Meditations on Ephesians 1 and 2 — Ephesians 2, Part 4
Als we niet door de kracht van goddelijk onderwijs en goddelijk getuigenis in redelijke mate geestelijk en uit eigen bevinding kunnen ingaan in de grote en heerlijke waarheden van het eeuwige evangelie, kunnen we er de bijzondere schoonheid niet van zien en de bijzondere zoetheid en zaligheid niet van voelen. Neem bijvoorbeeld de grote waarheden waar we de laatste tijd bij hebben stilgestaan in onze uitleg van het hoofdstuk dat voorligt (Efeze 2:1-6). Hoe kunnen we ingaan in de hemelse waarheden die daar worden ontvouwd, zodat we hun goddelijke schoonheid zien en hun kracht en kostbaarheid beseffen, als we ze niet min of meer in het licht van onze eigen ervaring kunnen lezen?
Wat we waren als doden in de misdaden en de zonden, wat we zijn als levend gemaakten voor God en wat we hopen te zijn wanneer we ten volle genieten van wat we nu als onderpand hebben: hoe kunnen we met de man van God op één lijn staan als hij in de verzen waarnaar we net hebben verwezen deze geheimen ontvouwt, tenzij we ze in redelijke mate als de onze kunnen beseffen, in geloof en in gevoel?
De voornaamste reden waarom mensen op klaarlichte dag struikelen als in de nacht, en haperen en stamelen in begrip en uitdrukking wanneer ze deze goddelijke brieven proberen te behandelen, is het gebrek aan bevinding van de waarheden die erin worden voorgesteld. Ze missen de juiste sleutel voor de werken van dit ingewikkelde slot. Daarom peuteren ze er zonder resultaat in met valse sleutels. Die kunnen het slot niet bederven, maar laten duidelijk de onwetendheid van de werklieden zien.
Met dit onderscheid steeds voor ogen hervatten we nu de draad van onze uitleg. Onze lezers herinneren zich dat drie punten ons tot nu toe vooral hebben beziggehouden in verband met het tot leven roepen van hen die dood waren in de misdaden en de zonden. Dat waren: 1. dat zij levend werden gemaakt toen ze dood waren, 2. dat zij met Christus werden opgewekt, en 3. dat zij met Christus werden gezet in de hemelse gewesten.
We hebben meer dan eens aangewezen dat deze drie opeenvolgende stappen allemaal in de nauwste en meest innige samenhang staan met de opstanding van de Heere Jezus Christus en Zijn hemelvaart naar de rechterhand van de Majesteit in de hoogte. Ze zijn vruchten en gevolgen van de eeuwige en onverbrekelijke vereniging tussen het Hoofd en de leden. Maar we hebben zojuist als een wezenlijk punt gesteld dat er geen zicht is op de schoonheid en geen gevoel van de zaligheid van deze vereniging met Christus in Zijn opstanding en hemelvaart, behalve door er geestelijk kennis van te hebben en er uit eigen bevinding in in te gaan.
Voordat we verdergaan met een uitvoeriger bezien van het punt waarbij we in ons vorige stuk stilstonden, namelijk het samen met Christus zitten in de hemelse gewesten, merken we iets op. Zoals er drie opeenvolgende stappen waren in de feitelijke opstanding en hemelvaart van Christus persoonlijk, zo zijn er drie opeenvolgende stappen in de geestelijke opstanding en hemelvaart van Christus mystiek. Met andere woorden: zoals het Hoofd eerst levend werd gemaakt, daarna werd opgewekt en daarna feitelijk omhoog werd genomen, zo gebeurt het met Zijn leden in hun gevoel.
1. Eerst worden ze dus levend gemaakt. Dit is het begin van het werk van genade in hun harten, de eerste mededeling van goddelijk leven aan hun dode zielen. Het omvat daarom al die overtuigingen van zonde, al dat werk van de wet in hun consciëntie, al die schuld, slavernij, nood en ellende die ze ondervinden vóór de verlossing. Ze zijn levend en toch in het graf. Ze zijn levend gemaakt maar niet naar buiten gebracht. Ze zijn nog in de duisternis, omdat de steen nog niet is weggerold en de opstanding nog niet volledig is volbracht.
Bij Christus persoonlijk mogen we aannemen dat dit slechts een ogenblik duurde. Maar dat is geen reden waarom het bij Christus mystiek zo kort zou zijn. Iedereen zal toegeven dat tijd van weinig belang is in een werk van genade. Zoals bij de natuurlijke geboorte is het ook bij de geestelijke geboorte niet de duur of de hevigheid van de weeën die de bevrijding brengt, maar het voortbrengen van een levend kind.
Het is dus geen bezwaar tegen deze opvatting dat wat in een ogenblik werd volbracht in het werkelijke lichaam van Christus, in een langere tijd wordt volbracht in de leden van Zijn mystieke lichaam. Juister gezegd: dat de tijd tussen levendmaking en verlossing bij hen geestelijk langer duurt dan bij Hem feitelijk. Het is voor alle geestelijke doeleinden ruimschoots genoeg dat de levendmaking van Zijn dode lichaam in het graf het onderpand, de eerstelingsvrucht en de oorspronkelijke oorzaak was van de levendmaking van hun dode zielen tot geestelijk leven.
2. De volgende stap is dan de eigenlijke opstanding. Bij Christus persoonlijk werd die volbracht toen Hij in kracht en heerlijkheid uit het graf kwam. Bij Christus mystiek is het de verlossing van de ziel uit de slavernij van de wet in de vrijheid van het evangelie. Deze verlossing werd niet alleen verbeeld door de opstanding van Christus maar is er de uitdrukkelijke vrucht van. Want in de taal van de apostel heeft God ons mede opgewekt.
Het feitelijke uitkomen van Christus persoonlijk uit het graf verbeeldt dus niet alleen de verlossing van de ziel uit de slavernij van de wet in de vrijheid van het evangelie. Het is er ook de oorspronkelijke oorzaak van. Want zoals Christus persoonlijk, dat is Christus Zelf in de hele waardigheid van Zijn heerlijke Persoon, uit de duisternis en de enge grenzen van het graf opstond in het licht van de dag en in de volle rijkdom van Zijn opstandingskracht en heerlijkheid, zo komt ook het lid van Zijn mystieke lichaam uit de duisternis in het licht en uit de slavernij in de vrijheid. Dat gebeurt wanneer het wordt bevrijd van de veroordeling van de wet door een openbaring van de Zoon van God met kracht.
3. Maar het voornaamste punt waarop we de aandacht van onze lezers willen vestigen is de derde stap, het samen met Christus zitten in de hemelse gewesten. Dit werd, zo zal men opmerken, niet alleen verbeeld door de hemelvaart van Christus en Zijn zitten aan de rechterhand van God. Het is er de oorspronkelijke oorzaak van. Deze uitdrukking, die we al een paar keer hebben gebruikt, wordt door sommige lezers misschien niet helemaal verstaan. Daarom merken we kort op dat de oorzaak van een handeling een doeloorzaak kan zijn, een werktuigelijke oorzaak of een oorspronkelijke oorzaak.
Neem het volgende voorbeeld van deze drie oorzaken. Een man gaat aan het werk. Waarom? Voor loon. Dan is het loon de doeloorzaak, want het is het einde en het doel van zijn gaan werken. Om dit loon te verdienen werkt hij de hele dag op het oogstveld. Dit is dan de werktuigelijke oorzaak, want daardoor, als door een werktuig, bereikt hij zijn doel: het loon. Maar er is nog iets nodig om hem aan het werk te zetten. Dat is de wil van zijn werkgever, die daarom de oorspronkelijke oorzaak is, omdat hij het werk doet beginnen en de man tot werktuig van de uitvoering maakt.
Is dit niet streng logisch, dan verklaart het toch wat we bedoelen wanneer we zeggen dat de opstanding van Christus de oorspronkelijke of oorsprong gevende oorzaak was van onze wedergeboorte.
Onze gezegende Heere zei tot Zijn bedroefde discipelen: Ik ga heen om u plaats te bereiden. Toen Hij dan omhoog voer en plaatsnam in de hemelse gewesten, voeren de leden van Zijn mystieke lichaam ook op en namen met Hem plaats. Want zoals ze met Hem waren begraven en met Hem waren opgestaan, zo voeren ze ook met Hem op. En toen Hij bezit nam van de zetel die Hem in de heerlijkheid was gegeven, werd hun in en met Hem als hun Hoofd en Vertegenwoordiger feitelijk bezit gegeven van de woningen in het huis van Zijn Vader.
Hij zei daarom tot Zijn en hun hemelse Vader: En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt (Johannes 17:22). Dit verklaart ook de betekenis van die woorden van de apostel: en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Romeinen 8:30). Zij zijn bij voorbaat verheerlijkt, omdat ze al mystiek met Christus zitten in heerlijkheid in de hemelse gewesten.
Maar het voornaamste voor ons om te bedenken is niet zozeer, of liever niet alleen, de leer die we zo hebben proberen te ontvouwen. Het is de genadige ervaring die met dit opvaren met Christus en dit samen met Hem zitten in de hemelse gewesten verbonden is en eruit voortvloeit. Dit wordt kort maar zeer duidelijk en krachtig voorgesteld door de apostel in die treffende woorden: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God (Kolossenzen 3:1-3).
Soms stijgen onze verlangens en genegenheden op naar waar de Heere Jezus Christus nu is. Dan zijn we opgetild uit alle rook en mist, lawaai en strijd, rumoer en drukte, zorgen en angsten, bezigheden en genoegens, zonden en smarten van dit aardse toneel. In geloof en hoop, in liefde en genegenheid kunnen we dan leven boven en voorbij alles hier beneden. Dan worden we, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest (2 Korinthe 3:18). Dit is het samen met Hem gezet worden in de hemelse gewesten in Christus Jezus.
Toen de Heere Jezus omhoog voer, ging Hij in Zijn heerlijkheid in (Lukas 24:26; Johannes 7:39). Als we Hem dan in Zijn heerlijkheid beschouwen in geloof en liefde, is er de weerspiegeling van Zijn heerlijkheid, zoals we zojuist uit 2 Korinthe 3:18 aangaven. Heiligen die zo worden begunstigd, gaan nog op aarde de hemel binnen. Ze hebben de voorsmaak van de heerlijkheid die bij de komst van de Heere zal worden geopenbaard, voordat ze er voor altijd mee bekleed worden.
Het zijn inderdaad betrekkelijk weinigen die zo hoog begunstigd zijn, en ook zij slechts bij zeldzame gelegenheden en voor korte ogenblikken. Maar dat doet niets af aan de waarheid en zekerheid van het feit. Het is een zeer zalige waarheid dat het tekort in onze ervaring ons wel veel van het genot ontneemt, maar ons niet berooft van ons aandeel in of onze vereniging met ons grote Verbondshoofd en van de vruchten die daaruit voortkomen.
Maar de apostel gaat nu één hoofdreden ontvouwen waarom God de leden van Zijn mystieke lichaam zo heeft levend gemaakt, bevrijd en met Christus in de hemelse gewesten gezet: Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus (Efeze 2:7).
Wat we nu zien of voelen van het koninkrijk van de genade is slechts het begin van wat eens zal worden geopenbaard. De raadsbesluiten van God zijn een ondoorgrondelijke diepte van wijsheid, liefde en genade.
Alles wat ervan tot nu toe is getoond, is slechts een druppel van die onmetelijke oceaan. We mogen inderdaad veronderstellen dat in de gave van Zijn dierbare Zoon en in het heerlijke geheimenis van God geopenbaard in het vlees meer besloten lag dan de zaligheid van enkele arme zielen hier en daar. Er was bedoeld dat er een rijkere en grotere vertoning zou komen van het koninkrijk dat aan de Heere Jezus Christus is gegeven dan ooit is gezien in deze ellendige wereld, waar zonde en Satan zo lang de hoogste macht hebben gehad.
We kunnen dit onderwerp, of liever onze opvattingen erover, inderdaad niet ontvouwen zonder op strijdbaar of althans twijfelachtig terrein te komen. Dat willen we vermijden. Maar uit de hele strekking van de Schrift is duidelijk dat er eens een vertoning zal zijn van de uitnemende rijkdom van Gods genade, boven alles wat ooit is gezien of gekend. Alles wat God kan doen en wat Hij in de rijkdom van Zijn genade beloofd heeft te doen, is nog niet volledig volbracht.
We zijn slechts de eerstelingen van een heerlijke oogst. Op de vergadering te Jeruzalem drukte Jakobus de aard van de huidige bedeling goed uit: Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam (Handelingen 15:14). God neemt nu in Zijn omgang met de heidenen uit hen een volk aan voor Zijn Naam. Maar er komt een tijd waarin er een vollediger vertoning zal zijn van de rijkdom van Zijn genade.
Gods eigen woord, dat niet kan worden gebroken, is: Doch zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden! (Numeri 14:21). En in overeenstemming met die eed of belofte luidt de verklaring van de profeet dat de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken (Jesaja 11:9).
Mogen we zonder in te gaan op omstreden punten niet eenvoudig vragen: zijn deze beloften al vervuld? Is de aarde al vervuld met de heerlijkheid van de Heere? Kijk hoe de wateren de zeeën bedekken van kust tot kust. Heeft de kennis van de Heere de aarde zo vervuld van zee tot zee en van kust tot kust, zodat elke plaats vol is van de kennis van de Heere? Zijn de donkere plaatsen van de aarde niet nog steeds vol woningen van wreedheid?
Om maar niet te spreken van landen als India, China en Turkije: kijk naar Frankrijk, Italië, Duitsland en zelfs naar ons eigen begunstigde eiland. Zie hoe de zonde als water door onze straten stroomt. Zie hoe in plaats van de kennis van de Heere die de landen vult zoals de wateren de zee bedekken, onwetendheid over Hem, minachting van Zijn woord en wil, openlijke ongehoorzaamheid aan Zijn duidelijke geboden en ongerechtigheden van elke vorm en naam elke plaats vullen en zich van kust tot kust verspreiden.
We kunnen dit onderwerp niet verder volgen. Maar het is soms verkwikkend voor een ziel die moe is van de aanblik van de zonden en smarten die deze wereld tot een tafereel van ellende maken, om te geloven op het getuigenis van God Zelf in Zijn heilige woord dat het niet altijd zo zal blijven. Er komt een tijd waarover geschreven staat: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.
In die komende eeuwen zal God op een vollediger en voller wijze de uitnemende rijkdom van Zijn genade tonen. Daarvan heeft Hij ons al een onderpand en voorsmaak gegeven in Zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus.
Het noemen van de genade ontvlamt als het ware de ziel van de apostel. Daarom laat hij voor het ogenblik de blik varen die hij in de komende eeuwen had geworpen op de uitnemende rijkdom van de genade, die dan vollediger zal worden geopenbaard. Hij richt zijn pen op een duidelijker uiteenzetting van de aard van de genade en van de zaligheid door genade: Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave. Niet uit de werken, opdat niemand roeme (Efeze 2:8-9).
Het is nauwelijks nodig te verklaren wat genade is of betekent. De eenvoudigste opvatting ervan is de ware en beste. Zie haar eenvoudig als gunst, en zo als uitdrukking van de bijzondere gunst waarmee God Zijn volk in Christus aanziet. Het punt waarbij de apostel hier en elders vooral stilstaat is het grote onderscheid tussen genade en werken in de zaak van de zaligheid. Het moet door het ene zijn of door het andere, want ze staan tegenover elkaar, zoals hij elders betoogt: En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer (Romeinen 11:6).
Het is duidelijk dat als ik zalig word, het moet zijn door mijn eigen gehoorzaamheid aan de wet van God, of los van die gehoorzaamheid als een daad van zuivere gunst van God jegens mij. Ik moet het ene of het andere zijn. Want als werken eenmaal in rekening worden gebracht, dan moet er een strikt en streng onderzoek van die werken komen om vast te stellen of ze werkelijk goed zijn. En worden ze bij onderzoek door de heilige en onwrikbare wet van God niet goed bevonden, dan moet hun veroordeling als noodzakelijk gevolg volgen.
Heb ik een schuld te betalen en is het geld dat ik breng vals, nagemaakt of onecht, dan betaal ik mijn schuld niet. Dan voeg ik bovendien een misdaad toe aan het niet betalen. Nu zijn allen even schuldenaars en kan niemand een cent van zijn schuld betalen bij gebrek aan goed en echt geld. Wie van zijn schuld wordt vrijgesproken, moet dat daarom op grond van zuivere gunst van zijn grote Schuldeiser zijn. Anders moet hij de verschuldigde straf ondergaan: opgesloten worden in de gevangenis van eeuwig wee.
Door deze genade of zuivere gunst van God worden we nu zalig door het geloof. Het geloof zelf is de bijzondere gave van God. Zo is het middel zelf waardoor we de zaligheid ontvangen en er openlijk deel aan krijgen niet uit onszelf. Het oog dat de zaligheid ziet in de persoon en het werk van de Zoon van God, het oor dat de blijde boodschap hoort en ontvangt en de hand die de Zaligmaker aangrijpt en omhelst in Zijn verzoenend bloed en rechtvaardigende gehoorzaamheid zijn allemaal de bijzondere gave van God.
Zien we Jezus en de zaligheid in en door Hem? God heeft onze ogen geopend om te zien. Hebben we Zijn zalige stem gehoord? God heeft ons oren gegeven om te horen. Hebben we Hem aangegrepen en in ons hart gebracht met al Zijn zaligmakende voordelen en zegeningen? God gaf ons dat geloof door Zijn dierbare Zoon in ons te openbaren en Hem geestelijk en uit eigen bevinding aan onze zielen bekend te maken.
Maar de apostel geeft een bijzondere reden waarom de zaligheid niet uit werken mag zijn: opdat niemand roeme. Het is een bijzondere trek in het geopenbaarde karakter en bestuur van God dat Hij niet toestaat dat iemand zich in Zijn tegenwoordigheid beroemt. Hij is een ijverig God en zal het schepsel nooit toestaan zich enig deel aan te matigen van de heerlijkheid die Hem alleen toebehoort.
De apostel geeft dit daarom als voldoende reden waarom Abraham niet uit werken kon worden gerechtvaardigd. Want als hij dat was, zou hij roem hebben. Maar dat is, zegt hij, niet bij God. Dat wil zeggen dat roem nooit kan worden toegestaan voor en in de tegenwoordigheid van God. Ze is namelijk in strijd met heel Zijn karakter, Zijn geopenbaarde wil en Zijn vaststaand besluit (Romeinen 4:2).
Hij zegt daarom in dezelfde redenering: Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Der werken? Neen, maar door de wet des geloofs. Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet (Romeinen 3:27-28).
Het is alsof hij de weegschalen van het heiligdom in zijn hand houdt en daarin de zaligheid door genade en de zaligheid door werken weegt. Wat de schaal doet doorslaan is de vraag welke van die twee wegen de roem uitsluit. Omdat zaligheid door werken de roem begunstigt en zaligheid door genade haar uitsluit, is de zaak meteen beslist. De schaal waarin geen menselijke eer ligt, moet het zwaarste wegen.
U zult opmerken dat de apostel in deze kwestie niet de vraag brengt of de werken goed of slecht zijn. Hij neemt slechts het beginsel van werken in het algemeen als verdienstelijk, waardoor de werker ze als zodanig kan aanbieden om aanvaard te worden. Dat ze roem toelaten is voor zijn betoog voldoende, als een onweerlegbaar bezwaar vooraf tegen het ook maar een ogenblik dulden van hun aanspraak. Zo wordt de leer van de zaligheid door werken bij de drempel afgesneden, zodra ze voor het gerecht verschijnt.
Voordat de advocaat mag pleiten, vraagt de rechter hem: laat dit pleidooi van u roem toe aan de kant van de eiser? Zo ja, dan kan het in deze rechtbank niet in behandeling worden genomen en stop ik het proces meteen. Dit is de rechtbank van de Koning. Er kan hier geen zaak worden gehoord of berecht die enige eer toelaat, behalve aan onze soevereine Heere en Koning.
Dit is de hele kracht van het betoog van de apostel. Het was zo sterk dat hij er de zekere conclusie uit trekt dat we gerechtvaardigd worden door het geloof, omdat het roem uitsluit, en niet door werken, die haar toelaten: Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet (Romeinen 3:28).
De grote vraag is altijd geweest: hoe wordt een mens zalig? Er zijn maar twee mogelijke wegen: door werken of door genade, door verdienste of door gunst. Paulus verklaart zich voor zaligheid door genade, door bijzondere gunst en niet door verdienste. Daarin stond hij alleen tegenover alle wettische mensen van zijn tijd. En zulke gedachten had hij over de eer en majesteit van God, en zo’n heilige ijver voor de heerlijkheid van God, dat het voor hem voldoende was om de hele zaak te beslissen dat zaligheid door genade eer aan God bracht en zaligheid door werken eer aan de mens.
Op dit punt neemt hij zijn standpunt in. Hier zet hij zijn voet stevig neer. Er was dus geen lang en moeizaam onderzoek nodig van de werken van deze of gene, zelfs niet van die van Abraham, de vriend van God zelf, om te zien of ze goed of slecht waren.
Het is een voldoende argument om de hele kwestie af te doen dat het schepsel zich niet voor God mag beroemen. Een weg van zaligheid die als beginsel van verdienste die roem toelaat, is door dat feit zelf in de eerste plaats, geheel en fundamenteel verkeerd. Hij moet zonder verder onderzoek worden veroordeeld en uit de rechtszaal gezet, als volstrekt strijdig met het karakter van God en weerzinwekkend voor de ogen van Zijn heerlijkheid. Maar we moeten de verdere beschouwing van de zaligheid door genade, en niet uit werken, opdat niemand roeme, bewaren voor ons volgende stuk.
Unless, by the power of divine teaching and divine testimony, we can enter in some good measure spiritually and experimentally into the grand and glorious truths of the everlasting gospel, we can neither see their peculiar beauty, nor feel their peculiar sweetness and blessedness. Take, for instance, the grand truths on which we have been lately dwelling in our exposition of the chapter now before us (Eph. 2:1-6). How can we enter into the heavenly truths there unfolded so as to see their divine beauty, and realize their power and preciousness, unless we can read them more or less in the light of our own experience? What we were as dead in trespasses and sins, what we are as quickened and made alive unto God, what we hope to be when enjoying in full that of which we have now the earnest—how can we see eye to eye with the man of God as he unfolds these mysteries in the verses to which we have just referred; unless we can realize them in some good measure as our own, both in faith and feeling? The main reason why men stumble at noonday as in the night, and halt and boggle both in understanding and expression when they attempt to handle these divine epistles, is from lack of an experience of the truths set forth in them. They lack the right key to fit the wards of this intricate lock, and therefore uselessly poke at it with false keys, which, though they cannot spoil the lock, plainly show the ignorance of the workmen.
Bearing this, then, steadily in mind, we now resume the thread of our exposition.
Our readers will remember that three points have hitherto mainly engaged our attention as connected with the calling into life of those who were dead in trespasses and sins. These were—1. The quickening of them when dead; 2. The raising them up with Christ; 3. The making them to sit together with Christ in the heavenly places. We have more than once pointed out that these three successive steps are all in the closest and most intimate connection with the resurrection of the Lord Jesus Christ, and his ascension to the right hand of the Majesty on high, and are the fruits and results of the eternal and indissoluble union which exists between the Head and members.
But we have just now laid it down as a vital point that there is no seeing the beauty nor feeling the blessedness of this union with Christ in his resurrection and ascension on high, except by a spiritual knowledge of, and experimental entrance into it. Before, then, we pass on to consider more fully the point at which we paused in our last article—that is, the sitting together with Christ in the heavenly places, we would observe that as there were three successive steps in the actual resurrection and ascension of Christ personal, so there are three successive steps in the spiritual resurrection and ascension of Christ mystical; in other words, that as the Head was first quickened, then raised, then taken up on high in fact, so are his members in feeling. 1. First, then, they are “quickened.” This is the beginning of the work of grace upon their hearts—the first communication of divine life to their dead souls. This, therefore, comprehends and embraces all those convictions of sin, all that work of the law on their consciences, all that guilt, bondage, distress, and misery which they experience before deliverance. They are alive, yet in the tomb; quickened, but not brought forth; still in darkness, because the stone is not yet rolled away, nor the resurrection fully accomplished.
In Christ personal we may well suppose this was but a moment; but that is no reason why it should be so momentary in Christ mystical. All will allow that time is an element of little importance in a work of grace, and that as in the natural, so in the spiritual birth it is not the length or severity of the labor which makes the deliverance, but the bringing forth of a living child. It is, therefore, no objection to this view that what was accomplished in an instant in the actual body of Christ, is accomplished in a longer interval of time in the members of his mystical body; or, to speak more correctly, that the interval between quickening and deliverance is more prolonged in their case spiritually than in his case actually. It is amply sufficient for all spiritual purposes that the quickening of his dead body in the tomb was the pledge, first fruits, and initial cause of the quickening of their dead souls into spiritual life.
2. The next step, then, is actual ‘resurrection’. This in Christ personal was accomplished in his coming forth out of the tomb in power and glory; but in Christ mystical is the deliverance of the soul from the bondage of the law into the liberty of the gospel. This deliverance was not only symbolized by, but is the express fruit of the resurrection of Christ; for, in the language of the Apostle, God “has raised us up together with him.” The actual coming forth, then, of Christ personal from the tomb not only symbolizes; but is the initial cause of the deliverance of the soul from the bondage of the law, into the liberty of the gospel; for as Christ personal, that is, Christ himself, in all the dignity of his glorious Person, rose from the darkness and narrow limits of the tomb into the light of day, and into all the fullness of his resurrection power and glory, so does the member of his mystical body rise out of darkness into light, and out of bondage into liberty when delivered from the condemnation of the law by a revelation of the Son of God with power.
3. But the chief point to which we would draw the attention of our readers is the third step, or the ‘sitting together with Christ in the heavenly places’. This, it will be observed, was not only symbolized by the ascension of Christ, and his sitting at the right hand of God, but is the ‘initial cause’ of it. As this expression, which we have used several times, may not be fully understood by some of our readers, we would briefly observe that the cause of an action may be either final, or instrumental, or initial. Take the following illustration of these three causes. A man goes to work. Why? For wages. Then wages is the final cause, as being the end and object of his going to work. To earn these wages he works all day in the harvest field. This then is the instrumental cause, for by it as an instrument be gains his end—wages. But something is still needed to set him on to his work. This is the will of his employer, which is therefore the initial cause, as originating the work, and making him the instrument of its execution. If not strictly logical, this will explain what we mean when we say that the resurrection of Christ was the initial or originating cause of our regeneration.
Our blessed Lord said to his sorrowing disciples, “I go to prepare a place for you.” When, then, he ascended up on high, and sat down in the heavenly places, the members of his mystical body ascended also, and sat down with him, for as they were buried with him, and rose with him, so they ascended with him; and, when he took possession of the seat given to him in glory, virtual possession was given them of the mansions in his Father’s house, in and with him as their Head and Representative. He said, therefore, to his and their heavenly Father, “The glory which you have given me I have given them.” (John 17:22.) And this will explain the meaning of those words of the Apostle, “Whom he justified, them he also glorified.” (Rom. 8:30.) They are glorified in anticipation, as already mystically sitting with Christ in glory in heavenly places.
But the chief point for us to consider is not so much, or rather not only the doctrine which we have thus endeavored to unfold, but the gracious experience connected with, and flowing out of this ascending with Christ, and sitting together with him in the heavenly places. This is briefly, but very clearly and powerfully, set forth by the Apostle in those striking words—“Since, then, you have been raised with Christ, set your hearts on things above, where Christ is seated at the right hand of God. Set your affections on things above, not on earthly things. For you died, and your life is now hidden with Christ in God.” (Col. 3:1-3.)
When, then, our desires and affections ascend to where the Lord Jesus Christ now is, when raised out of all the smoke and fog, din and strife, noise and bustle, cares and anxieties, pursuits and pleasures, sins and sorrows of this earthly scene, we can in faith and hope, in love and affection, live above and beyond all things here below, and beholding with unveiled face the glory of the Lord, are changed into the same image from glory to glory, even as by the Spirit of the Lord—this is being made to sit together in heavenly places in Christ Jesus.
When the Lord Jesus went up on high, he entered into his glory. (Luke 24:26; John 7:39.) As then we behold him in his glory in faith and love, there is the reflection of his glory, as we have just intimated from 2 Cor. 3:18; and saints thus favored enter into heaven when still upon earth, and have the foretaste of the glory which is to be revealed at the Lord’s coming before they are forever clothed with it. There are, indeed, comparatively few who are so highly favored, and even they only at rare intervals, and for short moments; but that does not affect the truth and certainty of the fact. It is a most blessed truth that if we are members of the mystical body of Christ, the deficiency of our experience, though it deprives us of much of the enjoyment, does not deprive us of our interest in, or union with, our great Covenant Head, and of the fruits which spring out of it.
But the Apostle proceeds to unfold one main reason why God has thus quickened, delivered, and made to sit together with Christ in the heavenly places the members of his mystical body. “That in the ages to come he might show the exceeding riches of his grace, in his kindness toward us through Christ Jesus.” (Eph. 2:7.)
What we now see or feel of the kingdom of grace is but a beginning of what is one day to be revealed. The counsels of God are an unfathomable depth of wisdom, love, and grace; and all that has been yet displayed of them is but a drop of that vast ocean. We, indeed, may well suppose that in the gift of his dear Son, and in the glorious mystery of God manifest in the flesh, there was more wrapped up than the salvation of a few poor souls here and there, and that there was intended to be a richer and greater display of the kingdom given to the Lord Jesus Christ than has ever been yet witnessed in this miserable world, where sin and Satan have so long reigned supreme.
We could not, indeed, unfold this subject, or rather our views upon it, without getting upon controversial or at least doubtful ground, which we wish to avoid; but it is plain, from the whole tenor of Scripture, that there will be one day a display of the exceeding riches of God’s grace, beyond all that has ever yet been seen or known. All that God can do, and has promised to do, in the riches of his grace, has not yet been fully accomplished.
We are but the first fruits of a glorious harvest. At the council at Jerusalem James well expressed the nature of the present dispensation—“Simeon has declared how God at the first did visit the Gentiles, to take out of them a people for his name.” (Acts 15:14.) God is now in his dealings with the Gentiles taking out of them a people for his name; but a time is coming when there will be a fuller display of the riches of his grace. God’s own word, which cannot be broken, is, “But as truly as I live, all the earth shall be filled with the glory of the Lord.” (Numb. 14:21.) And agreeably with that oath or promise, runs the declaration of the prophet, that the earth shall be full of the knowledge of the Lord, as the waters cover the sea. (Isa. 11:9) Without entering into disputed points, may we not simply ask, Have these promises been yet fulfilled? Has the earth been yet filled with the glory of the Lord? Look how the waters cover the seas from shore to shore. Has the knowledge of the Lord thus filled the earth from sea to sea, from shore to shore, so that every place has been full of the knowledge of the Lord? Are not the dark places of the earth still full of the habitations of cruelty? Not to speak of such countries as India, China, Turkey, look at France, Italy, Germany, even our own favored isle, and see how sin runs down our streets like water, and instead of the knowledge of the Lord filling the lands as waters cover the sea, see rather how ignorance of him, contempt of his word and will, open disobedience to his clear commands, and iniquities of every shape and name, fill every place and spread themselves from shore to shore.
We cannot pursue this subject, but it is sometimes refreshing to a soul wearied with the spectacle of the sins and sorrows which make this world such a scene of misery, to believe on the testimony of God himself in his holy word, that it shall not be always so, that a time is coming when the kingdoms of this world will become the kingdoms of our Lord and of his Christ, and he shall reign forever and ever. In these ages to come God will show in a more full and complete manner the exceeding riches of his grace, of which he has already given us a pledge, and foretaste in his kindness toward us in Christ Jesus.
The mention of grace fires, as it were, the Apostle’s soul, and therefore he drops for the moment the view which he had cast into the ages to come of the exceeding riches of grace, then to be more fully revealed, and directs his pen to the clearer opening of the nature of grace, and of salvation by grace—“For by grace are you saved through faith—and that not of yourselves—it is the gift of God. Not of works, lest any man should boast.” (Eph. 2:8, 9.)
It is hardly necessary for us to explain what grace is or means. The simplest view of it is the truest and best. View it then as simply meaning favor, and thus expressive of that special favor with which God regards his people in Christ. The point on which the Apostle chiefly dwells both here and elsewhere is the grand distinction between grace and works in the matter of salvation. It must be either by one or the other, for they are mutually opposed to each other, as he argues elsewhere—“And if they are saved by God’s grace, then it is not by their good works. For in that case, God’s wonderful grace would not be what it really is—free and undeserved.” (Romans 11:6.) It is clear that if I am to be saved, it must be either by my own obedience to the law of God, or apart from that obedience as an act of pure favor on the part of God toward me. I must either be one or the other; for if works be once taken into account, then there must be a strict and rigid examination of these works to ascertain whether they are really good; and if, on examination by the holy and unswerving law of God, they be found not good, their condemnation must ensue as a necessary consequence. If I have a debt to pay, and the money which I bring is forged, false, or counterfeit, it is not only not paying my debt, but it is adding a crime to non-payment. All, then, being alike debtors, and none able to pay a farthing of their debt for lack of good and right money, those who are acquitted of their debt must be so on the footing of pure favor from their great Creditor, or else they must incur the due penalty, which is to be shut up in the prison of everlasting woe.
Now, by this grace or pure favor of God we are saved through faith, faith itself being the special gift of God; and thus the very medium by which we receive salvation, and become manifestly interested in it, is not of ourselves. The eye which sees salvation in the person and work of the Son of God, the ear which hears and receives the glad tidings, the hand which lays hold of and embraces the Savior in his atoning blood and justifying obedience, are all the special gift of God. Do we see Jesus and salvation in and through him? God has opened our eyes to see. Have we heard his blessed voice? God has given us ears to hear. Have we laid hold of him, and brought him into our heart in all his saving benefits and blessings? God gave us that faith by revealing his dear Son in us, and making him spiritually and experimentally known to our souls.
But the Apostle assigns a special reason why salvation should not be of works, “Lest any man should boast.” It is a peculiar feature in the revealed character and government of God that he will not allow anyone to boast himself in his presence. He is a jealous God, and will never allow the creature to arrogate to itself any part of the glory which belongs solely to him. The Apostle, therefore, assigns this as a sufficient reason why Abraham could not be justified by works, for if he were he would have whereof to glory; but this, he says, “not before God,” that is, can never be allowed before and in the presence of God, for it is opposed to the whole of his character, to his revealed will, and fixed determination. (Rom. 4:2.) He therefore says, in the same strain of argument, “Where is boasting then? It is excluded. By what law? of works? No—but by the law of faith. Therefore we conclude that a man is justified by faith without the deeds of the law.” (Rom. 3:27, 28.) As if holding in his hand the balances of the sanctuary, and weighing in them salvation by grace and salvation by works, that which turns the scale is which of these two ways excludes boasting. As, then, salvation by works favors boasting, and salvation by grace excludes it, the matter is at once decided; that scale must weigh the heavier in which there is no human glory.
You will observe that the Apostle does not introduce into this question the point of the goodness or badness of the works. He merely takes the principle of works generally as meritorious, and enabling the worker to present them as such for acceptance. That they should allow boasting is sufficient for his argument, as an unanswerable and a priori objection to their claim being for one moment tolerated. Thus the doctrine of salvation by works is cut up in limine; as soon as it comes into court. Before the advocate is allowed to plead, the judge asks him, “Does this plea of yours admit of boasting on the part of the plaintiff? If it does, it cannot be entertained in this court, and I shall stop the trial at once. This is the King’s court, and no cause can be heard or tried here which allows of any glory except to our sovereign Lord the King.” This is the whole force of the Apostle’s argument, and so strong was it that he draws from it the certain conclusion that we are justified by faith, because it excludes boasting, and not by works, which allow it. “Therefore we conclude that a man is justified by faith without the deeds of the law.” (Rom. 3:28.)
The great question has always been, “How is a man to be saved?” Now there are but two possible ways—by works or by grace, by merit or by favor. Paul declares himself for salvation by grace, by special favor, and not by merit, in which he stood alone against all the legalists of his day. And such views had he of the honor and majesty of God, and such a holy zeal for the glory of God, that it was sufficient for him to decide the whole matter that salvation by grace brought glory to God—and salvation by works brought glory to man. On this point he takes his stand; here he firmly plants his foot. There needed, therefore, no long and laborious examination of this or that man’s works, not even of Abraham’s, the very friend of God, whether they were good or bad. It is a sufficient argument to dispose of the whole question, that as the creature is not allowed to boast itself before God, a way of salvation which, as a principle of merit, allows of that boasting, is ipso facto, primarily, thoroughly, and fundamentally wrong, and must, without further investigation, be condemned and cast out of court, as utterly opposed to the character of God and repugnant to the eyes of his glory.
But we must reserve to our next paper the further consideration of salvation by grace, and not of works, lest any man should boast.