Wij hebben reden om te geloven dat onze Overdenkingen over het woord van de waarheid door onze geestelijke lezers over het algemeen gunstig zijn ontvangen. Dat moedigt ons aan om ze voort te zetten. Wie de nodige genade en gave heeft om de gedachte van de Geest in de Schrift te begrijpen en te openen, geeft daarmee meestal onderwijs en stichting. Daarom willen we onze Overdenkingen in die richting sturen. We hopen dat de Heere Zich zal verwaardigen Zijn eigen woord te zegenen voor Zijn eigen volk, zoals het hun zo wordt voorgehouden.
We bestuderen de Schriften al vele jaren, vooral die van het Nieuwe Testament. Soms hebben we er veel zoetheid en zaligheid in gezien, gevoeld en gesmaakt. Wat we zo met onze handel hebben gewonnen, willen we in de schatkist werpen. Mogen we daarmee het verstand verlichten, het geloof versterken, de hoop bemoedigen en de liefde opwekken van iemand uit het levende gezin van God, voor Zijn dierbare Zoon en voor het woord van de belofte in Hem? Dan achten we onszelf ruimschoots beloond voor al onze arbeid.
We hebben ons afgevraagd of we onze uitleg van de brief aan de Efeziërs moesten voortzetten of een ander gedeelte van het woord van de waarheid ter hand moesten nemen. Onder die andere gedeelten heeft 1 Petrus zich aan ons voorgedaan. We hebben daarin veel stichtelijke en leerzame stof voor een uitleg gezien. Elke weg heeft zijn eigen voordelen. Met 1 Petrus zouden we als het ware nieuwe grond openbreken en zo wat afwisseling in het onderwerp brengen. Dat is tot op zekere hoogte wenselijk, want één voortdurende gedachtegang heeft de neiging schrijver en lezer te vermoeien.
Door met de brief aan de Efeziërs door te gaan, hebben we echter het voordeel dat we kunnen bouwen op een fundament dat al is gelegd. Zo kunnen we de grote en heerlijke waarheden die we al hebben ontsloten, laten uitmonden in bevinding en praktijk. Efeze 2:1-22 is een zeer schone ontwikkeling en toepassing van de verheven en heerlijke leerstukken uit het eerste hoofdstuk. Het ontvouwt zeer helder en duidelijk de vrucht van de geestelijke zegeningen waarmee wij in Christus gezegend zijn in de hemelse gewesten.
In onze uitleg van het eerste hoofdstuk hebben we het fundament gelegd. Het voordeel van het optrekken van een passend bouwwerk daarop weegt volgens ons zwaarder dan het openbreken van nieuwe grond. In die hoop en dat vertrouwen hebben we dus besloten om met de hulp en zegen van de Heere door te gaan met onze uitleg van de brief aan de Efeziërs.
En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Efeze 2:1).
Het is opmerkelijk welke bevindelijke en praktische wending de apostel geeft aan de opstanding, verhoging en verheerlijking van de Heere Jezus Christus. Hij laat het niet bij een louter leerstuk, dor en werkeloos. Hij komt meteen bij persoonlijke en praktische vruchten: En u heeft Hij mede levend gemaakt. Zo doet hij een beroep op de persoonlijke bevinding van de heiligen in Efeze.
Zij droegen in hun eigen boezem een levend bewijs van de heerlijke waarheden die hij had uiteengezet over het opgestane Hoofd van de gemeente. Het was alsof hij zei: u hebt een bewijs en getuigenis in uw eigen boezem van de opstanding en verheerlijking van de Heere Jezus. Want als opgestane en verheerlijkte Heere heeft Hij goddelijk leven in uw ziel geblazen.
Hij kon hun dus schrijven zoals Petrus sprak toen hij voor de raad stond: De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, Welken gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout. Deze heeft God door Zijn rechter hand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israel te geven bekering en vergeving der zonden. En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden; en ook de Heilige Geest, Welken God gegeven heeft dengenen, die Hem gehoorzaam zijn (Handelingen 5:30-32).
Zo zien we het verband tussen de verheerlijking van Christus en de gave van de Heilige Geest. Onze genadige Heere zei in Zijn gesprek met Zijn discipelen: Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden (Johannes 16:7). Johannes verklaart daarom: En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was (Johannes 7:39).
Uit deze plaatsen zien we dat de gave en zending van de Heilige Geest de onmiddellijke vrucht was van de verheerlijking van Zijn dierbare Zoon. Het was ook het zichtbare getuigenis dat God Hem had verheerlijkt en tot Zijn rechterhand had verhoogd als Vorst en Zaligmaker.
Hij ging omhoog en nam het reukwerk van Zijn offer en dood met Zich binnen het voorhangsel. Zo stelde Hij Zichzelf voor de ogen van de Vader als de grote Hogepriester over het huis van God. Daarmee nam Hij elke hindernis weg die de vrije stroom van de Heilige Geest in Zijn gaven en genaden naar de mensenkinderen als het ware had tegengehouden.
Misschien rijst bij sommige van onze lezers de vraag: als dit zo is, lijkt het alsof de Heilige Geest pas gegeven werd toen Christus verheerlijkt was. Wat was dan het geloof, wat was de hoop en wat was de godsdienst van de oudtestamentische getuigen? Werden zij niet door de Heilige Geest onderwezen? Hadden zij de Heilige Geest niet? Zegt David niet uitdrukkelijk: neem Uw Heiligen Geest niet van mij (Psalm 51:13)?
Hierop antwoorden we ten eerste dat de Heilige Geest hun ongetwijfeld gegeven was en in hen was. Petrus zegt van de profeten van vroeger dat zij onderzochten op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende (1 Petrus 1:11).
Maar Hij werd vooruitlopend gegeven, op dezelfde manier als vergeving van zonde werd gegeven. Strikt genomen was er geen vergeving van zonde totdat de Zoon van God haar had weggedaan door het offer van Zichzelf. Maar God vergaf de zonde vooruitlopend, met het oog op de verzoening die Zijn dierbare Zoon ervoor zou aanbrengen.
Zo waren alle gaven en genaden van de Heilige Geest vóór de verheerlijking van Jezus vooruitlopend. Tot Zijn hemelvaart had Hij nog geen gaven ontvangen voor de wederspannigen, opdat de Heere God onder hen zou wonen (Psalm 68:19). Bovendien was de Heilige Geest nog niet uitgestort in de volle rijkdom van Zijn gaven en genaden. Er was nog niet die volle doop met de Heilige Geest die de Heere Zijn discipelen vóór Zijn hemelvaart beloofde: Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen (Handelingen 1:5).
Maar nu Hij omhoog is gegaan, heeft de genadige Heere als Middelaar tussen God en mensen een weg geopend. Arme zondaars kunnen langs die weg vrijuit tot God naderen. Het is ook een weg waarlangs Hij vrij en volledig de Heilige Geest kan uitzenden om van Hemzelf te getuigen. En die heilige en gezegende Trooster verheugt zich erin Zijn verbondsambt te vervullen. Hij neemt de dingen van Christus, toont ze aan Zijn volk en verheerlijkt Hem zo (Johannes 16:14).
In de opstanding, de hemelvaart en de verheerlijking van Jezus zien we een schat van hemelse genade. Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou (Kolossenzen 1:19). Wie van de leden van Zijn mystieke lichaam nog dood is in de zonde, tot goddelijk en geestelijk leven te brengen, ligt dan ook in het hart en de handen van Hem, aan Wie alle macht in hemel en op aarde is gegeven.
Wat een mens ook is in de ogen van God, als in Christus Jezus uitverkoren voor de grondlegging der wereld en reeds gezegend met alle geestelijke zegening in den hemel in Hem (Efeze 1:3-4), hij moet levend worden gemaakt tot goddelijk leven. Pas daarna kan hij komen tot die openbare vereniging en gemeenschap met Gods dierbare Zoon. Die brengt hem in het geestelijk bezit van de zegeningen van het evangelie en in werkelijke deelname eraan.
Bedenk echter eens in wat voor staat een mens verkeert voordat hij zo goddelijk levend is gemaakt. Zie in welke staat de mensen verkeren: vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten (Efeze 4:18). Merk dan op wat een wonderlijk vertoon het is van soevereine genade en almachtige kracht om geestelijk leven te blazen in een ziel die zo diep in de dood is weggezonken.
Het bijzondere kenmerk van God is dat Hij leeft. Het is dus het voornaamste kenmerk waarbij Hij zwoer toen Hij bij Zichzelf zwoer (Hebreeën 6:13): Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE (Numeri 14:28). Wat een nadruk ligt hier op Zijn eigen eeuwig bestaan! Toen godvrezende mannen van ouds bij Hem zwoeren, was hun taal: zo waarachtig als de HEERE leeft (1 Samuël 14:39).
Leven en dood kunnen nu zelfs op aarde en tussen mensen geen vereniging of gemeenschap hebben. Toen Sara stierf, de geliefde levensgezellin van Abraham, zei de bejaarde aartsvader tot de zonen van Heth: Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geef mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave (Genesis 23:4).
Zij die zo lang het sieraad van zijn ogen was geweest, de vrouw van zijn boezem en de moeder van zijn Izak, moest nu uit zijn ogen worden begraven. Want de dood was tussen hen gekomen en met de dood waren de noodzakelijke gevolgen van de dood gekomen die haar verwijdering uit zijn ogen eisten. Een levende Abraham en een dode Sara konden niet meer in dezelfde tent wonen en niet meer in hetzelfde bed liggen.
Als dit al waar is in de dingen van de aarde en in de banden die de ene mens aan de andere binden, hoeveel te meer is het dan waar in de dingen van de hemel. Wat voor vereniging of gemeenschap kan er zijn tussen een levende God en een dode ziel? Maar er is nog iets ergers dan de dood: dood waart door de misdaden en de zonden.
Bij de natuurlijke dood zijn bederf en verrotting erger dan het loutere overlijden, dan de bleke wang en het koude, stijve lichaam. Ze zijn weerzinwekkender, walgelijker en maken de vereniging en gemeenschap met de levenden nog meer onmogelijk. Konden onze mooie meisjes zichzelf zien of konden hun verliefde aanbidders hen zien zoals ze er een week of twee na hun begrafenis uitzien, dan zou dat de doodsklok luiden over alle bekoring van schoonheid.
Maar zelfs het natuurlijke bederf, de gruwelijkheid van de verrotting, de walgelijke verandering die over de zachte wang en de flonkerende ogen van de schoonheid is gekomen, zijn niets bij de walgelijkheid van de zonde in de ogen van een heilige God. Zelfs ons zedelijk gevoel ziet en voelt dit soms. We kunnen de bekoring van maagdelijke bescheidenheid bewonderen maar we walgen van de beschilderde wang van de pronkende hoer.
We kunnen ons in onze verbeelding de walging van een rottend lijk voor de geest halen. Maar alles wat het oog zou kunnen zien of de verbeelding zou kunnen aanreiken bij zo’n tafereel, blijft ver achter bij wat de mens is voor de ogen van zijn Maker als dood in misdaden en zonden.
We kunnen dus nooit genoeg de rijkdom van Zijn vrije, soevereine en onderscheidende genade verheerlijken en aanbidden. Dat geldt als we enig duidelijk getuigenis hebben dat de Heere ons, die dood waren in misdaden en zonden, levend heeft gemaakt. Nooit, nooit hadden we onze eigen dode ziel leven kunnen geven.
Een lijk kan evenmin uit het graf opstaan en tevoorschijn komen om te ademen en te leven in het licht van de zon en te wandelen onder levende mensen. Zo kan ook een ziel die dood is in misdaden en zonden zichzelf niet uit de dood levend maken om te leven in het licht van Gods aangezicht en te wandelen in vereniging en gemeenschap met Zijn dierbare Zoon en Zijn levende volk.
De dood in zonde is natuurlijk een beeld en moet ook zo worden uitgelegd. De betekenis is zedelijke dood. Daaronder verstaan we de volstrekte afwezigheid van alles wat heilig, hemels, geestelijk en goddelijk is. Het is het geheel ontbreken van deelname aan het leven dat God leeft, en van gelijkvormigheid daaraan. Hij leeft als wezenlijk en eeuwig heilig, rein, wijs en goed en woont voor eeuwig in het heerlijke licht van Zijn eigen oneindige volmaaktheden.
Dood zijn betekent dus geen deel of lot hebben met God. Er is geen kennis van Hem, geen geloof, geen vertrouwen en geen hoop op Hem. Er is geen besef van Zijn tegenwoordigheid en geen eerbied voor Zijn ontzagwekkende Majesteit. Er is geen verlangen naar Hem en geen neiging tot Hem. Er is geen beven voor Zijn woord en geen steunen op Zijn belofte. Er is geen hunkering naar Zijn genade en geen zorg of bekommernis om Zijn eer.
Het is voor Hem zijn als een beest. Zo’n mens is als een dier uit op bevrediging van de begeerten van de lust of de bewegingen van de louter dierlijke hartstocht, zonder enige gedachte of zorg over de afloop. Hij is erop gebrand elk natuurlijk voornemen in daden om te zetten, alsof we onze eigen scheppers waren en onze eigen rechter, onze eigen heer en onze eigen God.
O, wat een vreselijke staat is het om zo dood te zijn in de zonde en dat niet te weten en niet te voelen! Zo’n mens beseft het gevaar van nu en het zekere einde in het geheel niet, tenzij hij ervan wordt verlost door een machtige daad van soevereine kracht. Juist dit gebrek aan alle besef en gevoel maakt de dood van de ziel tot niet meer dan een afbeelding van die tweede dood, en tot het voorspel ervan. Die tweede dood strekt zich uit door een grenzeloze eeuwigheid.
Maar de apostel verandert nu het beeld: In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld. Als een mens werkelijk en letterlijk dood was, kon hij duidelijk niet wandelen. En als de ziel van de mens in hem dood was en beroofd van alle verstand, gevoel, verlangen, wil of genegenheid, zou ze evenmin als een richtende invloed tot enige beweging in het lichaam in staat zijn als een dood lichaam tot enige lichamelijke beweging.
De dood van de ziel is dus haar dood naar God toe. Ze is levendig en bedrijvig genoeg op de wegen van de zonde. Ze is levendig en bedrijvig genoeg in het volgen en uitvoeren van elke neiging en beweging tot zelfbevrediging. Daar kent ze geen dood. Haar dood is er alleen ten opzichte van God. Ten opzichte van de mens is ze levendig genoeg.
De hele wereld is niets anders dan een verzameling mensen. Allen zijn evenzeer dood voor God maar evenzeer levend voor zichzelf. Dezelfde hartstochten, begeerten, gedachten, gevoelens, lusten en neigingen beheersen met meer of minder kracht elke boezem. Het geheel vormt wat de apostel noemt “de loop van deze wereld”. In een rivier stroomt elke druppel met de rest in één koers naar de zee.
In een menigte die allemaal rent om hetzelfde schouwspel te zien, vormt elk mens met de rest een ononderbroken stroom van mensen, allemaal gericht op hetzelfde doel. Zo is er ook een “loop van deze wereld”. De enkelingen zijn slechts druppels in de stroom, elk mens een eenheid van een som die elke berekening te boven gaat. Maar het hele collectief vormt één massa, als een menigte die met een gemeenschappelijk doel voortstormt en waarin ieder zijn naaste voortduwt met een onweerstaanbare kracht waartegen niemand zich verzet.
Combineer nu de twee gedachten van de apostel. We zullen straks zien dat er nog een andere werkzaamheid bijkomt. Maar combineer en vergelijk de twee gedachten van de dood in de zonde en het wandelen naar de loop van deze wereld. Wat leiden we uit die combinatie af? Is het niet dat wandelen naar de loop van deze wereld hetzelfde is als dood zijn in de zonde?
De loop van deze wereld is niet altijd of misschien zelfs niet vaak een loop van die beslist openlijke overtreding die gewoonlijk met de naam zonde wordt gestempeld. Menig wereldmens kan het zich niet veroorloven een openlijk zondaar te zijn. Hij zou zijn plaats in de maatschappij verliezen, zijn goede naam verbeuren en zijn reputatie schaden. Daarmee zou hij ook zijn hoop op vooruitgang in het leven verliezen als hij zich de openlijke, ongeremde beoefening veroorloofde van die schendingen van de moraal waarop de wereld in het algemeen en de goede samenleving in het bijzonder haar stempel van afkeuring heeft gedrukt.
Toch is hij daarom niet minder een goddeloos mens, niet alleen dood maar dood in misdaden en zonden. Hij kan een heimelijke ongelovige zijn, hoewel hij geregeld zijn kerk of kapel bezoekt. Hij kan een innerlijke spotter en hoonder zijn van alle levende godzaligheid, hoewel hij de vorm ervan netjes in acht neemt. Hij kan een volslagen hater van God en Zijn volk zijn, maar te voorzichtig of te welvoeglijk om zijn vijandschap openlijk lucht te geven.
Hij kan een aanmatigende rebel zijn, een hoogmoedige, hebzuchtige, harde en ijzeren onderdrukker van de armen. Hij kan een liefdeloze echtgenoot zijn en een dwingende vader. Hij kan een strenge, gevoelloze meester zijn, een berekenende, gewetenloze geldgraaier en een zelfzuchtige ellendeling, niet in staat tot een edele gedachte of een royale daad. En toch kan hij al die tijd binnen de grenzen van de strengste moraal blijven en hard oordelen over de minste afwijking daarvan.
Duizenden van zulke mannen, die min of meer op verschillende punten van deze schets lijken, al zeggen we niet dat ze alle ergste trekken in zich verenigen, betreden elke dag de Londense stoep. Ze zitten in gemakkelijke stoelen op kantoor, schrijven cheques op hun bankiers en bedienen hun klanten in winkels. Ze vullen elke rang en stand van de maatschappij, van de miljonair die in zijn koets uit de City naar huis rolt tot de veger op het straatkruispunt, aan wie hij in de overvloedige milddadigheid van zijn hart een penny toewerpt na een geslaagde zakelijke slag.
Ook vinden we hier in dichte rijen tal van mannen en vrouwen die zichzelf zeer godsdienstig achten en dat meestal ook worden gevonden. Ze zouden het een smet en een schande vinden als ze niet een of andere godsdienst beleden, min of meer gekenmerkt door een uiterlijke en onderscheidende vorm. Ze zijn onbevlekt door uiterlijke zonden en zedelijk en consequent in hun gedrag.
Ze zijn vriendelijk, vrijgevig en mild, actief en energiek in allerlei werken van menslievendheid en weldadigheid. Ze bezitten werkelijk vele beminnelijke en bewonderenswaardige eigenschappen en zijn in ruime mate begiftigd met huiselijke en maatschappelijke deugden die respect en navolging verdienen. Ze zijn zeer nuttige en eervolle leden van de maatschappij, de steun en stut van ons gezegende land.
Toch dragen ze het noodlottige merkteken dat ze wandelen naar de loop van deze wereld. Hun godsdienst heeft hen er nooit werkelijk van gescheiden of hen eraan gekruisigd. Wat ze ook mogen zijn voor mensen, en we hebben vrijuit toegegeven dat ze vele bewonderenswaardige eigenschappen bezitten: voor God zijn ze dood in de zonde, omdat ze wandelen naar de loop van deze wereld. Hij ziet niet zoals de mens ziet en Hij kijkt naar het hart.
In een menigte mensen die allemaal dezelfde kant op gaan en uit zijn op hetzelfde doel, kunnen grote uiterlijke verschillen bestaan. Sommigen zijn gekleed in lompen en anderen in keurige kleding. Sommigen stormen onder gevloek en lawaai voorwaarts en anderen bewegen zich stil en gestaag. Sommigen leiden en anderen volgen. Sommigen sporen de achterblijvers aan en anderen lijken meer gedreven door dwang dan vol ijver en levendigheid om als eerste en voorste in de race te zijn. Maar allen volgen één koers, een koers die allen naar hetzelfde uiteindelijke einde leidt. Zo is het met allen die wandelen naar de loop van deze wereld.
Als ze tot op het diepste binnenste werden doorzocht en hun harten naakt en bloot lagen voor de ogen van Hem, met Welken wij te doen hebben (Hebreeën 4:13), zou blijken dat ze geen enkel oog hebben voor Zijn eer. Er zou geen godvrezende vrees of heilige eerbied voor Zijn grote naam zijn en geen oprecht streven Hem te behagen of angst Hem te mishagen.
Er zou geen ernstig verlangen zijn of ernstig uitademen van begeerte om Zijn wil te kennen en te doen. In één woord: niets hemels, heiligs, geestelijks of genadigs. Niets is de vrucht van een nieuwe geboorte of ontspringt aan de werking van de Geest van God op de ziel.
Hun beweegredenen, beginselen, doel, oogmerk en verlangen zijn werelds en naar de loop van deze wereld. Dat geldt voor waar ze van leven en waarvoor ze leven en voor de hele strekking en richting van hun woorden en daden. Ze zijn weliswaar bedekt met een dunne sluier van vrome belijdenis en godsdienstig taalgebruik. Daardoor misleiden ze zichzelf en anderen met de stellige overtuiging dat ze niet zijn zoals andere mensen. Ze menen dat ze er goed voor staan, als ze al niet nu hoog in de gunst van God staan.
Wat zou een straal van goddelijk licht deze bedrieglijke sluier uiteenrijten, wanneer die als een woord uit Gods mond met levendmakende kracht hun hart binnenkwam! Hij zou hun geweten doorboren als een tweesnijdend zwaard en hen met hun belijdenis naakt en bloot leggen voor Hem Die in Zijn heerlijke Majesteit een verterend vuur is (Hebreeën 12:29).
Maar de apostel noemt nog een ander kenmerk van wie dood zijn in misdaden en zonden. Hij noemt nog een andere reden waarom wie wandelen naar de loop van deze wereld nu zonder hoop en zonder God zijn. Ze staan onder een satanische invloed. Het is verschrikkelijk om eraan te denken. Als het ten volle werd beseft, zou het genoeg zijn om allen die eronder staan te vervullen met angst en schrik. En toch is het een even onloochenbaar feit als Gods eigen bestaan, als we het woord van God aanvaarden als zuivere onfeilbare waarheid.
De woorden van de apostel zijn: naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. U ziet dat het woord “naar” hier verbonden is met hun wandelen. Ze worden gezegd te wandelen “naar” de loop van deze wereld, dat wil zeggen in overeenstemming met en in gehoorzaamheid aan de drijvende kracht, prikkel en invloed van deze wereld. Zo wandelen ze ook “naar” de overste van de macht der lucht, dat wil zeggen onder de prikkel en invloed van hem.
Dit vraagt echter om een nauwkeuriger en volledigere beschouwing. Met den overste van de macht der lucht wordt hier Satan bedoeld, want hij is den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. Hier zijn verscheidene dingen opmerkelijk. Ten eerste het plechtige feit dat er zo’n helse figuur is, vol dodelijke vijandschap tegen God en mens. Ten tweede dat zijn zetel in de lucht is. Ten derde dat hij werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. Ten vierde dat allen die wandelen naar de loop van deze wereld onder zijn invloed staan.
1. Het bestaan zelf van zo’n wezen als Satan wordt nu door velen ontkend. De leer van de Schrift over de duivel wordt nu vaak beschouwd als een Joodse overlevering of als een oosterse mythe. Of men ziet haar als louter een sterke en figuurlijke voorstelling van het kwaad, dat in een beeldspraak een lichamelijke gedaante krijgt. Het geloof in het persoonlijke bestaan van de duivel zou in onze verlichte tijd op één lijn te stellen zijn met het geloof in het bestaan van heksen, spoken en verschijningen en in de werking van toverformules en magische bezweringen.
Maar het persoonlijke bestaan van Satan als boze geest wordt in de Schriften, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, zo sterk beleden. Het is ook zo verweven met de geschiedenis van de Heere Zelf in de Evangeliën en met de taal van de inspiratie in de brieven. Daarom moeten we het ofwel geloven op het gezag van Gods getuigenis, ofwel erkennen dat we ongelovigen zijn wat het aannemen van het hele en onverkorte woord van God betreft.
Het is juist een deel van Satans eigen bijzondere sluwheid om mensen van zijn niet-bestaan te overtuigen. Zo kan hij hen met meer succes in zijn strikken vangen, zoals Hart terecht zegt:
De duivel kan zelfverloochening gebruiken, en dat met duivelse, zelfzuchtige bedoelingen. Hij loochent zijn bestaan en zijn staat en leert dat er geen duivel of hel is.
Zijn bestaan ontkennen is dus niet alleen het woord van God ontkennen. Het toont duidelijk dat hij de ogen van wie hij naar zijn wil leidt des te succesvoller heeft verblind, doordat hij voor hen verbergt dat hij hun gids is. Hierbij hoeven we echter niet langer stil te staan. Het is voor ons genoeg op dit punt, zoals op elk ander punt van geopenbaarde waarheid, te zeggen: God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig (Romeinen 3:4).
2. In de woorden voor ons wordt hij echter genoemd den overste van de macht der lucht. Daaruit leiden we drie dingen af: dat hij een overste is, dat hij grote macht bezit en dat zijn zetel in de lucht is. Onze genadige Heere noemt hem de overste dezer wereld en de apostel Paulus noemt hem de god dezer eeuw (Johannes 14:30; 2 Korinthe 4:4). De woorden “overste” en “god” zelf houden heerschappij en gezag in. Waarin deze heerschappij bestaat en waaruit dit gezag vooral bestaat, leert de Schrift ons niet duidelijk.
Toch vinden we telkens weer in het woord van de waarheid, zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament, een heerschappij en een gezag die aan Satan worden toegeschreven. Daarmee regeert en heerst hij over de mensenkinderen. We kunnen nu niet volledig op dit onderwerp ingaan.
Het meest verontrustende kenmerk ervan is dat het onzichtbaar is en toch van verbazingwekkende sterkte en kracht. Er zijn inderdaad grenzen aan gesteld door de bestuurlijke voorzienigheid en de absolute heerschappij van God. Bij Zijn dierbare kinderen is deze macht gebroken en mag ze slechts zo dicht bij hen komen als verenigbaar is met de voornemens van God en hun uiteindelijk voordeel.
Stond de macht van Satan niet onder het bestuurlijk gezag van God wat Zijn eigen gezin betreft, dan zou dit aardse tafereel spoedig een woeste arena van dood en verderf worden. De getuigen van Gods waarheid zouden dan worden weggevaagd door de boosaardigheid van de overste van deze wereld en de woedende vijandschap van zijn handlangers en volgelingen.
3. De zetel van deze overste, zijn woonplaats van waaruit hij de wijde uitgestrektheid van zijn rijk overziet, is de lucht boven en rondom deze aardbol. Dat geeft hem zo’n snelheid van vlucht en zo’n snelle toegang tot alle plekken en plaatsen. Het geeft hem het vermogen zich met meer dan de snelheid van de arend naar zijn prooi te verplaatsen, of van de gier naar het gevallen aas. Satan is niet alomtegenwoordig, dat wil zeggen niet op elke plaats aanwezig, want de algemene tegenwoordigheid behoort alleen God toe.
Maar als geest behoudt hij, ook al is hij een gevallen geest, de oorspronkelijke eigenschappen van een engelennatuur. Hij kan zich met een gemak en een snelheid waarvan we geen begrip hebben naar elk punt van het kompas verplaatsen en naar elke plek waarop zijn oog is gericht als toneel van helse activiteit.
Dit zijn geen louter bespiegelingen of zelfs maar gezonde afleidingen uit de taal van de inspiratie. Ze zijn zwanger van waarschuwing en vermaning. Zijn we omringd door Satan en een hele schare helse engelen, allemaal gereed op zijn wenk en allemaal met hem in bondgenootschap? Zijn ze misschien nauwelijks minder sterk en sluw dan hij en allen even erop gebrand ons wee te doen, zo niet ons te verderven?
Hoe zorgvuldig, hoe waakzaam en hoe voorzichtig moet ons dit maken in al onze bewegingen! We moeten voelen dat we, waar we ook gaan of zijn, worden bespied door een helse tegenstander. Hij zweeft om ons heen in de lucht als een roofvogel die wacht op een gunstig ogenblik om op ons neer te schieten en ons te verwonden en te verminken, als hij ons niet kan vernietigen.
En hoe zou dit ons ertoe moeten leiden ons onophoudelijk door geloof en gebed als het ware onder de bescherming van onze Almachtige Vriend te stellen. Dan kan Hij onze Beschermer en Behoeder zijn tegen de openlijke aanvallen en de innerlijke verzoekingen van onze dodelijke tegenstander. In het laatste hoofdstuk van deze brief geeft de apostel ons de plechtige oproep: Doet aan de gehele wapenrusting Gods.
En waarom? opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels (Efeze 6:11). En dan voegt hij toe: Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht (Efeze 6:12).
Als we de kantlijn raadplegen, zien we dat in de King James-vertaling “hoge plaatsen” vertaald is met “hemelse plaatsen”, dat wil zeggen de lagere hemelen, overeenkomend met het luchtgebied waarin Satan zijn zetel heeft.
4. Maar het hoofdpunt dat nu voor ons ligt, is het plechtige feit dat Satan werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. Wat zijn deze woorden wijd en veelomvattend! Maar omdat dit onderwerp een uitvoeriger beschouwing vraagt dan we er nu aan kunnen geven, moeten we onze opmerkingen daarover bewaren voor ons volgende stuk.


