U voelt zich een vreemdeling in deze goddeloze wereld.
Zij is niet uw element.
Zij is niet uw thuis.
U bent erin gedurende de tijd die God heeft bepaald maar u zwerft door deze wereld heen … als een vreemde. U bent vreemd aan haar gezelschap, vreemd aan haar stelregels, vreemd aan haar mode, vreemd aan haar beginselen, vreemd aan haar beweegredenen, vreemd aan haar lusten en vreemd aan haar neigingen — en aan alles waarin deze wereld zich beweegt als in haar eigen element.
De genade heeft u door Gods soevereine kracht afgescheiden zodat u wel in de wereld bent maar niet van de wereld.
Ik zeg u onomwonden: als u thuis bent in de wereld; als de dingen van tijd en zinnen uw element zijn; als u zich één voelt met … het gezelschap van de wereld, de stelregels van de wereld, de mode van de wereld en de beginselen van de wereld — dan heeft de genade uw hart niet bereikt en woont het geloof van Gods uitverkorenen niet in uw boezem.
Het eerste gevolg van genade is afscheiding.
Zo was het bij Abraham. Hij werd door genade geroepen om het land van zijn vaderen te verlaten en uit te gaan naar een land dat God hem zou tonen. En zo is Gods eigen woord nu aan Zijn volk: gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen. En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.
Afscheiding, afscheiding, afscheiding van de wereld is het grote kenmerk van levende godzaligheid.
Er kan inderdaad lichamelijke afscheiding zijn waar geen afscheiding van het hart is. Maar wat ik bedoel is … afscheiding van hart, afscheiding van beginsel, afscheiding van genegenheid, afscheiding van geest.
En als de genade uw hart heeft aangeraakt en u deelhebt aan het geloof van Gods uitverkorenen, dan bent u een vreemdeling in de wereld en zult u door uw leven en wandel duidelijk maken dat u dat bent.
O, wat een menigten ellendigen!
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Hebreeën 4:16).
Welk hart kan zich de dagelijkse, ja uurlijkse zegepralen van de alles overwinnende genade van de Heere Jezus Christus voorstellen en welke tong kan ze verhalen?
Wij zien nauwelijks een miljoenste deel van wat Hij als Koning op Zijn troon dagelijks doet. Wat een menigte behoeftige smekelingen omringt elk ogenblik Zijn troon!
Wat dringende noden en kwellingen om te beantwoorden!
Wat snijdende smarten en verdriet om te verzachten!
Wat gebroken harten te verbinden!
Wat gewonde gewetens te genezen!
Wat talloze gebeden te verhoren!
Wat vurige smeekbeden in te willigen!
Wat halsstarrige vijanden te onderwerpen!
Wat schuldige angsten te bedaren!
Wat genade, wat vriendelijkheid, wat geduld, wat mededogen, wat barmhartigheid, wat liefde, wat kracht, wat gezag toont deze Almachtige Soeverein!
Geen omstandigheid is te gering; geen smekeling te onbeduidend; geen geval te moeilijk; geen moeilijkheid te groot; geen zoeker te aanhoudend; geen bedelaar te haveloos; geen bankroetier te geldeloos; geen schuldenaar te onvermogend, opdat Hij hem niet zou opmerken en niet zou helpen.
Zittend op Zijn troon van genade … ziet Zijn alziend oog allen, grijpt Zijn almachtige hand allen en omarmt Zijn liefdevol hart allen die de Vader heeft uitverkoren — die Hij Zelf heeft verlost door Zijn bloed — en die de gezegende Geest door Zijn onoverwinnelijke kracht tot leven heeft gewekt!
De hopelozen; de hulpelozen; de verstotenen om wie niemand geeft; de door storm voortgejaagden die niet getroost zijn; zij die op omkomen staan; de treurenden in Sion; de bedroefde weduwe; de jammerende wees; de zieken van lichaam; de nog zieker van hart; zij die door uurlijkse pijn worden gemarteld; de worstelaar met de laatste doodsstrijd.
O, wat een menigten ellendigen omringen Zijn troon — en allen hebben … een blik van Zijn oog, een woord van Zijn lippen, een glimlach van Zijn gelaat, een aanraking van Zijn hand nodig!
O als wij maar konden zien wat Zijn genade is — wat Zijn genade heeft — wat Zijn genade doet — en als wij maar meer konden voelen wat zij in en voor onszelf doet, dan zouden wij verhevener gedachten hebben over de heerschappij van de genade die nu in de hoogte wordt uitgeoefend door Sions Koning op Zijn troon!
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Hebreeën 4:16).
Hebben wij niet op duizend dingen geleund?
Zie, gij vertrouwt op dien gebrokenen rietstaf, op Egypte; op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren (Jesaja 36:6).
Hebben wij niet op duizend dingen geleund? En wat zijn zij gebleken? Gebroken rieten die in onze handen zijn gegaan en ons hebben doorboord!
Onze eigen kracht en voornemens, de wereld en de kerk, zondaars en heiligen, vrienden en vijanden — zijn zij niet allemaal min of meer gebroken rieten gebleken?
Hoe meer wij op hen hebben geleund, als een man die op een zwaard leunt, hoe meer zij onze ziel hebben doorboord!
De Heere Zelf moet ons spenen … van de wereld, van vrienden, van vijanden en van het eigen ik om ons te brengen tot leunen op Zichzelf. En elke steun zal Hij vroeger of later wegnemen — opdat wij geheel en uitsluitend leunen op Zijn Persoon, liefde, dood en gerechtigheid!
Niets dan dit kan het hart van de zondaar werkelijk breken!
Om Gods barmhartigheid in haar ware karakter te zien moeten wij naar Golgotha gaan! Wij moeten door het geloof, onder de verborgen onderwijzing en leiding van de Heilige Geest, gaan om Immanuël, God met ons, zich ter aarde te zien werpen in de hof van Gethsemané. Wij moeten Hem zien … naakt aan het kruis, kreunend, bloedend, in doodsstrijd, stervend!
Wij moeten dat wonderbare schouwspel van liefde en lijden zien en onze ogen voelen overlopen in stromen van droefheid, nederigheid en berouw bij het zien ervan. Alleen zo kunnen wij enigszins doordringen in de diepten van de tedere barmhartigheid van God.
Niets dan dit kan het hart van de zondaar werkelijk breken!
De verschrikkingen van de wet, dood en oordeel, oneindige reinheid en eeuwige wraak zullen het hart van een zondaar niet verzachten of breken. Maar als hij wordt geleid om een lijdende Immanuël te zien en er in zijn geweten een zoet getuigenis wordt opgewekt dat die lijdens voor hem waren — dan zal dit en dit alleen zijn hart geheel in stukken breken!
Het vlees
Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees (Johannes 3:6).
Er is geen belofte gedaan dat wij in dit leven bevrijd zullen worden van het inwonen en inwerken van de zonde.
Velen denken dat hun vlees ‘steeds heiliger en heiliger’ zal worden — dat zonde na zonde geleidelijk uit het hart zal worden verwijderd — totdat zij ten slotte bijna volmaakt zijn gemaakt in het vlees. Maar dit is een ijdele droom en een die vroeg of laat ruw en hardhandig aan stukken zal worden gebroken.
Het vlees zal altijd hetzelfde blijven en wij zullen steeds bevinden dat het vlees tegen de Geest begeert. Onze vleselijke natuur is verdorven tot in de kern. Zij kan niet worden hersteld. Zij kan niet worden geheiligd. Zij is aan het einde hetzelfde als in het begin — van nature boos — en zal niet ophouden verdorven te zijn totdat wij de sterfelijkheid afleggen en daarmee het lichaam van zonde en dood.
Alles wat wij kunnen hopen, verlangen, verwachten en bidden is dat deze boze vleselijke natuur wordt bedwongen, onder de duim gehouden, gedood, gekruisigd en onderworpen gehouden onder de kracht van de genade. Maar een verandering in het vlees waardoor het heilig zou worden is slechts een farizeïsche waan. Zo’n waan belooft heiligheid in het vlees en laat ons toch onder de macht van de zonde.
De ware heiligmaking van de nieuwe mens van de genade — die door goddelijke kracht wordt gewerkt — staat volkomen los van elke ingebeelde heiligheid in het vlees of enige ijdele droom van zijn voortschrijdende heiliging.
Slechts één hand kan de nood verlichten
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid (Psalm 9:10).
Ziet u niet hoe de Schrift altijd de kwaal en het geneesmiddel samenbrengt? Hoe zij de beloften ontvouwt als passend bij bepaalde toestanden en gevallen van de ziel? En hoe alle eigenschappen van God aan Zijn volk alleen worden aangepast voor zover zij in bijzondere omstandigheden komen? Deze ader loopt door heel de Schrift.
Zo wordt hier de Heere verklaard als een Hoog Vertrek. Maar wanneer? Het is in tijden van benauwdheid! Wij hebben Hem niet als Hoog Vertrek nodig als er geen nood is. Mag ik zonder oneerbiedig te zijn de uitdrukking gebruiken: ‘Dan kunnen wij zonder Hem.’
Wij kunnen … de wereld liefhebben en ons vermaken met de dingen van tijd en zinnen. Wij kunnen ons hoofd laten dwalen naar vergankelijke ijdelheden, een afgod in ons hart oprichten en buigen voor een ‘gouden god’. Wij kunnen onze genegenheden geheel richten op wie van nature ons dierbaar zijn, ’s morgens opstaan, de dag doorkomen en ’s avonds neerliggen — heel goed zonder God.
Maar wanneer tijden van benauwdheid komen, wanneer verdrukkingen zwaar op ons drukken, wanneer wij worden gebracht in die tonelen van verdrukking waardoor wij moeten gaan om het hemelse Kanaän te bereiken; dan hebben wij iets méér nodig dan vlees en bloed. Dan hebben wij iets méér nodig dan het vergankelijke schepsel kan bieden. Dan hebben wij iets méér nodig dan waarmee deze ijdele wereld ons kan vermaken!
Dan hebben wij God nodig! Wij hebben nodig dat Zijn eeuwige armen onder onze ziel zijn. Wij hebben Zijn vertroostingen nodig. Wij hebben iets nodig van de eigen lippen van de Heere, met de eigen kracht van de Heere in ons hart gedropen!
Deze tijden van zielennood doen Gods volk weten dat de Heere hun Hoog Vertrek is. Als ik in zielennood ben; als mijn hart overladen is met schuld; als mijn geweten is verscheurd door de pijnen van wroeging — kan het schepsel mij dan verlichting geven? Kunnen vrienden de zoute traan drogen? Kunnen zij de stuiptrekkende zucht stillen? Kunnen zij de verontruste borst kalmeren? Kunnen zij olie en wijn gieten in het bloedende geweten?
Nee! Zij zijn hierin volstrekt machteloos!
Zij kunnen onze nood vergroten en dat doen zij vaak, zoals Jobs vrienden. Maar verlichten kunnen zij hem niet!
Slechts één hand kan de nood verlichten — dezelfde hand die hem heeft opgelegd! Slechts één hand kan de wond genezen; dezelfde die haar in barmhartigheid heeft toegebracht!
Nu zullen wij in deze tijden van zielennood — als wij ze ooit hebben gevoeld — de Heere tot ons Hoog Vertrek maken.
Er is geen ander om naartoe te gaan! Wij mogen elke arm proberen behalve de Zijne. Wij mogen alle kanten opkijken behalve de goede en op elke staf leunen behalve de ware. Maar vroeg of laat zullen wij op dit punt komen: niemand dan de Heere God, de Almachtige, kan vrede, vergeving en vertroosting tot ons hart spreken.
Hij heeft hemel en aarde gemaakt en onze zielen en lichamen tot aanzijn gebracht. Hij heeft ons tot op dit uur behouden en bewaard. Hij is rond ons bed en om ons pad en doorgrondt al onze wegen. Hij heeft Zijn dierbare Zoon gezonden om voor onze zonde te betalen. Deze eeuwige Schepper, Onderhouder en Verlosser, die hemel en aarde heeft gemaakt en onderhoudt, kan dat alleen.
Hoe zoet is het in deze tijden van nood een God te hebben om naartoe te gaan; te voelen dat er eeuwige armen zijn om op te leunen; dat er een genadig oor is waarin wij onze verdrukkingen kunnen uitstorten; dat er een hart is, een meelevend hart, in de boezem van de Heere van leven en heerlijkheid, dat met ons meeleeft; te weten dat er een hand is om te verlichten en soms verlichting te ondervinden van die almachtige en genadige hand!
De verdrukkingen die de Heere Zijn volk zendt
Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren (Psalm 88:8).
Jezus was een Man van smarten, en verzocht in krankheid. En Zijn volk moet in hun mate hetzelfde hebben. De Heere heeft bepaald dat het zo zal zijn. Hij heeft Zijn Sion gekeurd in den smeltkroes der ellende. Er is geen ontkomen aan.
De verdrukkingen die de Heere Zijn volk zendt zijn van velerlei soort. De Heere acht het nodig verdrukkingen te zenden die passen bij het geval, de staat en de omstandigheden van elk. Wat voor de een een verdrukking is hoeft het voor de ander niet te zijn. Ieder moet zijn eigen verdrukking dragen. Ieder moet zijn eigen last torsen en ieder zijn eigen toegemeten lot doorstaan.
Zo ziet een wijze God precies welke verdrukking Hij elk en allen moet opleggen … wanneer zij komt, waar zij komt, waarom zij komt, hoe zij komt, hoe zij werkt, wat zij werkt, hoe lang zij duurt, wanneer zij wordt opgelegd en wanneer zij wordt weggenomen.
In deze zaken handelt de Heere als een soeverein.
Wij hebben niet gekozen van welke ouders wij geboren zouden worden noch onze positie in het leven. Ook hadden wij geen keus wat onze lengte of huidskleur betreft.
Zo heeft de Heere ook al onze verdrukkingen voor ons bepaald — en wanneer Hij ze oplegt kan geen mensenarm ze wegnemen!
Hij kent onze gesteldheid en moeiten — onze eigenaardigheden en de kleinste dingen in onze levensomstandigheden. De Heere kent al onze zaken. Daarom legt Hij elk individu juist die verdrukking op die Hij ziet dat die persoon nodig heeft; niet meer en niet minder. Het is precies de verdrukking die het bepaalde doel zal bereiken dat God ermee beoogt, tot heil van de ziel en tot Gods eigen eer.
Wie is zij die daar opklimt uit de woestijn?
Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? (Hooglied 8:5)
Een behouden zondaar is een schouwspel waarover engelen nadenken!
Dat een zondig mens die niets dan Gods eeuwige toorn verdient wordt opgetild uit een rechtvaardig verdiend verderf naar een zaligheid waarop hij geen aanspraak kan maken, moet inderdaad altijd een heilig wonder zijn!
En dat u of ik ooit werden uitgekozen in Gods uitverkiezende liefde, ooit aan Jezus werden gegeven om te verlossen, ooit door de Geest levend gemaakt om onze verloren, ondergegane staat te voelen en ooit werden gezegend met enige ontdekking van de Heere Jezus Christus en van Zijn zaligmakende genade — dit is en blijft hier een zaak van heilige verbazing en zal hierna een thema zijn van eindeloze lof!
Zien wij een man die geheel anders is dan hij eens was — eens zo zorgeloos, vleselijk, onwetend en onbekommerd — en zien wij die man nu op zijn knieën smeken om genade, de tranen over zijn gezicht stromend en zijn borst zwoegend van stuiptrekkende zuchten, met zijn ogen naar boven gericht opdat vergeving hem mag bereiken in zijn wanhopige staat: is dat geen man om met verwondering en bewondering aan te kijken?
Zien wij een ander die zich een weg had kunnen banen in het drukke woelige leven en op wiens hoofd eer, rijkdom en alles wat de wereld te geven heeft had kunnen worden opgestapeld, maar die alles opgeeft om Jezus’ wil en met Mozes de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte te achten: is die man dan geen wonder?
Om hier op aarde te leven in eenheid en gemeenschap met een onzichtbare God — te spreken met Jezus, Die het oog van de zinnen nooit heeft gezien en Wiens stem het oor van de zinnen nooit heeft gehoord — en Hem toch even duidelijk te zien met het oog van het geloof alsof het natuurlijke oog op Zijn heerlijke Persoon rustte, en Zijn stem tot in het binnenste hart te horen zo duidelijk alsof het geluid van Zijn lippen het natuurlijke oor bereikte: is dat ook geen wonder?
Een man te zien die één glimlach van het gelaat van Jezus en één woord van Zijn vredesprekende lippen verkiest boven alle titels, eer, genoegens en macht die de wereld kan geven — als er al een wonder op aarde is dan is die man er een!
Mogen wij dan niet met bewonderende en verwonderde ogen zeggen: Wie is dit?
Wel, deze man kende ik — wereldgezind, hoogmoedig, eerzuchtig, zelfzuchtig. Die man kende ik overgegeven aan ijdelheid en hoogmoed. Een ander kende ik begraven in de politiek, opgeslokt door genot en vrolijkheid en overgegeven aan alles wat gemeen en zinnelijk is. Maar nu is hij biddend, waakzaam en teerhartig geworden. Hij kiest het gezelschap van Gods volk en geeft alles op wat zijn vleselijke gezindheid ooit goedkeurde en waarin zij behagen schepte. In zijn wandel, gesprek en hele gedrag laat hij zien dat hij geheel een nieuw schepsel is.
Telkens wanneer wij iemand van onze naasten en dierbaren … zien aangeraakt door de vinger van deze alles overwinnende Heere, onderworpen door Zijn genade en bewerkt door Zijn Geest, dan zien wij zo iemand niet alleen met heilige verwondering aan maar met de tederste genegenheid. Die is vermengd met de tranen van dankbare lof aan de God van al onze barmhartigheden.
Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? (Hooglied 8:5)
De weegschaal!
Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel? (Mattheüs 16:26)
Leg uw ziel op de ene schaal — en leg alles wat de wereld goed en groot noemt op de andere schaal. Denk aan alles wat het hart van de mens kan begeren: rijkdom, eer, genot, macht. Stapel het goed op! Vul de ene schaal totdat er geen ruimte meer is. Leg erin … al het goud van Australië, alle diamanten van Indië, alle verrukkingen van jeugdige liefde en alle genoegens … van vrouw en huis, van kinderen en vrienden, van gezondheid en kracht, van naam en faam. Leg erin alles wat de natuurlijke geest van de mens als het toppunt van geluk beschouwt en alles wat deze schaal naar beneden kan drukken.
Leg nu, als u deze schaal hebt gevuld, uw ziel op de andere schaal — de staat van uw ziel voor alle eeuwigheid. Stel u uw sterfbed voor en houd de weegschaal vast met stervende handen alsof u op de rand van de eeuwigheid ligt. Zie hoe de weegschaal nu hangt!
Wat als u de hele wereld had die u in de schaal hebt gelegd en haar geheel de uwe kon noemen — maar op dat plechtige uur voelde dat uw ziel voor eeuwig verloren was, dat u stierf onder Gods toorn en dat er niets voor u lag dan een eeuwigheid van ellende! Wat kunt u op zo’n moment in de schaal leggen dat opweegt tegen het gewicht van uw onsterfelijke ziel?
Neem de weegschaal opnieuw. Leg op de ene schaal elke verdrukking, beproeving, droefheid en nood die de verbeelding kan bedenken of de tong kan uitspreken. Laat ze allemaal de uwe zijn … zielsangst, lichamelijke pijn, armoede, minachting van mensen, aanvallen van Satan, Jobs verdrukkingen, Jakobs rouw, Davids vervolgingen, Jeremia’s gevangenis, Hizkia’s ziekte. Leg op deze schaal alles wat het leven van nature ellendig maakt — en leg dan op de andere schaal een behouden ziel.
Zoals bij wereldse eer, rijkdom en geluk zal een verloren ziel zeker zwaarder wegen dan alles samen!
Zo zal ook bij verdrukkingen, droefheden en moeiten een behouden ziel zwaarder wegen dan alles samen!
Wij mogen onze genegenheid er niet op richten!
Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kolossenzen 3:2).
Van nature hebben wij voor niets anders genegenheid.
Er is geen geestelijk verlangen of hemelse genegenheid in onze ziel zolang wij in onwedergeboren staat verkeren. Zo gevallen zijn wij dat wij de wereld en de dingen van de wereld liefhebben en niet anders kunnen. Wij hebben geen hart voor iets anders dan de dingen van tijd en zinnen. Meer nog, aangezien onze vleselijke gezindheid vijandschap is tegen God, haten wij alles wat geestelijk, hemels en heilig is.
Een hoofddeel van Gods werk aan de ziel is daarom onze genegenheden van deze aardse dingen af te nemen en ze te richten op Jezus waar Hij boven op de troon zit — opdat wij datzelfde liefhebben en haten wat Hij liefheeft en haat.
Onze genegenheden mogen niet worden gericht op de dingen op aarde. Zaken, wereldse zorgen, de belangen van ons gezin, de dingen van tijd en zinnen — in welke vorm zij ook komen en welke gedaante zij ook aannemen — mogen zich niet zo om onze genegenheden slingeren dat die aan de aarde worden vastgebonden.
Wij mogen ze gebruiken voor het onderhoud en de ondersteuning van ons leven — maar wij mogen ze niet misbruiken. Wij mogen er onze genegenheid niet op richten!
Huizen, tuinen, land, bezit, vrienden, gezin; al deze aardse dingen mogen wij niet met onze genegenheid najagen zodat zij afgoden worden. Zo kan elk lieflijk voorwerp verontreinigend worden — omdat het tot een afgod is gemaakt.
Het kan maar een bloem zijn — en toch een afgod.
Het kan een lievelingskind zijn dat iedereen bewondert om zijn schoonheid en aantrekkelijkheid — en toch kan het een verontreinigende afgod zijn.
Een gekoesterd project kan een afgod zijn.
Een graanoogst, een kudde schapen, een goede boerderij, een bloeiend bedrijf en het respect van de wereld kunnen allemaal verontreinigende afgoden zijn. Want al deze dingen trekken, wanneer zij gretig worden nagejaagd en bemind, de ziel van God af. Door haar ongemerkt van Hem af te trekken brengen zij bezoedeling en schuld in het geweten.
Wij zijn nu — of zullen door genade op de juiste tijd zijn — gespeend en losgemaakt van de aarde met al haar bekoringen en genoegens en al haar verontreinigende afgoden.
Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden (1 Johannes 5:21).
van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen (Ezechiël 36:25).
Strikken, vallen, lokaas!
Het volk van de Heere wordt van tijd tot tijd diep beproefd door de macht van de zonde. Zij vinden zulke goddeloze lusten — zij voelen zulke afschuwelijke kwaden — de verdorvenheden van hun hart liggen zo naakt en bloot — en zij vinden in zichzelf zo’n roekeloze neiging tot alle slechtheid. Zij voelen de zonde zo sterk — en zichzelf zo zwak!
O hoevelen van het volk van de Heere worden ’s morgens, ’s middags en ’s avonds met zonde verzocht! Hoevele kwaden, afschuwelijke kwaden, openen als het ware hun kaken om hen geheel te verslinden! Waar zij ook gaan en waar zij zich ook wenden, overal lijken strikken, vallen en lokaas te liggen — dik gestrooid op hun pad!
Zij voelen zich zo hulpeloos — en zo innerlijk bewust dat niets dan de almachtige kracht van God hen kan ondersteunen terwijl zij op dit gevaarlijke pad wandelen — een pad dat aan alle kanten met strikken is bestrooid — dat zij ertoe komen tot de Heere te roepen: „Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn!” (Psalm 119:117)
Niets minder dan Gods zaligheid … in haar vrije schenking, haar volheid, haar goddelijke openbaring en haar zondebedwingende, lustendodende invloed kan hen redden van de macht van de zonde!
vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland! (Jesaja 43:1-3)
De woestijn
Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken (Hosea 2:13).
De kinderen van God zouden niet vrijwillig de woestijn ingaan — zij is een te kale plaats om binnen te gaan behalve als zij op bijzondere wijze door Gods genade worden gelokt en door Gods kracht worden geleid.
Meestal weten zij ook niet waarheen de Heere hen brengt. Zij volgen Zijn trekken; zij worden geleid door Zijn lokken; zij luisteren naar Zijn overtuigende stem en vertrouwen op Hem als op een onfeilbare Gids.
Maar zij kennen de ‘plaats van dorheid’ niet waarheen Hij hen brengt — die verbergt de Heere gewoonlijk voor hun ogen. Hij lokt en zij volgen maar Hij vertelt hun niet wat Hij met hen gaat doen of waarheen Hij hen wil brengen. Hij verbergt Zijn genadige plannen om ze later duidelijker aan het licht te brengen.
Zie naar de plaats waar Hij Zijn volk brengt — de woestijn. Dit is een beeld en voorbeeld dat de Heilige Geest veel gebruikt en dat ons veel diepe en nuttige onderwijzing geeft.
De woestijn is een afgelegen eenzame plek, ver, heel ver van steden en dorpen en andere drukke verblijfplaatsen van mensen. Het is een verre en vaak troosteloze verblijfplaats waar geen indringend oog is om de stappen van de zwerver te bespieden en geen luisterend oor om zijn zuchten en roepen te horen. Wanneer de Heere Zijn heilige kracht op het hart uitoefent om Zijn volk de woestijn in te lokken, brengt Hij hen op een plek waar zij in eenzaamheid en stilte gescheiden kunnen zijn van iedereen behalve Hem Zelf.
De ‘woestijn’ nemen wij als een beeld van alleen zijn met God. Het is uit de wereld komen, weg van zonde en wereldse gezelschappen, uit alles wat vleselijk, zinnelijk en aards is. En het is ingeleid worden in die plechtige plaats waar geheime, heilige en eenzame omgang met God is.


