Meditations on Ephesians 1 and 2 — Part 2: The Election of the Church in Christ
Bezien we de gemeente van Christus in haar verhouding tot haar heerlijke verbondshoofd, die we hebben aangewezen als het kenmerk en de eigen trek van deze brief, dan vallen ons twee zaken op die nauw met deze verhouding samenhangen. 1. Haar bestaan. 2. Haar welzijn. Eerst dat de gemeente er is en dan dat zij is wat zij is. Het eerste punt zullen we maar kort aanroeren. Het tweede hangt nauw met ons onderwerp samen en vraagt een uitvoeriger behandeling.
En als onze uitleg van dit deel van het hoofdstuk wat dor of droog lijkt omdat hij vooral leerstellig is, bedenk dan dat gezonde en heldere leer altijd moet voorafgaan aan alle gezonde en heldere bevinding van de waarheid in haar zuiverheid en kracht. Zij moet daarvan het fundament zijn.
1. Dat er überhaupt een gemeente is, is op zichzelf een wonder dat al onze pogingen om het te begrijpen of uit te leggen te boven gaat en verbijstert. Bedenk maar een ogenblik wat er besloten ligt in het eenvoudige feit dat ons alleen door goddelijke openbaring is bekendgemaakt en alleen door geloof wordt aanvaard. Er is een gemeente die God heeft gezegend met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.
Bedenk dat God vóór de grondlegging van de wereld een ontelbare menigte uit het mensdom heeft uitverkoren. Bedenk dat deze in hun verenigde samenkomst één volmaakt harmonieus lichaam zouden vormen, het mystieke lichaam van Christus, en als zodanig de Bruid en Gade van de Zoon van God zouden zijn. Wat een verborgenheid van wijsheid en genade is hier!
Nu kennen we slechts ten dele (1 Korinthe 13:9). Daarom kunnen we alleen als in heilige bewondering aan de rand staan van deze zee van liefde en genade. In onze tijdelijke staat kunnen we er niet op uitvaren en haar oversteken. We geloven het alleen op het getuigenis van God in het woord. En als we ons in hoop mogen verblijden over een persoonlijk deel eraan, is dat alleen door het getuigenis van God in de ziel.
Als we dus door het geloof zien wat de apostel noemt verborgenheid van Christus, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God maar die op de bestemde tijd is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest, dan kan bij ons misschien de vraag opkomen: „Hoe kunnen deze dingen zijn?” Die verborgenheid is de vereniging van Hoofd en leden tot één mystiek lichaam.
Ons voornaamste antwoord hierop moet dan zijn: O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. (Romeinen 11:33-36).
Maar als we deze goddelijke verborgenheid bezien zoals zij in het woord van de waarheid is geopenbaard, met bijzondere aandacht voor de twee genoemde punten, mogen we kort zeggen het volgende. De soevereine wil van God is de oorzaak van het bestaan van de gemeente. Zijn eeuwige liefde, grenzeloze genade en oneindige wijsheid zijn de oorzaak van haar welzijn.
Het is misschien niet goed om al te fijne of overbodige onderscheidingen te maken. Toch kan het onze gedachten bij het overdenken van deze hemelse verborgenheid helpen te zien dat er verschil is tussen de gemeente die eenvoudig de bruid van Christus is en de gemeente als bruid die voor Hem met al haar schoonheid en heerlijkheid is versierd.
Een eenvoudig voorbeeld kan ons hier helpen. Jeugd, schoonheid en bevallige talenten, zachtheid van aard en beminnelijkheid van gemoed maken geen vrouw tot vrouw. Ze zijn ook niet nodig om liefde in het hart van een man te ontsteken. Toch kunnen ze de bruid die ze bezit zeer dierbaar maken aan hem die haar genegenheid heeft gewonnen en haar nu door het huwelijk de zijne kan noemen.
Zo maken ook de tegenwoordige genade en de toekomstige heerlijkheid van de gemeente haar niet tot gemeente. Maar nu zij door de verordening van de Vader tot gemeente is gemaakt, verhogen haar schoonheid en lieflijkheid de liefde van haar hemelse Bruidegom. Ze lokken bijna verrukte woorden uit Zijn mond: Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals. Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer olien dan alle specerijen! (Hooglied 4:7; Hooglied 4:9-10).
Het is deze schoonheid van de gemeente die we nu moeten ontvouwen. Zij bestaat namelijk vooral hierin dat zij met alle geestelijke zegeningen in Christus is gezegend.
2. Omdat het dus de soevereine goede wil en het welbehagen van de Vader was dat er een gemeente zou zijn als bruid en gade van Zijn dierbare Zoon, ging Zijn liefde uit om haar te zegenen. Zijn genade ging uit om haar te verrijken en Zijn wijsheid om haar uit te rusten met elke geschiktheid voor haar hoge en hemelse roeping. Ook voor die staat van uiteindelijke en eeuwige heerlijkheid waarvoor Hij haar had bestemd. En zien we hierin niet een heerlijke schoonheid en harmonie?
De gemeente is een schepsel, ook in haar oorspronkelijke onschuld en in de hele reinheid van haar onbedorven staat. Zoals zij dus alleen door de soevereine goede wil en het welbehagen van God kon bestaan, zo kon zij zichzelf niet uitrusten met de eigenschappen die haar een geschikte bruid, vriendin en gezellin voor de Zoon van God zouden maken. Zoals de liefde dus het hart van de Vader naar haar bewoog, zo bestuurde de wijsheid Zijn raadsbesluiten. Het gevolg was dat Hij haar zegende met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in de Zoon van Zijn liefde.
Zo was zij van tevoren in de eeuwigheid bereid als een bruid, die voor haar man versierd is. Want Hij zag haar, Die het einde ziet van het begin af en bij Wie noch tijd noch ruimte is maar één eeuwig „nu”, toen al zoals zij op een dag zal verschijnen. Dan is zij getooid met alle schoonheid van heiligheid en straalt zij in de hele heerlijkheid van de Heere het Lam.
Vers 4. Maar dit brengt ons terug bij de draad van onze uitleg. Wat volgde er namelijk op de soevereine goede wil en het welbehagen van God dat er een gemeente zou zijn en dat Hij haar zegende met alle geestelijke zegeningen in Christus? De vaste keuze van de leden van dit mystieke lichaam. Wij geloven dat die niet algemeen en zonder onderscheid was. Ze was niet nationaal of tot voorrechten en ook niet met het oog op voorzien geloof en voorziene gehoorzaamheid.
Ze was ook niet een ander dergelijk stelsel dat het vernuft van de mens heeft bedacht om een leerstuk dat de vleselijke gezindheid aanstoot geeft te vernietigen of smakelijk te maken. Het was een persoonlijke en individuele uitverkiezing. Met andere woorden: een absolute, onvoorwaardelijke en afzonderlijke keuze van elk individueel lid, zodat er in hun geheel noch meer noch minder zouden zijn dan nodig was voor een volmaakt lichaam.
Deze persoonlijke en individuele uitverkiezing wordt aangeduid in de woorden: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde (Efeze 1:4). Het verband tussen dit vers en het voorgaande ligt in het woord „Gelijk”. Eerst verklaart de apostel eenvoudig dat God ons heeft gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus. Nu laat hij zien waarom en hoe Hij ons zo heeft gezegend. Het is dit: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld.
De uitverkiezing in Christus gaat dus vooraf aan het gezegend zijn met alle geestelijke zegeningen. Want we zijn er alleen mee gezegend als we in Hem zijn en we zijn alleen in Hem als in Hem uitverkoren. Zo zien we hoe belangrijk en gewichtig de waarheid van de uitverkiezing is. Niet alleen ons huidige bestaan, ons nu leven en bewegen op deze aarde, is erin begrepen. Ook al onze hoop en verwachting voor de toekomst concentreert zich erin.
De uitverkiezing is ook, mogen we opmerken, hoewel afzonderlijk en persoonlijk, niet zoals soms los en verward wordt gezegd een louter abstracte of absolute keuze van personen tot eeuwige zaligheid zonder rekening te houden met hun vereniging met hun verbondshoofd. Volgens onze tekst is zij een keuze van hen in Christus. Zij gaat daarom aan elke zegening vooraf en deze werden alleen door haar en overeenkomstig haar gegeven.
God koos Hem en de uitverkorenen in Hem op hetzelfde ogenblik en met één en dezelfde daad. Jezus Christus is dus het Hoofd van de uitverkiezing en van de uitverkorenen van God. In het natuurlijke lichaam werd immers niet eerst het hoofd gevormd en daarna de leden. Hoofd en leden werden door één en dezelfde daad op hetzelfde moment tot bestaan geroepen. Zo was het ook met de mystieke Christus.
God de Vader koos niet eerst Christus tot Middelaar om daarna door een latere daad Zijn volk te kiezen en in Hem te plaatsen. Dat zou een Hoofd zonder leden betekenen, een Bruidegom zonder bruid, een Herder zonder schapen en een Wijnstok zonder ranken. Hij koos Hem en hen in Hem door één eeuwige daad.
U moet ook goed in gedachten houden dat Christus door deze daad van uitverkiezing niet tot Zoon van God werd gekozen. Dat was en is Hij immers altijd krachtens Zijn eeuwige bestaanswijze. Maar Hij was al en eeuwig de Zoon van de Vader in waarheid en liefde en werd als vleesgeworden voorzien en voorbestemd. Zo werd Hij gekozen als Middelaar, God-mens, en Zijn volk in Hem als zodanig.
Hier zien we zowel hun bestaan als hun welzijn: waarom zij zijn en waarom zij zijn wat zij zijn. Hier zien we twee goddelijke verborgenheden ontvouwd waarin alles besloten ligt wat de uitverkorenen van God zijn en ooit zullen zijn. 1. Hun vereniging met Christus. 2. De zegeningen die zij in Hem bezitten krachtens die vereniging. Hier zien we waarom en hoe God hen met alle geestelijke zegeningen heeft gezegend. Het is in Hem en omdat zij in Hem zijn doordat zij in Hem zijn uitverkoren.
Toen God hen zag in vereniging met Zijn dierbare Zoon, heeft Hij hen liefgehad met dezelfde liefde waarmee Hij Hem liefhad (Johannes 17:23). Uit de volheid van deze liefde zegende Hij hen met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Hem. Het was alsof Hij niet genoeg kon doen voor de bruid van Zijn dierbare Zoon. Het was alsof Hij haar wilde verrijken en begiftigen met elke zegening die haar niet alleen kon bekwamen tot een geschikte gade. Zij moest ook worden verheven tot een staat van heiligheid, geluk en heerlijkheid.
Die staat ging alle menselijk of engelachtig denken en voorstellen te boven. Hij was ook zo dat Hij het hart van God Zelf zou bevredigen en tot in eeuwigheid de rijkdom van Zijn wijsheid en genade zou tonen. Ook de hoogte, diepte, lengte en breedte van Zijn liefde zou Hij erin tonen.
Dit brengt ons dus terug bij een uitvoeriger overweging en onderzoek van de GEESTELIJKE ZEGENINGEN waarmee God de gemeente in de hemelse gewesten in Christus heeft gezegend. i. De eerste geestelijke zegen is dat we zijn uitverkoren in Hem, voor de grondlegging der wereld, om heilig en onberispelijk te zijn voor God in de liefde. Zelf geven we er de voorkeur aan de punt te plaatsen na „voor Hem” en de woorden „in de liefde” te verbinden met het volgende vers. Dan luidt het: „In liefde ons voorbestemd hebbende.” Maar eerst nemen we de woorden zoals ze in onze vertaling staan.
Er wordt hier van twee geestelijke zegeningen gesproken. 1. Heiligheid. 2. Onberispelijkheid. Tot beide werd de gemeente gekozen als noodzakelijke eigenschappen om haar een geschikte bruid voor de Zoon van God te maken. Omdat het zeer wenselijk is te begrijpen wat deze twee eigenschappen betekenen of inhouden, zullen we proberen ze afzonderlijk uiteen te zetten. Zo kunnen we hun geestelijke betekenis binnengaan en onze eigen staat en stand eraan toetsen.
We mogen hier opmerken dat al onze opvattingen over haar zwak en gebrekkig zullen zijn als we onze ogen niet kunnen opheffen naar de positie die de gemeente inneemt als gade en bruid van de Zoon van God. Dan zal ook onze eigen ervaring van geestelijke zegeningen, als hun doel en uitkomst, dof en verward zijn. Het grote doel en de uitkomst van alle persoonlijke ervaring van geestelijke zegeningen is ons te brengen in geopenbaarde vereniging en gemeenschap met de Heere Jezus. Zo drinken we Zijn geest in, hebben Zijn gezindheid en worden aan Zijn beeld gelijkvormig. Zo worden we één geest met Hem. Zonder dit kan er geen gemeenschap zijn tussen Hem en ons.
Zelfs in het aardse huwelijk moet er enige vereniging van ziel zijn en van lichaam, van gemoed en van persoon, van geest en van vlees, tussen man en vrouw. Zeker bij het volk van God is dat nodig om het huwelijksleven gelukkig te maken. Wat maakt zoveel huwelijken ongelukkig dan het verschil en de onverenigbaarheid van gemoed of aard tussen de partners?
Toen God dus een bruid voor Zijn dierbare Zoon wilde bereiden, zorgde Hij overvloedig dat zij een geschikte vriendin en gezellin zou zijn en ook Zijn gehuwde gade. Zij zouden samen wonen in de zaligste innigheid van de geest door een heerlijke eeuwigheid heen. Zij moest daarom volkomen gelijkvormig zijn aan Zijn beeld. Dan kon Hij zich in haar verlustigen als zij Zijn schoonheid en heerlijkheid weerspiegelde. En zij kon zich in Hem verlustigen als zij alle volmaaktheden van de Godheid zag stralen door het middel van Zijn verheerlijkte menselijke natuur.
Dit was waarom God haar koos tot het bezit en genot van twee van de rijkste geestelijke zegeningen die zelfs Zijn wijsheid kon bedenken of Zijn liefde kon schenken. 1. Een volmaaktheid van heiligheid van binnen. 2. Een volmaaktheid van smetteloze schoonheid van buiten. De psalmist zet ze samen in één vers: Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig. Daar is haar innerlijke volmaaktheid in heiligheid. En verder: haar kleding is van gouden borduursel. Daar is haar uiterlijke volmaaktheid. We zullen beide zegeningen bekijken in verband met het vers dat nu voor ons ligt. En eerst de keuze van de gemeente tot heiligheid.
1. Onder HEILIGHEID kunnen we twee dingen verstaan. 1. Heiligheid in haar kiem of aardse begin. 2. Heiligheid in haar volle rijpheid of hemelse voltooiing. God is wezenlijk en oneindig heilig en Hij heeft tot Zijn volk gezegd: Zijt heilig, want Ik ben heilig (1 Petrus 1:16). Hij is zo heilig dat niets wat onheilig is in Zijn tegenwoordigheid kan leven. Zoals dus zonder heiligheid niemand de Heere kan zien, zo kan zonder heiligheid niemand de Heere genieten.
Heiligheid als innerlijke genade is bij uitstek een geestelijke zegen. Zij bestaat vooral in een geestelijk vermogen om te genieten van God als wezenlijk en onuitsprekelijk heilig. Ook bestaat zij in gemeenschap met Hem uit eenheid van geest met de Heere Jezus, Die is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid. De zaligheid van de hemel is niet alleen volkomen heilig te zijn. Zij is ook eeuwige gemeenschap te genieten met een drie-enige God in alle schoonheid van heiligheid.
Dit is de geschiktheid voor het erfdeel van de heiligen in het licht. Zonder die geschiktheid zou de hemel, als zij die konden bereiken, voor hen geen hemel zijn. Er ligt een diepte van levende waarheid in die opmerkelijke woorden van de apostel waar we al naar verwezen: Maar die den Heere aanhangt, is een geest met Hem (1 Korinthe 6:17). Zo is er zelfs hier beneden, met al onze zwakheid en zondigheid, een zoet geestelijk behagen in Christus als de Heilige Israëls. En voor zover is er een gezegende gemeenschap met Hem, als aan Hem verbonden en één geest met Hem.
Hoewel we in onszelf zulke afschuwelijke, weerzinwekkende melaatsen zijn, van buiten en van binnen bezoedeld door elke zonde en misdaad, kunnen we toch niet anders dan met de ogen van onze nieuwe mens de schoonheid van de Koning bewonderen zoals Hij Zich aan ons voordoet. Hij wint en neemt elke genegenheid van ons gewillige hart voor Zich in. Als we onszelf ooit haten en verafschuwen vanwege onze ongerechtigheden, komt dat doordat we zo anders zijn dan Hij. We hebben zo gezondigd tegen en voor de ogen van Zijn oneindige reinheid en tegen Zijn bloedende, stervende liefde.
Zonde, gruwelijke zonde, is de oorzaak van al ons verdriet, onze last en onze moeite. En we zijn er zeker van dat we, welke ogenblikken van vrede we nu en dan ook mogen genieten, nooit volkomen gelukkig kunnen of zullen zijn voordat we volkomen heilig zijn. Pas dan zijn we voor altijd af van onze dagelijkse plaag en voortdurende last. De woorden van Hart drukken onze gevoelens goed uit: „Maar ik wil heilig zijn.” En waaruit ontspringt zo’n gevoel en zo’n verlangen? Uit het geboren zijn uit God. Het is onze nieuwe natuur, onze uit de Geest geboren geest, die heilig is. Niet ons vlees waarin geen goed woont.
Het is deze heilige en goddelijke natuur in ons die de zonde haat en hijgt naar heiligheid. Zij smaakt heilige bezigheden en verlustigt zich in geestelijke genietingen. Zij gelooft en hoopt en bemint. Zij bidt en prijst, zingt en zucht afwisselend, siddert en verheugt zich, ligt aan de voetbank en wacht bij de deurposten, treurt als een duif en stijgt op als een arend.
Maar in dit tegenwoordige aardse leven is dit beginsel van heiligheid slechts een kiemend zaad onder de kluiten, een zaadje in de voor, een tere halm tussen het onkruid, een lelie tussen de doornen. De aarde is niet het natuurlijke klimaat of het bestemde tehuis ervan. Het is nu wel in het huis des HEEREN geplant, maar het zal alleen in volle volmaaktheid groeien in de voorhoven onzes Gods (Psalm 92:14).
Tot deze uiteindelijke staat van volmaaktheid in heiligheid is de gemeente uitverkoren. En God zal zeker voleindigen wat haar aangaat en de werken van Zijn eigen handen niet laten varen. Hij is het Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus (Filippenzen 1:6). Want: Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zullen ook Zijn heiligen met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Bij Zijn verschijning is Hij het Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen. Dan, en niet eerder, zal de heiligheid waartoe de gemeente is uitverkoren volmaakt en volledig zijn. Heilig naar ziel en heilig naar lichaam en beide geheel gelijkvormig aan het volmaakte voorbeeld van de verheerlijkte menselijke natuur van de Zoon van God. Zo zullen de heiligen eeuwig wonen in vereniging en gemeenschap met hun liefhebbende en geliefde Heere.
2. Dan ook zal de gemeente onberispelijk zijn voor God. De meeste uitleggers verbinden, geloven wij, deze geestelijke zegen met de voorgaande alsof ze er één vormden. Maar wij zien ze liever, zoals al opgemerkt, als afzonderlijk. We betrekken de zegen van de heiligheid op het innerlijke karakter van de gemeente en de zegen van de ONBERISPELIJKHEID op haar uiterlijke karakter.
Rechtvaardiging en heiligmaking zijn afzonderlijke zegeningen. De eerste ontspringt aan het voleindigde werk van de Zoon van God en hangt daarmee samen. De andere ontspringt aan het werk van de Heilige Geest aan de ziel en hangt daarmee samen. De zonde heeft onze personen uitwendig bezoedeld en onze zielen inwendig verontreinigd. Daarom kunnen we niet voor God staan tenzij gewassen in het bloed van het Lam en bekleed met Zijn smetteloze gerechtigheid.
Deze gerechtigheid vormt ons recht op de hemel zoals heiligheid onze geschiktheid ervoor vormt. De eerste is ons bruiloftskleed en de tweede onze geestelijke bekwaamheid. Het lied maakt dit onderscheid goed:
„Hij heeft mijn ontblote ziel gesierd en het heil tot het mijne gemaakt. Op een arme, bezoedelde worm laat Hij Zijn genaden stralen.
En opdat zelfs de schaduw van een vlek niet op mijn ziel gevonden zou worden, nam Hij het kleed dat de Heiland had gewrocht en wierp het helemaal om mij heen. De Geest werkte mijn geloof en liefde en hoop en elke genade. Maar Jezus besteedde Zijn leven om het kleed van de gerechtigheid te weven.”
Zonder deze twee eigenschappen, welke toegang zou er tot de hemel zijn en welk geluk daar als de toegang werd verkregen? Bedenk niet alleen de oneindige reinheid en heiligheid van God maar ook de gloeiende luister van Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid en de doordringende straal van Zijn diep doorzoekende oog. Wie of wat kan in Zijn tegenwoordigheid leven behalve wat volstrekt volmaakt is van buiten en van binnen?
Maar dat kon de gemeente niet zijn tenzij zij gewassen was in het bloed en bekleed met de gerechtigheid van Gods dierbare Zoon en volmaakt geheiligd door de werking en inwoning van Zijn Geest. Daarom lezen we: Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord; Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk (Efeze 5:25-27).
Beide zegeningen zijn in bovenstaande woorden vervat. Dat Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven, houdt Zijn bloedvergieten en gehoorzaamheid in. Daardoor werd zij zo volledig en volkomen gerechtvaardigd dat zij onberispelijk is voor God. En dat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord, wijst op het werk van de heiligmaking. Dat gebeurt door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes. Daardoor wordt zij heilig gemaakt: hier in beginsel en hierna volmaakt.
Het uiteindelijke doel van zowel haar rechtvaardiging als haar heiligmaking is: Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
En als we voorlopig de gebruikelijke lezing aanhouden, dan is dit alles in de liefde. De liefde was immers de drijvende oorzaak zoals zij de eindvoltooiing zal zijn van het hele raadsbesluit van God. Hij zegt daarom: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. Daar is de drijvende oorzaak. En verder: daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Daar is de uitvoering van de voornemens van Zijn hart.
Hij trekt haar aan Zijn eigen borst door de koorden van Zijn goedertierenheid, hier om te proeven en daar om volkomen te genieten. Dan zal de gemeente, volmaakt in heiligheid en onberispelijk in gerechtigheid, door haar hemelse Bruidegom smetteloos worden voorgesteld voor het aangezicht van de Vader met grote vreugde (Judas 24). En zo zal zij eeuwig wonen in Zijn liefde.
Efeze 1:5.
3. De volgende geestelijke zegen is de VOORBESTEMMING: Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil (Efeze 1:5).
We hebben gezegd dat we de voorkeur geven aan de punt na „voor Hem” en dus de woorden „in de liefde” verbinden met het volgende vers. Het geheel luidt dan: „in liefde ons voorbestemd hebbende” enzovoort. De redenen waarom we aan deze lezing de voorkeur geven zullen we nu proberen uit te leggen.
Ten eerste neemt het een kleine moeilijkheid weg die zich lijkt voor te doen bij het duidelijk verstaan van de uitdrukking „onberispelijk zijn voor God in de liefde”. Want hoewel we een uitleg van de woorden hebben gegeven zoals ze naar we geloven gewoonlijk worden uitgelegd, belijden we toch dat die ons allerminst volledig bevredigt. Het is gemakkelijk te begrijpen wat het is om uitverkoren te zijn tot volmaakte heiligheid en tot smetteloze onberispelijkheid voor God. Maar volgens onze opvatting is het niet zo gemakkelijk te zien wat het betekent dit „in liefde” te zijn. Want het is niet de liefde die de heiligheid of de onberispelijkheid voortbrengt, hoewel zij beide verhoogt en voltooit.
Maar als we „in liefde” verbinden met de volgende zin, wordt niet alleen deze kleine moeilijkheid weggenomen. We krijgen er ook een mooie en gezegende reden door waarom God ons te voren heeft verordineerd tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus in Zichzelf. En zo laten we het volkomen harmoniëren met de woorden van Johannes over hetzelfde punt: Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent (1 Johannes 3:1).
We kunnen er als punt van geleerde kritiek ook aan toevoegen dat enkele van de oudste vertalingen en kerkvaders de passage zo lezen. Ook is zij overgenomen door de beste en nieuwste uitgaven van het Griekse Nieuwe Testament. Maar onze voornaamste redenen om de woorden zo te verbinden zullen we straks vollediger uiteenzetten. Als we deze wijze van verbinden dus aanhouden, overwegen we nu wat het betekent dat God ons heeft te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven.
1. En ten eerste: wat is het verschil tussen uitverkiezing en voorbestemming? Of is er wel enig verschil tussen beide? Het is nauwelijks de moeite om bij zulke moeilijke punten fijne onderscheidingen te maken. Toch kunnen we veilig concluderen dat er enig verschil tussen is, anders zou de apostel de twee woorden niet gebruikt hebben. We kunnen dus kort zeggen dat de uitverkiezing de eerste daad in de gedachten van God is. Daarmee koos Hij de personen van de uitverkorenen om heilig en onberispelijk te zijn. De voorbestemming was de tweede daad die door een vast besluit de staat bekrachtigde van hen aan wie de uitverkiezing het bestaan had gegeven.
Nadat Hij hen in Zijn dierbare Zoon had gekozen tot een volmaaktheid van heiligheid en gerechtigheid, ging Zijn liefde uit. Niet alleen om hun staat door een vast besluit te bevestigen maar ook om een andere zegen toe te voegen, de hoogste en grootste die zelfs Zijn liefde kon schenken. Namelijk om hen door aanneming Zijn eigen kinderen te maken en zo Zelf hun Vader en hun God te worden.
Hij had, om zo te zeggen, hier kunnen stoppen. Hen te kiezen tot volmaakte heiligheid en smetteloze volmaaktheid zou hun geluk ruimschoots hebben verzekerd, want dat is alles wat de engelen hebben. Maar Zijn liefde tot Zijn dierbare Zoon was zo onmetelijk, ja zo oneindig, dat Zijn liefde naar hen uitging als naar een volk dat Hij in Hem had gekozen. Zij ging naar hen uit als naar één met Zijn eigen Zoon. In de diepte van die liefde heeft Hij hen voorbestemd tot de aanneming tot kinderen voor Zichzelf.
Hier zien we dus een stevige en wezenlijke reden waarom „in liefde” voor „voorbestemd hebbende” moet staan. Het toont ons duidelijker de bewegingen van Gods liefde bij het verrijken van de gemeente met die grootste en beste van alle zegeningen: de aanneming tot kinderen voor Zichzelf. Hij zag hen in Christus, in vereniging met de Zoon van Zijn liefde, en wilde meer voor hen doen dan hen volmaakt te maken in heiligheid en gerechtigheid. Hij wilde hen aannemen als Zijn eigen kinderen en hen liefhebben met dezelfde liefde waarmee Hij Zijn dierbare Zoon liefhad!
Een beeld kan ons hier misschien helpen. Een vader kiest een bruid voor zijn zoon, zoals Abraham er een koos uit zijn eigen verwanten voor Izak. Hij geeft haar een mooie bruidsschat en schenkt haar bruidssieraden zoals Eliëzer ze Rebekka aandeed. Maar zodra zij de gade van zijn zoon wordt, wordt zij zijn dochter. Dan stroomt zijn genegenheid naar haar uit, niet alleen als naar een geschikte bruid voor zijn dierbare zoon. Hij bewondert niet alleen haar schoonheid en bevalligheid en is niet alleen bekoord door de zoetheid van haar aard. Hij wordt ook bewogen met vaderlijke liefde tot haar als tot een die tot hemzelf is aangenomen en zo een nieuwere en nauwere verhouding inneemt.
Beelden zijn natuurlijk noodzakelijk onvolkomen en mogen daarom niet te ver worden doorgetrokken. Maar als het beeld dat we hebben aangehaald ons enigszins helpt tot een helderder begrip van Gods wonderbare liefde in onze aanneming tot Zichzelf, is het niet misplaatst. We zien zo dat de voorbestemming tot de aanneming tot kinderen een hogere, rijkere en grotere zegen is dan de uitverkiezing tot heiligheid en onberispelijkheid. Ze kan dus gezegd worden daarop te volgen als een extra en bijzondere vrucht van Gods liefde.
Maar de liefde van God bij het voorbestemmen van de gemeente tot de aanneming tot kinderen door Jezus Christus voor Zichzelf heeft een nog diepere wortel. Het is niet alleen dat Hij haar ziet als de Bruid van Zijn dierbare Zoon. Zij ontspringt aan het ware, werkelijke en eeuwige Zoonschap van Jezus en hangt er het nauwst en innigst mee samen. Doordat de uitverkorenen in Christus zijn gekozen, worden zij zonen van God. Waarom? Omdat Hij de ware, werkelijke en wezenlijke Zoon van de Vader is. Zo worden zij, in vereniging met Hem Die van nature de Zoon van God is, zonen van God door aanneming.
Was Hij slechts Zoon door ambt of door menswording, dan zou dit niet het geval zijn. Dan zou Hij zelf immers slechts een Zoon door aanneming zijn. Maar omdat Hij de Zoon van God is naar Zijn eeuwige bestaanswijze, kan Hij zeggen: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft. „Ik, Uw Zoon van nature, zij Uw zonen door aanneming.” We zien dus dat de liefde van God tot Zijn eniggeboren Zoon zo groot en zo bijzonder was dat Zijn hart de gemeente, gezien in vereniging met Hem, omarmde met dezelfde liefde waarmee Hij Hem liefhad!
De apostel voegt daarom toe: in Zichzelven. Geen woorden kunnen de gedachten van Gods hart jegens de gemeente en de uiteindelijke voltooiing van Zijn eeuwige voornemens beter weergeven. Door de gemeente in Christus tot heiligheid te kiezen en haar te voorbestemmen tot de aanneming tot kinderen, wilde Hij haar brengen in vereniging en gemeenschap met Zichzelf. Maar dit kon zij als schepsel, hoe heilig en volmaakt ook, niet hebben dan door vereniging met de Zoon van God.
Engelen zijn heilig en onberispelijk voor God, maar zij hebben geen vereniging en gemeenschap met Hem. Waarom? Omdat zij geen vereniging en gemeenschap hebben met Zijn dierbare Zoon. Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan. Christus kon daarom van de engelen niet zeggen: Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in een. Evenmin kon Hij van hen die wonderlijke woorden gebruiken: Opdat zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn (Johannes 17:21; Johannes 17:23).
Maar omdat we niet te lang bij één punt mogen blijven, gaan we door met onze uitleg van de volgende woorden: naar het welbehagen van Zijn wil, Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde (Efeze 1:5-6). Hier worden twee dingen genoemd als drijvende oorzaken in Gods gedachten. 1. Het welbehagen van Zijn wil. 2. De prijs van de heerlijkheid van Zijn genade. We zullen deze afzonderlijk bekijken.
1. naar het welbehagen van Zijn wil. Dit mogen we de bepalende oorzaak noemen van het hele raadsbesluit van God bij de keuze van de gemeente en bij haar zegenen met alle geestelijke zegeningen. De prijs van de heerlijkheid van Zijn genade was het uiteindelijke doel. Haar zo te begiftigen en te zegenen was Zijn soevereine wil. En let op de uitdrukking het welbehagen van Zijn wil.
Alle dingen zijn en bestaan alleen door de wil van God, dat wil zeggen Zijn blote, absolute, soevereine wil. Maar toen Hij wilde dat er een gemeente zou zijn in vereniging met Zijn dierbare Zoon, verheugde en verlustigde Hij Zich in die bijzondere daad van Zijn wil. Het was daarom het welbehagen van Zijn wil.
Een aardse vorst moet soms straffen. Het is nodig voor een goed bestuur dat de wet strikt wordt uitgevoerd. Maar hoewel het zijn wil is, is het niet zijn behagen. Hij verlustigt zich niet in het uitvoeren van een noodzakelijke daad van gerechtigheid. Maar als hij zijn recht van genade uitoefent door een misdadiger te vergeven, kan hij daar een voelbaar genoegen in hebben. Zo heeft God lust aan goedertierenheid (Micha 7:18), terwijl straffen Zijn „vreemde daad” is (Jesaja 28:21), alsof ze vreemd was aan Zijn barmhartige gezindheid.
Toen God dus de gemeente koos tot heiligheid en onberispelijkheid en haar voorbestemde tot de aanneming tot kinderen door Jezus Christus voor Zichzelf, was het niet alleen Zijn wil maar het welbehagen van Zijn wil. En dit geeft ons nog een reden om „in liefde” te verbinden met „voorbestemd hebbende”. Want het welbehagen van Zijn wil, waarnaar Hij de gemeente koos en zegende, was de uitwerking van Zijn liefde in een positieve daad van welgevallige wil.
Wat is het mooi om de zoete en heerlijke harmonie te zien tussen de liefde van God, het welbehagen van God en de wil van God. Alle werken in gezegende samenklank bij het uitverkiezen van de gemeente in Christus tot heiligheid en gerechtigheid en bij het voorbestemmen van haar tot de aanneming tot kinderen door Jezus Christus voor Zichzelf.
Wat een inzicht geeft het ons in God, niet slechts als absolute soeverein Die alle dingen beschikt naar de raad van Zijn eigen wil, maar Die uitgaat in goedheid en liefde! Zo mogen we, naarmate we onze verloren en ondergane staat zien en voelen, door de kracht van Zijn genade de liefde, die God tot ons heeft kennen en geloven (1 Johannes 4:16). En zo worden we aangemoedigd om altijd naar Hem op te zien en op Hem te wachten.
2. Het volgende punt dat we moeten overwegen is het uiteindelijke DOEL van deze raadsbesluiten van God: Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade. Maar omdat dit een breed onderwerp is, moeten we onze gedachten daarover uitstellen tot onze volgende studie.
Viewing the Church of Christ in her relationship to her glorious covenant Head, which we have pointed out as the characteristic mark and distinguishing feature of this Epistle, two things, intimately connected with this relationship, prominently meet our eye—1, her being; 2, her well-being; first that the Church is; secondly, that she is what she is. The first of these two points we shall but briefly touch upon; the second, as intimately connected with our subject, will require from us a fuller and larger degree of handling. And if our exposition of this part of the chapter should seem somewhat dull or dry, as being chiefly doctrinal, be it borne in mind that sound and clear doctrine must ever precede and be the foundation of all sound and clear experience of the truth in its purity and its power.
1. That there should be a Church at all is, in itself, a marvel which surpasses and baffles all our attempts to understand or explain; for consider, for a moment, what is involved in the simple fact made known to us only by divine revelation, and only received by faith, that there is a Church, “blessed with all spiritual blessings in heavenly places in Christ.” That God should have chosen, before the foundation of the world, an innumerable multitude of the human race, and that these should form, in their united assemblage, one perfect, harmonious body—the mystical body of Christ, and as such should be the Bride and Spouse of the Son of God—what a mystery of wisdom and grace is here! At present, we know but in part, (1 Cor. 13:9,) and can therefore, only stand, as if in holy admiration, on the brink of this sea of love and grace, without being able, in our time-state, to embark upon and sail over it. We believe it only on the testimony of God in the word; and if we can rejoice in hope of personal interest in it, it is only from the testimony of God in the soul.
As, then, by faith we view what the Apostle calls “the mystery of Christ,” which “from the beginning of the world was hidden in God, but in due time was revealed unto the holy apostles and prophets by the Spirit,” which mystery is the union of Head and members into one mystical body, the question may, perhaps, arise in our mind, “How can these things be?” To this our chief answer must be, “O the depth of the riches both of the wisdom and knowledge of God! How unsearchable are his judgments, and his ways past finding out! For who has known the mind of the Lord? Or who has been his counselor? Or who has first given to him, and it shall be recompensed unto him again? For of him, and through him, and to him, are all things; to whom be glory forever. Amen.” (Rom. 11:33-36.)
But viewing this divine mystery as revealed in the word of truth, with special reference to the two points already named, we may briefly say that the sovereign will of God is the cause of the Church’s being; and his eternal love, boundless grace, and infinite wisdom the cause of her well-being.
It is not well, perhaps, to draw too fine or needless distinctions; and yet it may help our thoughts in contemplating this heavenly mystery to see that there is a distinction between the Church simply being the bride of Christ, and the Church being a bride adorned for him with all her beauty and glory. A simple illustration may assist us here. Youth, beauty, and graceful accomplishments, sweetness of temper, and amiability of disposition, do not constitute womanhood; nor are they necessary to kindle love in man’s heart; and yet they may much endear the bride who possesses them to him who has won her affections, and can now call her by marriage his. So the Church’s present grace and future glory do not make her to be a Church; but being constituted a Church by the appointment of the Father, her beauty and loveliness enhance her heavenly Bridegroom’s love, and call forth those almost rapturous words from his lips, “You are all fair, my love; there is no spot in you.” “You have ravished my heart, my sister, my spouse; you have ravished my heart with one of your eyes, with one chain of your neck. How fair is your love, my sister, my spouse! How much better is your love than wine; and the fragrance of your ointments, than all spices!” (Song of Sol. 4:9, 10.)
It is this beauty of the Church which we have now to unfold; for it mainly consists in her being blessed with all spiritual blessings in Christ.
2. It being, then, the sovereign goodwill and pleasure of the Father that there should be a Church, as the bride and spouse of his dear Son, his love went out in blessing her, his grace in enriching her, and his wisdom in furnishing her with every qualification suitable to her high and heavenly calling, and to that state of ultimate and eternal glory for which he had designed her. And do we not see a glorious beauty and harmony in all this? Being but a creature, even in her primitive innocence, in all the purity of her unfallen condition, the Church, as she could have had no existence but by the sovereign goodwill and pleasure of God, so she could not have furnished herself with those qualifications which should render her a suitable bride, friend, and companion for the Son of God. As then love moved the heart of the Father toward her, so wisdom directed his counsels; and the result was that he blessed her with all spiritual blessings in heavenly places in the Son of his love. Thus was she prepared beforehand in eternity as “a bride adorned for her husband;” for she was viewed by him, “who sees the end from the beginning,” with whom there is neither time nor space, but one eternal “now,” then as she will one day appear, arrayed in all the beauties of holiness, and shining forth in all the glory of the Lord the Lamb.
Verse 4. But this brings us to resume the thread of our exposition; for what followed upon the sovereign goodwill and pleasure of God that there should be a Church, and that he blessed her with all spiritual blessings in Christ? The determinate choice of the members of this mystical body, which we believe to have been not general and indiscriminate, not national or to privileges, not with respect to faith and obedience foreseen, or any other such scheme as the wit of man has devised to nullify or render palatable a doctrine offensive to the carnal mind; but an election personal and individual; in other words, an absolute, unconditional, and distinct choice of every individual member, so that there should be, in their totality, neither more nor fewer than should make a perfect body. This personal and individual election is intimated in the words—“According as he has chosen us in him before the foundation of the world, that we should be holy and without blame before him in love.” (Eph. 1:4.)
The connection between this and the preceding verse lies in the words, “According as.” Having simply declared that God has blessed us with all spiritual blessings in heavenly places in Christ, the Apostle goes to show why and how he has so blessed us. It is “according as he has chosen us in him before the foundation of the world.” Election in Christ, therefore, precedes being blessed with all spiritual blessings; for we are blessed with them only as being in him, and we are only in him as chosen in him. We thus see what an important and momentous truth the doctrine of election is, and that in it not only our very present existence, our now living and moving on this earth, is bound up, but that all our hopes and prospects for the future center in it. Election also, we may remark, though distinct and personal, is not, as is sometimes loosely and confusedly stated, a mere abstract or absolute choice of persons to eternal salvation, irrespective of their union with their covenant Head, but, according to our text, is a choice of them in Christ. It, therefore, precedes every blessing, and they were given only through it and in accordance with it.
God chose him and the elect in him at one and the same moment, and by one and the same act. Jesus Christ is, therefore, the Head of election and of the elect of God; for as in the natural body the head was not first formed and then the members, but head and members were by one and the same act called at the same moment into being; so it was with Christ mystical. God the Father did not choose Christ first to be a Mediator, and then choose his people by a subsequent act, and put them into him, which would be setting up a Head without members, a Bridegroom without a bride, a Shepherd without sheep, and a Vine without branches; but chose him and them in him by one eternal act.
You will also carefully bear in mind that Christ was not chosen to be the Son of God by this act of election, for this he ever was and is by virtue of his eternal subsistence; but being, already and eternally being, the Son of the Father in truth and love, and fore-viewed and predestinated as incarnate, he was chosen as God-man Mediator, and his people chosen in him as such. Here we see both their being and their well-being; why they are, and why they are what they are. Here we see two divine mysteries unfolded, in which are wrapped up all that the elect of God are and all that they ever will be—1. Their union with Christ; 2. The blessings which they possess in him by virtue of that union. Here we see why and how God has blessed them with all spiritual blessings. It is “in him,” and because they are in him as being chosen in him.
Viewing them, therefore, in union with his dear Son, God loved them with the same love as he loved him (John 17:23,) and out of the fullness of this love he blessed them with all spiritual blessings in heavenly places in him. It was as if he could not do enough for the bride of his dear Son; as if he would enrich and endow her with every blessing which could not only qualify her to be a suitable spouse, but raise and elevate her to a state of holiness, happiness, and glory, not only beyond all human or angelic thought or conception, but such as would satisfy the very heart of God himself, and display to all eternity the riches of his wisdom and grace, and the height, depth, length, and breadth of his love.
This, then, brings us back to the fuller consideration and examination of the SPIRITUAL BLESSINGS with which God has blessed the Church in heavenly places in Christ.
i. The first spiritual blessing is being “chosen in him before the foundation of the world to be holy and without blame before God in love.” We prefer ourselves to put the stop after “before him,” and connecting the words “in love” with the next verse, to read it thus: “In love having predestinated us.” But we will first take the words as they stand in our translation.
Two spiritual blessings are spoken of here—1, holiness; 2, blamelessness. Unto both of these, as needful qualifications to render her a suitable bride for the Son of God, was the Church chosen. As it is very desirable to understand what is signified or implied by these two qualifications, we shall endeavor to unfold them separately, that we may enter into their spiritual meaning, and try our own state and standing by them. And we may here remark that unless we can raise our eyes to the position which the Church occupies as the spouse and bride of the Son of God, all our views of her will be weak and defective, and our own experience of spiritual blessings, as their design and result, be dim and confused.
The grand end and result of all personal experience of spiritual blessings is to bring us into manifested union and communion with the Lord Jesus, so as to drink into his spirit, have his mind, and be conformed to his likeness. We thus become one spirit with him; and without this there can be no communion between him and us. Even in earthly marriage, there must be some union of soul as well as of body, of mind as well as of person—of spirit as well as of flesh—between man and wife, and especially in the case of the people of God, to make wedded life happy. What makes so many miserable marriages but disparity and unsuitability of mind or disposition between the parties? When God, then, would provide a bride for his dear Son, he took abundant care that she should be a suitable friend and companion—as well as wedded spouse. They were to dwell together in the most blissful intimacy of spirit through a glorious eternity. She must, therefore, be perfectly conformed to his image, that he might delight in her as reflecting his beauty and glory, and she delight in him as beholding all the perfections of Deity shining forth through the medium of his glorified humanity. This was why God chose her to the possession and enjoyment of two of the richest spiritual blessings which even his wisdom could devise or his love bestow—1, perfection of holiness within; 2, a perfection of spotless beauty without. The psalmist puts them together in one verse, “The King’s daughter is all glorious within.” There is her inward perfection in holiness. “Her clothing is of wrought gold.” There is her outward perfection; We will look at both these blessings in connection with the verse now before us. And first of the choice of the Church unto holiness.
1. By HOLINESS we may understand two things—1, holiness in its germ or earthly beginning; and 2, holiness in its full maturity or heavenly completion. God is essentially and infinitely holy; and he has said to his people, “Be holy, for I am holy.” (1 Pet. 1:15.) So holy is he, that nothing which is unholy can live in his presence. As, then, without holiness no man can see the Lord, so, without holiness no man can enjoy the Lord. Holiness, as an internal grace, is especially a spiritual blessing, for it mainly consists in a spiritual capacity to delight in God as essentially and ineffably holy, and to have communion with him from oneness of spirit with the Lord Jesus, who is the brightness of his glory and the express image of his Person.
The happiness of heaven is not only to be perfectly holy, but to enjoy eternal communion with a Three-One God in all the beauties of holiness. This is the fitness for the inheritance of the saints in light, without which heaven, could they reach it, would be no heaven to them. There is a depth of vital truth in those remarkable words of the Apostle, to which we have already alluded—“But he who is joined unto the Lord is one spirit.” (1 Cor. 6:17.) Thus, even here below, with all our weakness and sinfulness, there is a sweet spiritual delighting in Christ as the Holy One of Israel, and so far a blessed communion with him as joined to him and one spirit with him.
Though in ourselves such hideous, loathsome lepers, polluted without and within by every sin and crime, yet, as partaking of his spirit and born of God into a new and hidden life, we cannot but, with the eyes of our new man, admire the beauty of the King as he presents himself to our view, and wins over and engages every affection of our willing heart unto himself. Indeed, if ever we hate and loathe ourselves on account of our iniquities, it is because we are so unlike him, and have so sinned against and before the eyes of his infinite purity and against his bleeding, dying love. Sin, horrid sin, is the cause of all our grief, burden, and trouble; and we are sure that whatever moments of peace we may now and then enjoy, we never can or shall be perfectly happy until we are perfectly holy, and be done forever with our daily plague and continual burden. The words of Hart well express our feelings—“But I would be holy.”
And whence springs such a feeling and such a desire? From being born of God. It is our new nature, our spirit born of the Spirit, which is holy; not “our flesh in which dwells no good thing.” It is this holy and divine nature in us which hates sin and pants after holiness, which relishes holy employments, and delights in spiritual enjoyments, which believes, and hopes, and loves; which prays and praises, which alternately sings and sighs; trembles and rejoices, lies at the footstool and waits at the doorposts, mourns like a dove and mounts as an eagle. But in this present earthly life, this principle of holiness is but an infant seed under the clods, as a sprouting seed in the furrow, as a tender blade amid the weeds, as a lily among the thorns. Earth is not its native climate or destined home. It is now, indeed, planted in the house of the Lord, but it will flourish only in full perfection in the courts of God. (Psalm 92:13.)
To this ultimate state of perfection in holiness is the Church chosen. And God will most certainly “perfect that which concerns her, nor will he forsake the work of his own hands.” “He who has begun the good work will perform [or ‘finish,’ margin] it until the day of Jesus Christ;” (Phil. 1:6;) for “when Christ, who is our life, shall appear, then shall his saints also appear with him in glory.” At his appearing, “he will change our vile body, that it may be fashioned like unto his glorious body, according to the working whereby he is able even to subdue all things unto himself.” Then, and not until then, will the holiness to which the Church has been chosen be perfect and complete. Holy in soul and holy in body, and each wholly conformed to the perfect exemplar of the glorified humanity of the Son of God, the saints will dwell forever in union and communion with their loving and beloved Lord.
2. Then, also, will the Church be “without blame before God.” Most commentators, we believe, connect this spiritual blessing with the preceding, as if they formed but one; but we prefer to view them, as already observed, as distinct, and to refer the blessing of holiness to the internal, and the blessing of BLAMELESSNESS to the external character of the Church. Justification and sanctification are distinct blessings. The first springs out of, and is connected with, the finished work of the Son of God; the other springs out of, and is connected with, the work of the Holy Spirit on the soul. Sin has defiled our persons externally as well as polluted our souls internally. We cannot, therefore, stand before God unless washed in the blood of the Lamb, and clothed in his spotless righteousness. This righteousness forms our title to heaven, as holiness constitutes our fitness. The former is our wedding robe, the latter our spiritual qualification. The hymn well draws this distinction:
“’Tis he adorned my naked soul,
And made salvation mine;
Upon a poor, polluted worm
He makes his graces shine.
And, lest the shadow of a spot
Should on my soul be found,
He took the robe the Savior wrought,
And cast it all around.
The Spirit wrought my faith, and love,
And hope, and every grace;
But Jesus spent his life to work
The robe of righteousness.”
Without these two qualifications, what entrance could there be into heaven, or what happiness there, could entrance be gained? For consider not only the infinite purity and holiness of God, but the blazing splendor of his immediate presence—the piercing ray of his deep-searching eye. Who or what can live in his presence but what is absolutely perfect without and within? But this the Church could not be, unless she were washed in the blood and clothed in the righteousness of God’s dear Son; and perfectly sanctified by the operations and indwelling of his Spirit. We therefore read—“Husbands, love your wives, even as Christ also loved the Church, and gave himself for it; that he might sanctify and cleanse it with the washing of water by the word, that he might present it to himself a glorious Church, not having spot, or wrinkle, or any such thing; but that it should be holy and without blemish.” (Eph. 5:25-27.)
Both of these blessings are contained in the above words. Christ “loving the Church, and giving himself for it,” implies his blood-shedding and obedience, whereby it was so thoroughly and completely justified so as to be without blame before God; and his “sanctifying and cleansing it with the washing of water by the word” points to the work of sanctification by the washing of regeneration and the renewing of the Holy Spirit, whereby it is made holy—here initially, hereafter perfectly; the ultimate end of both her justification and sanctification being “that he might present it to himself a glorious Church, not having spot, or wrinkle, or any such thing; but that it should be holy and without blemish.”
And, adopting for the present the usual reading, all this “in love,” for love was the moving cause, as it will be the final consummation of the whole counsel of God. He, therefore, says—“I have loved you with an everlasting love.” There is the moving cause. “Therefore with loving-kindness have I drawn you.” There is the carrying out of the purposes of his heart, in the drawing of her unto his own bosom by the cords of his loving-kindness, here to taste, there fully to enjoy, when, perfect in holiness and blameless in righteousness, the Church will be presented by her heavenly Bridegroom faultless before the presence of the Father, with exceeding joy; (Jude 24;) and thus will she dwell forever in his love.
Verse 5.
3. The next spiritual blessing is PREDESTINATION—“Having predestinated us unto the adoption of children by Jesus Christ to himself, according to the good pleasure of his will.” (Eph. 1:5.)
We have mentioned that we prefer putting the stop after “before him,” and thus to connect the words “in love” with the next verse, reading the whole thus “in love having predestinated us,” etc. The reasons why we prefer so to read it we will now, therefore, endeavor, to explain. First, it removes a little difficulty which seems to present itself in the way of clearly understanding the meaning of the expression, “being without blame before God in love;” for, though we have given an interpretation of the words as we believe they are usually explained, yet we confess that we are by no means fully satisfied with the explanation. It is easy to understand the meaning of being chosen unto perfect holiness, and to spotless blamelessness before God; but, according to our view, it is not so easy to see what is signified by being so “in love;” for it is not love which produces either the holiness or the blamelessness, though it enhances and completes both. But if we join “in love” to the next clause, not only is this little difficulty removed, but we are furnished with a beautiful and blessed reason why God has predestinated us unto the adoption of children by Jesus Christ to himself; and we thus make it fully harmonize with the words of John on the same point—“Behold, what manner of love the Father has bestowed upon us, that we should be called the sons of God; therefore, the world knows us not, because it knew him not.” (1 John 3:1.)
We may also add, as a point of learned criticism, that some of the oldest versions and ancient fathers so read the passage, and that it has been adopted by the best and newest editions of the Greek Testament. But our main reasons for so connecting the words, we shall presently more fully unfold. Adopting, then, this mode of reading the connection, we will now consider the meaning of God’s having “predestinated us unto the adoption of children by Jesus Christ unto himself.”
1. And, first, what is the difference between election and predestination? or is there any difference between them? It is hardly worth while to draw, in such difficult points, minute distinctions, and yet we may safely conclude that there is some difference between them, or the Apostle would not have used the two words. We may, then, briefly say that election is the first act in the mind of God whereby he “chose the persons of the elect to be holy and without blame; and that predestination was the second act, which ratified by fixed decree the state of those to whom election had given birth. Having chosen them in his dear Son unto a perfection of holiness and righteousness, his love went forth, not only to fix their state by firm decree, but to add another blessing, the highest and greatest which even his love could bestow, that is, to make them his own children by adoption, and thus himself become their Father and their God. He might, so to speak, have rested short of this. To choose them to perfect holiness and spotless perfection would have abundantly secured their happiness, for this is all that the angels have. But his love to his dear Son was so vast, yes, so infinite, that having chosen a people in him, his love went out towards them as one with his own Son, and in the depth of that love he predestinated them unto the adoption of children unto himself.
Here, then, we see a solid and substantial reason why “in love” should be prefixed to “having predestinated;” for it more clearly and distinctly shows us the movements of God’s love, in enriching the Church with that greatest and best of all blessings, the adoption of children unto himself. Viewing them in Christ, in union to the Son of his love, he would do more for them than make them perfect in holiness and righteousness. He would adopt them as his own children, and love them with the same love as that with which he loved his dear Son! A figure may perhaps help us here. A father chooses a bride for his son, as Abraham chose one of his own kin for Isaac, and gives her a goodly dowry, besides presenting her with bridal ornaments, such as Eleazar put upon Rebekah. But on becoming the spouse of his son, she becomes his daughter, and now his affections flow forth to her, not only as a suitable bride for his dear son; not only does he admire her beauty and grace, and is charmed with the sweetness of her disposition, but he is moved also with fatherly love towards her as adopted unto himself, and thus occupying a newer and nearer relationship.
Figures are, of course, necessarily imperfect, and as such must not be pressed too far; but if the one which we have adduced at all helps us to a clearer understanding of the wondrous love of God in the adoption of us unto himself, it will not be out of place. We thus see that predestination to the adoption of children is a higher, richer, and greater blessing than being chosen unto holiness and blamelessness, and may thus be said to follow upon them as an additional and special fruit of God’s love.
But the love of God, in predestinating the Church unto the adoption of children by Jesus Christ to himself, has even a deeper root than viewing her as the Bride of his dear Son. It springs out of, and is most closely and intimately connected with the true, real, and eternal Sonship of Jesus. Being chosen in Christ, the elect become the sons of God. Why? Because he is the true, real, and essential Son of the Father; and thus, as in union with him, who is the Son of God by nature, they become the sons of God by adoption. Were he a Son merely by office, or by incarnation, this would not be the case, for he would then only be a Son by adoption himself. But being the Son of God by eternal subsistence, he can say, “Behold I and the children which you have given me.” “I your Son by nature, they your sons by adoption.” We see, then, that so great, so special was the love of God to his only-begotten Son, that, viewing the Church in union with him, his heart embraced her with the same love as that with which he loved him!
The Apostle, therefore, adds, “Unto himself.” No words could so well set forth the thoughts of God’s heart toward the Church, and the ultimate consummation of his eternal purposes. In choosing the Church in Christ unto holiness, and in predestinating her unto the adoption of children, it was to bring her into union and communion with himself. But this she could not have as a creature, however holy and perfect, except by union with the Son of God. Angels are holy and without blame before God, but they have not union and communion with him. Why? Because they have not union and communion with his dear Son. “He took not on him the nature of angels, but he took on him the seed of Abraham.” Christ could not, therefore, say of angels, “I in them and you in me, that they may be made perfect in one.” Nor could he use of them those wondrous words, “That they all may be one; as you Father are in me, and I in you, that they also may be one in us.” (John 17:21, 23.)
But as we must not linger too long on any one point, we pass on to our exposition of the next words, “According to the good pleasure of his will, to the praise of the glory of his grace, wherein he has made us accepted in the Beloved.” (Eph. 1:5, 6.) Two things are spoken of here as moving causes in the mind of God—1. The good pleasure of his will; 2. The praise of the glory of his grace. We will look at these separately.
1. “According to the good pleasure of his will.” This we may call the determining cause of the whole of God’s counsel in the choice of the Church, and blessing her with all spiritual blessings, as the praise of the glory of his grace was the ultimate end. Thus to endow and bless her was his sovereign will; and observe the expression, “the good pleasure of his will.” All things are and exist only by the will of God; that is, his naked, absolute, sovereign will. But when he willed that there should be a Church in union with his dear Son; he rejoiced and delighted in that peculiar act of his will. It was, therefore, the “good pleasure of his will.” An earthly sovereign must sometimes punish. It is necessary to good government that the law should be strictly executed; but, though his will, it is not his good pleasure. He does not delight in executing a necessary act of justice; but, in exercising his prerogative of mercy in the pardon of a criminal, he may enjoy a sensible pleasure. So God is said to delight in mercy; (Micah 7:18;) whereas to punish is “his strange act,” (Isa. 28:21,) as if it were foreign to his merciful disposition. When, then, God chose the Church unto holiness and blamelessness, and predestinated her unto the adoption of children by Jesus Christ unto himself, it was not only his will—but the good pleasure of his will. And this gives us another reason for connecting “in love” with “having predestinated;” for the good pleasure of his will, according to which he chose and blessed the Church—was the carrying out of his love into a positive act of pleasurable will.
How beautiful it is to see the sweet and glorious harmony between the love of God, the good pleasure of God, and the will of God, and all moving in blessed concert in electing the Church in Christ to holiness and righteousness—and predestinating her to the adoption of children by Jesus Christ unto himself. What views it gives us of God, not merely as an absolute sovereign, and as such disposing all things according to the counsel of his own will—but going forth in goodness and love! That as we see and feel our lost and ruined state, we may, by the power of his grace, know and believe the love that God has to us, (1 John 4:16,) and be thus encouraged ever to look and wait upon him.
2. The next point to be considered is the ultimate END of these counsels of God—“To the praise of the glory of his grace.” But as this is a wide subject, we must defer out thoughts upon it to our next paper.