Hem en een vergadering van boosdoeners omgaf Hem. Zij doorgroeven Zijn handen en voeten. Hij kon al Zijn beenderen tellen terwijl Hij uitgekleed aan het kruis hing. Zijn vijanden keken toe en staarden Hem aan, verdeelden Zijn klederen onder zich en wierpen het lot over Zijn gewaad. (Psalm 22:7; 22:17-19.) Toch had de Vader even veel welbehagen in Hem en was Hij even heerlijk in Zijn ogen als Hij nu is aan de rechterhand van Zijn troon.

Hij is vanaf het uur van Zijn menswording altijd dezelfde Jezus Christus geweest en zal dat altijd zijn. Hij is dezelfde gisteren, toen Hij aan het kruis hing. Hij is dezelfde vandaag, nu Hij aan de rechterhand van God zit. En Hij is dezelfde voor eeuwig in de eeuwigheid van Zijn koninkrijk, kracht en heerlijkheid.

Mogen wij die in Zijn naam geloven en Hem met voornemen des harten aanhangen, als wie het licht van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus aanschouwen, zo’n heilige gemeenschap met Hem in Zijn lijdende menselijkheid voelen. Dan kunnen wij met de heilige Johannes in de uitstroming van geloof en genegenheid zeggen dat onze gemeenschap waarlijk is met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus. (1 Johannes 1:3.)

Het fundament van deze heilige verborgenheid is gelegd in de eeuwige raadsbesluiten van God en bepaald door een verbond dat in alles wel geordineerd en zeker is. De schepping van deze lagere wereld, en wij mogen ook zeggen van de hogere wereld van stralende engelen, was slechts een eerste stap om deze verborgen raadsbesluiten van Jehova aan het licht te brengen. Toen Hij de mens naar Zijn gelijkenis vormde, was dat niet alleen naar Zijn zedelijke beeld. (Efeze 4:24; Kolossenzen 3:10.) Het was ook naar de gelijkenis van die Mens die in de gedachten van God van eeuwigheid af gezalfd was, voordat de aarde bestond. (Spreuken 8:23.)

Het was volstrekt onmogelijk dat een heilig God een zondige mens zou scheppen. Hij maakte de mens daarom oprecht maar in staat om te vallen. In de tijd van de onschuld van de mens sliepen de beloften van het genadeverbond, om zo te zeggen. Zij lagen in de schoot van het verbond, gereed om te verschijnen, maar waren nog niet nodig.

Maar zodra de mens zondigde en viel, trad de Barmhartigheid naar voren. Eerst had de Gerechtigheid, als openbaring van de wezenlijke heiligheid van Jehova, het eerste recht om te spreken. Zij had het vonnis over het hoofd van de schuldige misdadigers uitgesproken. De Barmhartigheid lag al opgeborgen in het genadeverbond. Zij kwam met de eerste belofte die uit de mond van een zondenvergevende God kwam: het zaad van de vrouw zou de kop van de slang vermorzelen.

Hier was de eerste aanduiding van de verschijning van de Zoon van God om de werken van de duivel te verbreken. De vermorzelaar van de kop van de slang zou van het zaad van de vrouw zijn. En het lijden van de heilige menselijkheid, die van de vrouw zou worden aangenomen, werd op hetzelfde ogenblik voorafgeschaduwd in de verklaring dat het zaad van de slang Hem de verzenen zou vermorzelen.

Als verdere ontwikkeling van de heilige verborgenheid van het geslachte Lam stelde de genadige Heere toen de eredienst door offerande in. Dat blijkt uit het offer van Abel, die van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet bracht. (Genesis 4:4.) Hij verbrandde dat ongetwijfeld op het altaar, geheel overeenkomstig het mozaïsche ritueel dat later werd vastgesteld. (Numeri 18:17.) De Heere stelde dus toen het offer in. Hij bekleedde ook Zelf onze eerste ouders met de huiden van de geofferde dieren. Dat was een zinnebeeld van de gerechtigheid van het geslachte Lam van God, dat zo aan hun geloof werd geopenbaard.

Laten wij niet denken dat deze plechtige gebeurtenissen in de hof van Eden een plotselinge gedachte van God waren, een noodmiddel dat toen en daar voor het eerst werd bedacht om de val te herstellen. Het genadeverbond tussen de drie Personen van de heilige Drie-eenheid werd gesloten met een vooruitzicht op de val. Daarom wordt de gezegende Heere genoemd het Lam Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld. (Openbaring 13:8.)

Het is waarlijk onterend voor het karakter van Hem Die van den beginne aan verkondigt het einde (Jesaja 46:10), van Wie geschreven staat: Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen (Job 28:24), om te denken dat de val van Adam Hem, om zo te zeggen, verraste. Het zou dan een onverwachte gebeurtenis zijn geweest, waarvoor geen vooruitzicht was en geen voorziening was getroffen. Zulke lage en kruipende gedachten over de grote en heerlijke zelfbestaande IK BEN zijn ver van ons. Zulke opvattingen zouden de fundamenten van ons geloof in Zijn alwetendheid en almacht uitrukken.

Als God de val niet voorzag, een gebeurtenis die beladen was met het eeuwige lot van miljoenen, welke kleinere omstandigheid kan Hij dan nu voorzien? Als God voor de val die Hij voorzag geen herstel voorzag, waar is dan Zijn wijsheid en ook Zijn voorkennis van de omstandigheden waarmee wij nu omringd zijn? Zo’n blinde God, die als het ware zoekend rondtast naar een herstel te midden van de ruïnes van een val die Hij nooit voorzag, is erger dan een heidense afgod. In elk geval is Hij niet de God van de Bijbel. Hij is niet de God in Wie levende zielen geloven, Die zij aanbidden en vereren.

Zij bewonderen met heilige eerbied Zijn eeuwige vooruitzien en buigen in onderwerping voor Zijn vaste raadsbesluiten. Zij aanbidden Zijn soevereiniteit in de uitverkiezing van de vaten der barmhartigheid en de verwerping van de vaten des toorns. En als zij mogen proeven van Zijn liefde, zegenen zij Zijn heilige naam dat Hij hen met een eeuwige liefde heeft liefgehad vóór de grondlegging der wereld. Als deze fundamenten van ons allerheiligst geloof worden omgestoten: wat heeft de rechtvaardige bedreven? (Psalm 11:3.)

Maar God zij gezegend: Zijn voorkennis en Zijn voorzienigheid, Zijn wijsheid en Zijn genade, Zijn barmhartigheid en Zijn liefde zijn alle van eeuwigheid tot eeuwigheid. Zij zijn verzekerd door een verbond dat in alles wel geordineerd en zeker is. Zij zijn vastgelegd door een onwrikbaar besluit en bekrachtigd door Zijn woord en door Zijn eed. Dat zijn twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege. (Hebreeën 6:18.)

In dit eeuwige verbond was bepaald dat de Zoon van God, de tweede Persoon in de heerlijke Godheid, onze natuur zou aannemen in vereniging met Zijn eigen goddelijke Persoon. Hij zou haar als offer brengen voor de zonden van Zijn uitverkoren volk. Zo zou Hij hen verlossen van alle gevolgen van de val en met God verzoenen.

Het WERK dat in die heilige menselijke natuur hier op aarde is volbracht, in haar staat van vernedering en lijden.

Wij hebben reeds aangetoond dat deze heilige menselijke natuur van onze aanbiddelijke Heere een werkelijk menselijk lichaam en een werkelijke menselijke ziel was. Beide werden op één en hetzelfde ogenblik opgenomen in vereniging met de goddelijke Persoon van de Zoon van God. Zij was wezenlijk onzondigbaar en onsterfelijk.

Wij hebben nu, met Gods zegen en in navolging van ons heilige thema, het werk te tonen dat in die heilige menselijke natuur hier op aarde is volbracht, in haar staat van vernedering en lijden. Zo ontvouwen wij verder de grote verborgenheid der godzaligheid: God is geopenbaard in het vlees.

i. Het eerste wat wij moeten overwegen is wat Hij werd door deze vrijwillige daad van het aannemen van onze natuur in vereniging met Zijn goddelijke Persoon. Bij het uiteenzetten van dit deel van ons onderwerp zullen wij nauwgezet de sporen volgen van dat gedeelte van de Heilige Schrift waarin de apostel Paulus de heilige verborgenheid van de vernedering van de gezegende Heere ontvouwt. (Filippenzen 2:5-8.)

1. Hij ontledigde Zichzelf van al die uiterlijke toevoegsels van Zijn heerlijke Persoon waarmee Hij voor altijd had geschenen als de eeuwige Zoon van de Vader in de hoven van de hemel. Wij gebruiken de uitdrukking “ontledigde Zichzelf” als de letterlijke vertaling van het woord dat in onze vertaling is weergegeven met Zichzelven vernietigd. Wij bedoelen daarmee niet dat Hij Zichzelf beroofde van één van de volmaaktheden van de goddelijke natuur. Niet één wezenlijke eigenschap van de Godheid werd of kon in het minst verminderd worden door Zijn aanneming van onze natuur.

Hij kon evenmin ophouden alles te zijn wat God is als dat Hij kon ophouden God te zijn. Maar Hij ontledigde Zich ervan voor de ogen van de mensen door hun uiterlijke en zichtbare openbaring terzijde te leggen.

Zoals een aardse koning een tijd lang zijn koninklijke staat kan afleggen en toch koning blijft, zo legde de Zoon van God voor een tijd die stralen van Zijn heerlijkheid af die anders te helder en te heerlijk zouden hebben geschenen voor menselijke ogen. Want Mij zal geen mens zien, en leven. (Exodus 33:20.)

Bovendien lag er een geheim voornemen in de gedachten van God, wiens eer het is een zaak te verbergen en ook te openbaren. (Spreuken 25:2.) De heerlijke Persoon van Zijn dierbare Zoon zou voor alle ogen verborgen zijn behalve voor die van het geloof. Zoals de zon soms verhuld is in nevel of door voorbijtrekkende wolken, schijnt haar licht toch erdoorheen en is haar schijf zichtbaar. Zij is dan wel gedempt en ontdaan van de stralen die het menselijk oog niet kan verdragen. Zo verhulde de Zoon van God Zijn goddelijke heerlijkheid door de tabernakel van de heilige menselijkheid waarin Hij woonde.

Daarom wordt gezegd dat Hij onder ons “getabernakeld” heeft, zoals het woord “gewoond” (Johannes 1:14) letterlijk betekent. De Sjechina, de goddelijke aanwezigheid, woonde in een wolk van heerlijkheid op het verzoendeksel in de tabernakel die in de woestijn was opgericht. (Leviticus 16:2.) Het heilige der heiligen had daardoor het licht van de gouden kandelaar die het buitenste heiligdom verlichtte niet nodig. Toch was het door de gordijnen van de tabernakel verhuld. (2 Samuël 7:2.) Zo was ook de heilige menselijkheid van de gezegende Heere als een tabernakel voor Zijn goddelijke natuur. Zij verhulde haar voor de ogen van de mensen en was toch door haar inwonende aanwezigheid vervuld van genade en heerlijkheid.

Zo had Hij voor gewone ogen geen gedaante noch heerlijkheid. Hij was als een wortel uit een dorre aarde en werd veracht en verworpen door de mensen. En toen zij Hem aanzagen: zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. (Jesaja 53:2.)

Wel straalden er voor gelovige ogen en harten vonken van Zijn eeuwige Zoonschap en heerlijke Godheid door de sluier van Zijn menselijkheid. Want Johannes zegt: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid. (Johannes 1:14.)

En de Vader verklaarde niet alleen uiterlijk met een stem uit de hemel tweemaal dat Hij Zijn geliefde Zoon was. (Mattheüs 3:17; 17:5.) Hij openbaarde Hem ook innerlijk als zodanig aan het hart van Zijn discipelen, volgens het getuigenis van de Heere Zelf in het geval van Petrus. (Mattheüs 16:16-17.)

Zolang Hij in de wereld was, was Hij het licht der wereld (Johannes 1:9; 8:12; 9:5), zoals de zon, hoe verhuld door wolken ook, nog steeds het licht van de aarde is. Hoewel verworpen en verfoeid door de mensen kon Hij daarom nog steeds, in de diepten van Zijn vernedering, opzien naar Zijn hemelse Vader. Hij kon spreken in de taal van kinderlijke liefde en vertrouwen: Israel zal zich niet verzamelen laten; nochtans zal Ik verheerlijkt worden in de ogen des HEEREN, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn. (Jesaja 49:5.)

2. De tweede daad van vernedering van de eeuwige Zoon van God bij het aannemen van onze natuur was dat Hij de gestalte van een dienstknecht aannam. Sommigen zijn als dienaar geboren, zoals Abraham driehonderdachttien geoefende dienaren had die in zijn huis geboren waren. (Genesis 14:14.) Anderen worden door anderen tot dienaar gemaakt, ofwel als gevangenen in de oorlog meegevoerd (Deuteronomium 21:10) ofwel met geld gekocht. (Leviticus 25:44-46.)

Maar de gezegende Zoon van God nam de gestalte van een dienstknecht aan als een vrijwillige daad van genade. En niet alleen de gestalte maar ook de werkelijkheid, want het woord gestalte heeft niet alleen betrekking op Zijn uiterlijke verschijning hier beneden maar ook op de innerlijke onderwerping van Zijn ziel aan God.

Daarom zei de Vader van Hem in de taal van de profetie: Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft. (Jesaja 42:1.) En tot Hem zei Hij: Gij zijt Mijn Knecht, Israel, door Welken Ik verheerlijkt zal worden. (Jesaja 49:3.) Hij was van moeders buik af tot een Knecht geformeerd (Jesaja 49:5), zodat Hij een knecht werd op het ogenblik dat Hij onze natuur in de schoot van de maagd in vereniging met Zijn eigen goddelijke Persoon aannam.

De apostel haalt de woorden van Psalm 40:7 aan: Gij hebt mij de oren doorboord (kanttekening: “gegraven”). Dat wil zeggen: “Gij hebt mij tot Uw gewillige knecht gemaakt”, met toespeling op Exodus 21:6. Hij geeft ze weer met de woorden: Gij hebt Mij het lichaam toebereid. Want door het toebereide lichaam aan te nemen werd Hij de gewillige knecht van de Vader, volgens Zijn eigen woorden: Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen. (Psalm 40:9.)

3. Door dit toebereide lichaam aan te nemen is Hij dus den mensen gelijk geworden en in gedaante gevonden als een mens. Zijn heilige menselijkheid was wezenlijk anders dan de onze. Zij was heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, onzondigbaar en onsterfelijk. Toch leek zij in uiterlijke vorm en verschijning, zoals ook in werkelijkheid en waarheid, volkomen op die van de mens. Zij at, dronk en sliep, was vermoeid, zweette bloeddruppels en doorstond pijn van het lichaam en barensnood van de ziel.

De vroege kerk werd zeer geplaagd door de zogenoemde gnostische ketterij. Zij ging uit van de aannemelijke veronderstelling dat echt vlees een te grove en stoffelijke substantie was om door de Zoon van God aangenomen te worden. Daarom beweerde zij dat Hij een schimmige, ijle gedaante aannam waarin geen echt vlees of bloed was maar slechts de schijn.

Tegen deze ketterij trekt de heilige Johannes zijn zwaard wanneer hij verklaart dat het Woord is vlees geworden. En hij geeft dit als toetssteen van zaligmakende waarheid en verdoemelijke dwaling: Hieraan kent gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God; En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alrede in de wereld. (1 Johannes 4:2-3.)

Wij moeten dus vasthouden aan deze levensbelangrijke waarheid. Het was echt vlees en bloed, hoewel heilig vlees en bloed, dat de Zoon van God in de schoot aannam en op het hout offerde.

4. Nadat Hij zo vrijwillig de gestalte van een dienstknecht had aangenomen, nam de gezegende Heere datgene aan waarin het wezen van dienstbaarheid bestaat. Dat is gehoorzaamheid, en wel niet alleen aan het woord maar aan de wil van Zijn hemelse Vader. Deze gehoorzaamheid vormt onze rechtvaardigmakende gerechtigheid en is een deel van Zijn voleindigde werk. Daarom verdient zij van ons de meest aandachtige, biddende en overpeinzende overweging.

Om echter niet te lang bij dit deel van ons onderwerp stil te staan, noemen wij kort vijf bijzonderheden. Zij zijn de meest opvallende en gezegende kenmerken van de gehoorzaamheid van Jezus hier in deze staat van vernedering. Zij was vrijwillig, met vreugde gedaan, volmaakt, plaatsvervangend en verdienstelijk.

1. Zij was vrijwillig. Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God (Hebreeën 10:7) waren, om zo te zeggen, de woorden in Zijn hart en op Zijn lippen toen Hij uit de schoot van de Vader kwam om vlees aan te nemen in de schoot van de maagd. Er was niets dat Hem uit de hemel naar de aarde dwong dan de dwang van de liefde.

Van de liefde van Christus staat geschreven: de liefde van Christus dringt ons. Zij dringt ons om niet voor onszelf te leven maar voor Hem die voor ons gestorven en opgestaan is. (2 Korinthe 5:14.) Zo mogen wij in zekere zin zeggen dat de liefde van Zijn volk Hem dwong voor hen te leven en te sterven. Zij waren Zijn erfdeel, het deel dat de Vader Hem gaf toen Hij Hem aanstelde tot een Erfgenaam van alles (Hebreeën 1:2), opdat zij Zijn eeuwig bezit zouden zijn. (Deuteronomium 32:9; Psalm 2:8.)

Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven, herinnert Hij Zijn Vader daarom nederig. En om de eenheid van gedachte, wil, voornemen en bezit in de Vader en de Zoon te tonen voegt Hij eraan toe: En al het Mijne is Uw, en het Uwe is Mijn; en Ik ben in hen verheerlijkt. (Johannes 17:6; 17:10.)

Daarom had Hij de gemeente lief als Zijn eigen bruid, de bruid van Zijn hart. Hij had haar Zichzelf verloofd als gave van de Vader voordat de tijd was. (Jeremia 31:3; Hosea 2:19-20.) Ja, vóórdat de bergen gevestigd waren, toen Hij de aarde nog niet gemaakt had, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld, verheugde Hij Zich toen al in de wereld Zijns aardrijks. Dat is het deel van Zijn aarde dat Zijn heiligen zouden bewonen, en Zijn vermakingen zijn met de mensenkinderen. (Spreuken 8:25-26; 8:31.)

Door de val was de gemeente bezoedeld en verontreinigd voorbij alle gedachten en woorden. Zij was gezonken voorbij alle andere hulp en hoop. Het beeld van God waarin zij geschapen was, was verminkt en geschonden. Zij was een vijand en vreemdeling door boze werken en de gewillige gevangene van zonde en Satan. De hel opende haar muil om haar te verslinden in dezelfde poel van eeuwig wee waarin de gevallen engelen zich al wentelden.

Toen, ja toen, o wonder van genade! O wonder van onuitsprekelijke liefde! gaf de Zoon van God Zichzelf voor haar. Het was een louter vrijwillige daad en toch in overeenstemming met de wil en het raadsbesluit van de Vader en de Heilige Geest!

Deze vrije, vrijwillige gave van Zichzelf met al haar gezegende vruchten en gevolgen wordt prachtig ontvouwd door de apostel in die treffende passage: Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord; Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. (Efeze 5:25-27.)

De troosteloze, diep gezonken, hulpeloze en hopeloze staat van de gemeente door de val en het meedogende erbarmen van de gezegende Heere als haar verbondshoofd en echtgenoot worden prachtig uiteengezet door de profeet Ezechiël. Hij vergelijkt haar met een arm, verlaten en verstoten kind dat in het open veld was weggeworpen, tot walging van zichzelf, op de dag dat het geboren werd. Geen oog had medelijden met haar. Geen hand werd uitgestoken om haar de nodige zorg te verlenen of haar voedsel, warmte of beschutting te geven.

Zij was overgelaten om te sterven. Had Hij die zeer barmhartig is en een Ontfermer (Jakobus 5:11) zich niet over haar ontfermd en had Hij wiens liefde de kennis te boven gaat haar niet liefgehad, in welke onpeilbare diepte van eeuwig wee zou zij dan niet zijn gezonken!

Maar juist in dat uur van nood kwam Hij voorbij en die tijd was de tijd der minne. Hij spreidde Zijn vleugel over haar uit, zwoer haar en sloot een verbond met haar, en zij werd de Zijne. Maar voordat zij in Zijn armen kon overgaan, moest Hij zelf al haar vuil afwassen in de fontein van Zijn eigen bloed. Hij moest haar zalven met de olie van Zijn genade en met de wedergeboorte en heiligmaking door de invloed van de Heilige Geest. En Hij moest haar kleden met gestikt werk, namelijk de gerechtigheid die Hij voor haar heeft gewrocht door Zijn eigen werkende en lijdende gehoorzaamheid.

Dit zijn de drie zegeningen waarvan de apostel spreekt als het tegenwoordige deel van de heiligen van God: En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods. (Ezechiël 16:5-10; 1 Korinthe 6:11.)

2. Het was een gehoorzaamheid waarin de gezegende Heere vreugde had. Zijn eigen woorden, in de taal van de profetie, als in heilige verwachting van Zijn komst van de hemel op aarde, duizend jaar vóór de menswording, waren: Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen. (Psalm 40:9.) Zo kon Hij zeggen toen Hij moe en afgemat was bij de put in Samaria en Zijn liefde en vreugde in het doen van Gods wil alle gevoel van de natuurlijke behoeften van het lichaam verzwolg: Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge. (Johannes 4:34.)

In deze geest zei Hij ook, een jaar vóór Zijn eigenlijke lijden en sterven: Maar Ik moet met een doop gedoopt worden. En o, wat een doop van lijden en bloed! Wat een doodsangsten van het lichaam en wat een barensnood van de ziel! en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij. (Lukas 12:50.) Het was alsof Zijn heilige ziel hijgde met intens verlangen naar de overweldigende doop van de smarten in de hof. Zij drong erheen, evenals naar het lijden van het kruis, als de vervulling van de wil van Zijn Vader.

Zo ging Hij op Zijn laatste reis uit Galilea naar Judea voor hen heen, alsof Hij sneller wilde gaan dan gewoonlijk en Zijn dralende discipelen wilde voorbijlopen. Hij ging op naar Jeruzalem, waar de wil van Zijn Vader gehoorzaamd en het verzoenende offer gebracht moest worden. (Lukas 13:33; 19:28.)

Gezegende Heere! Mochten wij U volgen in dit heilige voorbeeld en vreugde hebben in het doen van Uw wil, zoals U vreugde had in het doen van de wil van Uw Vader. En dat zou zeker onze wens en vreugde zijn als wij meer gelijkvormig waren aan Uw lijdende beeld en meer gevormd naar het voorbeeld van Uw gehoorzaamheid. (Romeinen 12:1-2.)

Bezield door dezelfde heilige vreugde zei Hij tot Zijn discipelen aan de vooravond van Zijn lijden en sterven: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde. (Lukas 22:15.) En toen het plechtige uur naderde, kwamen de wateren tot aan Zijn ziel. Hij zonk weg in diepe modder waar geen staan was en kwam in diepe wateren waar de vloed Hem overstroomde. (Psalm 69:2-3.)*

In de sombere hof moest Hij de beker van de toorn drinken die in Zijn hand werd gelegd. Wat een zachtmoedige onderwerping en wat een heilige berusting toonde Hij toen aan de wil van Zijn Vader! Waar kunnen wij kijken om zulke smarten te zien? Maar waar kunnen wij kijken om zo’n heilige gehoorzaamheid te vinden, zo’n zachtmoedige onderwerping en zo’n geduldig verdragen ervan?

* In de Psalmen, vooral in Psalm 22:1-32, Psalm 40:1-18 en Psalm 69:1-37, wordt de innerlijke bevinding van de gezegende Heere als een Man van smarten uiteengezet.

3. Opnieuw. Het was een volmaakte gehoorzaamheid. Elke gedachte, elk woord en elke daad van die heilige en gewijde menselijkheid was volmaakt. Niet alleen omdat zij voortkwam uit een wezenlijk zuivere natuur, maar ook omdat zij vervuld was met alle gaven en genaden van de Heilige Geest. Hij is die heerlijke Persoon in de ongedeelde Godheid die de heilige menselijkheid van onze gezegende Heere in de schoot van de maagd door een goddelijke werking verwekte.

Hij vulde haar ook met al Zijn gaven en genaden. Zichtbaarder daalde Hij op Hem neer bij Zijn doop en zalfde Hem als Profeet, Priester en Koning. (Jesaja 61:1; Lukas 3:22; 4:1; Johannes 3:34; Handelingen 10:38; Hebreeën 1:9.) Hij bleef in Hem in al Zijn volheid gedurende Zijn hele bediening, lijden en sterven.

De wet eiste een volmaakte gehoorzaamheid. Zij kon vanwege haar aard ook geen andere aanvaarden. Deze gehoorzaamheid moest onwankelbaar zijn en in één ononderbroken stroom uit het hart vloeien. Zoals de Jordaan in de tijd van de oogst, zo overstroomde die stroom al zijn oevers met liefde tot God en mensen. De Heere beloofde dat er stromen van levend water zouden vloeien uit de buik (of het hart) van wie in Zijn naam gelooft. Zo vloeiden de stromen van levende gehoorzaamheid uit Zijn eigen hart en lippen, terwijl Hijzelf in God geloofde en Zijn wil deed van harte.

4. De gehoorzaamheid van Jezus aan de wil van de Vader was plaatsvervangend. Zij werd namelijk verricht ten behoeve van Zijn gemeente en haar toegerekend tot gerechtigheid. Hij stond in haar plaats en in haar stede als haar Borg en Vertegenwoordiger. Zij had een schuld die zij niet kon betalen en een gehoorzaamheid aan de wet die zij niet kon bewijzen. De Vader aanvaardde die van Zijn Zoon en zo werd Zijn gehoorzaamheid de hare.

Zo worden velen rechtvaardig: gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden. (Romeinen 5:19.) Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. (2 Korinthe 5:21.)

5. Deze gehoorzaamheid was verdienstelijk. Hier zien wij de schoonheid, genade en heerlijkheid van de menswording van de Zoon van God. Als God kon Hij niet lijden en als mens kon Hij niet verdienen. Maar als God-mens kon Hij lijden als mens en verdienen als God. Hoewel Hij twee naturen heeft, heeft Hij maar één Persoon. Daarom dragen Zijn doen en sterven, Zijn lijden en gehoorzaamheid, Zijn bloed en gerechtigheid het stempel van alle waarde en zijn zij bekleed met alle geldigheid van de Godheid. Want Hij die als mens gehoorzaamde en leed, is waarlijk en werkelijk God.

Hier is dus de grote verborgenheid der godzaligheid: God is geopenbaard in het vlees. Hier vloeien door dit gewijde kanaal vergeving en vrede. Hier kan God rechtvaardig zijn en toch de Rechtvaardigmaker van wie in Jezus gelooft. Hier worden alle eigenschappen van God in overeenstemming gebracht, de wet groot gemaakt, het evangelie geopenbaard, de zondaar gered en God verheerlijkt.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!