In vroeger tijd was het anders: Alsdan spreken, die den HEERE vrezen, een ieder tot zijn naaste: De HEERE merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven (Maleachi 3:16). Hun gesprek was zo dat de Heere er acht op kon slaan en het in Zijn boek kon optekenen. Maar zou de Heere luisteren naar het gesprek van de meeste belijders van nu en het optekenen?
Dat gesprek is er vooral op gericht om zichzelf te verheffen en anderen te kleineren. Onder een dun laagje godsdienstige taal, dat zij aantrekken om anderen te misleiden en zichzelf te bedriegen, laat het weinig anders zien dan de hoogmoed en wereldsgezindheid van hun hart.
Wanneer was er meer algemene doodsheid en duisternis in de kerken en zo weinig leven en kracht op de kansel en in de banken? Wanneer waren bevindelijke mannen van God zeldzamer en meer veracht en kleingemaakt? En wanneer waren er zoveel zogenaamde kletspredikers die bovendien zo populair waren? Zij hebben een gave om te spreken maar laten nauwelijks zien dat zij de waarheid van God kennen of liefhebben.
Maar laat de mensen zeggen wat ze willen en zijn wat ze maar kunnen. Laat duizenden zich verenigen om de heilige dingen van God te verlagen tot hun eigen gezonken peil. Toch blijft het een vaststaande en onveranderlijke waarheid, vast als de troon van God en onveranderlijk als de grote, uit Zichzelf bestaande IK BEN, dat het bedenken des vleses is de dood.
Het is een totale dood bij de onwedergeborenen en een gedeeltelijke dood wanneer de levende ziel onder die macht en invloed staat. En is het een totale dood bij de onwedergeborenen? Dan brengt dat alle vreselijke straffen van de dood mee als het leven van God hen uiteindelijk niet levend maakt.
Daarom kan geen louter belijden, geen formele geloofsbelijdenis, geen zitten onder een evangeliedienst, geen lidmaatschap van de gemeente en geen deelname aan de verordeningen hen redden van de tweede dood. Ook de naam dat men leeft terwijl men dood is, redt niet van de worm die niet sterft en van het vuur dat niet wordt uitgeblust. Dat geldt voor allen die vleselijk gezind zijn. Het maakt niet uit wat hun belijdenis is: die van het hoogste calvinisme of van het meest kruiperige Arminianisme.
Maar geestelijk gezind zijn is leven en wandelen onder de gezegende kracht en invloed van de Heilige Geest. Het is een hart en genegenheden hebben die omhoog zijn getrokken van dit arme en ijdele toneel naar de plaats waar Jezus zit aan de rechterhand van God. Dat is leven. Het is het leven van God in de ziel met al zijn tegenwoordige zaligheid en toekomstige heerlijkheid. En het is vrede. Want vrede en rust zijn alleen te vinden op dit pad van verbondenheid en gemeenschap met een verheerlijkte Verlosser.
In deze zoete geestelijkheid van gemoed, in deze hemelse genegenheden en in deze gemeenschap met de Heere bij Zijn eigen troon van genade bestaan voor een groot deel het leven en de kracht van de godzaligheid. Als het hart er niet bij betrokken is, is de godsdienst zwaar en slepend werk. Gebed, lezen, overdenking, prediking, luisteren en gesprek met de heiligen: dit alles is een last voor het vermoeide lastdier wanneer de kracht en het leven van God er niet in zijn. Dan is het hart koud en dood en staat het niet onder een merkbare invloed van de hoven van de hemel.
Maar soms rust er een zoete en heilige invloed op de ziel. Er is dan een gevoelde verbondenheid en gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid. Een woord van Zijn lippen, waarin genade is uitgestort, raakt dan het hart en maakt het zacht. Het geloof ziet Zijn schoonheid en zaligheid, genade en heerlijkheid, liefde en bloed, medelijden en geschiktheid. Het grijpt Zijn sterkte vast en zegt: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent. Dan verwaardigt Hij Zich Zijn lieflijk aangezicht te ontsluieren. Dan gaan hart en genegenheden omhoog naar de barmhartige en medelijdende Hogepriester over het huis van God.
De lusten en kwaden die aan het lichaam van zonde en dood kleven, zoals de adder aan de hand van Paulus, vallen dan af in het vuur van de heilige ijver. Voor die ijver geldt: haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN. Die ijver is gericht tegen alles wat God haat. Hoogmoed en hebzucht, ontevredenheid en morren, boze buien en knagende zorgen en duizend God onterende angsten verbergen hun gehate koppen. Ongeloof en twijfel en een hele zwarte troep van twijfelingen en vrees worden op de vlucht gejaagd. En de Vredevorst regeert en heerst als de enige rechtmatige en geliefde Heere van de ziel.
Zoete tijden zijn het! Maar helaas, wat gaan ze snel voorbij. Wat snel trekken nieuwe wolken samen, steken nieuwe stormen op, werken nieuwe lusten en rijzen nieuwe vijanden op uit elke hinderlaag om geloof en hoop en lijdzaamheid op de proef te stellen. Zij werpen een donkere wolk over de ziel. Wij vertrouwen dat wij uit wat wij in ons eigen hart hebben gevoeld weten wat deze zoete geestelijke gezindheid is en wat haar gezegende werkingen zijn.
Zij is een sleutel om de Schriften te ontsluiten. Dan lezen wij ze namelijk onder dezelfde heilige invloed en door dezelfde goddelijke onderwijzing waardoor zij zijn geschreven. Zij is een deur tot het gebed. Onder deze rustige en vredige gemoedsbewegingen zoekt de ziel als vanzelf en noodzakelijk heilige gemeenschap met God. Zij is de vruchtbare moeder van zoete overdenking. De waarheid van God wordt dan overpeinsd en genoten en blijkt brood uit de hemel te zijn. Zij is het geheim van alle leven en kracht in de prediking.
Als het hart niet betrokken is bij de waarheid die wordt verkondigd en daardoor niet week wordt gemaakt, is er een hardheid in de voordracht die de levende hoorder duidelijk voelt. En zij is de kracht van elk geestelijk gesprek. Hoe kunnen wij immers met enige zalving of vrucht spreken als wij niet geestelijk gezind zijn? Dan zijn de dingen van God ons element en de taal van onze lippen, omdat zij de vreugde van onze ziel zijn.
Maar anders zijn is vreselijk: vleselijk gezind te zijn op onze knieën met de Bijbel open voor onze ogen, in het huis van gebed, aan de tafel van de Heere en in het gezelschap van het gezin van God. Wat een last voor onze geest en wat een veroordeling voor ons geweten! Wat een bron van twijfel en vrees of het wel goed kan zijn tussen God en onze ziel als er zo’n afstand is tussen Hem en ons! En van alle arme ellendige mensen, of ze het nu voelen of niet, moet een vleselijk gezinde predikant de ellendigste zijn. Dood op de kansel moet dood in de banken voortbrengen.
Een predikant staat daar als een werktuig in de hand van God om de moedeloze harten van Zijn volk te troosten en aan te moedigen. Hij moet de slappe handen versterken en de struikelende knieën vaststellen. Hij moet een middel zijn om leven mee te delen aan de doden en de levenden te doen herleven. Maar als hij zelf dood is, totaal dood, kan hij dan leven aan anderen meedelen?
En wat als hij is als een dode van wie de helft van het vlees al is verteerd, zoals Mirjam toen zij door de melaatsheid werd geslagen? Zo is een behouden mens die in vleselijkheid en dood is weggezonken en daar niet diep onder lijdt of onder zucht als onder een zware last. Hoe kan hij de gemeente van de levende God weiden?
Het is waar dat de aanzienlijkste heiligen en dienaren van God hun dode en donkere tijden hebben. Dan lijkt het leven van God zo laag te zijn gezakt dat het nauwelijks nog zichtbaar is. Zo verborgen is de stroom door de modderbanken van hun gevallen natuur. Toch glijdt het leven om hen heen voort, zo niet door hen heen.
Soms valt er van boven een lichtstraal op. Terwijl de stroom zijn weg zoekt naar de oceaan van de eeuwige liefde, toont die straal niet alleen dat hij er is maar ook welke kant hij op gaat. En hij laat zien dat hij aan de hemel de straal teruggeeft die hij van de hemel ontvangt.
Ja, juist door deze donkere en dode tijden worden de heiligen en dienaren van God onderwezen. Zij zien en voelen wat het vlees werkelijk is en hoe vervreemd het is van het leven van God. Zij leren in wie al hun kracht en toereikendheid liggen. Zij worden ervan doordrongen dat in hen, dat is in hun vlees, geen goed woont. Zij leren dat geen inspanning van henzelf het leven van God in kracht en frisheid kan onderhouden.
En zij leren dat alles wat zij zijn en hebben voortkomt uit de zuivere, soevereine genade. Dat geldt voor alles wat zij geloven, weten, voelen en genieten en voor al hun bekwaamheid, nut, gaven en genade. Het komt voort uit de rijke, vrije, onverdiende en toch onophoudelijke goedheid en barmhartigheid van God.
In deze harde school van pijnlijke bevinding leren zij hun leegheid en nietigheid. Zij leren dat zij zonder Christus waarlijk niets kunnen doen. Zo worden zij bekleed met nederigheid, dat zeldzame en toch lieflijke gewaad. Zij laten hun eigen kracht en wijsheid los en leren uit eigen bevinding dat Christus alles in allen voor hen is en altijd zal zijn. Ja, alles in allen in hen.
Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede (Romeinen 8:6)
Wij beschouwen geestelijke gezindheid niet als een vaste toestand van de wedergeboren ziel. Wij zien haar als iets dat onder bijzondere invloeden wordt voortgebracht en daarom aan schommelingen onderhevig is. De apostel bedoelt in Romeinen 8:6 eenvoudig dit: de gezindheid van de nieuwe mens van genade, zijn adem en zijn neiging, is als hoofdbestanddeel leven. De vrede is daarvan het gevolg en de vrucht.
Anders gezegd: de nieuwe mens van genade is dat geestelijke wezen (Johannes 3:6; Romeinen 8:16; Ezechiël 36:26) dat uit de Geest geboren is. Hij bezit leven als zijn bezielend en werkend beginsel. En omdat dit leven van Christus komt en met Christus verenigt, geniet hij vrede door zijn verbondenheid en gemeenschap met Hem.
Maar de apostel stelt niet als vast beginsel dat de ziel van een gelovige altijd geestelijk gezind is en daarom altijd leven en vrede geniet. Hij maakt integendeel onderscheid tussen het vlees en de geest in een gelovige. Hij toont het wezenlijke verschil tussen die twee. Het ene is dood en het andere leven. Het ene is vijandschap en het andere vrede. Het ene is de wet van God niet onderworpen en het andere gehoorzaam aan Zijn wil en Woord. Het ene mishaagt God en het andere is Hem welbehaaglijk.
Daaruit leidt hij af dat alle mensen wandelen, dat wil zeggen denken, spreken, leven en handelen, naar het een of het ander. Wie naar het vlees wandelen, dat wil zeggen de bewegingen, begeerten en voorschriften ervan volgen, zijn dood, vijanden van God en ongehoorzaam. Daarom mishagen zij Hem. Wie naar de Geest wandelen, bezitten en tonen goddelijk leven. Zij genieten vrede met God, gehoorzamen Zijn voorschriften en zijn Hem welgevallig.
Toch kan bij een oprecht kind van God de vraag opkomen of hij geestelijk gezind is of kan zijn. Hij kent en voelt immers veel van zijn dorheid, duisternis en dood. Hij is zo zelden in het genot ervan en vaak zo ver van het leven en de vrede die haar begeleidende vruchten zijn. Hier is grote wijsheid en heilige voorzichtigheid nodig om een juist antwoord te geven.
Menige ellendige, vleselijke en dode belijder put troost uit het horen dat het ware kind van God zijn tijden van doodsheid en koude heeft. Hij denkt er niet aan en wil er niet aan denken dat het iets anders is altijd dood te zijn dan het soms te zijn. Het is iets anders het te zien dan het te voelen en er onder te rouwen.
Hoevelen zijn er niet in de belijdende kerk bij wie het gebeurt dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om den dronkene te doen tot den dorstige (Deuteronomium 29:19). Dit zijn zij die aanzitten met de kinderen van God. Van hen geldt: weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld (Judas 12).
Daarom zijn veel wijsheid en voorzichtigheid nodig om niet het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen. Aan de ene kant mogen wij het hart van de rechtvaardige niet bedroeven. Aan de andere kant mogen wij de handen van de goddeloze niet sterken door hem leven te beloven terwijl al zijn wegen wegen van de dood zijn (Ezechiël 13:22). Hebben wij niet allemaal veel reden om te klagen dat wij tekortschieten in deze zoete en gezegende geestelijkheid van gemoed? Toch, hoe kunnen wij weten wat zij is als wij haar niet hebben gevoeld, of althans een deel ervan, in ons eigen hart?
Wie dood zijn in zonde en wie dood zijn in een belijdenis kennen haar niet en willen haar niet kennen. Alleen het levende gezin van God kent haar zaligheid en zoetheid. Alleen zij zijn immers uit de Geest geboren en wandelen daarom naar Hem, bedenken wat Hij wil en genieten het. En wat een leven is er in als men het voelt! Het is het enige echte geluk dat het kind van God hier beneden geniet. Het is zijn metgezel in de eenzaamheid, zijn steun in de ellende, zijn troost in ziekte en zijn vrede in de dood.
Als het leven is, moet het een fontein van water in zijn ziel zijn, springende tot in het eeuwige leven (Johannes 4:14). En als het vrede is, dan is het het genot van Christus’ eigen beste gave en laatste erfenis. In feite zijn daarin al het leven en de vrede van de godsdienst. Zonder haar is godsdienst slechts een naam en een denkbeeld, zonder tegenwoordige genade of toekomstige heerlijkheid. Hoe zoet is op zulke ogenblikken het Woord van God! Welk licht schijnt er op de heilige bladzijde! Welke wijsheid en waarheid verschijnen er in elke regel! Welke volheid, zaligheid en zalving druipt eruit als honing uit de honingraat!
Zo ging het Jeremia: Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen! (Jeremia 15:16). Zo was het ook de ervaring van David: Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond! (Psalm 119:103). Waarom is dat zo? Omdat wij dan worden onderwezen door dezelfde Geest onder Wiens inspiratie de Schriften zijn geschreven. Wij staan dan onder dezelfde invloeden en dezelfde heilige zalving.
Hoe zoet is dan het gebed! Het is de taal van het hart en de opstijgende adem van de ziel. Het is het geestelijke offer dat op het gouden altaar wordt gelegd en opstijgt met het reukwerk van de grote en heerlijke Voorspraak (Openbaring 8:3-4). Hoe zoet is dan de overdenking, als geestelijke gedachten door het gemoed rollen, geestelijke gevoelens de ziel vervullen en geestelijke genegenheden het hart verwarmen en week maken.
Dat is: zich verlustigen in de Heere (Psalm 37:4; Jesaja 58:14). Het is te voelen dat de wegen van de wijsheid wegen der liefelijkheid zijn (Spreuken 3:17). Het is te smaken en te zien dat de Heere goed is (Psalm 34:9). Het is te ervaren hoe nabij, dierbaar en kostbaar Christus is voor hen die geloven (1 Petrus 2:7). En het is met elke blik van het geloof meer en meer van Zijn schoonheid en zaligheid te zien. Dan is er geen ander gezelschap meer nodig dan dat van de Heere. En hoe meer het hart naar Hem wordt opgetrokken, des te meer ontvangt het uit Zijn volheid.
Hier is leven: het leven van alle godsdienst en van alle verordeningen, prediking, gebed, luisteren, lezen en gesprek. Geestelijke gezindheid is het leven van die allemaal. Zonder haar is alles dood, op de kansel en in de banken. U kunt welsprekendheid hebben, bekwaamheid, gezonde leer, teksten bij tientallen en anekdotes bij handenvol. U kunt stem, bombast en gebaren hebben. Dit alles kan doorgaan voor wonderbaarlijke prediking terwijl er geen greintje geestelijk leven is in de man of in zijn bediening. En u kunt bewonderende hoorders in de banken hebben die vol zijn van geloften, beloften en tranen. Toch is er niet één greintje goddelijk leven in hun hart.
Ware godsdienst is een geheim. Zij ligt tussen God en de ziel. Dit geheim, dat bij hen is die God vrezen (Psalm 25:14), bestaat in het hebben van de Geest en het gemoed van Christus (Romeinen 8:9; 1 Korinthe 2:16). Zo is men één geest met Hem, verbonden met Hem door deze heilige band (1 Korinthe 6:17). Dit brengt vrede. Vijandschap en oorlog kunnen niet bestaan tussen vrienden. En de Heere zegt tot Zijn discipelen: Gij zijt Mijn vrienden. Hij is onze vrede. Die vrede komt door Zijn bloed, want daardoor heeft Hij vrede gemaakt.
Geestelijke gezindheid houdt verzoening in en een dichtbij gebracht zijn. Zij houdt verbondenheid en gemeenschap in en een rusten op het verzoenende bloed en het volbrachte werk van de Zoon van God. Moge de Heere ons genadig veel van deze geestelijke gezindheid schenken. Moge Hij ons zo geschikt maken om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht. Want de heiligmaking, waarvan dit een hoofdbestanddeel is, is nodig: zonder welke niemand den Heere zien zal.
Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede (Romeinen 8:6)


