Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Overdenkingen over Efeze 1 en 2 — deel 2: De uitverkiezing van de gemeente in Christus

Philpot toont dat Gods soevereine wil de gemeente deed bestaan en dat uitverkiezing in Christus aan alle geestelijke zegeningen voorafgaat. Hij behandelt de uitverkiezing tot heiligheid en onberispelijkheid en de voorbestemming tot de aanneming tot kinderen.

Bezien we de gemeente van Christus in haar verhouding tot haar heerlijke verbondshoofd, die we hebben aangewezen als het kenmerk en de eigen trek van deze brief, dan vallen ons twee zaken op die nauw met deze verhouding samenhangen. 1. Haar bestaan. 2. Haar welzijn. Eerst dat de gemeente er is en dan dat zij is wat zij is. Het eerste punt zullen we maar kort aanroeren. Het tweede hangt nauw met ons onderwerp samen en vraagt een uitvoeriger behandeling.

En als onze uitleg van dit deel van het hoofdstuk wat dor of droog lijkt omdat hij vooral leerstellig is, bedenk dan dat gezonde en heldere leer altijd moet voorafgaan aan alle gezonde en heldere bevinding van de waarheid in haar zuiverheid en kracht. Zij moet daarvan het fundament zijn.

1. Dat er überhaupt een gemeente is, is op zichzelf een wonder dat al onze pogingen om het te begrijpen of uit te leggen te boven gaat en verbijstert. Bedenk maar een ogenblik wat er besloten ligt in het eenvoudige feit dat ons alleen door goddelijke openbaring is bekendgemaakt en alleen door geloof wordt aanvaard. Er is een gemeente die God heeft gezegend met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.

Bedenk dat God vóór de grondlegging van de wereld een ontelbare menigte uit het mensdom heeft uitverkoren. Bedenk dat deze in hun verenigde samenkomst één volmaakt harmonieus lichaam zouden vormen, het mystieke lichaam van Christus, en als zodanig de Bruid en Gade van de Zoon van God zouden zijn. Wat een verborgenheid van wijsheid en genade is hier!

Nu kennen we slechts ten dele (1 Korinthe 13:9). Daarom kunnen we alleen als in heilige bewondering aan de rand staan van deze zee van liefde en genade. In onze tijdelijke staat kunnen we er niet op uitvaren en haar oversteken. We geloven het alleen op het getuigenis van God in het woord. En als we ons in hoop mogen verblijden over een persoonlijk deel eraan, is dat alleen door het getuigenis van God in de ziel.

Als we dus door het geloof zien wat de apostel noemt verborgenheid van Christus, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God maar die op de bestemde tijd is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest, dan kan bij ons misschien de vraag opkomen: „Hoe kunnen deze dingen zijn?” Die verborgenheid is de vereniging van Hoofd en leden tot één mystiek lichaam.

Ons voornaamste antwoord hierop moet dan zijn: O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. (Romeinen 11:33-36).

Maar als we deze goddelijke verborgenheid bezien zoals zij in het woord van de waarheid is geopenbaard, met bijzondere aandacht voor de twee genoemde punten, mogen we kort zeggen het volgende. De soevereine wil van God is de oorzaak van het bestaan van de gemeente. Zijn eeuwige liefde, grenzeloze genade en oneindige wijsheid zijn de oorzaak van haar welzijn.

Het is misschien niet goed om al te fijne of overbodige onderscheidingen te maken. Toch kan het onze gedachten bij het overdenken van deze hemelse verborgenheid helpen te zien dat er verschil is tussen de gemeente die eenvoudig de bruid van Christus is en de gemeente als bruid die voor Hem met al haar schoonheid en heerlijkheid is versierd.

Een eenvoudig voorbeeld kan ons hier helpen. Jeugd, schoonheid en bevallige talenten, zachtheid van aard en beminnelijkheid van gemoed maken geen vrouw tot vrouw. Ze zijn ook niet nodig om liefde in het hart van een man te ontsteken. Toch kunnen ze de bruid die ze bezit zeer dierbaar maken aan hem die haar genegenheid heeft gewonnen en haar nu door het huwelijk de zijne kan noemen.

Zo maken ook de tegenwoordige genade en de toekomstige heerlijkheid van de gemeente haar niet tot gemeente. Maar nu zij door de verordening van de Vader tot gemeente is gemaakt, verhogen haar schoonheid en lieflijkheid de liefde van haar hemelse Bruidegom. Ze lokken bijna verrukte woorden uit Zijn mond: Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals. Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer olien dan alle specerijen! (Hooglied 4:7; Hooglied 4:9-10).

Het is deze schoonheid van de gemeente die we nu moeten ontvouwen. Zij bestaat namelijk vooral hierin dat zij met alle geestelijke zegeningen in Christus is gezegend.

2. Omdat het dus de soevereine goede wil en het welbehagen van de Vader was dat er een gemeente zou zijn als bruid en gade van Zijn dierbare Zoon, ging Zijn liefde uit om haar te zegenen. Zijn genade ging uit om haar te verrijken en Zijn wijsheid om haar uit te rusten met elke geschiktheid voor haar hoge en hemelse roeping. Ook voor die staat van uiteindelijke en eeuwige heerlijkheid waarvoor Hij haar had bestemd. En zien we hierin niet een heerlijke schoonheid en harmonie?

De gemeente is een schepsel, ook in haar oorspronkelijke onschuld en in de hele reinheid van haar onbedorven staat. Zoals zij dus alleen door de soevereine goede wil en het welbehagen van God kon bestaan, zo kon zij zichzelf niet uitrusten met de eigenschappen die haar een geschikte bruid, vriendin en gezellin voor de Zoon van God zouden maken. Zoals de liefde dus het hart van de Vader naar haar bewoog, zo bestuurde de wijsheid Zijn raadsbesluiten. Het gevolg was dat Hij haar zegende met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in de Zoon van Zijn liefde.

Zo was zij van tevoren in de eeuwigheid bereid als een bruid, die voor haar man versierd is. Want Hij zag haar, Die het einde ziet van het begin af en bij Wie noch tijd noch ruimte is maar één eeuwig „nu”, toen al zoals zij op een dag zal verschijnen. Dan is zij getooid met alle schoonheid van heiligheid en straalt zij in de hele heerlijkheid van de Heere het Lam.

Vers 4. Maar dit brengt ons terug bij de draad van onze uitleg. Wat volgde er namelijk op de soevereine goede wil en het welbehagen van God dat er een gemeente zou zijn en dat Hij haar zegende met alle geestelijke zegeningen in Christus? De vaste keuze van de leden van dit mystieke lichaam. Wij geloven dat die niet algemeen en zonder onderscheid was. Ze was niet nationaal of tot voorrechten en ook niet met het oog op voorzien geloof en voorziene gehoorzaamheid.

Ze was ook niet een ander dergelijk stelsel dat het vernuft van de mens heeft bedacht om een leerstuk dat de vleselijke gezindheid aanstoot geeft te vernietigen of smakelijk te maken. Het was een persoonlijke en individuele uitverkiezing. Met andere woorden: een absolute, onvoorwaardelijke en afzonderlijke keuze van elk individueel lid, zodat er in hun geheel noch meer noch minder zouden zijn dan nodig was voor een volmaakt lichaam.

Deze persoonlijke en individuele uitverkiezing wordt aangeduid in de woorden: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde (Efeze 1:4). Het verband tussen dit vers en het voorgaande ligt in het woord „Gelijk”. Eerst verklaart de apostel eenvoudig dat God ons heeft gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus. Nu laat hij zien waarom en hoe Hij ons zo heeft gezegend. Het is dit: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld.

De uitverkiezing in Christus gaat dus vooraf aan het gezegend zijn met alle geestelijke zegeningen. Want we zijn er alleen mee gezegend als we in Hem zijn en we zijn alleen in Hem als in Hem uitverkoren. Zo zien we hoe belangrijk en gewichtig de waarheid van de uitverkiezing is. Niet alleen ons huidige bestaan, ons nu leven en bewegen op deze aarde, is erin begrepen. Ook al onze hoop en verwachting voor de toekomst concentreert zich erin.

De uitverkiezing is ook, mogen we opmerken, hoewel afzonderlijk en persoonlijk, niet zoals soms los en verward wordt gezegd een louter abstracte of absolute keuze van personen tot eeuwige zaligheid zonder rekening te houden met hun vereniging met hun verbondshoofd. Volgens onze tekst is zij een keuze van hen in Christus. Zij gaat daarom aan elke zegening vooraf en deze werden alleen door haar en overeenkomstig haar gegeven.

God koos Hem en de uitverkorenen in Hem op hetzelfde ogenblik en met één en dezelfde daad. Jezus Christus is dus het Hoofd van de uitverkiezing en van de uitverkorenen van God. In het natuurlijke lichaam werd immers niet eerst het hoofd gevormd en daarna de leden. Hoofd en leden werden door één en dezelfde daad op hetzelfde moment tot bestaan geroepen. Zo was het ook met de mystieke Christus.

God de Vader koos niet eerst Christus tot Middelaar om daarna door een latere daad Zijn volk te kiezen en in Hem te plaatsen. Dat zou een Hoofd zonder leden betekenen, een Bruidegom zonder bruid, een Herder zonder schapen en een Wijnstok zonder ranken. Hij koos Hem en hen in Hem door één eeuwige daad.

U moet ook goed in gedachten houden dat Christus door deze daad van uitverkiezing niet tot Zoon van God werd gekozen. Dat was en is Hij immers altijd krachtens Zijn eeuwige bestaanswijze. Maar Hij was al en eeuwig de Zoon van de Vader in waarheid en liefde en werd als vleesgeworden voorzien en voorbestemd. Zo werd Hij gekozen als Middelaar, God-mens, en Zijn volk in Hem als zodanig.

Hier zien we zowel hun bestaan als hun welzijn: waarom zij zijn en waarom zij zijn wat zij zijn. Hier zien we twee goddelijke verborgenheden ontvouwd waarin alles besloten ligt wat de uitverkorenen van God zijn en ooit zullen zijn. 1. Hun vereniging met Christus. 2. De zegeningen die zij in Hem bezitten krachtens die vereniging. Hier zien we waarom en hoe God hen met alle geestelijke zegeningen heeft gezegend. Het is in Hem en omdat zij in Hem zijn doordat zij in Hem zijn uitverkoren.

Toen God hen zag in vereniging met Zijn dierbare Zoon, heeft Hij hen liefgehad met dezelfde liefde waarmee Hij Hem liefhad (Johannes 17:23). Uit de volheid van deze liefde zegende Hij hen met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Hem. Het was alsof Hij niet genoeg kon doen voor de bruid van Zijn dierbare Zoon. Het was alsof Hij haar wilde verrijken en begiftigen met elke zegening die haar niet alleen kon bekwamen tot een geschikte gade. Zij moest ook worden verheven tot een staat van heiligheid, geluk en heerlijkheid.

Die staat ging alle menselijk of engelachtig denken en voorstellen te boven. Hij was ook zo dat Hij het hart van God Zelf zou bevredigen en tot in eeuwigheid de rijkdom van Zijn wijsheid en genade zou tonen. Ook de hoogte, diepte, lengte en breedte van Zijn liefde zou Hij erin tonen.

Dit brengt ons dus terug bij een uitvoeriger overweging en onderzoek van de GEESTELIJKE ZEGENINGEN waarmee God de gemeente in de hemelse gewesten in Christus heeft gezegend. i. De eerste geestelijke zegen is dat we zijn uitverkoren in Hem, voor de grondlegging der wereld, om heilig en onberispelijk te zijn voor God in de liefde. Zelf geven we er de voorkeur aan de punt te plaatsen na „voor Hem” en de woorden „in de liefde” te verbinden met het volgende vers. Dan luidt het: „In liefde ons voorbestemd hebbende.” Maar eerst nemen we de woorden zoals ze in onze vertaling staan.

Er wordt hier van twee geestelijke zegeningen gesproken. 1. Heiligheid. 2. Onberispelijkheid. Tot beide werd de gemeente gekozen als noodzakelijke eigenschappen om haar een geschikte bruid voor de Zoon van God te maken. Omdat het zeer wenselijk is te begrijpen wat deze twee eigenschappen betekenen of inhouden, zullen we proberen ze afzonderlijk uiteen te zetten. Zo kunnen we hun geestelijke betekenis binnengaan en onze eigen staat en stand eraan toetsen.

We mogen hier opmerken dat al onze opvattingen over haar zwak en gebrekkig zullen zijn als we onze ogen niet kunnen opheffen naar de positie die de gemeente inneemt als gade en bruid van de Zoon van God. Dan zal ook onze eigen ervaring van geestelijke zegeningen, als hun doel en uitkomst, dof en verward zijn. Het grote doel en de uitkomst van alle persoonlijke ervaring van geestelijke zegeningen is ons te brengen in geopenbaarde vereniging en gemeenschap met de Heere Jezus. Zo drinken we Zijn geest in, hebben Zijn gezindheid en worden aan Zijn beeld gelijkvormig. Zo worden we één geest met Hem. Zonder dit kan er geen gemeenschap zijn tussen Hem en ons.

Zelfs in het aardse huwelijk moet er enige vereniging van ziel zijn en van lichaam, van gemoed en van persoon, van geest en van vlees, tussen man en vrouw. Zeker bij het volk van God is dat nodig om het huwelijksleven gelukkig te maken. Wat maakt zoveel huwelijken ongelukkig dan het verschil en de onverenigbaarheid van gemoed of aard tussen de partners?

Toen God dus een bruid voor Zijn dierbare Zoon wilde bereiden, zorgde Hij overvloedig dat zij een geschikte vriendin en gezellin zou zijn en ook Zijn gehuwde gade. Zij zouden samen wonen in de zaligste innigheid van de geest door een heerlijke eeuwigheid heen. Zij moest daarom volkomen gelijkvormig zijn aan Zijn beeld. Dan kon Hij zich in haar verlustigen als zij Zijn schoonheid en heerlijkheid weerspiegelde. En zij kon zich in Hem verlustigen als zij alle volmaaktheden van de Godheid zag stralen door het middel van Zijn verheerlijkte menselijke natuur.

Dit was waarom God haar koos tot het bezit en genot van twee van de rijkste geestelijke zegeningen die zelfs Zijn wijsheid kon bedenken of Zijn liefde kon schenken. 1. Een volmaaktheid van heiligheid van binnen. 2. Een volmaaktheid van smetteloze schoonheid van buiten. De psalmist zet ze samen in één vers: Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig. Daar is haar innerlijke volmaaktheid in heiligheid. En verder: haar kleding is van gouden borduursel. Daar is haar uiterlijke volmaaktheid. We zullen beide zegeningen bekijken in verband met het vers dat nu voor ons ligt. En eerst de keuze van de gemeente tot heiligheid.

1. Onder HEILIGHEID kunnen we twee dingen verstaan. 1. Heiligheid in haar kiem of aardse begin. 2. Heiligheid in haar volle rijpheid of hemelse voltooiing. God is wezenlijk en oneindig heilig en Hij heeft tot Zijn volk gezegd: Zijt heilig, want Ik ben heilig (1 Petrus 1:16). Hij is zo heilig dat niets wat onheilig is in Zijn tegenwoordigheid kan leven. Zoals dus zonder heiligheid niemand de Heere kan zien, zo kan zonder heiligheid niemand de Heere genieten.

Heiligheid als innerlijke genade is bij uitstek een geestelijke zegen. Zij bestaat vooral in een geestelijk vermogen om te genieten van God als wezenlijk en onuitsprekelijk heilig. Ook bestaat zij in gemeenschap met Hem uit eenheid van geest met de Heere Jezus, Die is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid. De zaligheid van de hemel is niet alleen volkomen heilig te zijn. Zij is ook eeuwige gemeenschap te genieten met een drie-enige God in alle schoonheid van heiligheid.

Dit is de geschiktheid voor het erfdeel van de heiligen in het licht. Zonder die geschiktheid zou de hemel, als zij die konden bereiken, voor hen geen hemel zijn. Er ligt een diepte van levende waarheid in die opmerkelijke woorden van de apostel waar we al naar verwezen: Maar die den Heere aanhangt, is een geest met Hem (1 Korinthe 6:17). Zo is er zelfs hier beneden, met al onze zwakheid en zondigheid, een zoet geestelijk behagen in Christus als de Heilige Israëls. En voor zover is er een gezegende gemeenschap met Hem, als aan Hem verbonden en één geest met Hem.

Hoewel we in onszelf zulke afschuwelijke, weerzinwekkende melaatsen zijn, van buiten en van binnen bezoedeld door elke zonde en misdaad, kunnen we toch niet anders dan met de ogen van onze nieuwe mens de schoonheid van de Koning bewonderen zoals Hij Zich aan ons voordoet. Hij wint en neemt elke genegenheid van ons gewillige hart voor Zich in. Als we onszelf ooit haten en verafschuwen vanwege onze ongerechtigheden, komt dat doordat we zo anders zijn dan Hij. We hebben zo gezondigd tegen en voor de ogen van Zijn oneindige reinheid en tegen Zijn bloedende, stervende liefde.

Zonde, gruwelijke zonde, is de oorzaak van al ons verdriet, onze last en onze moeite. En we zijn er zeker van dat we, welke ogenblikken van vrede we nu en dan ook mogen genieten, nooit volkomen gelukkig kunnen of zullen zijn voordat we volkomen heilig zijn. Pas dan zijn we voor altijd af van onze dagelijkse plaag en voortdurende last. De woorden van Hart drukken onze gevoelens goed uit: „Maar ik wil heilig zijn.” En waaruit ontspringt zo’n gevoel en zo’n verlangen? Uit het geboren zijn uit God. Het is onze nieuwe natuur, onze uit de Geest geboren geest, die heilig is. Niet ons vlees waarin geen goed woont.

Het is deze heilige en goddelijke natuur in ons die de zonde haat en hijgt naar heiligheid. Zij smaakt heilige bezigheden en verlustigt zich in geestelijke genietingen. Zij gelooft en hoopt en bemint. Zij bidt en prijst, zingt en zucht afwisselend, siddert en verheugt zich, ligt aan de voetbank en wacht bij de deurposten, treurt als een duif en stijgt op als een arend.

Maar in dit tegenwoordige aardse leven is dit beginsel van heiligheid slechts een kiemend zaad onder de kluiten, een zaadje in de voor, een tere halm tussen het onkruid, een lelie tussen de doornen. De aarde is niet het natuurlijke klimaat of het bestemde tehuis ervan. Het is nu wel in het huis des HEEREN geplant, maar het zal alleen in volle volmaaktheid groeien in de voorhoven onzes Gods (Psalm 92:14).

Tot deze uiteindelijke staat van volmaaktheid in heiligheid is de gemeente uitverkoren. En God zal zeker voleindigen wat haar aangaat en de werken van Zijn eigen handen niet laten varen. Hij is het Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus (Filippenzen 1:6). Want: Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zullen ook Zijn heiligen met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

Bij Zijn verschijning is Hij het Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen. Dan, en niet eerder, zal de heiligheid waartoe de gemeente is uitverkoren volmaakt en volledig zijn. Heilig naar ziel en heilig naar lichaam en beide geheel gelijkvormig aan het volmaakte voorbeeld van de verheerlijkte menselijke natuur van de Zoon van God. Zo zullen de heiligen eeuwig wonen in vereniging en gemeenschap met hun liefhebbende en geliefde Heere.

2. Dan ook zal de gemeente onberispelijk zijn voor God. De meeste uitleggers verbinden, geloven wij, deze geestelijke zegen met de voorgaande alsof ze er één vormden. Maar wij zien ze liever, zoals al opgemerkt, als afzonderlijk. We betrekken de zegen van de heiligheid op het innerlijke karakter van de gemeente en de zegen van de ONBERISPELIJKHEID op haar uiterlijke karakter.

Rechtvaardiging en heiligmaking zijn afzonderlijke zegeningen. De eerste ontspringt aan het voleindigde werk van de Zoon van God en hangt daarmee samen. De andere ontspringt aan het werk van de Heilige Geest aan de ziel en hangt daarmee samen. De zonde heeft onze personen uitwendig bezoedeld en onze zielen inwendig verontreinigd. Daarom kunnen we niet voor God staan tenzij gewassen in het bloed van het Lam en bekleed met Zijn smetteloze gerechtigheid.

Deze gerechtigheid vormt ons recht op de hemel zoals heiligheid onze geschiktheid ervoor vormt. De eerste is ons bruiloftskleed en de tweede onze geestelijke bekwaamheid. Het lied maakt dit onderscheid goed:

„Hij heeft mijn ontblote ziel gesierd en het heil tot het mijne gemaakt. Op een arme, bezoedelde worm laat Hij Zijn genaden stralen.

En opdat zelfs de schaduw van een vlek niet op mijn ziel gevonden zou worden, nam Hij het kleed dat de Heiland had gewrocht en wierp het helemaal om mij heen. De Geest werkte mijn geloof en liefde en hoop en elke genade. Maar Jezus besteedde Zijn leven om het kleed van de gerechtigheid te weven.”

Zonder deze twee eigenschappen, welke toegang zou er tot de hemel zijn en welk geluk daar als de toegang werd verkregen? Bedenk niet alleen de oneindige reinheid en heiligheid van God maar ook de gloeiende luister van Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid en de doordringende straal van Zijn diep doorzoekende oog. Wie of wat kan in Zijn tegenwoordigheid leven behalve wat volstrekt volmaakt is van buiten en van binnen?

Maar dat kon de gemeente niet zijn tenzij zij gewassen was in het bloed en bekleed met de gerechtigheid van Gods dierbare Zoon en volmaakt geheiligd door de werking en inwoning van Zijn Geest. Daarom lezen we: Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord; Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk (Efeze 5:25-27).

Beide zegeningen zijn in bovenstaande woorden vervat. Dat Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven, houdt Zijn bloedvergieten en gehoorzaamheid in. Daardoor werd zij zo volledig en volkomen gerechtvaardigd dat zij onberispelijk is voor God. En dat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord, wijst op het werk van de heiligmaking. Dat gebeurt door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes. Daardoor wordt zij heilig gemaakt: hier in beginsel en hierna volmaakt.

Het uiteindelijke doel van zowel haar rechtvaardiging als haar heiligmaking is: Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.

En als we voorlopig de gebruikelijke lezing aanhouden, dan is dit alles in de liefde. De liefde was immers de drijvende oorzaak zoals zij de eindvoltooiing zal zijn van het hele raadsbesluit van God. Hij zegt daarom: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. Daar is de drijvende oorzaak. En verder: daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Daar is de uitvoering van de voornemens van Zijn hart.

Hij trekt haar aan Zijn eigen borst door de koorden van Zijn goedertierenheid, hier om te proeven en daar om volkomen te genieten. Dan zal de gemeente, volmaakt in heiligheid en onberispelijk in gerechtigheid, door haar hemelse Bruidegom smetteloos worden voorgesteld voor het aangezicht van de Vader met grote vreugde (Judas 24). En zo zal zij eeuwig wonen in Zijn liefde.

Efeze 1:5.

3. De volgende geestelijke zegen is de VOORBESTEMMING: Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil (Efeze 1:5).

We hebben gezegd dat we de voorkeur geven aan de punt na „voor Hem” en dus de woorden „in de liefde” verbinden met het volgende vers. Het geheel luidt dan: „in liefde ons voorbestemd hebbende” enzovoort. De redenen waarom we aan deze lezing de voorkeur geven zullen we nu proberen uit te leggen.

Ten eerste neemt het een kleine moeilijkheid weg die zich lijkt voor te doen bij het duidelijk verstaan van de uitdrukking „onberispelijk zijn voor God in de liefde”. Want hoewel we een uitleg van de woorden hebben gegeven zoals ze naar we geloven gewoonlijk worden uitgelegd, belijden we toch dat die ons allerminst volledig bevredigt. Het is gemakkelijk te begrijpen wat het is om uitverkoren te zijn tot volmaakte heiligheid en tot smetteloze onberispelijkheid voor God. Maar volgens onze opvatting is het niet zo gemakkelijk te zien wat het betekent dit „in liefde” te zijn. Want het is niet de liefde die de heiligheid of de onberispelijkheid voortbrengt, hoewel zij beide verhoogt en voltooit.

Maar als we „in liefde” verbinden met de volgende zin, wordt niet alleen deze kleine moeilijkheid weggenomen. We krijgen er ook een mooie en gezegende reden door waarom God ons te voren heeft verordineerd tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus in Zichzelf. En zo laten we het volkomen harmoniëren met de woorden van Johannes over hetzelfde punt: Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent (1 Johannes 3:1).

We kunnen er als punt van geleerde kritiek ook aan toevoegen dat enkele van de oudste vertalingen en kerkvaders de passage zo lezen. Ook is zij overgenomen door de beste en nieuwste uitgaven van het Griekse Nieuwe Testament. Maar onze voornaamste redenen om de woorden zo te verbinden zullen we straks vollediger uiteenzetten. Als we deze wijze van verbinden dus aanhouden, overwegen we nu wat het betekent dat God ons heeft te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven.

1. En ten eerste: wat is het verschil tussen uitverkiezing en voorbestemming? Of is er wel enig verschil tussen beide? Het is nauwelijks de moeite om bij zulke moeilijke punten fijne onderscheidingen te maken. Toch kunnen we veilig concluderen dat er enig verschil tussen is, anders zou de apostel de twee woorden niet gebruikt hebben. We kunnen dus kort zeggen dat de uitverkiezing de eerste daad in de gedachten van God is. Daarmee koos Hij de personen van de uitverkorenen om heilig en onberispelijk te zijn. De voorbestemming was de tweede daad die door een vast besluit de staat bekrachtigde van hen aan wie de uitverkiezing het bestaan had gegeven.

Nadat Hij hen in Zijn dierbare Zoon had gekozen tot een volmaaktheid van heiligheid en gerechtigheid, ging Zijn liefde uit. Niet alleen om hun staat door een vast besluit te bevestigen maar ook om een andere zegen toe te voegen, de hoogste en grootste die zelfs Zijn liefde kon schenken. Namelijk om hen door aanneming Zijn eigen kinderen te maken en zo Zelf hun Vader en hun God te worden.

Hij had, om zo te zeggen, hier kunnen stoppen. Hen te kiezen tot volmaakte heiligheid en smetteloze volmaaktheid zou hun geluk ruimschoots hebben verzekerd, want dat is alles wat de engelen hebben. Maar Zijn liefde tot Zijn dierbare Zoon was zo onmetelijk, ja zo oneindig, dat Zijn liefde naar hen uitging als naar een volk dat Hij in Hem had gekozen. Zij ging naar hen uit als naar één met Zijn eigen Zoon. In de diepte van die liefde heeft Hij hen voorbestemd tot de aanneming tot kinderen voor Zichzelf.

Hier zien we dus een stevige en wezenlijke reden waarom „in liefde” voor „voorbestemd hebbende” moet staan. Het toont ons duidelijker de bewegingen van Gods liefde bij het verrijken van de gemeente met die grootste en beste van alle zegeningen: de aanneming tot kinderen voor Zichzelf. Hij zag hen in Christus, in vereniging met de Zoon van Zijn liefde, en wilde meer voor hen doen dan hen volmaakt te maken in heiligheid en gerechtigheid. Hij wilde hen aannemen als Zijn eigen kinderen en hen liefhebben met dezelfde liefde waarmee Hij Zijn dierbare Zoon liefhad!

Een beeld kan ons hier misschien helpen. Een vader kiest een bruid voor zijn zoon, zoals Abraham er een koos uit zijn eigen verwanten voor Izak. Hij geeft haar een mooie bruidsschat en schenkt haar bruidssieraden zoals Eliëzer ze Rebekka aandeed. Maar zodra zij de gade van zijn zoon wordt, wordt zij zijn dochter. Dan stroomt zijn genegenheid naar haar uit, niet alleen als naar een geschikte bruid voor zijn dierbare zoon. Hij bewondert niet alleen haar schoonheid en bevalligheid en is niet alleen bekoord door de zoetheid van haar aard. Hij wordt ook bewogen met vaderlijke liefde tot haar als tot een die tot hemzelf is aangenomen en zo een nieuwere en nauwere verhouding inneemt.

Beelden zijn natuurlijk noodzakelijk onvolkomen en mogen daarom niet te ver worden doorgetrokken. Maar als het beeld dat we hebben aangehaald ons enigszins helpt tot een helderder begrip van Gods wonderbare liefde in onze aanneming tot Zichzelf, is het niet misplaatst. We zien zo dat de voorbestemming tot de aanneming tot kinderen een hogere, rijkere en grotere zegen is dan de uitverkiezing tot heiligheid en onberispelijkheid. Ze kan dus gezegd worden daarop te volgen als een extra en bijzondere vrucht van Gods liefde.

Maar de liefde van God bij het voorbestemmen van de gemeente tot de aanneming tot kinderen door Jezus Christus voor Zichzelf heeft een nog diepere wortel. Het is niet alleen dat Hij haar ziet als de Bruid van Zijn dierbare Zoon. Zij ontspringt aan het ware, werkelijke en eeuwige Zoonschap van Jezus en hangt er het nauwst en innigst mee samen. Doordat de uitverkorenen in Christus zijn gekozen, worden zij zonen van God. Waarom? Omdat Hij de ware, werkelijke en wezenlijke Zoon van de Vader is. Zo worden zij, in vereniging met Hem Die van nature de Zoon van God is, zonen van God door aanneming.

Was Hij slechts Zoon door ambt of door menswording, dan zou dit niet het geval zijn. Dan zou Hij zelf immers slechts een Zoon door aanneming zijn. Maar omdat Hij de Zoon van God is naar Zijn eeuwige bestaanswijze, kan Hij zeggen: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft. „Ik, Uw Zoon van nature, zij Uw zonen door aanneming.” We zien dus dat de liefde van God tot Zijn eniggeboren Zoon zo groot en zo bijzonder was dat Zijn hart de gemeente, gezien in vereniging met Hem, omarmde met dezelfde liefde waarmee Hij Hem liefhad!

De apostel voegt daarom toe: in Zichzelven. Geen woorden kunnen de gedachten van Gods hart jegens de gemeente en de uiteindelijke voltooiing van Zijn eeuwige voornemens beter weergeven. Door de gemeente in Christus tot heiligheid te kiezen en haar te voorbestemmen tot de aanneming tot kinderen, wilde Hij haar brengen in vereniging en gemeenschap met Zichzelf. Maar dit kon zij als schepsel, hoe heilig en volmaakt ook, niet hebben dan door vereniging met de Zoon van God.

Engelen zijn heilig en onberispelijk voor God, maar zij hebben geen vereniging en gemeenschap met Hem. Waarom? Omdat zij geen vereniging en gemeenschap hebben met Zijn dierbare Zoon. Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan. Christus kon daarom van de engelen niet zeggen: Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in een. Evenmin kon Hij van hen die wonderlijke woorden gebruiken: Opdat zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn (Johannes 17:21; Johannes 17:23).

Maar omdat we niet te lang bij één punt mogen blijven, gaan we door met onze uitleg van de volgende woorden: naar het welbehagen van Zijn wil, Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde (Efeze 1:5-6). Hier worden twee dingen genoemd als drijvende oorzaken in Gods gedachten. 1. Het welbehagen van Zijn wil. 2. De prijs van de heerlijkheid van Zijn genade. We zullen deze afzonderlijk bekijken.

1. naar het welbehagen van Zijn wil. Dit mogen we de bepalende oorzaak noemen van het hele raadsbesluit van God bij de keuze van de gemeente en bij haar zegenen met alle geestelijke zegeningen. De prijs van de heerlijkheid van Zijn genade was het uiteindelijke doel. Haar zo te begiftigen en te zegenen was Zijn soevereine wil. En let op de uitdrukking het welbehagen van Zijn wil.

Alle dingen zijn en bestaan alleen door de wil van God, dat wil zeggen Zijn blote, absolute, soevereine wil. Maar toen Hij wilde dat er een gemeente zou zijn in vereniging met Zijn dierbare Zoon, verheugde en verlustigde Hij Zich in die bijzondere daad van Zijn wil. Het was daarom het welbehagen van Zijn wil.

Een aardse vorst moet soms straffen. Het is nodig voor een goed bestuur dat de wet strikt wordt uitgevoerd. Maar hoewel het zijn wil is, is het niet zijn behagen. Hij verlustigt zich niet in het uitvoeren van een noodzakelijke daad van gerechtigheid. Maar als hij zijn recht van genade uitoefent door een misdadiger te vergeven, kan hij daar een voelbaar genoegen in hebben. Zo heeft God lust aan goedertierenheid (Micha 7:18), terwijl straffen Zijn „vreemde daad” is (Jesaja 28:21), alsof ze vreemd was aan Zijn barmhartige gezindheid.

Toen God dus de gemeente koos tot heiligheid en onberispelijkheid en haar voorbestemde tot de aanneming tot kinderen door Jezus Christus voor Zichzelf, was het niet alleen Zijn wil maar het welbehagen van Zijn wil. En dit geeft ons nog een reden om „in liefde” te verbinden met „voorbestemd hebbende”. Want het welbehagen van Zijn wil, waarnaar Hij de gemeente koos en zegende, was de uitwerking van Zijn liefde in een positieve daad van welgevallige wil.

Wat is het mooi om de zoete en heerlijke harmonie te zien tussen de liefde van God, het welbehagen van God en de wil van God. Alle werken in gezegende samenklank bij het uitverkiezen van de gemeente in Christus tot heiligheid en gerechtigheid en bij het voorbestemmen van haar tot de aanneming tot kinderen door Jezus Christus voor Zichzelf.

Wat een inzicht geeft het ons in God, niet slechts als absolute soeverein Die alle dingen beschikt naar de raad van Zijn eigen wil, maar Die uitgaat in goedheid en liefde! Zo mogen we, naarmate we onze verloren en ondergane staat zien en voelen, door de kracht van Zijn genade de liefde, die God tot ons heeft kennen en geloven (1 Johannes 4:16). En zo worden we aangemoedigd om altijd naar Hem op te zien en op Hem te wachten.

2. Het volgende punt dat we moeten overwegen is het uiteindelijke DOEL van deze raadsbesluiten van God: Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade. Maar omdat dit een breed onderwerp is, moeten we onze gedachten daarover uitstellen tot onze volgende studie.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!