Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

De gevolgen van de opstanding van de Verlosser

Philpot toont wat de kracht van Christus’ opstanding in de gelovige ziel uitwerkt: rechtvaardiging, gemeenschap met het opgestane Hoofd, hemelse genegenheden en geestelijke gezindheid. Ze is ook de eersteling en het onderpand van de opstanding van de heiligen.

We willen nu proberen te laten zien welke geestelijke werking en invloed de opstanding van de Heere heeft op de gelovige ziel. Het vurige verlangen en gebed van de apostel was dat hij Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding (Filippenzen 3:10). Zijn hijgende ziel was dus niet tevreden met het kale feit van Zijn opstanding of met de loutere leer ervan zoals de Schrift die openbaart. Beide zijn op zichzelf grondwaarheden vol onuitsprekelijke zegen. Maar zijn gelovige hart verlangde intens naar de inwendige bevinding van de kracht, vruchten en gevolgen ervan.

Wat was die kracht? Laten we met Gods zegen proberen te zien wat het was om dat te kennen en te genieten wat zulke intense verlangens opriep in de diepste ziel van Paulus. Het gebed dat deze man Gods bad voor de gemeente van God te Efeze (Efeze 1:16-23) vormt volgens ons een gezegende sleutel tot dit bevindelijke geheim.

Onder de hemelse zegeningen die hij daar afsmeekt, vraagt hij dat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, hun zou geven den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis. Dat vraagt hij opdat zij zouden weten de uitnemende grootheid Zijner kracht aan ons die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel (Efeze 1:19-20).

Lezen we dat hele gezegende gebed, dan zien we dat de Heere Jezus daar wordt genoemd als het Hoofd en de Vertegenwoordiger van Zijn lichaam, de gemeente. Dat is een menigte die niemand tellen kan. Toen Hij aan het kruis stierf, zonk Hij als het ware weg onder de last van miljoenen zonden. Want Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout. We weten wel dat de zonden van de gemeente zijn weggedaan door het vergieten van Zijn kostbaar bloed. Ook zei Hij Zelf: Het is volbracht! voordat Hij Zijn leven overgaf.

Maar zoals onder de wet de dood van het slachtoffer het wezenlijke deel van het offer was, zo was het offer pas volledig toen het Lam van God gestorven was. In die zin zonk Hij dus in het graf onder het geweldige gewicht van de zonde die op Zijn heilig hoofd was gelegd. Door die zonden, als dood onder de wet, was Hij vastgebonden in het graf. Dat was steviger dan door de lijkwaden, de Romeinse wacht of de steen die voor de ingang van het graf was gerold. Door die zonden werd Hij vastgehouden tot de opstandingsmorgen.

Dit waren dus de smarten des doods (of banden) waarover Petrus spreekt en die Hem vasthielden (Handelingen 2:24). Maar God heeft die banden ontbonden. Hij was immers de Zoon van God en de Vorst van het leven, zodat het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden. Daarom wekte God Hem op als het gerechtvaardigde Hoofd van Zijn lichaam de gemeente. De zonden onder wier schuld en gewicht Hij gestorven was, liet Hij achter in het graf. Doordat Hij zo werd opgewekt als hoofd van de gemeente en openlijk werd vrijgesproken en gerechtvaardigd, stond zij in Hem en met Hem op.

Deze kijk op de opstanding van Christus kan ons helpen om duidelijker en vollediger in te gaan op de bevindelijke betekenis van dat gezegende gebed voor de gelovigen in Efeze, waar we al naar verwezen. Ze toont ons ook waarom de apostel bad dat zij zouden kennen de uitnemende grootheid Zijner kracht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt. De opstanding van de Heere Jezus wordt hier genoemd als een allerwonderbaarlijkste vertoning van Gods machtige kracht.

Waarom was dat zo? Zeker niet doordat het dode lichaam van de Heere Jezus weer levend werd gemaakt. Dat wonder was al eerder gebeurd bij Lazarus, bij de zoon van de weduwe en in vele andere gevallen. Het was zo omdat God, door Christus uit de doden op te wekken, miljoenen verloste zondaars met Hem opwekte. En wel uit al hun zonden en ellende, die Zijn heilig hoofd, omdat Hij ze allemaal droeg, in de dood en het graf hadden doen zinken. Daarom wordt van de gemeente gezegd dat zij levend gemaakt met Christus en mede opgewekt is (Efeze 2:5-6; Kolossenzen 2:12-13). Van gelovigen wordt gezegd dat zij met Christus zijn opgewekt (Kolossenzen 3:1).

Wat een levend kind van God verlangt te ervaren is de gevoelde kracht van deze opstanding. Hij is mystiek en feitelijk levend gemaakt met Christus bij en in Zijn opstanding uit de doden. Nu wil hij de geestelijke kracht van die opstanding in zijn eigen ziel gevoelig genieten. Die kracht stelt hem in staat op te staan uit de banden des doods die hem zo vaak stevig vasthouden. Dit uitwerken van de kracht van Christus om de ziel levend te maken, te vernieuwen en te verlossen is zo buitengewoon groot dat de apostel het vergelijkt met de vertoning van die machtige kracht die God uitwerkte toen Hij Jezus uit de doden opwekte.

De gelovige is namelijk feitelijk en werkelijk levend gemaakt met Christus toen Die uit de doden opstond. Hij is door deze kracht, die hem wedergeboren maakt en levend voor God, al opgestaan uit het graf van dood en zonde. Toch zinkt hij vaak terug in het sombere graf van vleselijkheid en doodsheid. Daarom heeft hij een machtige kracht nodig die in zijn ziel wordt uitgewerkt: de kracht van de opstanding van Christus. Hij heeft gevoelig dezelfde almachtige kracht nodig die Jezus uit de doden opwekte, om hem nog eens op te wekken tot geloof, hoop en liefde.

De opstanding van Jezus en het belang van de gelovige daarbij als levend gemaakt lid van Zijn lichaam is zeker het vaste onderpand dat hij opnieuw met deze vernieuwende en verkwikkende genade gezegend zal worden. Maar o, die kracht! Van tijd tot tijd van binnen en bevindelijk voelen hoe deze kracht zijn ziel binnenkomt, zoals de kracht van God het graf van Christus binnenkwam en Hem uit de doden opwekte. En door de ervaring van die kracht met Christus opstaan tot licht, leven, vrijheid en liefde: dat is werkelijk het Koninkrijk van God hebben. Dat is niet alleen in kracht gelegen maar ook rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest (1 Korinthe 4:20; Romeinen 14:17).

Zoals de gemeente door de opstanding van Christus mystiek levend gemaakt met Christus werd (Efeze 2:5), zo is de wedergeboorte het eerste bewijs en het eerste onderpand van de opstanding van elke afzonderlijke gelovige met Hem. Dit is de eerste daad van de kracht van Christus’ opstanding als gevoelde, bevindelijke werkelijkheid in elk lid van Zijn mystieke lichaam.

Naarmate de wedergeboren ziel meer ervaart van het uitwerken van deze opstandingskracht en dieper en gevoeliger het verschil voelt tussen de werkingen en bewegingen van dit verborgen leven en haar eigen ellendige duisternis, slavernij en dood wanneer deze goddelijke vrucht van Christus’ opstanding niet wordt ervaren, hongert en dorst zij naar nieuwe genieting ervan.

Wedergeboorte is op zichzelf een onmiddellijke daad die niet herhaald kan worden. Maar de gevolgen ervan zijn blijvend. Een kind kan maar één keer geboren worden. Maar als het eenmaal heeft geademd, ademt het steeds opnieuw. Zonder adem en voedsel kan het niet leven.

Zo is elke zoete opleving en genadige vernieuwing weliswaar niet de wedergeboorte zelf. Dat geldt ook voor elk zacht woord, elke vertederende aanraking, troostende blik en hemelse glimlach. En ook voor elke toegepaste belofte, elk bemoedigend getuigenis en elke gezegende openbaring van of door de opgestane Heere van leven en heerlijkheid. Maar ze zijn er wel de vrucht en het gevolg van. En ze in de ziel te ervaren is de kracht van Zijn opstanding te ervaren.

Hoe meer we met het geloof de opstanding van onze aanbiddelijke Verlosser aanschouwen, des te meer genade en heerlijkheid zullen we erdoor zien stralen. En hoe meer we van onze eigen zondigheid en onmacht voelen, des te meer zullen we verlangen de kracht van die opstanding in onze eigen persoonlijke bevinding te beseffen. De schuld van de zonde laat ons vastklampen aan een stervende Christus. De macht van de zonde laat ons hangen aan een opgestane Christus.

De Heilige Geest toont ons Jezus daarom in de Schrift soms als een geslacht Lam en soms als het heerlijke opgestane Hoofd van de gemeente. De heilige Johannes verenigt beide gezegend in één vers: En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste der koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed (Openbaring 1:5).

Hoewel Johannes zo’n zicht had op Zijn heerlijke Persoon als opgestane Jezus dat hij als dood aan Zijn voeten viel, week zijn geloof niet van het kruis en van een Fontein geopend daar tegen de zonde en tegen de onreinigheid. Zo ademt ook de gezegende Paulus in de verlangende opstijgingen van zijn ziel op hetzelfde ogenblik zijn begeerte uit om de opgestane Christus te kennen en met de lijdende Christus mee te voelen: Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende (Filippenzen 3:10).

Zelfs in de hemelse voorhoven, te midden van de troon en de vier dieren en te midden van de ouderlingen, zag Johannes een Lam, staande als geslacht. Hij hoorde het lied van de vertegenwoordigers van de verlosten toen zij voor Hem neervielen: En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie (Openbaring 5:9).

Of Hij nu stervend aan het kruis is, of opgestaan uit de doden, of opgevaren in de hoogte: Hij is steeds Jezus, gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid (Hebreeën 13:8). Hij draagt nog steeds dezelfde heilige mensheid die Hij aannam in de schoot van de maagd. We kunnen het kruis van Jezus niet scheiden van Zijn kroon, het geslachte Lam niet van de opgestane Overwinnaar. De Hogepriester die offert is niet te scheiden van de Hogepriester die het bloed binnen het voorhangsel brengt. Ook de lijdende Borg van de gemeente is niet te scheiden van de verheerlijkte Vertegenwoordiger van de gemeente.

We hebben Hem evenveel nodig om wat Hij was als om wat Hij is. Zonder een stervende Jezus was er geen verlossing. Zonder een levende Jezus was er geen zaligheid. Het is zoet om aan de voet van het kruis te liggen opdat de druppels van Zijn verzoenend bloed op het geweten vallen. Het is zoet om Zijn gebroken ogen in de dood gesloten te zien en te weten dat Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen stierf om ons tot God te brengen.

Het is zoet om de gevangene van de dood de grendels van het graf te zien verbreken en als gerechtvaardigd Hoofd van de gemeente in het licht van de hemel te zien uitgaan. En het is zoet om Hem opgevaren te zien in de hoogte om bezit te nemen van het koninkrijk dat de Vader Hem gaf vóór de grondlegging van de wereld. Het is goed voor arme zondaren, en vooral voor zondaren die gebukt gaan onder de schuld van de zonde, dat het zo is.

Want van ons wordt gezegd dat wij gekomen zijn tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods … tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus. Al die zegeningen komen voort uit de opgestane Christus. Toch wordt ook gezegd dat we gekomen zijn tot het bloed der besprenging. Dat bloed komt van de gekruisigde Christus en dat betere dingen spreekt dan Abel (Hebreeën 12:22-24).

We zijn hier wat uitvoerig bij blijven stilstaan. Zo voorkomen we dat onze lezers de indruk krijgen dat we van het kruis wegkijken doordat we zoveel spreken over de opstanding. In gedachten kunnen ze gescheiden worden maar niet in de zegen. Want zoals er zonder het kruis geen verzoenend bloed kon zijn, zo kon er zonder de opstanding geen overwinnende voorbede zijn.

1. Een van de grootste zegeningen die voortkomen uit de bevindelijke kennis van de kracht van Zijn opstanding is de openbare rechtvaardiging die daarmee gegeven wordt aan ieder die in de Zoon van God gelooft. Dit blijkt uit de woorden: Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking (Romeinen 4:25). We gebruikten de uitdrukking “de openbare rechtvaardiging”. De uitverkorenen worden namelijk niet werkelijk en feitelijk gerechtvaardigd door de opstanding van Christus. Ze worden gerechtvaardigd door de toerekening van Zijn daadwerkelijke en lijdende gehoorzaamheid, zoals de apostel zegt:

Zo dan, gelijk door een misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden (Romeinen 5:18-19).

De opstanding van Christus uit de doden is dus niet de verwervende oorzaak. Ze is het openbare bewijs dat Zijn gehoorzaamheid aan de wet namens hen aanvaard is en dat zij met Hem zijn opgewekt als gerechtvaardigden. Want in den HEERE zullen gerechtvaardigd worden … het ganse zaad van Israel (Jesaja 45:25). Dat in den HEERE betekent hier: krachtens de vereniging met Hem.

Zij waren dit ook openbaar toen hun verbondshoofd werd opgewekt en openlijk vrijgesproken van alle aanklachten van de wet.

Zoals de opstanding van Christus de openbare rechtvaardiging van hun personen was, zo is een kennis van haar kracht de openbare rechtvaardiging van hun geweten. Zolang Christus niet aan de ziel is geopenbaard als opgestaan uit de doden, zit ze opgesloten onder de wet. Ze is vol schuld en veroordeling, een gevangene in de kuil waar geen water in is. Maar wanneer Hij wordt geopenbaard, of liever: wanneer Hij Zichzelf openbaart, wat Hij niet zou kunnen als Hij niet levend was uit de doden, verzegelt Hij het besef van rechtvaardiging op het geweten. Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zegt Hij (Jesaja 46:13). Dat doet Hij wanneer Hij de ziel bevindelijk bekleedt met de klederen des heils en haar bedekt met den mantel der gerechtigheid (Jesaja 61:10).

Dan heft de kracht van Zijn opstanding, bevindelijk gevoeld, het kind van genade op uit het graf van slavernij en dood. Door het geloof in Hem als opgestaan Hoofd wordt het gerechtvaardigd van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes (Handelingen 13:39). Zo wordt Christus voor elke gelovige ziel gevoelig door God tot gerechtigheid gemaakt. In de taal van het geloof kan het zeggen dat voor hem geldt: in den HEERE zijn gerechtigheden en sterkte (Jesaja 45:24).

Dit liet de apostel zeggen: En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden (1 Korinthe 15:17). Waarom bent u niet nog in uw zonden, zou hij hun kunnen vragen, wat de veroordeling door de wet betreft? Omdat Christus uit de doden is opgestaan. Waarom bent u niet nog in uw zonden wat de veroordeling in uw eigen geweten betreft? Omdat u door het geloof in Hem als opgestaan uit de doden er bevindelijk van gerechtvaardigd bent.

Zo verbindt de apostel op een andere plaats de twee zegeningen van openbare en bevindelijke rechtvaardiging: Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus (Romeinen 4:25; Romeinen 5:1). Waarom dat “dan”, dat de twee hoofdstukken verbindt? Het laat zien dat we door de opstanding van Christus openbaar gerechtvaardigd zijn en door het geloof in Hem als opgestaan uit de doden bevindelijk gerechtvaardigd. Het bewijs daarvan is vrede met God te hebben.

Dit rechtvaardigende geloof geeft openbare vereniging met Christus. Het opent een goddelijk kanaal van gemeenschap met Hem en brengt zo nog een gezegende vrucht voort van de kracht van Zijn opstanding:

2. Gemeenschap met Hem als opgestaan Hoofd. In Zijn laatste troostrijke toespraak zei Jezus tot Zijn discipelen: Ik zal u geen wezen laten. Ik kom weder tot u. Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven (Johannes 14:18-19). De wereld kon Hem alleen met het natuurlijke oog zien. Toen Zijn persoonlijke aanwezigheid werd weggenomen, kon zij Hem dus niet meer zien. maar gij zult Mij zien, zei de gezegende Heere tot Zijn discipelen.

Maar hoe zouden zij Hem zien? Op dezelfde manier als van Mozes is opgetekend: Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke (Hebreeën 11:27). Het geloof is het oog van de ziel, want het is een bewijs der zaken, die men niet ziet (Hebreeën 11:1). Zo zouden zij Hem door het geloof aan de rechterhand van de Vader zien. Maar zouden ze Hem daar niet zien als een levend Hoofd? Hij zegt immers: want Ik leef, en gij zult leven. En zou het leven dat vanuit de vereniging met Hem in hen stroomt, niet in heilige gemeenschap naar Hem terugstromen?

Hij zei ook: Ik zal u geen wezen laten. Hij bedoelde: niet als treurenden om Mijn dood en om uw teleurgestelde verwachtingen. Ik kom weder tot u. Maar hoe? Door een persoonlijke openbaring: Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren (Johannes 14:21).

Zo rust de gemeenschap met Christus op drie dingen: Hem door het geloof zien, leven van Zijn leven en Zijn geopenbaarde tegenwoordigheid ervaren. Maar alle drie hangen ze af van Zijn opstanding en de kennis van haar kracht. Als opgestane uit de doden zien de heiligen Hem. Als opgestane uit de doden leven zij een leven van geloof op Hem. Als opgestane uit de doden openbaart Hij Zich aan hen. En naarmate leven en gevoel in hun ziel opwellen uit de zoete gemeenschap met Hem, wordt de kracht van Zijn opstanding in hen openbaar.

De heilige mensheid van onze gezegende Heere heeft, als ze door het geloof wordt gezien, een gezegend effect: ze trekt de ziel omhoog naar Hem toe. Met de zuivere Godheid kunnen wij geen gemeenschap hebben. Onze gevallen toestand en ellendige staat als schuldige zondaren hebben die weg voorgoed afgesloten. Maar als we door het geloof de zuivere mensheid van onze aanbiddelijke Verlosser aanschouwen, in eenheid met Zijn eeuwige Godheid, mogen we nu met alle heilige vrijmoedigheid tot God naderen.

Het bloed van Jezus geeft ons toegang binnen het voorhangsel, zoals de apostel aandringt: Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees; En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods; Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water (Hebreeën 10:19-22).

En opnieuw: Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Hebreeën 4:14-16).

Naar de mate van ons geloof in Hem als opgestaan Hoofd zullen we de heilige vrijmoedigheid voelen waarover de apostel spreekt. Dan durven we dichtbij te komen en kunnen we bij Hem pleiten. We storten ons hart voor Hem uit, leggen Hem al onze moeiten voor, belijden onze zonden, beweenen onze afvalligheid en zoeken enige openbaringen van Zijn vergevende liefde. Zo zullen we de gemeenschap met Hem gevoelig ervaren. Want Hij zal Zichzelf min of meer openbaren, een troostend woord toepassen en het hart week maken en vertederen tot nederigheid en liefde.

Naar de mate van hun genade en van het leven en de kracht van God in hun ziel streven alle verzoende en gerechtvaardigde heiligen van God naar deze gemeenschap met de Heere Jezus als opgestaan Hoofd. Ze wordt vaak droevig onderbroken en pijnlijk verstoord door de zonde die in ons woont. Maar het beginsel is er, en dat beginsel is leven. Leven is het voorrecht, het bezit en het kenmerk van de kinderen van God.

Niemand hoeft u te verzekeren dat Jezus uit de doden is opgestaan als Hij Zich aan uw ziel openbaart. U hebt geen bewijs nodig dat u een schaap bent als u Zijn stem hebt gehoord en kent. U kunt dus zeggen: Jezus is opgestaan, want ik heb Hem gezien. Jezus is opgestaan, want ik heb Hem gehoord. Jezus is opgestaan, want ik leef van Hem.

Gemeenschap met Jezus is het leven van de godsdienst. Zonder haar is godsdienst slechts een lege naam. Zonder Hem kunnen we niets doen. Hij is ons leven, ons opgestane verbondshoofd, onze Voorspraak bij de Vader, onze Bruidegom, onze Vriend en onze Broeder. Hoe kunnen we sap uit Zijn volheid putten, als de rank uit de wijnstok? Hoe kunnen we Hem persoonlijk en bevindelijk kennen in een van Zijn beminnelijke betrekkingen? Dat kan alleen door voortdurende gemeenschap met Hem op Zijn troon van genade.

Dit is zelfs het grote onderscheidende punt tussen de levenden en de doden. Het onderscheidt het ware kind van God van de louter belijder. Het eerste heeft werkelijke vereniging en gemeenschap met een opgestane Jezus. De ander is tevreden met een gedaante van godzaligheid. Elke levend gemaakte ziel wordt gedrongen te zoeken naar de kracht van God, naar gemeenschap van boven, naar vergeving en vrede en naar bezoekingen van barmhartigheid en genade.

Heeft zo iemand Christus door het geloof gezien en enige openbaring ontvangen van Zijn Persoon en werk, genade en heerlijkheid, dan kan hierna niets hem werkelijk bevredigen behalve de inwendige gemeenschap van de geest met Jezus. Daardoor worden de Heere en hij één. Want die den Heere aanhangt, is een geest met Hem (1 Korinthe 6:17).

3. Een andere vrucht van de opstanding van Christus, nauw en innig verbonden met de voorgaande, is het opstaan van de geestelijke genegenheden van Zijn gelovige volk met Hem. Dit dringt de apostel aan de heiligen te Kolosse voor: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kolossenzen 3:1-2).

Van nature kleven we aan de aarde en aan aardse dingen. Onze genegenheden liggen begraven in het graf van de dood. Zelf kunnen we ze niet opheffen tot hoge en hemelse dingen. Daarom hebben we de kracht van Christus’ opstanding nodig, inwendig gevoeld en beseft. Zo kunnen we, als met Hem opgewekt, ons verbondshoofd, niet langer begraven blijven in de dingen van tijd en zintuig, de ijdele en vergankelijke dingen hier beneden. Dan kunnen we onze genegenheden zetten op de dingen die boven zijn, waar Christus zit aan de rechterhand van God.

Ons Hoofd is opgestaan uit de doden. Waarom zouden wij, de leden van Zijn lichaam, dan nog hier beneden in het stof van de aarde kruipen? Hij is omhooggegaan. Laat onze genegenheden met Hem opstijgen. Hij is in de hemel. Laat ons hart bij Hem zijn.

Naar de mate waarin we de kracht van Christus’ opstanding beseffen, rijzen ons hart en onze genegenheden op uit deze ellendige aarde met al haar zorgen en voorbijgaande ijdelheden. Niets lijkt een groter bewijs van de lage, gezonken staat van de gemeente in deze tijd dan het duidelijke gebrek aan deze hemelse genade. Hoe weinigen zijn er wier genegenheden gericht zijn op de dingen die boven zijn! Hoe weinigen kunnen werkelijk zeggen: onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus (Filippenzen 3:20).

Hoe weinigen tonen door hun wandel of hun leven dat hun hart in de hemel is! We zeggen niet voortdurend, maar zelfs maar ooit. Hoe weinigen hebben liefdevolle gedachten over Jezus en verlangen naar Zijn geopenbaarde tegenwoordigheid: wanneer zult Gij tot mij komen? (Psalm 101:2). Hoe weinigen hebben vreugde in Hem als de Eerste onder tienduizend: Hij draagt de banier boven tien duizend (Hooglied 5:10). Hoe weinigen noemen Hem gans begeerlijk (Hooglied 5:16). Hoe weinigen breken in hun hart door naar Hem toe: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen (Psalm 42:2). Hoe weinigen beschouwen aanbiddend Zijn heerlijkheid of keren innerlijk in zichzelf, zodat hun zwervende genegenheden thuis worden gebracht en op hemelse dingen gericht?

We weten wel hoe koud, dom en vleselijk het hart vaak is en hoe de genegenheden afdwalen naar de dingen van tijd en zintuig. Maar altijd zo te zijn en nooit een zoete instroom van goddelijk leven en kracht te ervaren die de genegenheden hemelwaarts trekt, waarin verschillen zulke mensen dan van hen die helemaal dood zijn in een belijdenis? Waar leven is, zal het werken. Waar geloof is, zal het handelen. Waar liefde is, zal ze stromen.

Zulke mensen verkeren op zijn minst in een zeer gevaarlijke toestand. Als ze niet geheel dood zijn, liggen ze open voor de ergste valstrikken van de duivel en het vlees, omdat hun genegenheden zo op aardse dingen gericht zijn. Zelfs sommigen van de duidelijker geopenbaarde mensen van de Heere zijn hier werkelijk schuldig aan. Sommigen van hen gaan gebukt onder een dagelijkse last van zorg. Wereldse bezorgdheid vult hun geest en bezet hun gedachten van de morgen tot de avond.

Kan van hen gezegd worden dat ze geestelijk met Christus zijn opgestaan? Zou de kracht van Zijn opstanding, bevindelijk gevoeld, hen niet optillen boven hun gezinszorgen, hun zorgen om het bedrijf en hun al te vaak ingebeelde, zelfkwellende zorgen? Was hun geloof vaster gevestigd op een opgestane Christus en hun genegenheden meer gezet op een levende Christus, wat een last van knagende zorgen zou van hun schouders worden weggenomen!

Anderen uit het gezin van de Heere gaan gebukt onder wereldse smart en verdriet. Een geliefd wezen is aan hun zicht onttrokken en hun genegenheden blijven rond het graf hangen dat zijn aardse resten bevat. Zij ondervinden wat de Schrift zegt: de droefheid der wereld werkt den dood (2 Korinthe 7:10). Ze kunnen niet voorbij het graf kijken naar de opstanding. Maar is Christus niet opgestaan uit de doden? Heeft Hij niet de dood teniet gedaan en dengene, die het geweld des doods had (Hebreeën 2:14)?

Zouden zij, als mensen die de kracht van Zijn opstanding hebben gevoeld, hun genegenheden niet met Hem moeten laten opstijgen? Daar vinden ze hun geluk en hun thuis, in plaats van den Levende bij de doden te zoeken (Lukas 24:5).

Weer anderen liepen eens goed, en hun hart en genegenheden leken vast op hemelse dingen gericht. Maar nu zijn ze door de geldgierigheid, die een wortel van alle kwaad is (1 Timotheüs 6:10), ijverig achter de wereld aan. Ze zijn gericht op winst en denken dat ze nooit genoeg kunnen hebben. Elke opleving van succes maakt hen opgetogen en tegenslagen en rampen maken hen overeenkomstig neerslachtig.

We weten wat we van nature zijn en hoe we aan alle kanten omringd zijn door verzoekingen tot het kwade. Daarom hoeven we niet verbaasd te zijn dat zelfs mensen die enkele kenmerken van de vreze Gods in hun hart hebben, een tijd lang zo ver van de kracht van Christus’ opstanding kunnen leven. Maar het zal niet altijd zo met hen zijn. Er liggen zware kruisen, hete vuren en diepe wateren voor hen in reserve. Door deze, als zoveel tuchtigende roeden, zullen ze weer de kracht van Christus’ opstanding gaan voelen. Die richt hen op uit hun vleselijkheid en dood. Dan zullen ze hun genegenheden weer zetten op de dingen die boven zijn.

4. Nauw verbonden met het zetten van onze genegenheden op de dingen die boven zijn, als vrucht van de opstanding van Jezus en van onze vereniging met Hem als opgestaan Hoofd, is het geestelijk gezind worden. Die hemelse genade bevat in haar schoot twee gezegende vruchten: leven en vrede (Romeinen 8:6). Naar de mate waarin ons hart en onze genegenheden zich bezighouden met hemelse dingen, voelen we een zoete geur van de hemel op onze geest rusten.

We kunnen alleen teruggeven wat we ontvangen. Elk uitgaan van goddelijk leven uit de ziel hier beneden is daarom slechts de vrucht en het gevolg van het binnenkomen van dat leven van boven. Christus is ons leven daarboven (Kolossenzen 3:4). Hij onderhoudt door Zijn Geest en genade het leven van het geloof in de ziel. Dat leven toont zich in genadige handelingen gericht op Hemzelf.

Deze beweging van het leven in ons omhoog naar zijn goddelijke Auteur en Voorwerp is het ademen van de geest onder zijn huis van leem uit. Het is de opvaart van de ziel naar God en het vooraf in bezit nemen van haar woning daarboven. Het is het neerzitten met Christus in de hemelse gewesten vóór de heerlijke viering van het bruiloftsmaal van het Lam. Dat is het avondmaal van de bruiloft des Lams (Openbaring 19:7; Openbaring 19:9).

Zonder deze geestelijke gezindheid is godsdienst slechts een naam, een lege schijn, een waan en een strik. In de ziel van elke erfgenaam van de heerlijkheid moet, voordat hij uit deze tijdelijke staat vertrekt, iets gewerkt zijn wat de apostel beschrijft als dat de Vader ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht (Kolossenzen 1:12). God neemt niet in de hemel, in de volheid van Zijn eigen eeuwige zaligheid, hen op die Hij niet liefheeft en die Hem niet liefhebben. Het is een toebereid volk voor toebereide woningen.

Deze toebereidheid voor de hemel als inwendige genade bestaat grotendeels uit die zoete geestelijke gezindheid. Daardoor worden hemelse dingen ons enige geluk. We voelen er een innerlijke vreugde in die het hart verruimt, de geest veredelt, de ziel zacht maakt en de hele ziel als het ware optilt in een heilige sfeer. Daarin baadt ze als in haar uitverkoren element.

Dit is leven. Niet de koude, dode belijdenis van die arme, vleselijke schepsels die slechts een natuurlijk geloof hebben in de Heere Jezus Christus en de waarheden van Zijn evangelie. Het is dat gezegende leven dat nooit zal sterven, maar zal leven in de eeuwige tegenwoordigheid van God wanneer de aarde en alles wat ze bevat in verterende vlammen is gehuld. En het is vrede, het stervenslegaat van de Verlosser. Daarmee kalmeert Hij, terwijl Hij het zelf vervult, de onstuimige golven van de ziel. Hij stilt elke opstandige beweging en regeert in het hart als de Vorst van de vrede.

5. De laatste vrucht van de opstanding van de gezegende Heere die we noemen, is dat ze de eerstelingen en het onderpand is van de opstanding van de heiligen op de laatste dag. Zo spreekt de apostel in dat hoofdstuk dat duizenden rouwenden heeft getroost, wanneer zij de resten van hun geliefde mannen, vrouwen, kinderen of vrienden die in de Heere ontslapen waren, in het graf hebben gelegd:

Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens. Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden (1 Korinthe 15:20-22).

De opgestane Christus is de eersteling van dat machtige gewas van begraven doden, wier resten nog in het stille stof slapen. Rij na rij zullen zij die in Hem sterven zich bij hen voegen, totdat allen samen worden opgewekt op de opstandingsmorgen. Het beeld is dat van de garf van de eerstelingen die voor de Heere werd bewogen voordat de oogst mocht worden binnengehaald (Leviticus 23:10-11). Het aanbieden van de bewogen garf was de wijding en toewijding van het hele gewas op het veld aan de Heere. Het was ook het openbare onderpand dat de oogst volkomen rijp was voor de sikkel van de maaier.

De eerstelingen vertegenwoordigden het hele gewas, zoals Christus de vertegenwoordiger van Zijn heiligen is. Het aanbieden ervan heiligde wat nog ongemaaid op het veld stond, zoals Christus de nog ongemaaide oogst van de begraven doden heiligde of aan God wijdde. En het binnenbrengen ervan in de tabernakel was het eerste binnenbrengen van het gewas. Zo verzekert Christus, als eersteling de hemel binnengaand, de toegang van de lichamen van de heiligen tot de woningen die voor hen bereid zijn vóór de grondlegging van de wereld.

Zo stelde Christus, opstaande uit de doden, Zichzelf voor de Heere als de eersteling van de grote oogst van de opstanding die nog niet gemaaid was. Daarmee wijdde en toewijdde Hij het hele gewas aan God. Zoals Hij uit de doden is opgestaan, zo zullen alle slapende heiligen op de laatste dag uit de doden opstaan. Want Zijn opstanding is de eersteling, het onderpand van de hunne.

Ook Zijn opgestane lichaam is het voorbeeld waaraan de opgestane lichamen van de heiligen gelijkvormig zullen worden: gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des hemelsen dragen (1 Korinthe 15:49). Dit is dat heerlijke beeld waaraan alle heiligen gelijkvormig zullen worden: Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen (Romeinen 8:29).

Dit opgestane lichaam van de gezegende Heere behoudt volledig alle wezenlijke kenmerken van de mensheid. Anders zou het geen mens meer zijn in verbinding met de Godheid.

Toch is het onuitsprekelijk heerlijk. Aan het beeld ervan zullen de opgestane heiligen gelijkvormig worden. In deze tijdelijke staat kunnen we ons geen voorstelling maken van zijn alles overtreffende heerlijkheid. Ook niet van de mindere graad van heerlijkheid die de lichamen van de heiligen bij de opstanding zal bekleden: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is (1 Johannes 3:2).

Maar van één ding mogen we zeker zijn. Er zal altijd een wezenlijk en ontoegankelijk onderscheid blijven tussen de heerlijkheid van Christus’ mensheid en die van hen. Zijn mensheid, in eeuwige eenheid met Zijn Godheid, ontleent daaraan een heerlijkheid die van alle andere verschilt. Daar is geen toegang toe en geen vergelijking mee mogelijk. De heerlijkheid van de maan kan nooit de heerlijkheid van de zon zijn, hoewel zij schijnt met het teruggekaatste licht van de zon.

Over Christus staat: Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam (Filippenzen 3:21). Maar hoewel het gelijkvormig zal zijn, zal het niet hetzelfde zijn. Het zal het eeuwige geluk van de heiligen zijn om Hem te zien zoals Hij is en aan Hem gelijk gemaakt te worden. Maar het zal hun eeuwige vreugde zijn dat Hij altijd die voorrang van heerlijkheid zal hebben die Zijn geboorterecht is. Die te aanbidden zal altijd hun hoogste verlustiging zijn.

Een lichaam hebben dat vrij is van alle zonde, ziekte en smart. Een lichaam dat tot zijn uiterste vermogen is gevuld met heiligheid en geluk. Een lichaam dat Hem kan zien zoals Hij is zonder onder dat zien te sterven. Een lichaam dat weer wordt verenigd met zijn eens lijdende, maar nu evenzeer verheerlijkte metgezel, een onsterfelijke ziel die zich tot haar volle vermogens van vreugde en zaligheid heeft uitgebreid. Als dit niet genoeg is, wat kan God dan meer geven?

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!