Meditations on Ephesians 1 and 2 — Part 3
Wat God doet, doet Hij tot Zijn eigen eer. Al Zijn wonderen in de schepping, al Zijn handelen in de voorzienigheid en al Zijn werk in de genade hebben dit doel: dat Zijn grote naam wordt groot gemaakt en Zijn heerlijkheid zichtbaar wordt geopenbaard. Als er geen schepping, geen voorzienigheid en geen genade zou zijn, zou God nog steeds dezelfde zijn. Aan Zijn geluk zou niets ontbreken en niets aan Zijn eeuwige en oneindige volmaaktheden.
We kunnen ons daarom in gedachten terugwenden naar dat tijdstip in de eeuwigheid waarop er nog geen schepping was: Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld (Spreuken 8:26). En we kunnen onze ogen evenzo richten op het ogenblik waarop Hij de grondslagen van de aarde legde: Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten (Job 38:4; Job 38:7).
Maar de schepping met al haar wonderen voegde niets toe aan de heerlijkheid van God. Ze werd wel een uitgestrekt schouwtoneel voor het zichtbare vertoon ervan aan miljoenen engelachtige en menselijke verstanden. Maar de wijsheid en de macht van God zouden dezelfde zijn geweest als Hij nooit had gezegd: Daar zij licht! en daar werd licht. Ook als Hij de mens niet naar Zijn beeld en naar Zijn eigen gelijkenis had gemaakt.
Maar het was Zijn heilige wil dat er een zichtbare openbaring van Zijn heerlijkheid zou zijn. Met andere woorden: dat er een vertoon zou zijn van Zijn wijsheid en macht en van elke andere eigenschap van Zijn goddelijk karakter die eeuwige lof en eer aan Zijn naam zou brengen. Daaruit komen Zijn oorspronkelijke wonderen in de schepping voort. Daaruit komen ook Zijn dagelijkse daden in de voorzienigheid voort, als Hij Zijn hand opent en de begeerte van al wat leeft verzadigt.
Hoe mooi wordt dit alles ontvouwd door de psalmist: Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen. Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote. Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen. Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd. Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd (Psalm 104:24-28).
En waarom dit vertoon van Zijn macht? De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken (Psalm 104:31). Maar we hoeven niet stil te staan bij de heerlijkheid van God zoals die zo zichtbaar wordt geopenbaard in de schepping en de voorzienigheid. Het punt dat ons meer direct aangaat, omdat het samenhangt met onze huidige uitleg, is de openbaring van deze heerlijkheid op een bijzondere wijze van genade: Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade. Op dit punt hernemen we dus onze uitleg van het hoofdstuk dat voor ons ligt: Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde (Efeze 1:6).
We hebben aangetoond dat het welbehagen van Zijn wil de drijvende oorzaak was waarom Hij de gemeente in Christus vóór de grondlegging van de wereld koos en haar zegende met alle geestelijke zegeningen in Hem. Zoals we dus „het welbehagen van Zijn wil” de drijvende oorzaak van Zijn keuze mogen noemen, zo mogen we „de prijs van Zijn heerlijkheid” het uiteindelijke doel ervan noemen. De apostel drukt dit uit in de woorden die nu voor ons liggen: Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade. Laten we dit diepe en gezegende onderwerp een weinig onderzoeken.
We zijn gewoonlijk zo in beslag genomen door de genade te zien als passend voor onszelf dat we haar licht vergeten of over het hoofd zien als verheerlijkend voor God. Het is in de beginjaren ook nauwelijks te verwachten dat we onszelf uit het oog verliezen. Onze eigen ellendige staat als zondaars voor God wordt ons immers voortdurend opgedrongen en zo diep en voelbaar op ons geweten gedrukt. En het lijkt de wil van God te zijn dat we in de praktijk en bevindelijk leren hoe nodig we de genade hebben als passend voor onszelf. Pas daarna rijzen we op tot een hogere kennis van de genade als verheerlijkend voor Hem.
Daarom laat Hij ons de last van onze zonden voelen, de heiligheid en rechtvaardigheid van God en wat wij als overtreders van Zijn hand verdienen. Dit is een zicht op de heerlijkheid van God in de wet, als weerspiegeling van Zijn gerechtigheid. Maar het is geen zicht op Hem in het evangelie, als weerspiegeling van Zijn genade. Toch is het nog altijd goddelijk onderwijs, want we lezen: Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet (Psalm 94:12).
Onder dit hemelse onderwijs, dat een besef van zonde en van Gods rechtvaardigheid in het straffen ervan voortbrengt, wordt alle hoop of hulp in onszelf afgesneden. Dan zinken we neer, lichaam en ziel, voor het aangezicht van de Almachtige. We kunnen nog net roepen: O God! wees mij zondaar genadig!
Nu bereidt dit zicht op de heerlijkheid van God in de wet ons voor op een zicht op Zijn heerlijkheid in het evangelie. En de kennis van de zonde door de bediening van veroordeling en dood maakt ons geschikt voor de kennis van het heil door de bediening van leven en gerechtigheid. Zo wordt de zaligheid uit genade aan de ogen van ons verlichte verstand in het woord geopenbaard en door de kracht van God inwendig aan de ziel. Wat is dan het melodieuze geluid zoet en passend als het zo zowel oren als hart bereikt.
Het is deze gezegende passendheid van Gods weg om zondaars uit genade te redden, als elke andere deur gesloten is en elke andere toevlucht is afgesneden. Zij maakt de zaligheid uit genade tot de zoetste tijding die ooit in de oren van een mens kan vallen! Ook vermindert een toenemende kennis van de genade, zowel in haar Bron als in haar stromen, haar passendheid of haar zoetheid niet. Nee, hoe dieper we worden geleid in de kennis van de verborgenheid van de goddeloosheid, hoe passender en kostbaarder de zaligheid uit genade wordt.
Zij opent immers voor ons geloof en onze hoop de enige ontkoming aan de toekomende toorn. En zij is het enige geneesmiddel dat we in hemel of op aarde kunnen zien of vinden voor de hele omvang van onze wanhopige toestand.
Naarmate dus het voordeel en de gezegendheid van de genade duidelijker en vollediger aan het licht komen en haar vrijheid, soevereiniteit en overvloed meer bevindelijk bekend worden, wordt zij warmer en liefdevoller omarmd. We kleven er nauwer aan en zien er vollediger en onvoorwaardelijker naar uit en hangen eraan als de enige hoop van onze beproefde, verzochte en vaak neergeslagen en moedeloze ziel.
Maar al die tijd hebben we misschien slechts zeer dof en schaars zicht op de grote en heerlijke waarheid die de apostel ons hier voorhoudt. Namelijk dat deze genade die zo passend voor ons is ook verheerlijkend is voor God. We lijken de gave meer lief te hebben en te bewonderen dan de heerlijkheid van de Gever! Onze eigen zaligheid door de volheid en vrijheid van Zijn genade was eerst onze voornaamste zorg. Zo lijkt ze daarna al te vaak onze voornaamste gedachte en ons voornaamste genot te blijven. Niet Zijn lof en heerlijkheid in het zo volkomen en vrij redden van ons.
Dit is zeker niet aan God de eer geven die Zijn naam toekomt. Het is niet Zijn wil tot onze wil maken en niet Zijn heerlijkheid tot de voornaamste vreugde van onze ziel. Zo schieten we tekort in wat het voornaamste verlangen van ons hart zou moeten zijn. En zoals we zo tekortschieten in het geven van de eer aan God, zo verliezen we evenredig veel van wat tot onze eigen troost en standvastigheid zou zijn. Dat zou zo zijn als we een helderder begrip en een blijvender besef hadden van het innige verband tussen de genade van God en de heerlijkheid van God.
Maar als we wat verder en helderder worden geleid in een levende, bevindelijke kennis van het grote geheim van de zaligheid door Christus, kunnen we met het oog van het geloof iets zien. Gods eigen heerlijkheid is veel dieper ermee gemoeid ons vrij en eeuwig door Zijn genade te redden dan wanneer het slechts uit een gevoel van medelijden en mededogen met ons als verloren, ondergane zondaars was. Dan krijgen we als het ware een nieuw zicht op wat genade is, als eeuwig wonend in de schoot van God. En we zien dat zij niet alleen is voor onze zaligheid maar ook tot lof van Zijn heerlijkheid.
Zo rijzen we uit onszelf op in de zuiverder en hogere atmosfeer van de heerlijkheid van God. Dan zien we dat dit zicht op de ware aard van de genade haar een diepere wortel en een vastere grondslag geeft. Het maakt haar tot een rijkere, overvloediger en altijd stromende bron van zaligheid en heiligmaking, van heiligheid en geluk. Dat zou niet zo zijn als zij slechts Gods vrije gunst aan verloren zondaars was waarin Zijn eigen heerlijkheid weinig aandeel had.
Nu zal altijd blijken dat een dof en gebrekkig zicht op deze heerlijkheid ons geestelijk oordeel zal schaden, ons geloof zal verzwakken, onze hoop zal benevelen en onze liefde zal verminderen. De heerlijkheid van God is immers het uiteindelijke doel van al Zijn gedachten en raadsbesluiten, woorden en werken. Altijd aan onszelf denken en nooit oog of hart opheffen om de heerlijkheid van God te zien in het aangezicht van Jezus Christus is een soort geestelijke zelfzucht. Net als morele zelfzucht benauwt en verkrampt zij het hart. En doordat zij de heerlijkheid van God buitensluit, kan men in zekere zin zeggen dat zij Hem Zelf buitensluit.
Maar we hoeven ons nauwelijks te verbazen dat zoveel leden van de levende familie van God zulke dofe en onvolkomen opvattingen hebben van de ware aard van de genade. Bedenk maar hoe gebrekkig de bediening van onze dagen op dit punt is. Er zijn, vergelijkenderwijs gesproken, maar weinigen die zaligheid uit genade überhaupt prediken. Maar zelfs van hen die haar prediken, lijken de meesten haar eerder voor te stellen als een geneesmiddel voor de val. Ze presenteren haar als een soort noodmiddel dat God uit medelijden bijna als een bijgedachte bedacht om de breuk te herstellen. Niet als een vrucht van Zijn eeuwige raad en welbehagen tot openbaring van Zijn eigen heerlijkheid.
Zij spreken goed over genade in tegenstelling tot werken. Velen van hen verkondigen helder en vrijmoedig dat de zaligheid van begin tot eind geheel uit genade is. Maar zij lijken niet te zien en te bewonderen hoe de heerlijkheid van God zo in het oog springend straalt in Zijn genade. Ze zien niet dat Hij de mens niet slechts redt omdat Hij met zijn toestand medelijden en mededogen heeft. Lang voordat de mens zondigde en viel, was het Zijn vaste wil dat de liefde van Zijn hart, de wijsheid van Zijn raad, de kracht van Zijn macht en de triomfen van Zijn genade Hem een opbrengst van eeuwige lof zouden brengen.
Dit nu moeten we door de kracht van het geloof proberen te verwerkelijken. Dan zullen we zien dat dit zicht op de genade, als we de uitdrukking mogen gebruiken, God in Zijn heerlijkheid vereenzelvigt met de genade in haar openbaring. Zo schaart het aan de zijde van de genade niet slechts de soevereine wil van God maar ook die heerlijkheid die het einddoel is van al Zijn werken. Zo is het, zoals de apostel hier verklaart, Tot prijs der heerlijkheid van Hem.
Dat Zijn heerlijkheid in het openbaren van Zijn gunst aan de arme, behoeftige mensenkinderen eeuwig zou worden geprezen, is het uiteindelijke doel van Gods raadsbesluiten geweest. Het zal het thema vormen van dankzegging en zegen van myriaden verloste zondaars gedurende miljoenen wentelende eeuwen. Daarin zal Hij eeuwig rusten en verzadigd zijn. En zoals alleen dit God zal bevredigen, zo zal het ook alleen de voorwerpen van Zijn liefde en de onderdanen van Zijn genade bevredigen.
En u, arme, behoeftige lezer, die vaak gedrukt en gebogen gaat onder het besef van uw zonden: hebt u niet soms gevoeld dat niemand God zo zou zegenen en prijzen als u, als u tot Zijn tegenwoordigheid werd toegelaten? Want van alle zondaars bent u naar uw gevoel de slechtste en verdorvenste geweest en bent u dat nog. En van alle uitzonderlijke, bijzondere en ingewikkelde gevallen lijkt het uwe soms het diepste en meest wanhopige. Welnu, dan zult u iets hebben om God voor te zegenen en te prijzen als u de hemel eindelijk bereikt. Om dat met een onsterfelijke tong te doen zal uw hoogste geluk zijn en ook tot Gods eigen eeuwige heerlijkheid.
Maar de apostel gaat nog verder om de aard en de triomfen van de soevereine genade te ontvouwen: door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde. Dat de genade die in het evangelie wordt geopenbaard geheel in Christus is, mag geen ogenblik uit het oog worden verloren. Daarom blijft de apostel het telkens opnieuw onder onze aandacht brengen, opdat we het niet onbewust uit het oog verliezen.
Het punt dat hier vooral wordt ontwikkeld is dus onze AANVAARDING. Aanvaard in den Geliefde. Het woord betekent letterlijk dat Hij ons „begenadigd” heeft of ons gunst heeft gegeven in den Geliefde, dat is natuurlijk in de geliefde Zoon van God. Het woord komt in het Nieuwe Testament maar op één andere plaats voor, namelijk Lukas 1:28, in de groet van Gabriël aan de maagd. Daar is het in de Engelse versie weergegeven met „U die zeer begunstigd bent” en in de kantlijn met „Genadig aangenomen” of „zeer begenadigd”. In de Statenvertaling staat daar: gij begenadigde.
Aanvaarding betekent dus verkeren in een staat van Gods gunst. En in den Geliefde geeft de reden van deze staat van gunst. Hij bestaat doordat we zo’n vereniging met Christus bezitten en zo met Hem zijn vereenzelvigd dat de Vader ons met dezelfde gunst bekijkt als Hem. Wat een licht werpt dit op de vereniging van de gemeente met Christus en de vrucht van die vereniging.
Hoe nauw, bijzonder en innig moet de vereniging van de gemeente met de Persoon van de Zoon van God zijn, als de Vader haar krachtens die vereniging liefheeft met dezelfde liefde en zich over haar verblijdt met hetzelfde behagen. En als Hij haar dezelfde gunst bewijst als Zijn eniggeboren Zoon. Deze vereniging met Christus is dus de enige grond van de aanvaarding van onze personen. Als zodanig is zij de eerste vrucht van onderscheidende genade. Totdat we zo persoonlijk waren aanvaard, kon er geen uitstroming zijn van de stromen van liefde en barmhartigheid. Enkele ervan hebben we al aangeroerd en andere hopen we spoedig na te sporen.
Eigenlijk mogen we zeggen dat het in de goddelijke liefde bijna net zo is als in de menselijke. Een vrouw moet persoonlijk aanvaardbaar zijn voor een man voordat de liefde zich op haar kan vestigen. Hij kan en moet haar liefhebben om de eigenschappen van haar geest. Maar het is voor het grootste deel haar persoon die zijn genegenheid het eerst vangt en bekoort. En als dit een vleselijke opvatting van de goddelijke liefde wordt gevonden, mogen we dan niet een beroep doen op dat gedeelte van het Boek waarin de hemelse liefde het hoofdonderwerp is?
Vinden we in dat verslag van de liefde van Christus en de gemeente de hemelse Bruidegom onachtzaam voor of ongevoelig voor de persoonlijke bekoringen van Zijn bruid?
Hoeveel van het goddelijke Lied wordt in beslag genomen door de wederzijdse bewondering van elkaars persoonlijke schoonheid. Hoe zien we als het ware de liefdevolle blikken van de Bruidegom en horen we Zijn liefdevolle tonen: Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van den berg Gileads afscheren. Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals (Hooglied 4:1; Hooglied 4:7; Hooglied 4:9).
Maar wat is al deze persoonlijke schoonheid die de hemelse Minnaar zo bewondert in de gemeente anders dan de weerspiegeling van Zijn eigen lieflijkheid in haar? Het is met haar zoals de Heere tot de gemeente van ouds zei: Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE (Ezechiël 16:14).
Wordt de gemeente dus gezien als één met Christus, de geliefde Zoon van God, dan zien we Zijn schoonheid en lieflijkheid op haar gelegd en in haar weerspiegeld. En de Vader die haar zo als één met Zijn dierbare Zoon ziet, beschouwt haar met hetzelfde behagen, dezelfde goedkeuring en dezelfde gunst waarmee Hij de Zoon van Zijn eeuwige liefde bekijkt. Onze Heere zei daarom van Zijn volk tot de Vader: en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt (Johannes 17:23).
Dit is dus in den Geliefde aanvaard worden. En deze aanvaarding van onze personen, zoals zij het eerste gevolg is van onze vereniging met Christus, is de bron van alle volgende daden van gunst. Een man kan nooit te veel doen voor de vrouw die hij liefheeft. Er staat dat Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven. Geen offer was te groot en geen lijden te zwaar om het niet voor haar te verdragen.
Uit liefde tot haar legde Hij Zijn heerlijkheid af en nam deel aan het vlees en bloed van de kinderen. Hij verborg Zijn aangezicht niet voor smaad en speeksel en onderging alle angst en schande van het kruis. Maar dit is een onderwerp waarover we niet hoeven uit te weiden, omdat het ons te ver zou voeren. Het volstaat te zeggen dat alle volgende gedachten, woorden en daden van liefde jegens de gemeente als het ware op dit fundament zijn gebouwd. De gemeente zegt: Toen was ik in Zijn ogen als een, die vrede vindt (Hooglied 8:10). Maar waarom? Omdat zij in den Geliefde aanvaard was.
Omdat dit een hoofdpunt is, niet alleen van de christelijke leer maar ook van de christelijke bevinding, hopen we dat u het ons vergeeft als we er wat langer bij stilstaan. We willen laten zien hoe het te maken heeft met het werk van de gezegende Geest aan het hart.
We zoeken altijd iets in ONSZELF om ons aanvaardbaar te maken voor God. En we raken vaak droevig terneergeslagen en ontmoedigd wanneer we die heiligheid niet kunnen vinden, die gehoorzaamheid, die kalme onderwerping aan de wil van God, die rust van ziel, die geestelijkheid en hemelse gezindheid. Wij geloven namelijk dat die in Zijn ogen aanvaardbaar zijn en ons ook aanvaardbaar maken.
Onze verkeerde buien, ons knorrige en gemelijke gemoed en onze opstandige gedachten. Onze koelheid, onvruchtbaarheid en dood. Onze vervreemding van het goede en onze halsstarrige neiging tot het kwade. En het dagelijkse gevoel dat we niet beter worden maar eerder slechter. Dit alles doet ons denken dat God ons ziet zoals wij onszelf zien. En dit brengt grote duisternis van gemoed en gebondenheid van geest. Zo verliezen we onze aanvaarding in Christus uit het oog en belanden we in de ellendige bezinksels van het eigen ik. We staan bijna klaar om met God te twisten omdat we zo slecht zijn en alleen maar slechter worden naarmate we ouder worden.
Hoe meer we in deze bezinksels van het eigen ik terechtkomen en hoe meer we blijven kijken naar de vreselijke taferelen van ondergang en ruïne die ons hart dagelijks voor ogen stelt, des te verder raken we van de genade van het evangelie. En des te meer verliezen we de enige grond van onze aanvaarding bij God uit het oog. Het is in den Geliefde dat we zijn aanvaard en niet om enige goede woorden of goede werken, goede gedachten, goede harten of goede bedoelingen van onszelf.
Niet dat de vruchten van godzaligheid in Gods ogen niet aangenaam zijn. Niet dat onze voortdurende zonden niet mishagen in Zijn ogen. Maar we moeten onderscheid maken tussen de aanvaarding van onze personen en de aanvaarding van onze werken. Dat is het onderscheid tussen wat we zijn als staande in Christus en wat we zijn als nog in het vlees.
Als onze aanvaarding bij God van iets in onszelf afhing, zouden we het Wesleyaanse credo moeten aannemen en geloven dat we vandaag kinderen van God kunnen zijn en morgen kinderen van de duivel! Wat een troost die leer ons zou geven, laten we aan onze bevochten lezers zelf ter beoordeling. Als die leer een bevochten ziel niet tot wanhoop zou drijven, weten wij niet wat hoop of wanhoop is.
Wat houdt ons dan tegen om niet geheel in wanhoop weg te zinken, zonder hoop of hulp? Wel, de kennis van onze aanvaarding in den Geliefde, onafhankelijk van alles in ons, goed of slecht.
Hier is een vast fundament voor ons geloof en onze hoop. En hoe stromen de Schriften als het ware van alle kanten hun bevestigende getuigenis toe: hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de HEERE. Maar in den HEERE zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad van Israel. En gij zijt in Hem volmaakt. door Dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt. Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing. Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks. Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.
Wat een algemeen koor van harmonieuze stemmen horen we, die allemaal dezelfde melodieuze tonen laten klinken dat de gemeente voor God staat aanvaard in den Geliefde.
Efeze 1:7. Maar we hoeven hierover niet verder uit te weiden, zeker omdat we nog andere kostbare waarheden in reserve hebben. We gaan dus door naar het volgende vers: In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade.
Er zal misschien worden opgemerkt dat we nu komen bij een geestelijke zegen die verband houdt met de val en ervan afhangt. De zegeningen die we tot hiertoe hebben overwogen kunnen we beschouwen als voorafgaand aan de val van de mens en daarom er los van. Uitverkiezing in Christus vóór de grondlegging van de wereld, een staat van volmaakte heiligheid en onberispelijkheid voor God, voorbestemming tot de aanneming tot kinderen voor Zichzelf en aanvaarding in den Geliefde. Deze vier uitgelezen zegeningen staan los van het binnenkomen van de zonde in de wereld en van de dood door de zonde.
En let erop hoe zij, als voorafgaand aan en los van de val, de gemeente een staan in Christus gaven dat haar behoedde voor een persoonlijke schipbreuk en ondergang door de val. We zeggen „persoonlijk”, dat wil zeggen wat haar persoon betreft. Wat haar staat betreft viel zij immers in Adam, want zij was in zijn lendenen toen hij de eerste overtreding beging.
Een beeld kan ons hier helpen. Een koning laat zijn zoon trouwen met een zuivere, kuise bruid en geeft haar een goede bruidsschat. Nu zou zij door zeerovers kunnen worden weggevoerd, in slavernij weggesleept en tot een staat van grote armoede en ellende gebracht. Toch blijft zij bij dit alles de dochter van de koning en de vrouw van de zoon. En als haar man haar achterna zou gaan en elk soort gevaar en ontbering zou doorstaan om haar te vinden en terug te brengen, zou dit haar niet méér zijn vrouw maken dan zij tevoren was.
Wat maakte de gemeente tot de bruid van Gods dierbare Zoon? U kunt zeker niet zeggen dat de verlossing haar dat maakte. Evenmin als het gered worden uit de handen van de zeerovers, in ons beeld, de bevrijde gevangene tot de vrouw van de koningszoon maakte. We zien dus dat de gemeente een staan in Christus had als Zijn uitverkoren bruid voordat zij in Adam viel. En zo werden de zegeningen die we hebben genoemd en in onze uitleg hebben doorgenomen haar gegeven voorafgaand aan en los van de val.
We zeggen niet dat de val niet werd voorzien en daarin niet vooraf werd voorzien. We zeggen niet dat in het eeuwige verbond, in alles wel geordend en zeker, geen rekening ermee werd gehouden. Waar we alleen voor pleiten, is dat de keuze van de gemeente in Christus, haar vereniging met Hem als Zijn bruid en haar aanvaarding in Hem als de geliefde Zoon van de Vader zegeningen waren voorafgaand aan en los van de val van Adam.
Maar ook al is het niet ons doel te twisten of haarkloverij te bedrijven in de godgeleerdheid, het is naar ons oordeel een gezegend deel van de geopenbaarde waarheid. Daarom sluiten we dit artikel af met een uittreksel van Goodwin, die naar ons oordeel van alle auteurs die we ooit hebben gelezen hierover het duidelijkst en mooist heeft geschreven:
In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade (Efeze 1:7)
„Ik sta hier bij Efeze 1:7 tussen twee van de grootste, hoe zal ik ze noemen, hoogten of diepten van Gods wijsheid en genade jegens ons. Zoals die engel in Openbaring één voet op de aarde had en de andere op de zee, zo sta ik met één voet op de zegeningen die ons van eeuwigheid zijn verordend en voor ons bedoeld zijn wanneer we in de hemel komen.
Met de andere sta ik op de zegeningen die ons hier in deze wereld bedoeld zijn. Het zijn beide twee onmetelijke onderwerpen en daarom geeft u mij verlof er wat uitvoeriger over te zijn dan gewoonlijk. Want van alle verborgenheden van het evangelie, sinds ik het ken, heeft deze mijn gedachten het meest verslonden.
„Twee dingen zal ik opmerken over deze twee soorten van besluiten en zegeningen. Ten eerste zal ik u laten zien hoe deze zegeningen verschillen, zoals ik u eerder liet zien wat zij onderling gemeen hebben. Ten tweede zal ik u een glimp laten zien van die oneindig heerlijke harmonie tussen deze twee bedenksels en van de wijsheid van God die in beide straalt. De grootte van het punt verdient dit.
„Wat het Eerste betreft. Hoe deze zegeningen VERSCHILLEN.
„Ten eerste. De eerste soort zegeningen, volmaakte heiligheid, aanneming enzovoort, werd ons verordend zonder de overweging van de val, hoewel niet vóór de overweging van de val. Want alle dingen die God besluit, zijn tegelijk in Zijn gedachten. Ze werden allen, de een zowel als de ander, voor onze personen verordend. Maar in de besluiten over deze eerste soort zegeningen zag God ons als creabiles, als schepselen die Hij zo en zo heerlijk kon en wilde maken. God kan immers het onderwerp en zijn uiterste welzijn gemakkelijk tegelijk verordenen.
En dit kon wel het eerste denkbeeld zijn dat Hij zich in Zijn voornemens van ons vormde. Zo volmaakt is Gods verstand dat Hij bij het begin al let op de volmaaktheid en het einde van Zijn werk.
Maar de tweede soort zegeningen werd ons verordend alleen met het oog op de val en voor onze personen als zondaars en ongelovigen. De eerste soort was tot lof van Gods genade, genade genomen als de vrijheid van de liefde. De laatste soort daarentegen is tot prijs der heerlijkheid Zijner genade. Ze gaat gepaard met een verhoogde dierbaarheid van Zijn genade in groter mate, tot een verdere heerlijkheid van Zijn genade en een toelichting ervan, waarbij genade wordt genomen als vrije barmhartigheid.
„Ten tweede. Die eerste soort zegeningen is verordend om hun volle en volledige vervulling te hebben en plaats te vinden in die andere wereld. Ze zijn afgestemd op die staat waarin we dan zullen worden geïnstalleerd. En zoals ze in Gods eerste bedoeling vóór de andere komen en daarom voor de grondlegging der wereld heten te zijn (Efeze 1:4), zo zullen ze plaatsvinden nadat deze wereld is geëindigd, omdat ze het middelpunt zijn van al Gods gedachten jegens ons.
Dan zullen we zo heilig zijn dat Satan zelf geen grond zal vinden om ons te hekelen. Dan zullen we de aanneming tot kinderen ontvangen. En hoewel we nu de zonen van God zijn, zal het dan aan ons en aan de hele wereld blijken door die oneindige heerlijkheid die God dan op ons zal leggen. Maar die tweede soort zegeningen werd verordend voor ons onderhoud in deze wereld. Ze zijn afgestemd op die staat die we zullen doorlopen tot de dag van het oordeel.
„Ten derde. De eerste soort is alleen gegrond op onze betrekking tot de Persoon van Christus, zoals blijkt uit alle drie de genoemde (Efeze 1:4-6): in Hem uitverkoren en daarom heilig. Want zoals Hij, de Zoon van God zijnde, heilig moest zijn (Lukas 1:35): daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden, zo zijn ook wij heilig, omdat we leden van Hem zijn. En zoals dit waar is van de heiligheid, is het van de andere twee duidelijker.
Maar deze tweede soort is alleen gegrond op de verdiensten van Christus: zoals verlossing door Zijn bloed, en zo vergeving, bekering enzovoort. Kortom, deze laatste zegeningen zijn slechts het wegnemen van die hindernissen die ons door de zonde in de weg stonden naar die bedoelde heerlijkheid. In de volheid van de tijd heeft God Zijn Zoon gezonden om hen te verlossen die onder de wet waren, opdat zij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen (Galaten 4:5).”
Uit: Dr. Goodwin, Werken, deel 1, blz. 117.
What God does he does for his own glory. All his wonders in creation—all his dealings in providence—all his actions in grace are for this end—that his great name might be magnified, and his glory be visibly manifested. Were there, indeed, no creation, no providence, no grace, God would still be the same; nothing would be lacking to his happiness, nothing lacking to his eternal and infinite perfections. We can, therefore, in imagination, look back to that period in eternity when there was no creation, when “as yet he had not made the earth, nor the fields, nor the highest part of the dust of the world;” (Prov. 8:26;) and we can similarly fix our eyes on that moment when “he laid the foundations of the earth, when the morning stars sang together, and all the sons of God shouted for joy.” (Job 38:4, 7.) But creation, with all its wonders, added nothing to the glory of God. It became, indeed, a vast theater for its visible display to millions of angelic and human intelligences; but the wisdom and power of God would have been the same had he never said, “Let there be light, and there was light,” or made man in his own image, after his own likeness. But it was his holy will that there should be a visible manifestation of his glory; in other words, that there should be a display of his wisdom and power, and of every other such attribute of his divine character, as should bring eternal praise and honor to his name. Thence his original wonders in creation, thence his daily acts in providence, in opening his hand and satisfying the desire of every living thing.
How beautifully is all this unfolded by the psalmist—“O Lord, what a variety of things you have made! In wisdom you have made them all. The earth is full of your creatures. Here is the ocean, vast and wide, teeming with life of every kind, both great and small. See the ships sailing along, and Leviathan, which you made to play in the sea. Every one of these depends on you to give them their food as they need it. When you supply it, they gather it. You open your hand to feed them, and they are satisfied.” (Psalm 104:24-28.) And why this display of his power? “The glory of the Lord shall endure forever; the Lord shall rejoice in his works.” (Psalm 104:31.)
But we need not dwell on the glory of God as thus visibly manifested in creation and in providence. The point which more immediately concerns us, as being connected with our present exposition, is the manifestation of this glory in a special way of grace—“To the praise of the glory of his grace.” At this point, therefore, we resume our exposition of the chapter before us. “To the praise of the glory of his grace, wherein he has made us accepted in the Beloved.” (Eph. 1:6.)
We have showed that “the good pleasure of God’s will” was the moving cause of his choosing the Church in Christ before the foundation of the world, and blessing her with all spiritual blessings in him. As, then, we may call “the good pleasure of his will” the moving cause of his choice, so we may term “the praise of his glory” its ultimate end. This is expressed by the Apostle in the words now before us, “To the praise of the glory of his grace.” Let us look a little, then, into this deep and blessed subject.
We are usually so much taken up with looking at grace as suitable to ourselves, that we are apt to forget or overlook it as glorifying to God. It is, indeed, hardly to be expected that, in early days, we should lose sight of ourselves, when our own miserable condition as sinners before God is forced so continually on our thoughts, and so deeply and sensibly impressed upon our consciences. And it seems to be the will of God that we should practically and experimentally learn our need of grace as suitable to ourselves, before we rise up into a higher knowledge of grace as glorifying to him. It is for this reason that we are made to feel the burden of our sins, the holiness and justice of God, and what we deserve at his hands as transgressors. This is a view of the glory of God in the law, as reflecting his justice; but not a view of him in the gospel, as reflecting his grace. But it is still divine teaching, for we read—“Blessed is the man whom you chasten, O Lord, and teach him out of your law.” (Psalm 94:12.) Under, then, this heavenly teaching, producing a sense of sin and of the justice of God in punishing it, all hope or help in self is cut off, and down we sink, body and soul, before the face of the Almighty, just able to cry, “God be merciful to me a sinner!”
Now this view of the glory of God in the law prepares us for a view of his glory in the gospel; and a knowledge of sin by the ministration of condemnation and death fits us for a knowledge of salvation by the ministration of life and righteousness. As, then, salvation by grace is manifested to the eyes of our enlightened understanding in the word, and is inwardly revealed by the power of God to the soul—how sweet and suitable is the melodious sound, as it thus reaches both ears and heart. It is this blessed suitability of God’s way of saving sinners by grace, when every other door is shut and every other refuge cut off—which makes salvation by grace the sweetest tidings which can ever fall on the ears of man! Nor does an increasing knowledge of grace, both in its Fountain and in its streams, lessen either its suitability or its sweetness. No, the more deeply that we are led into a knowledge of the mystery of ungodliness—the more suitable and precious does salvation by grace become—as opening to our faith and hope the only escape from the wrath to come, and the only remedy that we can see or find, in heaven or earth, to meet the whole extent of our desperate case.
As, then, the benefit and blessedness of grace become more clearly and fully manifested—and its freeness, sovereignty, and super-aboundings are made more experimentally known—it is more warmly and lovingly embraced, more closely cleaved unto, more fully and unreservedly looked to and hung upon—as the only hope of our tried and tempted, and often cast down and dejected soul.
But during all this time we may have but very dim and scanty views of the grand and glorious truth here presented to us by the Apostle—that this grace, which is so suitable to us—is also glorifying to God. We seem to love and admire the gift more than the glory of the Giver! Our own salvation by the fullness and freeness of his grace—not his praise and glory in thus fully and freely saving us—as it was at first our chief concern, so it seems to form too often afterwards our chief thought and pleasure. Now this is surely not rendering to God the glory due to his name. It is not making his will our will, nor his glory the chief joy of our soul; and we thus fall short of what should be the main desire of our hearts. And as we thus fail in rendering to God the glory due to his name, so we proportionately lose much of what would be for our own comfort and stability, had we a clearer apprehension and a more abiding sense of the intimate connection between the grace of God end the glory of God.
But when we are somewhat farther and more clearly led into a vital, experimental knowledge of the great mystery of salvation by Christ, and can see by the eye of faith that God’s own glory is far more deeply interested in saving us freely and eternally by his grace—than if it were merely from a feeling of pity and compassion to us as lost, undone sinners—then we seem to get a new view of what grace is, as dwelling eternally in the bosom of God, and see that it is not only for our salvation—but to the praise of his glory. As, then, we thus rise out of self into the purer and higher atmosphere of the glory of God, we see that this view of the true nature of grace gives it a deeper root, a firmer foundation, and makes it a more rich, copious, and ever-flowing spring of salvation and sanctification, of holiness and happiness, than were it merely God’s free favor to undone sinners, in which his own glory had little share.
Now it will ever be found that as the glory of God is the ultimate end of all his thoughts and counsels, words and works—so a dim and defective view of this glory will impair our spiritual judgment, weaken our faith, becloud our hope, and diminish our love. To be always thinking of ourselves, and never lift up eye or heart to see the glory of God in the face of Jesus Christ, is a kind of spiritual selfishness, which, like moral selfishness, cramps and contracts the heart, and, by shutting out the glory of God, may, in a sense, be said to shut out himself.
But we need hardly wonder that so many of the living family of God have such dim and imperfect views of the real nature of grace, when we think how deficient in this point is the ministry of the day. There are but few, speaking comparatively, who preach salvation by grace at all; but even of those who do preach it, most seem to represent it rather as a remedy for the fall, a kind of expedient which God, moved with compassion, devised, almost as an after-thought, to repair the breach—than as a fruit of his eternal counsel and good pleasure for the manifestation of his own glory. They speak well of grace as opposed to works; and they proclaim, at least many of them, clearly and boldly, that salvation is all of grace from first to last. But they do not seem to see and admire how the glory of God shines forth with such conspicuous luster in his grace, and that he saves man, not merely as touched with pity and compassion for his case, but that, long before man sinned and fell, it was his determinate will that the love of his heart, the wisdom of his counsels, the power of his might, and the triumphs of his grace should bring to himself a revenue of eternal praise.
This, then, is what we should seek to realize by the power of faith, and we shall then see that this view of grace identifies, if we may use the expression—God in his glory with grace in its manifestation—and that it arrays, therefore, on the side of grace, not merely the sovereign will of God, but that glory which is the end of all his works. Thus it is, as the Apostle here declares, “to the praise of his glory.” That his glory in manifesting his favor to the poor, needy children of men should be eternally praised, and form the theme of thanksgiving and blessing of myriads of redeemed sinners through millions of revolving ages, as it was the ultimate end of God’s counsels, so in it will he eternally rest and be satisfied. And as this alone will satisfy God—so it alone will satisfy the objects of his love and the subjects of his grace.
And you, poor needy reader, who are often pressed and bowed down with a sense of your sins, have you not sometimes felt that none would so bless and praise God as you, if admitted to his presence—for of all sinners you have been and are in your feelings the vilest and worst, and of all extreme, peculiar, and complicated cases—yours seems to be at times the most deep and desperate? Well, then, you will have something to bless and praise God for, should you reach heaven at last—and to do this with an immortal tongue, as it will be your highest happiness, so it will be to God’s own eternal glory.
But the Apostle goes on still further to unfold the nature and the triumphs of sovereign grace—“Wherein he has made us accepted in the Beloved.” That the grace revealed in the gospel is wholly in Christ must never for one moment be lost sight of. This is the reason why the Apostle keeps pressing it again and again on our attention, lest we should unawares lose sight of it.
The point, then, here chiefly developed is our ACCEPTANCE. “Accepted in the Beloved.” The word means literally “graced” us, or given us favor, “in the Beloved,” that is, of course, the beloved Son of God. The word occurs only in another place in the New Testament, that is, Luke 1:28, in the salutation of Gabriel to the Virgin, where it is rendered in our version, “You that are highly favored,” and in the margin, “Graciously accepted,” or “much graced.”
Acceptance, then, means being in a state of favor of God; and “acceptance in the Beloved” gives us the reason of this state of favor, that it is in consequence of possessing such a union with Christ, and of being so identified with him, as to be viewed with the same favor as he is by the Father. What a light this throws upon the union of the Church with Christ and the fruit of this union. How close, peculiar, and intimate must be the union of the Church with the Person of the Son of God, if by virtue of it the Father loves her with the same love, rejoices over her with the same delight, and bears toward her the same favor as he does to his only-begotten Son. This union with Christ is, then, the only ground of the acceptance of our persons; and, as such, is the first fruit of distinguishing grace. Until we were thus personally accepted, there could be no flowing forth of the streams of love and mercy, some of which we have already touched upon, and others which we hope soon to trace.
Indeed, we may say that it is almost in divine as in human love. A woman must be personally acceptable to a man before love can fix itself upon her. He may and should love her for the qualities of her mind; but it is her person, for the most part, which first catches and entangles his affections. And if this be thought a carnal view of divine love, may we not appeal to that portion of the Book of which heavenly love forms the chief subject? In that record of the loves of Christ and the Church do we find the heavenly Bridegroom unmindful of, or insensible to the personal charms of his bride? How much of the divine Song is taken up with the mutual admiration of each other’s personal beauty. How we seem to see the Bridegroom’s loving looks and hear his loving tones—“Behold, you are fair, my love; behold, you are fair; you have doves’ eyes within your locks; your hair is as a flock of goats, that appear from Mount Gilead.” “You are all fair, my love; there is no spot in you.” “You have ravished my heart, my sister, my spouse; you have ravished my heart with one of your eyes, with one chain of your neck.” (Sol. Song 4:1, 7, 9.) But what is all this personal beauty which the heavenly Lover so much admires in the Church—but the reflection of his own loveliness in her? It is with her as the Lord said to the Church of old—“And your renown went forth among the heathen for your beauty; for it was perfect through my loveliness, which I had put upon you, says the Lord God.” (Ezek. 16:14.) The Church, then, being viewed as one with Christ, the beloved Son of God—his beauty and loveliness are seen put upon her and reflected in her—and the Father, viewing her as thus one with his dear Son, contemplates her with the same delight, approbation, and favor—as that with which he looks upon the Son of his eternal love. Our Lord, therefore, said of his people to the Father, “And have loved them as you have loved me.” (John 17:23.)
This, then, is being “made accepted in the Beloved;” and this acceptance of our persons, as it is the first result of our union with Christ, so it is the source of all subsequent acts of favor. A man can never do too much for the woman that he loves. “Christ loved the Church, and gave himself for it.” No sacrifice was too great, no suffering too severe for him not to endure for her sake. From love to her he laid his glory aside, took part of the flesh and blood of the children, hid not his face from shame and spitting, and endured all the agony and ignominy of the cross. But this is a subject on which we need not enlarge, as it would take us too far afield. Suffice it to say that all subsequent thoughts, words, and acts of love towards the Church were built, as it were, on this foundation. “I was,” the Church says, “in his eyes as one that found favor.” (Song 8:10.) But why? Because she was made accepted in the Beloved.
But as this is a grand point, not only of Christian doctrine but of Christian experience, we trust to be excused if we dwell a little longer upon it, and show how it bears upon the work of the blessed Spirit on the heart.
We are ever looking for something in SELF to make ourselves acceptable to God, and are often sadly cast down and discouraged when we cannot find that holiness, that obedience, that calm submission to the will of God, that serenity of soul, that spirituality and heavenly-mindedness which we believe to be acceptable in his sight, and to make us acceptable too. Our crooked tempers, fretful, peevish minds, rebellious thoughts, coldness, barrenness, and death, our alienation from good and headlong proneness to ill, with the daily feeling that we get no better but rather worse, make us think that God views us just as we view ourselves. And this brings on great darkness of mind and bondage of spirit, until we seem to lose sight of our acceptance in Christ, and get into the miserable dregs of self, almost ready to quarrel with God because we are so vile, and only get worse as we get older. Now the more we get into these dregs of self, and the more we keep looking at the dreadful scenes of wreck and ruin which our heart presents to daily view, the farther do we get from the grace of the gospel, and the more do we lose sight of the only ground of our acceptance with God. It is “in the Beloved” that we are accepted, and not for any good words or good works, good thoughts, good hearts, or good intentions of our own.
Not but that the fruits of godliness are acceptable in God’s sight; not but that our continual sins are displeasing in his eyes. But we must draw a distinction between the acceptance of our persons and the acceptance of our works—between what we are as standing in Christ and what we are as still in the flesh. If our acceptance with God depended on anything in ourselves, we would have to adopt the Wesleyan creed, and believe we might be children of God today and children of the devil tomorrow! What comfort that doctrine would give us, we leave our exercised readers to judge of for themselves. If it did not drive an exercised soul to despair, we know not what either hope or despair is. What, then, is to keep us from sinking altogether into despair, without hope or help? Why, a knowledge of our acceptance “in the Beloved,” independent of everything in us, good or bad. Here is a firm foundation for our faith and hope.
And how the Scriptures pour in, as it were, on all sides their confirming testimony—“Their righteousness is of me, says the Lord.” “In the Lord shall all the seed of Israel be justified and shall glory.” “You are complete in him.” “By him all that believe are justified from all things. Who of God is made unto us wisdom, and righteousness, and sanctification, and redemption,” “That he might present it to himself a glorious Church, not having spot or wrinkle, or any such thing.” “You are all fair, my love; there is no spot in you.” What a universal chorus of harmonious voices do we hear all sounding forth the same melodious strain, that the Church stands before God accepted in the Beloved.
Verse 7.
But we need not further enlarge on this point, especially as we have other precious truths still in reserve. We pass on, therefore, to the next verse—“In whom we have redemption through his blood, the forgiveness of sins, according to the riches of his grace.”
It will be, perhaps, observed that we now come to a spiritual blessing connected with, and dependent upon the fall. The blessings which we have hitherto been considering we may view as antecedent to and, therefore, unconnected with the fall of man. Election in Christ before the foundation of the world, a state of perfect holiness and blamelessness before God, predestination to the adoption of children to himself, and acceptance in the Beloved—these four choice blessings are irrespective of the entrance of sin into the word and of death by sin. And observe how, as being antecedent to and irrespective of the fall, they gave the Church a standing in Christ which preserved her from being personally wrecked and ruined by the fall. We say “personally,” that is, as regards her person; for as regards her state she fell in Adam, being in his loins when he committed the first transgression.
A figure may help us here. A king marries his son to a pure, chaste bride, and presents her with a goodly dowry. Now, she might be carried off by pirates, dragged into slavery, reduced to a state of great poverty and misery, and yet with all this remain the king’s daughter and the son’s wife. And if her husband should go after and undergo every kind of peril and privation to find her and bring her back, this would not make her any more his wife than she was before.
What made the Church to be the bride of God’s dear Son? You cannot surely say that redemption made her such, any more than being rescued from the hands of the pirates, in our figure, made the freed captive to be the king’s son’s wife. We see, therefore, that the Church had a standing in Christ as his chosen bride before she fell in Adam, and thus the blessings which we nave named and gone through in our exposition were given her antecedent to, and irrespective of the fall. We do not say that the fall was not foreseen and fore-provided for; we do not say that in the everlasting covenant, ordered in all things and sure, regard was not had to it. All we contend for is, that the choice of the Church in Christ, her union with him as his bride, and her acceptance in him as the beloved Son of the Father—were blessings antecedent to, and irrespective of the Adam fall.
But though it is not our object to dispute, or split hairs in divinity, yet as it is in our judgment a blessed part of revealed truth, we shall close our present article with an extract from Goodwin, who, in our judgment, of all authors whom we have ever read, has written most clearly and beautifully on this point:
“In whom we have redemption through his blood, the forgiveness of sins, according to the riches of his grace.” (Verse 7.)
“I stand here at the 7th verse, between two of the greatest—what shall I call them?—heights or depths of God’s wisdom and grace toward us; and as that angel in the Revelation had one foot upon the earth and another upon the sea, so I stand with one foot upon the blessings ordained us from eternity, and intended us when we come in heaven, and the other upon the blessings intended us here in this world. They are both of them two vast arguments, and therefore you shall give me leave to be somewhat larger than ordinary about them. For of all the mysteries of the gospel, since I knew it, this has most swallowed up my thoughts.
“Two things I shall observe about these two sorts of decrees and blessings—First, I shall show you how these blessings differ, as before I showed you what was common to them among themselves; and, Secondly, I shall give you a glimpse of that infinitely glorious harmony between these two contrivements, and of the wisdom of God which shines in them both. The greatness of the point deserves this.
“For the First. How these blessings DIFFER.
“First. The first sort of blessings, perfect holiness, adoption, &c., were ordained us without the consideration of the fall, though not before the consideration of the fall; for all the things which God decrees are at once in his mind. They were all, both one and other, ordained to our persons. But God, in the decrees about these first sort of blessings, viewed us as creabiles, as creatures which he could and would make so and so glorious. For God can easily ordain the subject, and the utmost well-being of it, both at once; and this might well be the first idea taken of us in God’s purposes, because such is the perfection of God’s understanding, that he at first looks to the perfection and end of his work. But the second sort of blessings were ordained us merely upon consideration of the fall, and to our persons considered as sinners and unbelievers. And the first sort were to the praise of God’s grace, taking grace for the freeness of love; whereas, the latter sort are to the praise of the glory of his grace, are with an endearment of a greater degree of his grace, unto a further glory of his grace, and an illustration of it, taking grace for free mercy.
“Secondly. Those first sort of blessings are ordained to have their full and plenary accomplishment, and to take place in that other world, and are suited to that state into which we shall then be installed. And as in God’s primary intention they are before the other, and therefore are said to have been ‘before the foundation of the world,’ (ver. 4,) so they are to take place after this world ended, they being the center of all God’s thoughts towards us. Then we shall be so holy as Satan himself shall find no ground to carp at us. Then we shall receive the adoption of children; and though we are now the sons of God, yet then it shall appear to us and all the world, by that infinite glory that God will then bestow upon us. But those second sort of blessings were ordained for our entertainment in this world, and are suited unto that condition which we shall run through unto the day of judgment.
“Thirdly. The first sort are founded merely upon our relation to the Person of Christ, as is manifested in all those three mentioned, (ver. 4-6,) ‘chosen in him,’ and therefore holy; because as he, being the Son of God, was to be holy, (Luke 1:35,) ‘That holy thing which shall be born of you shall be called the Son of God,’ so are we, we being members of him. And as this is true of holiness, so of the other two it is more plain. But this second sort are founded merely upon the merits of Christ; as redemption through his blood, and so forgiveness, conversion, etc. In a word, these latter blessings are but the removings of those obstacles which, by reason of sin, stood in our way to that intended glory. In the fullness of time God sent his Son to redeem them that were under the law, that they might receive the adoption of sons. (Gal. 4:5.)”—Dr. Goodwin’s Works, vol. 1, p. 117.