Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Parels van Philpot — band 4: Gekruist met Christus en dood voor de wereld (deel 2 van 2)

Korte parels van Philpot over de wereld die wij niet mogen liefhebben, de roede die in liefde gedoopt is en het eigen ik dat met Christus gekruisigd moet worden. Ook over de ziel die dood is in de zonde en de liefde van Christus die niet te blussen is.

Op een soortgelijke manier zou het gebod ons als het ware door de wereld leiden. Als we al haar speelgoed en sieraden hadden bekeken, zou het ons in de oren klinken: Raak er niets van aan. Het is niet van u. U mag er niet van genieten en er zelfs niet naar verlangen!

Kan er met die woorden, die voortdurend in de oren van Gods kinderen zouden moeten klinken, iets minder bedoeld zijn dan dit: Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is?

Eén ongemengd tafereel van geluk en vreugde

In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. (Johannes 14:2)

O, konden wij onze ogen opheffen naar die gezegende verblijven, die woningen van hemelse zaligheid! Daar dringt geen verdriet binnen, daar is de zonde onbekend en worden alle tranen van de gezichten afgewist. Daar is . . . geen kwijnend lichaam en geen verterende ziekte, geen smachtende ziel, geen twijfel en geen vrees, geen duisternis en geen nood. Het is één ongemengd tafereel van geluk en vreugde en heel de ziel en het hele lichaam zijn bezig het Lam te prijzen!

En het kroonstuk van alles: daar is het eeuwige genieten van die liefelijkheden die aan Gods rechterhand zijn, voor altijd!

Maar hoe verloren staan wij bij het overdenken van deze dingen! Onze verbeelding lijkt zich uit te strekken voorbij alles wat de geest kan bevatten, de ontelbare tijden van een eindeloze eeuwigheid in. Toch raken we van de gedachte daaraan in verwarring, ook al omhelst het geloof de gezegende waarheid.

Maar in dat gelukkige land zullen de onsterfelijke ziel en het onsterfelijke lichaam al hun krachten en vermogens bundelen om tot het uiterste te genieten van alles wat God bereid heeft voor wie Hem liefhebben.

De roede was in liefde gedoopt

Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd (Micha 7:9)

Het is het zicht op onze zonden tegen God dat ons in staat stelt de gramschap van de Heere te dragen, die zich tegen ons en tegen onze zonden richt.

Zolang we worden overgelaten aan een geest van hoogmoed en eigengerechtigheid, morren we tegen de wegen van de Heere als Zijn hand zwaar op ons rust.

Maar laten we slechts waarachtig voelen wat we terecht verdienen. Dat doet alle morren meteen verstommen. Soms morrt en rebelleert u misschien tegen uw zware lot in de voorzienigheid. Maar voelt u wat u verdient, dan zult u het zwaarste kruis besproeien met tranen van berouw. Zo is het ook in de genade. Als u het gewicht van uw zonden voelt en treurt en zucht omdat u tegen God gezondigd hebt, dan kunt u soms met heilige verwondering uw handen opheffen over Gods geduldige barmhartigheid. Hij heeft u zo lang gedragen. Hij heeft u niet ter aarde geslagen en uw schuldige ziel niet naar de hel gezonden.

U zult ook inzien dat de zwaarste slagen niets anders waren dan vaderlijke tuchtigingen. De roede was in liefde gedoopt en het was tot uw goed en tot Zijn eer dat ze op u gelegd werd.

Als dit besef van verdiende gramschap in de ziel komt, komen er zachtmoedigheid en onderwerping mee. Dan kan ze met de profeet zeggen: Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.

U zou de roede niet willen ontlopen als u dat kon.

U kunt geen enkele predikant werkelijk en volledig vertrouwen

de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden (Johannes 1:17)

De weg om de waarheid te leren is veel te bidden tot de Heere Jezus Christus. Smeek Hem u Zelf te onderwijzen, want Hij is de beste leraar. De woorden die Hij spreekt, zijn geest en zijn leven. Wat Hij op onze harten schrijft, is geschreven in tekens die “elke storm doorstaan en ten slotte nog leven”.

Wat we van mensen leren vergeten we, maar wat we van Jezus leren vergeten we nooit.

Mensen kunnen misleiden, Christus kan dat niet.

U kunt geen enkele predikant werkelijk en volledig vertrouwen.

Ook als u de waarheid van zijn lippen ontvangt, is ze altijd vermengd met menselijke zwakheid. Maar wat u van de lippen van Jezus ontvangt, krijgt u in alle zuiverheid en kracht.

Van Hem komt ze warm, van mensen komt ze koud.

Uit Zijn mond druppelt ze als de regen en daalt ze neer als de dauw. Van mensen komt ze slechts uit de tweede hand.

Als ik u de waarheid verkondig, verkondig ik haar werkelijk zoals de Heere mij in staat stelt te spreken. Maar Hij is het Die met kracht tot uw ziel moet spreken om u werkelijk goed te doen. Kijk dus van mij weg. Kijk langs mij heen naar Hem Die ons beiden alleen kan onderwijzen.

Door in de diepste gevoelens van uw ziel naar Jezus te zien, trekt u levende waarheid uit Zijn boezem in de uwe, van Zijn hart in uw hart. Zo leert u voelbaar en uit eigen bevinding de zaligheid kennen van Zijn eigen verklaring dat Hij de Waarheid is.

Begraven in het graf van vleselijkheid en wereldsgezindheid

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. (Kolossenzen 3:1)

Hoevelen zijn er, zelfs onder hen die God willen vrezen, die door de wereld worden neergehouden en voor wie ze haar aantrekkingskracht niet heeft verloren!

Ze worden vastgehouden, althans een tijd lang, door zaken van de wereld of verstrikt door werelds gezinde mensen en bezigheden . . . hun zakenpartners of hun levenspartners, hun vleselijke verwanten of hun werelds gezinde kinderen, hun talrijke kennissen of hun sociale gewoonten, hun sterke hartstochten of hun diepgewortelde vooroordelen. Dit alles bindt hen en ketent hen aan de aarde.

Daar kruipen en liggen ze midden in “de rook en de drukte van deze donkere plek die men aarde noemt”. Ze zijn zo vastgebonden met de touwen van hun zonden dat ze nauwelijks bevrijding zoeken. Ze verlangen er zelfs niet naar om boven de nevels en mist van deze donkere plek uit te stijgen naar zuiverder lucht, om een hemelse dampkring in te ademen en met Jezus op te staan uit het graf van hun verdorvenheid.

Maar ze zullen nooit in het graf van vleselijkheid en wereldsgezindheid begraven worden.

Eén enkele druppel van deze heilige zalfolie

En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen . . . (1 Johannes 2:27)

Is er ooit een enkele druppel van deze heilige zalfolie op uw hart gevallen?

Eén druppel, al is het maar een druppel, zal u voorgoed heiligen voor de dienst van God. Er werd niet veel van de heilige zalfolie gebruikt voor de dienst van de tabernakel, gezien de grootte en hoeveelheid van wat gewijd moest worden. Wie dit heilige werk verrichtte, raakte het ene voorwerp na het andere aan met een druppel olie. Eén druppel heiligde het voorwerp immers voor de dienst van de tabernakel.

De wijding hoefde niet herhaald te worden. Ze bleef. Hebt u ooit een druppel van Gods liefde in uw hart uitgestort gevoeld? Een druppel van de zalving die u de waarheid leert zoals ze in Jezus is? Een druppel die doordringt, verzacht, heelt en voedt en uw ziel licht, leven en kracht geeft? Dan geldt voor u: gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen. U kent alles wat tot uw zaligheid dient. Door diezelfde heilige olie bent u geheiligd en geschikt gemaakt voor een eeuwige erfenis.

Praktische atheïsten bewijzen we dagelijks te zijn.

We belijden te geloven in een almachtige, alomtegenwoordige en alziende God. Maar we zouden diep beledigd zijn als iemand tegen ons zei: “U gelooft niet echt dat God alles ziet, dat Hij overal tegenwoordig is en dat Hij een almachtige Jehova is.” We zouden bijna denken dat hij ons voor een atheïst hield! En toch bewijzen we dagelijks praktische atheïsten te zijn.

Zo belijden we te geloven dat God alles ziet. Toch smeden we plannen en bedenken we listen alsof Hij niets zag.

We belijden te weten dat God alles kan. Toch zijn we voortdurend bezig met het uitstippelen van plannen en het uitwerken van middeltjes, alsof Hij was zoals de goden van de heidenen, die toekijken en nergens acht op slaan.

We belijden te geloven dat God overal tegenwoordig is om elke moeilijkheid weg te nemen en Zijn volk uit elke beproeving te leiden. Maar komen we zelf in de moeilijkheid en in de beproeving, dan spreken, denken en handelen we alsof zo’n alomtegenwoordige God niet bestond. Hij kent toch de omstandigheden van onze zaak en kan Zijn hand uitstrekken om ons eruit te halen.

Zo is de Heere genoodzaakt ons in beproevingen en verdrukkingen te storten. We zijn zulke blinde dwazen dat we niet kunnen leren met wat voor God we te maken hebben, totdat we uit eigen bevinding in die benauwde plekken van moeite en beproeving komen waaruit alleen zo’n God ons kan verlossen.

Dit is dus één reden waarom de Heere Zijn volk vaak zo diep onderdompelt in het besef van zonde. Het is om hun te laten zien wat een wonderbaarlijke verlossing van de schuld, de smet en de macht van de zonde er in de Heere Jezus Christus is.

Om dezelfde reden gaan ze ook door zulke tonelen van verzoeking. Het is om hun te tonen wat een wonderdoende God Hij is als Hij hen eruit leidt.

Ook daarom worden velen van hen zo gekweld en geplaagd. Het gebeurt opdat ze niet leven en handelen alsof er . . . geen God was om naar toe te gaan, geen almachtige vriend om te raadplegen, geen goedertieren Jezus om hun vermoeide hoofd op te laten rusten. Zo leren ze van binnenuit en uit eigen bevinding die lessen van genade en waarheid die ze nooit zouden kennen als de Heere hen er niet als het ware toe dwong ze te leren. Hij dwingt hen werkelijk te geloven wat ze belijden te geloven.

Zoveel moeite moet Hij met ons doen. Zulke slechte leerlingen en zulke botte schepselen zijn wij. Geen kind op school heeft zijn meester ooit een duizendste deel bezorgd van de moeite die wij de Heere hebben bezorgd om ons te onderwijzen.

Om ons te leren wat een barmhartig en medelijdend God Hij is en om de hoogten, diepten, lengten en breedten van Zijn liefde te ontsluiten, ziet Hij Zich genoodzaakt Zijn volk soms zeer hard te behandelen en zeer scherp aan te pakken. Hij moet ruim gebruik maken van Zijn roede. Hij ziet immers dat de dwaasheid zo vast in de harten van Zijn kinderen gebonden is dat niets dan de roede der tucht ze ooit ver van hen zal wegdoen.

Dood in de zonde

En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Efeze 2:1)

Dood zijn in de zonde is geen tegenwoordig deel of lot hebben bij God. Het is geen kennis van Hem hebben, geen geloof, vertrouwen of hoop op Hem en geen besef van Zijn tegenwoordigheid. Het is geen ontzag hebben voor Zijn ontzagwekkende Majesteit, geen verlangen naar Hem of neiging tot Hem, geen beven voor Zijn woord, geen smachten naar Zijn genade en geen zorg of bekommernis om Zijn eer.

Dood zijn in de zonde is als een beest voor Hem staan. Zo iemand is als een redeloos dier dat er alleen op uit is de begeerten van de lust of de opwellingen van louter dierlijke hartstocht te bevredigen, zonder enige gedachte of zorg voor de afloop. Hij is erop gebrand elk zelfzuchtig plan in daden om te zetten, alsof we . . . onze eigen scheppers waren, onze eigen rechter, onze eigen heer en onze eigen God.

O, wat een vreselijke toestand is het zo dood te zijn in de zonde en dat niet te weten en niet te voelen! Men is zich in geen enkel opzicht bewust van het gevaar waarin men nu verkeert en van het zekere einde, tenzij men er door een machtige daad van soevereine kracht uit verlost wordt!

Juist dit gebrek aan alle besef en gevoel maakt de dood van de ziel tot niet meer dan het voorspel van die tweede dood die zich uitstrekt door een grenzeloze eeuwigheid.

Voortdurende verlossing?

Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden. (Psalm 119:146)

Als u zelf van binnen en uit eigen bevinding iets kent van . . . het kwaad van uw hart en de macht van de zonde, van de kracht van de verzoeking en de sluwheid van uw onvermoeide vijand, kent u ook die dagelijkse strijd tussen natuur en genade, tussen vlees en geest. Die strijd is het eigen kenmerk van het levende gezin van de hemel. Dan zult u uw behoefte aan verlossing als een dagelijkse werkelijkheid vinden en voelen. Er is een tegenwoordige verlossing: een innerlijke, bevindelijke en voortdurende verlossing die uit de volheid van Christus als opgestane Middelaar wordt meegedeeld.

U moet dagelijks en bijna elk uur gered worden van . . . de schuld, de smet, de macht, de liefde en de praktijk van de inwonende zonde.

Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden. (Psalm 119:146)

De noodlottige vergissing van duizenden

De noodlottige vergissing van duizenden is dat ze God de vruchten van het vlees aanbieden in plaats van de vruchten van de Geest.

Vleselijke heiligheid, vleselijke inspanningen, vleselijke gebeden, vleselijke plichten, vleselijke godsdienstige vormen en vleselijke ijver: dat noemen mensen goede werken en zo bieden ze die God aan.

Maar met recht kan Hij Die te rein van ogen is om het kwade te zien en de ongerechtigheid niet kan aanschouwen, tegen al zulke vleselijke werkers zeggen: Als u wat blinds aanbrengt om te offeren, is dat dan niet kwaad? En als u wat kreupels of wat kranks aanbrengt, is dat dan niet kwaad?

Alles wat het vlees kan doen is kwaad, want over de mens staat geschreven dat al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. En de vruchten van dit vuile hart aan de Heere van de heirscharen aanbieden is het brengen van verontreinigd brood op Zijn altaar.

Een verbroken hart, een verslagen geest en een tedere consciëntie horen bij de vruchten van de Geest, evenals een kinderlijke vrees voor God. Zo ook een verlangen om Hem te behagen en een schrik om de grote God van de hemel te beledigen. Ook een besef van het kwaad van de zonde en het verlangen om van haar heerschappij verlost te worden. Verder rouw over onze herhaalde afvalligheden en droefheid omdat we zo vaak verstrikt raken in onze lusten en hartstochten. Dan kennis van onze hulpeloosheid en zwakheid, eenvoud en godzalige oprechtheid en een hangen aan de genade voor de dagelijkse voorziening. Ten slotte het letten op de hand van de voorzienigheid en een enkelvoudig oog op de eer van God. Dit zijn enkele van de vruchten van de Geest.

Het grote geheim van de levende godzaligheid

Het grote geheim van de levende godzaligheid is niets te zijn, opdat Christus alles en in allen zij.

Elke ontbloting, uitzifting en ontlediging, elke beproeving, oefening en verzoeking waar de ziel doorheen gaat, heeft maar één doel: uit het hart van de mens die vervloekte geest van onafhankelijkheid slaan die de duivel hem inblies toen hij zei: gij zult als God wezen.

Een mens moet bijna doodbloeden voordat dit gif uit zijn aderen is weggetapt!

De vuile holen en poelen waarin ze zich wentelt

In de eerste ontwakingen van de ziel weten we meestal niet veel van onze gevallen, zondige natuur en voelen we er ook niet veel van. We voelen meer de schuld van bedreven zonde dan van inwonende zonde.

De ZONDE lijkt soms te slapen en dan weer met nieuwe kracht te ontwaken. Haar aard is bedrijvig, prikkelbaar, ongeduldig en rusteloos. Ze neemt vele gedaanten en kleuren aan, wentelt zich in vuile holen en poelen en kruipt in alle hoeken. Haar bedrog, huichelarij en sluwheid, haar misleidende aantrekkingskracht en haar diepe zelfzucht, haar volslagen roekeloosheid, haar wanhopige waanzin en onverzadigbare hebzucht zijn geheimen. Het zijn pijnlijke geheimen die alleen door bittere ervaring worden geleerd.

Als de duivel ooit vreugde voelt

Als de duivel ooit vreugde voelt, dan is het in het ellendig maken van zielen.

Het geschreeuw van de verdoemden is zijn muziek.

Hun vloeken en lasteringen zijn zijn zegezangen. Hun angst en wanhoop zijn zijn ellendige feestmaal.

Vrees niet.

Zegt den onbedachtzamen van harte: Weest sterk, en vreest niet; ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods. Hij zal komen en ulieden verlossen. (Jesaja 35:4)

“Vrees niet.” “Ach, maar Heere”, zegt de ziel, “ik vrees wél. Ik vrees mezelf meer dan wie ook. Ik vrees . . . mijn lage, goddeloze hart, mijn sterke lusten en hartstochten, mijn talrijke innerlijke vijanden, de strikken van Satan en de verzoekingen van de wereld. Ik vrees wél. Ik kan niet anders dan vrezen.”

Toch zegt de Heere: “Vrees niet.”

Hier is een kind dat beeft voor een grote mastiff, maar de vader zegt: “Vrees niet, hij zal je geen kwaad doen, blijf maar dicht bij mij.”

Wie is die hond anders dan Satan, die enorme mastiff, wiens kaken van het bloed druipen? Als de Heere zegt: “Vrees niet”, waarom zouden wij hem dan vrezen? Hij is een geketende vijand.

Maar wat heeft de bevreesde ziel dat goddelijke “Vrees niet” nodig! Want zonder Hem is ze louter zwakheid en met Hem louter kracht. Zonder Hem is ze louter beven en met Hem louter vrijmoedigheid.

Zegt den onbedachtzamen van harte: Weest sterk, en vreest niet; ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods. Hij zal komen en ulieden verlossen. (Jesaja 35:4)

De begeerte van onze ziel

tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel (Jesaja 26:8)

Hoe zoet en veelzeggend is de uitdrukking de begeerte onzer ziel! Hoe lijkt ze onze gevoelens met zich mee te dragen! Hoe lijkt ze het smachten en de uitingen te beschrijven van een ziel in wie God de geest van genade en barmhartigheid heeft geblazen!

In de begeerte onzer ziel klinkt de ademtocht van ons hart, het verlangen van ons diepste wezen, de roep, de zucht en het hijgen van onze nieuwe natuur. Het zijn het zwoegen en snakken, het uitzien en smachten, het hijgen, hongeren en dorsten en het uiten van de nieuwe mens van genade. Dit alles wordt uitgedrukt in die zoete en gezegende woorden: de begeerte onzer ziel.

Wat een barmhartigheid dat er ooit in ons de begeerte van een levende ziel mag zijn! Gods rechtvaardige handelingen zijn pijnlijk en streng en gaan tegen alles in wat de natuur liefheeft. Toch wordt daarbij die barmhartigheid, liefde en genade in het hart gedropen die de begeerte van de ziel uitlokken naar de Naam van God.

Dit wordt uitgedrukt in de woorden die volgen: Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken (Jesaja 26:9).

Verlangt uw ziel naar de Heere Jezus Christus?

Hijgt ze ooit in de nacht naar de openbaring van Zijn tegenwoordigheid? Hongert en dorst ze naar het druppelen van een woord van Zijn lippen, een zoete fluistering van Zijn liefde tot uw ziel?

Dit zijn kenmerken van zaligmakende genade. De vleselijken, de onwedergeborenen en de goddelozen hebben zulke verlangens en gevoelens niet!

O, eigen ik! Eigen ik!

O, bewaard te worden voor mezelf, voor mijn . . . laaghartige en trotse, wellustige en huichelachtige, werelds gezinde en hebzuchtige, aanmatigende en obscene ik.

O, eigen ik! Eigen ik! Uw wanhopige goddeloosheid, uw verdorvenheid en uw liefde voor de zonde! Uw weerzinwekkende smetten en uw monsterlijke hartsboosheid! Uw ellendige doodheid, hardheid, blindheid en onverschilligheid. U bent een verraderlijke schurk en zult dat, vrees ik, altijd blijven!

Wat is al het vergulde speelgoed van de tijd?

Wat is al het vergulde speelgoed van de tijd vergeleken met de plechtige, gewichtige werkelijkheden van de eeuwigheid!

Maar ach, wat zijn we ellendelingen als we overgelaten worden aan . . . zonde, het eigen ik en Satan!

Wat zijn we onmachtig om de zwakste adem van de verzoeking te weerstaan!

Wat zijn we toegelegd op afval!

Wie kan de diepten van het menselijk hart peilen?

O, wat anders dan genade, overvloedige genade, past bij zulke ellendelingen en kan hen redden?

Dat dierbare, afgodisch geliefde schepsel

Ik ben met Christus gekruist; en ik leef (Galaten 2:20)

De kruisiging van het eigen ik is onmisbaar om Christus te volgen.

Wat is een mens zo dierbaar als hijzelf?

Toch moet dit beminde eigen ik gekruisigd worden.

Of het nu het trotse ik is of het ambitieuze, het zelfzuchtige of het hebzuchtige of, wat nog moeilijker is, het religieuze ik: het is een dierbaar, afgodisch geliefd schepsel. Er is zoveel . . . gestreel, gekoester, verwennerij en verzorging aan besteed. Dit innig beminde ik moet door Gods hand uit onze boezem worden genomen en aan het kruis van Christus worden genageld! Dezelfde genade die de zonde vergeeft, bedwingt haar ook!

Met Christus gekruisigd worden! Alles wat het vlees liefheeft en afgodisch vereert gedood zien worden! Hoe kan een mens zo’n proces overleven?

Toch geldt: ik leef!

Naarmate de wereld, de zonde en het eigen ik worden gekruisigd, bedwongen en onderworpen door de kracht van het kruis, ontspringt het leven van God met nieuwe kracht in de ziel.

Hier is dus het grote geheim van de levende godzaligheid: hoe meer de zonde, het eigen ik en de wereld gedood worden, des te meer komen heiligheid en geestelijkheid van gezindheid, hemelse genegenheden en genadige verlangens in de ziel op en bloeien ze.

O, gezegende dood! O, nog gezegender leven!

Ik ben met Christus gekruist; en ik leef (Galaten 2:20)

Ongeblust, onblusbaar!

Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken (Hooglied 8:7)

De bruid gebruikt een beeld om de onoverwinnelijke sterkte van de goddelijke liefde tegen alle tegenstand uit te drukken. Ze vergelijkt haar daarom met een vuur dat brandt en blijft branden, ongeblust en onblusbaar, hoeveel water er ook overheen wordt gegoten. Zo drukt het beeld de vlam van de heilige liefde uit die in het hart van de Verlosser brandde en door geen tegenstand tegen haar kon worden geblust.

Hoe snel koelt aardse liefde af door tegenstand! Een beetje ondankbaarheid, een paar harde woorden, koele woorden of zelfs koele blikken lijken vaak bijna genoeg om een liefde te doven die eens warm en helder scheen. En hoe vaak lijkt ze, zelfs zonder dat dit koude water erover wordt geworpen, bijna uit zichzelf uit te doven.

Maar de liefde van Christus was door al die wateren niet te blussen. Alle ondankbaarheid, ongeloof of koelheid van Zijn volk kon Zijn eeuwige liefde tot hen niet doven!

Hij wist wat de gemeente in zichzelf was en altijd zou zijn . . . hoe koel en dwalend haar genegenheden, hoe zwervend haar verlangens en hoe afvallig haar hart!

Maar al die wateren konden Zijn liefde niet uitdoven!

Ze brandde nog steeds als een heilige vlam in Zijn boezem, ongeblust en onblusbaar!

Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken (Hooglied 8:7)

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!