De Schrift is in ieders hand en wordt van de kinderjaren tot de uitdovende ouderdom gewoonlijk gelezen of gehoord. Toch wordt ze niet begrepen en zelfs niet onthouden. Wij aarzelen niet te zeggen dat u op goed geluk duizend mensen uit de middenklasse kunt nemen. Zij hebben een goede opleiding en gaan regelmatig naar de kerk. Zij horen dus voortdurend de Schrift voorlezen. Toch zult u er nauwelijks vijf onder vinden die een tekst juist kunnen aanhalen of kunnen zeggen waar die te vinden is. Hooguit hebben zij een vaag idee, afgeleid uit de uitdrukkingswijze, dat hij in het Oude of in het Nieuwe Testament staat.
Toont dit niet aan dat zij het horen zonder enige belangstelling? Zou Shakespeare, Milton of Byron even vaak in hun oren worden voorgelezen zonder dat zij het onthielden? De woorden van een dwaas lied worden in enkele minuten geleerd en door elke jongen op straat meteen opgepikt. Maar wie onthoudt het Woord van God, behalve om het te misbruiken en te lasteren? Eén keer lezen gaf Oom Tom bij duizenden een vastere plaats in het geheugen dan de Bijbel die zij hun hele leven lezen.
Hoe weinig lijken zij ook de betekenis ervan te begrijpen! Enkele duidelijke teksten die over te verrichten handelingen spreken, lijken zij op het eerste gezicht misschien te begrijpen. Maar zelfs die rukken en scheuren zij los van hun geestelijke betekenis. Zij stellen ze voor als plichten die alle mensen moeten doen. In werkelijkheid zijn het vruchten die de Heilige Geest voortbrengt in de harten, op de lippen en in het leven van het gezin van God.
Maar deze grove duisternis van het verstand ten aanzien van de Schrift is niet louter een negatief kwaad. Zij brengt onvermijdelijk gevolgen voort die bijna gevaarlijker zijn dan de blindheid zelf. Een blinde die stil blijft zitten, kan voor struikelen behoed blijven. Pas wanneer hij begint te bewegen en te lopen, valt hij en breekt hij zijn ledematen of zijn nek. Zo is het ook in de godsdienst. Wanneer de blinden zich gaan bewegen en denken dat zij zeker godsdienstig zullen worden, struikelen zij en vallen zij van de ene dwaling in de andere.
Zonder goddelijk onderwijs kunnen zij niet anders dan verkeerd gaan. Zonder goddelijk licht kunnen zij niet anders dan vallen. Wij zeggen niet dat zij geen natuurlijk licht hebben. Maar wat zij zien, zien zij vanuit een verkeerd gezichtspunt en wat zij doen, doen zij uit verkeerde beweegredenen. Hun flauwe en flikkerende opvattingen over goed en kwaad misleiden hen alleen tot eigengerechtigheid. De plichten die zij proberen te vervullen, maken hen nog blinder voor de weg van de zaligheid door soevereine genade.
Zoals iemand die in een bos verdwaald is, lijkt elke stap naar buiten hun slechts een stap verder erin. Of zoals iemand die door de nacht wordt overvallen op een heide of in een moeras: elke poging om los te komen vermoeit en put hem uit en eindigt slechts in een diepere verstrikking.
Men vindt soms dat dienaren van de waarheid te sterk spreken over de vreselijke toestand van de mens door de val. In werkelijkheid is het echter onmogelijk om de blindheid en duisternis van het menselijk hart in woorden te overdrijven.
Ook kan geen pen of tong de ellende en volstrekte hulpeloosheid van een toestand voldoende beschrijven zoals de Schrift die in twee zeer plechtige gedeelten schildert: Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft: Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. (Johannes 12:39-40) En: Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan; In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is. (2 Korinthe 4:3-4)
Stel daar nu tegenover de toestand van de ziel waarin het ware licht heeft geschenen. Dat is wat de Heere het licht des levens noemt.
Dit wordt prachtig beschreven in twee Schriftgedeelten die wij als tegenhangers van de zojuist aangehaalde plaatsen aanhalen: Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes. (Lukas 1:78-79) En: Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. (2 Korinthe 4:6)
Het Woord van de waarheid bevat veel zoete en eenvoudige getuigenissen van dit werk van de Geest in het hart. Daardoor verlicht Hij het met het licht van de levenden. De opening Uwer woorden geeft licht; in Uw licht zien wij het licht; verlichte ogen uws verstands; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. Gelukkig de mens die zo door de Geest uit de hoogte verlicht is. Hij wandelt niet langer voort in duisternis en in de schaduw des doods.
Hij ziet nu, als Mozes, Hem Die onzienlijk is. Dit licht dringt door in de donkere hoeken en schuilplaatsen van het hart. Het is de ware lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.
Het ontdekt hem zijn eigen toestand als gevallen zondaar. Terwijl het schijnt op de heiligheid en rechtvaardigheid van God zoals die in de Schrift zijn geopenbaard, maakt het de breedte en geestelijkheid van de wet bekend. Het maakt de toorn van God bekend die voor de zonde verschuldigd is en Zijn rechtvaardig oordeel over alle overtreders. Maar de Heilige Geest blijft hier niet bij stilstaan. Hij gaat voort de ziel te verlichten om de weg van de zaligheid te zien.
Zijn bijzondere taak is het te nemen uit de dingen van Christus en die aan de ziel te openbaren. Daarom werpt Hij licht op de barmhartigheid van God zoals die in Zijn dierbare Zoon is geopenbaard.
Hij toont hoe de ziel gewassen is in Zijn bloed en bekleed met Zijn gerechtigheid. Hij past ook het bloed toe en brengt de gerechtigheid nabij. Zo zegent Hij hem met een openbaring van Christus en een getuigenis van zijn aandeel in Hem. Daarna leidt Hij hem verder om steeds meer te zien van de schoonheid van Zijn Persoon, de rijkdommen van Zijn genade en de breedte, lengte, diepte en hoogte van Zijn stervende liefde. Hij toont hem Zijn geschiktheid in al Zijn verbondskarakters en ambten en wat Hij is voor allen die Zijn naam liefhebben en erop vertrouwen.
Datzelfde licht, zo mogen wij verder opmerken, verspreidt zich over het Woord van de waarheid terwijl hij van tijd tot tijd de geïnspireerde bladzijde leest. Wij hebben vaak gedacht aan de woorden: Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. Zolang dit niet gebeurt, worden de Schriften niet begrepen. Het oog kijkt er wel naar, maar zoals het door een verrekijker naar voorwerpen kijkt voordat het de juiste scherpte heeft. Alles is dof en vervormd, wazig en onduidelijk.
Zonder Christus, dat wil zeggen zonder het licht van Christus in het verstand en het leven van Christus in het hart, zijn de Schriften een donker raadsel. Hetzelfde geldt zonder geloof in Zijn Persoon, hoop op Zijn barmhartigheid of liefde tot Zijn naam. Geen leer kan worden begrepen, geen bevinding binnengegaan, geen gebod volbracht, geen belofte geloofd, geen uitnodiging aanvaard en geen waarheid genoten zonder een levend geloof in de goddelijke Openbaarder van dat alles. De Schriften worden veel en wijd gelezen, dat is waar. Maar het is slechts als een plicht, een dagelijkse of wekelijkse zelfopgelegde taak, een godsdienstige verrichting waarin een zeker bedrag aan verdienste wordt belegd.
Zo wordt het bij sommigen een louter sop voor het geweten. Bij anderen komt het hooguit neer op het met het oog doorlopen van een zekere hoeveelheid woorden en letters, hoofdstukken en verzen, met tegenzin opgenomen en slecht weggelegd. De schoonheid en zaligheid, de goddelijke zoetheid en onuitsprekelijke kracht en smaak die een gelovig hart in de Schriften ziet en voelt, zijn voor de ongelovige menigte onbekend, ongeproefd, ongevoeld en onbelangrijk. Het onderwerp mag zo plechtig of gewichtig zijn als het wil.
Wat kan trouwens zo plechtig en gewichtig zijn als het eeuwige geluk of de eeuwige ellende van de ziel? Toch maakt het Woord van de waarheid zonder goddelijke toepassing absoluut geen indruk op het geweten.
De bedreigingen brengen geen schrik of beven voort. Zij wekken geen vrees of overtuiging en ontlokken geen zucht of kreun. Zij doen zelfs geen zwakke, flauwe kreet opkomen: O God! wees mij zondaar genadig! De beloften, de uitnodigingen en de gedeelten die van Christus en Zijn lijden spreken, ontroeren en bewegen hun geweten niet. Ze raken het niet en maken het niet zacht. Het onwedergeboren hart reageert noch op oordeel noch op barmhartigheid. Niets beweegt het naar God toe. Hard als een steen, koud als ijs en onbeweeglijk als een lijk ligt het dood in de overtredingen en de zonden.
Maar zo is het niet met het hart dat de vinger van God heeft aangeraakt. Het vreest en beeft, het smelt en wordt zacht. Het wordt opgeheven en neergeworpen. Het zucht, het bidt en het gelooft. Het hoopt en het heeft lief. Het treurt en het verheugt zich. Het is bedroefd en het bekeert zich. In één woord: het leeft het leven van God en ademt, handelt en beweegt zoals de Heilige Geest het door Zijn genadige kracht en invloed bezoekt en bewerkt.
Onder Zijn onderwijs worden de Schriften een nieuw boek. Zij worden als het ware met nieuwe ogen gelezen, met nieuwe oren gehoord, met nieuwe gevoelens overdacht en overwogen, met een nieuw verstand begrepen en in een nieuw geweten gevoeld. Maar afgezien van enig bijzonder licht dat een van God onderwezen mens op bepaalde Schriftplaatsen kan hebben, heeft hij nog iets anders. Denk aan plaatsen die voor hem in het bijzonder geopend, toegepast en gezegend zijn aan zijn ziel. Behalve die is er wat wij misschien een algemeen licht op het Woord van de waarheid mogen noemen.
Er is harmonie in Gods Woord. Dat kan ook niet anders. Het zou verraad zijn tegen de Heilige Geest om te denken dat er enige werkelijke tegenstrijdigheid of uitdrukkelijke tegenspraak in de geïnspireerde bladzijde zou kunnen zijn. Als wij dus verwaardigd worden met een geestelijke, bevindelijke kennis van de waarheid van God, krijgen wij daarmee een hoofdsleutel in handen. Daarmee openen wij kabinetten die voor de wijzen en verstandigen gesloten zijn. Het is een sleutel tot de weg door de doolhoven waarin geleerde doctoren en studerende theologen dwalen en verloren gaan.
Het is een licht dat doordringt in de verborgen diepten van het heiligdom. Op de drempel daarvan struikelen en vallen de schriftgeleerde en de farizeeër.
Er is in de Schrift een diepe mijn waarin een verbazingwekkende hoeveelheid nuttig onderwijs is opgeslagen. Zonder goddelijk licht kan daar echter niet in worden doorgedrongen en kan zij niet worden onderzocht. Dan blijft haar gouden schat verborgen, want zij heeft stofjes van goud. Wij bedoelen de personen van de Schrift. Dat kan men de Schriftbiografie noemen, in onderscheid van de Schriftgeschiedenis. Omdat de Bijbel ons het leven en de daden van zondaars geeft en ook van heiligen, van belijders en ook van bezitters, heeft de Schriftbiografie twee kanten die met deze karakters overeenkomen.
Neem bijvoorbeeld het karakter van Saul. Wat een mijn van onderwijs, vreselijk inderdaad maar nuttig, ligt in zijn geschiedenis opgeslagen! Wat een beschrijving van binnen en van buiten van een belijder van de godsdienst, van het begin tot het einde van zijn loopbaan! Het is de geschiedenis van een man die tegen zijn wil werd opgedrongen aan wereldse eer en een vooraanstaande plaats in de gemeente van God. Hij is gestrand en geruïneerd omdat hij de genade niet bezat.
Het lijkt alsof God ons in hem wil tonen dat de fraaiste aanloop, de schitterendste vooruitzichten en de meest uitnemende gaven een mens alleen maar in een diepere ondergang storten als hij geen levend beginsel van geloof, vreze en gehoorzaamheid in zijn ziel heeft.
In de geschiedenis van Saul worden elementen van zijn karakter gegeven. Daarmee zou men zonder de minste overdrijving in tekening of kleur een portret ten voeten uit kunnen schilderen. Dat zou een teerhartig kind van God tot in het diepst van zijn hart doen beven.
Neem ook het karakter van David, zoals dat op dezelfde wijze door zijn woorden en daden naar voren komt. Houd uw oog daarop gericht en volg dat vastberaden door heel zijn geschiedenis. God lijkt in hem het tegenbeeld van het karakter van Saul te hebben willen geven. Zo toont Hij dat zoals zonder genade niets kan redden, met genade niets kan verdoemen. Juist waar Saul struikelt en valt, blijft David staan. Alle dingen, de helderste en de schoonste, leiden tot de val van Saul. Alle dingen, de donkerste en de vuilste, leiden tot de opkomst van David.
Overwinning en nederlaag zijn voor Saul beide een ondergang. Want wanneer hij Agag overwint, vernietigt hij zichzelf door hem te sparen. En wanneer de Filistijnen de overhand krijgen, valt hij in zijn eigen zwaard. Overwinning en nederlaag zijn voor David beide een zegen. Als hij overwint, zoals toen hij Goliath versloeg, was dat een stap naar de troon omdat hij zo het vertrouwen en de genegenheid van het volk won. En als hij wordt opgejaagd gelijk als men een veldhoen op de bergen najaagt, is dat slechts een heilzame tucht en een nodige training om de kroon vaster te leren dragen.
Toch moeten wij bij het lezen van hun geschiedenis erkennen dat Saul terecht gestraft en David terecht gezegend wordt. Wij stemmen volledig in met het vonnis over elk van beiden. Niets in een van beiden schokt ons morele besef van goed en kwaad. De onoprechtheid, zelfzucht, huichelarij, ongehoorzaamheid en de moordzuchtige en wraakzuchtige gezindheid en handelwijze van Saul trekken terecht Gods wraak op hem. Toch voelen wij dat hij, zoals de menselijke natuur nu eenmaal is en zoals de omstandigheden waren, bijna niet anders kon handelen.
Daarin ligt veel van het onderwijs van zijn ellendige geschiedenis. Tegelijk voelen wij dat hij wel anders zou hebben gehandeld als hij maar genade had bezeten.
Wij lezen zijn einde, sluiten het boek en beven. Maar komt de gedachte op alsof God onrechtvaardig zou zijn door hem zo ellendig te laten omkomen? Heeft hij niet gezondigd tegen de duidelijkste aanwijzingen en de sterkste waarschuwingen? Ging hij, toen hij eenmaal begon af te wijken, niet van zonde tot zonde, van moord tot hekserij? Tot zelfs de barmhartigheid haar aangezicht afwendde, niet in staat een woord te zeggen waarom de slag van de gerechtigheid niet zou vallen?
David daarentegen toont niet alleen de triomf van de genade als een zaligmakend beginsel. Daardoor bevestigt en vestigt hij ons in haar soevereine kracht. Hij straalt ook als een levend bewijs van wat de genade is als een werkzaam, invloedrijk beginsel. David wordt niet lijdelijk en werktuiglijk naar de troon gedragen alsof hij in een wagen van Bethlehems schaapskooien naar het hof van Hebron wordt gevoerd. De genade is niet alleen in hem werkzaam maar wordt ook door hem uitgewerkt. Zijn gebeden en tranen komen naar voren.
Dat geldt ook voor zijn geloof, gehoorzaamheid, oprechtheid, nederigheid en vertrouwen en ja, ook voor al zijn vrezen en strijd. Wat de genade is, doet en kan doen, wordt in hem even duidelijk gezien als wat de natuur is, doet en kan doen in Saul.


