Countless Treasures!
Wat een wonderbaar boek is de Bijbel! Wat een ontelbare schatten van barmhartigheid en genade, wijsheid en waarheid liggen daarin opgesloten. Voor het natuurlijke oog zijn ze verborgen. Maar de Heilige Geest opent en onthult ze van tijd tot tijd aan het verlichte verstand van het gezin van God. Voor de grote massa van de belijdende christenen is het Woord van God een verzegeld boek. Daarmee bedoelen wij hen die zonder goddelijk leven in hun ziel gewoon zijn een plaats van eredienst te bezoeken. Enkele feiten tonen dat overvloedig aan.
De Schrift is in ieders hand en wordt van de kinderjaren tot de uitdovende ouderdom gewoonlijk gelezen of gehoord. Toch wordt ze niet begrepen en zelfs niet onthouden. Wij aarzelen niet te zeggen dat u op goed geluk duizend mensen uit de middenklasse kunt nemen. Zij hebben een goede opleiding en gaan regelmatig naar de kerk. Zij horen dus voortdurend de Schrift voorlezen. Toch zult u er nauwelijks vijf onder vinden die een tekst juist kunnen aanhalen of kunnen zeggen waar die te vinden is. Hooguit hebben zij een vaag idee, afgeleid uit de uitdrukkingswijze, dat hij in het Oude of in het Nieuwe Testament staat.
Toont dit niet aan dat zij het horen zonder enige belangstelling? Zou Shakespeare, Milton of Byron even vaak in hun oren worden voorgelezen zonder dat zij het onthielden? De woorden van een dwaas lied worden in enkele minuten geleerd en door elke jongen op straat meteen opgepikt. Maar wie onthoudt het Woord van God, behalve om het te misbruiken en te lasteren? Eén keer lezen gaf Oom Tom bij duizenden een vastere plaats in het geheugen dan de Bijbel die zij hun hele leven lezen.
Hoe weinig lijken zij ook de betekenis ervan te begrijpen! Enkele duidelijke teksten die over te verrichten handelingen spreken, lijken zij op het eerste gezicht misschien te begrijpen. Maar zelfs die rukken en scheuren zij los van hun geestelijke betekenis. Zij stellen ze voor als plichten die alle mensen moeten doen. In werkelijkheid zijn het vruchten die de Heilige Geest voortbrengt in de harten, op de lippen en in het leven van het gezin van God.
Maar deze grove duisternis van het verstand ten aanzien van de Schrift is niet louter een negatief kwaad. Zij brengt onvermijdelijk gevolgen voort die bijna gevaarlijker zijn dan de blindheid zelf. Een blinde die stil blijft zitten, kan voor struikelen behoed blijven. Pas wanneer hij begint te bewegen en te lopen, valt hij en breekt hij zijn ledematen of zijn nek. Zo is het ook in de godsdienst. Wanneer de blinden zich gaan bewegen en denken dat zij zeker godsdienstig zullen worden, struikelen zij en vallen zij van de ene dwaling in de andere.
Zonder goddelijk onderwijs kunnen zij niet anders dan verkeerd gaan. Zonder goddelijk licht kunnen zij niet anders dan vallen. Wij zeggen niet dat zij geen natuurlijk licht hebben. Maar wat zij zien, zien zij vanuit een verkeerd gezichtspunt en wat zij doen, doen zij uit verkeerde beweegredenen. Hun flauwe en flikkerende opvattingen over goed en kwaad misleiden hen alleen tot eigengerechtigheid. De plichten die zij proberen te vervullen, maken hen nog blinder voor de weg van de zaligheid door soevereine genade.
Zoals iemand die in een bos verdwaald is, lijkt elke stap naar buiten hun slechts een stap verder erin. Of zoals iemand die door de nacht wordt overvallen op een heide of in een moeras: elke poging om los te komen vermoeit en put hem uit en eindigt slechts in een diepere verstrikking.
Men vindt soms dat dienaren van de waarheid te sterk spreken over de vreselijke toestand van de mens door de val. In werkelijkheid is het echter onmogelijk om de blindheid en duisternis van het menselijk hart in woorden te overdrijven.
Ook kan geen pen of tong de ellende en volstrekte hulpeloosheid van een toestand voldoende beschrijven zoals de Schrift die in twee zeer plechtige gedeelten schildert: Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft: Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. (Johannes 12:39-40) En: Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan; In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is. (2 Korinthe 4:3-4)
Stel daar nu tegenover de toestand van de ziel waarin het ware licht heeft geschenen. Dat is wat de Heere het licht des levens noemt.
Dit wordt prachtig beschreven in twee Schriftgedeelten die wij als tegenhangers van de zojuist aangehaalde plaatsen aanhalen: Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes. (Lukas 1:78-79) En: Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. (2 Korinthe 4:6)
Het Woord van de waarheid bevat veel zoete en eenvoudige getuigenissen van dit werk van de Geest in het hart. Daardoor verlicht Hij het met het licht van de levenden. De opening Uwer woorden geeft licht; in Uw licht zien wij het licht; verlichte ogen uws verstands; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. Gelukkig de mens die zo door de Geest uit de hoogte verlicht is. Hij wandelt niet langer voort in duisternis en in de schaduw des doods.
Hij ziet nu, als Mozes, Hem Die onzienlijk is. Dit licht dringt door in de donkere hoeken en schuilplaatsen van het hart. Het is de ware lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.
Het ontdekt hem zijn eigen toestand als gevallen zondaar. Terwijl het schijnt op de heiligheid en rechtvaardigheid van God zoals die in de Schrift zijn geopenbaard, maakt het de breedte en geestelijkheid van de wet bekend. Het maakt de toorn van God bekend die voor de zonde verschuldigd is en Zijn rechtvaardig oordeel over alle overtreders. Maar de Heilige Geest blijft hier niet bij stilstaan. Hij gaat voort de ziel te verlichten om de weg van de zaligheid te zien.
Zijn bijzondere taak is het te nemen uit de dingen van Christus en die aan de ziel te openbaren. Daarom werpt Hij licht op de barmhartigheid van God zoals die in Zijn dierbare Zoon is geopenbaard.
Hij toont hoe de ziel gewassen is in Zijn bloed en bekleed met Zijn gerechtigheid. Hij past ook het bloed toe en brengt de gerechtigheid nabij. Zo zegent Hij hem met een openbaring van Christus en een getuigenis van zijn aandeel in Hem. Daarna leidt Hij hem verder om steeds meer te zien van de schoonheid van Zijn Persoon, de rijkdommen van Zijn genade en de breedte, lengte, diepte en hoogte van Zijn stervende liefde. Hij toont hem Zijn geschiktheid in al Zijn verbondskarakters en ambten en wat Hij is voor allen die Zijn naam liefhebben en erop vertrouwen.
Datzelfde licht, zo mogen wij verder opmerken, verspreidt zich over het Woord van de waarheid terwijl hij van tijd tot tijd de geïnspireerde bladzijde leest. Wij hebben vaak gedacht aan de woorden: Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. Zolang dit niet gebeurt, worden de Schriften niet begrepen. Het oog kijkt er wel naar, maar zoals het door een verrekijker naar voorwerpen kijkt voordat het de juiste scherpte heeft. Alles is dof en vervormd, wazig en onduidelijk.
Zonder Christus, dat wil zeggen zonder het licht van Christus in het verstand en het leven van Christus in het hart, zijn de Schriften een donker raadsel. Hetzelfde geldt zonder geloof in Zijn Persoon, hoop op Zijn barmhartigheid of liefde tot Zijn naam. Geen leer kan worden begrepen, geen bevinding binnengegaan, geen gebod volbracht, geen belofte geloofd, geen uitnodiging aanvaard en geen waarheid genoten zonder een levend geloof in de goddelijke Openbaarder van dat alles. De Schriften worden veel en wijd gelezen, dat is waar. Maar het is slechts als een plicht, een dagelijkse of wekelijkse zelfopgelegde taak, een godsdienstige verrichting waarin een zeker bedrag aan verdienste wordt belegd.
Zo wordt het bij sommigen een louter sop voor het geweten. Bij anderen komt het hooguit neer op het met het oog doorlopen van een zekere hoeveelheid woorden en letters, hoofdstukken en verzen, met tegenzin opgenomen en slecht weggelegd. De schoonheid en zaligheid, de goddelijke zoetheid en onuitsprekelijke kracht en smaak die een gelovig hart in de Schriften ziet en voelt, zijn voor de ongelovige menigte onbekend, ongeproefd, ongevoeld en onbelangrijk. Het onderwerp mag zo plechtig of gewichtig zijn als het wil.
Wat kan trouwens zo plechtig en gewichtig zijn als het eeuwige geluk of de eeuwige ellende van de ziel? Toch maakt het Woord van de waarheid zonder goddelijke toepassing absoluut geen indruk op het geweten.
De bedreigingen brengen geen schrik of beven voort. Zij wekken geen vrees of overtuiging en ontlokken geen zucht of kreun. Zij doen zelfs geen zwakke, flauwe kreet opkomen: O God! wees mij zondaar genadig! De beloften, de uitnodigingen en de gedeelten die van Christus en Zijn lijden spreken, ontroeren en bewegen hun geweten niet. Ze raken het niet en maken het niet zacht. Het onwedergeboren hart reageert noch op oordeel noch op barmhartigheid. Niets beweegt het naar God toe. Hard als een steen, koud als ijs en onbeweeglijk als een lijk ligt het dood in de overtredingen en de zonden.
Maar zo is het niet met het hart dat de vinger van God heeft aangeraakt. Het vreest en beeft, het smelt en wordt zacht. Het wordt opgeheven en neergeworpen. Het zucht, het bidt en het gelooft. Het hoopt en het heeft lief. Het treurt en het verheugt zich. Het is bedroefd en het bekeert zich. In één woord: het leeft het leven van God en ademt, handelt en beweegt zoals de Heilige Geest het door Zijn genadige kracht en invloed bezoekt en bewerkt.
Onder Zijn onderwijs worden de Schriften een nieuw boek. Zij worden als het ware met nieuwe ogen gelezen, met nieuwe oren gehoord, met nieuwe gevoelens overdacht en overwogen, met een nieuw verstand begrepen en in een nieuw geweten gevoeld. Maar afgezien van enig bijzonder licht dat een van God onderwezen mens op bepaalde Schriftplaatsen kan hebben, heeft hij nog iets anders. Denk aan plaatsen die voor hem in het bijzonder geopend, toegepast en gezegend zijn aan zijn ziel. Behalve die is er wat wij misschien een algemeen licht op het Woord van de waarheid mogen noemen.
Er is harmonie in Gods Woord. Dat kan ook niet anders. Het zou verraad zijn tegen de Heilige Geest om te denken dat er enige werkelijke tegenstrijdigheid of uitdrukkelijke tegenspraak in de geïnspireerde bladzijde zou kunnen zijn. Als wij dus verwaardigd worden met een geestelijke, bevindelijke kennis van de waarheid van God, krijgen wij daarmee een hoofdsleutel in handen. Daarmee openen wij kabinetten die voor de wijzen en verstandigen gesloten zijn. Het is een sleutel tot de weg door de doolhoven waarin geleerde doctoren en studerende theologen dwalen en verloren gaan.
Het is een licht dat doordringt in de verborgen diepten van het heiligdom. Op de drempel daarvan struikelen en vallen de schriftgeleerde en de farizeeër.
Er is in de Schrift een diepe mijn waarin een verbazingwekkende hoeveelheid nuttig onderwijs is opgeslagen. Zonder goddelijk licht kan daar echter niet in worden doorgedrongen en kan zij niet worden onderzocht. Dan blijft haar gouden schat verborgen, want zij heeft stofjes van goud. Wij bedoelen de personen van de Schrift. Dat kan men de Schriftbiografie noemen, in onderscheid van de Schriftgeschiedenis. Omdat de Bijbel ons het leven en de daden van zondaars geeft en ook van heiligen, van belijders en ook van bezitters, heeft de Schriftbiografie twee kanten die met deze karakters overeenkomen.
Neem bijvoorbeeld het karakter van Saul. Wat een mijn van onderwijs, vreselijk inderdaad maar nuttig, ligt in zijn geschiedenis opgeslagen! Wat een beschrijving van binnen en van buiten van een belijder van de godsdienst, van het begin tot het einde van zijn loopbaan! Het is de geschiedenis van een man die tegen zijn wil werd opgedrongen aan wereldse eer en een vooraanstaande plaats in de gemeente van God. Hij is gestrand en geruïneerd omdat hij de genade niet bezat.
Het lijkt alsof God ons in hem wil tonen dat de fraaiste aanloop, de schitterendste vooruitzichten en de meest uitnemende gaven een mens alleen maar in een diepere ondergang storten als hij geen levend beginsel van geloof, vreze en gehoorzaamheid in zijn ziel heeft.
In de geschiedenis van Saul worden elementen van zijn karakter gegeven. Daarmee zou men zonder de minste overdrijving in tekening of kleur een portret ten voeten uit kunnen schilderen. Dat zou een teerhartig kind van God tot in het diepst van zijn hart doen beven.
Neem ook het karakter van David, zoals dat op dezelfde wijze door zijn woorden en daden naar voren komt. Houd uw oog daarop gericht en volg dat vastberaden door heel zijn geschiedenis. God lijkt in hem het tegenbeeld van het karakter van Saul te hebben willen geven. Zo toont Hij dat zoals zonder genade niets kan redden, met genade niets kan verdoemen. Juist waar Saul struikelt en valt, blijft David staan. Alle dingen, de helderste en de schoonste, leiden tot de val van Saul. Alle dingen, de donkerste en de vuilste, leiden tot de opkomst van David.
Overwinning en nederlaag zijn voor Saul beide een ondergang. Want wanneer hij Agag overwint, vernietigt hij zichzelf door hem te sparen. En wanneer de Filistijnen de overhand krijgen, valt hij in zijn eigen zwaard. Overwinning en nederlaag zijn voor David beide een zegen. Als hij overwint, zoals toen hij Goliath versloeg, was dat een stap naar de troon omdat hij zo het vertrouwen en de genegenheid van het volk won. En als hij wordt opgejaagd gelijk als men een veldhoen op de bergen najaagt, is dat slechts een heilzame tucht en een nodige training om de kroon vaster te leren dragen.
Toch moeten wij bij het lezen van hun geschiedenis erkennen dat Saul terecht gestraft en David terecht gezegend wordt. Wij stemmen volledig in met het vonnis over elk van beiden. Niets in een van beiden schokt ons morele besef van goed en kwaad. De onoprechtheid, zelfzucht, huichelarij, ongehoorzaamheid en de moordzuchtige en wraakzuchtige gezindheid en handelwijze van Saul trekken terecht Gods wraak op hem. Toch voelen wij dat hij, zoals de menselijke natuur nu eenmaal is en zoals de omstandigheden waren, bijna niet anders kon handelen.
Daarin ligt veel van het onderwijs van zijn ellendige geschiedenis. Tegelijk voelen wij dat hij wel anders zou hebben gehandeld als hij maar genade had bezeten.
Wij lezen zijn einde, sluiten het boek en beven. Maar komt de gedachte op alsof God onrechtvaardig zou zijn door hem zo ellendig te laten omkomen? Heeft hij niet gezondigd tegen de duidelijkste aanwijzingen en de sterkste waarschuwingen? Ging hij, toen hij eenmaal begon af te wijken, niet van zonde tot zonde, van moord tot hekserij? Tot zelfs de barmhartigheid haar aangezicht afwendde, niet in staat een woord te zeggen waarom de slag van de gerechtigheid niet zou vallen?
David daarentegen toont niet alleen de triomf van de genade als een zaligmakend beginsel. Daardoor bevestigt en vestigt hij ons in haar soevereine kracht. Hij straalt ook als een levend bewijs van wat de genade is als een werkzaam, invloedrijk beginsel. David wordt niet lijdelijk en werktuiglijk naar de troon gedragen alsof hij in een wagen van Bethlehems schaapskooien naar het hof van Hebron wordt gevoerd. De genade is niet alleen in hem werkzaam maar wordt ook door hem uitgewerkt. Zijn gebeden en tranen komen naar voren.
Dat geldt ook voor zijn geloof, gehoorzaamheid, oprechtheid, nederigheid en vertrouwen en ja, ook voor al zijn vrezen en strijd. Wat de genade is, doet en kan doen, wordt in hem even duidelijk gezien als wat de natuur is, doet en kan doen in Saul.
What a wonderful book is the Bible! What countless treasures of mercy and grace, wisdom and truth, are therein contained—hidden, indeed, from the natural eye, but opened up and revealed from time to time by the Blessed Spirit to the enlightened understanding of the family of God. That the word of God is a sealed book to the great mass of professed Christians—we mean by the term, those who, without any divine life in their soul, are in the habit of attending a place of worship—one or two facts will abundantly show. Though the Scriptures are in everybody’s hand, and are read or heard habitually from childhood’s hour to old age’s lingering decay, not only are they not understood, they are not even remembered. We hesitate not to say, that you may take at a venture, a thousand people in the middle classes of society, of a good education, regular church-goers, and therefore hearing the Scriptures continually read, and you shall hardly find five out of them who could quote a text correctly, or tell you where it is to be found—at least, beyond some vague idea, gathered from the turn of expression, that it is in the Old Testament or New.
Does not this show that they are heard without the least interest taken in them? Would Shakespeare, or Milton, or Byron, be read in their ears as often, and not be remembered? The words of a foolish song are learned in a few minutes, and caught up at once by every boy in the street. But who remembers the word of God, except to misuse and blaspheme it? One reading gave “Uncle Tom” a firmer place in the memory of thousands than the Bible which they have read all their lives. How little, too, do they seem to understand its meaning! A few plain texts that speak of actions to be performed they may, at first sight, seem to comprehend; but even these they rive and tear from their spiritual meaning, laying them down as duties to be done by all men, instead of fruits brought forth by the Blessed Spirit in the hearts, lips, and lives of the family of God.
But this gross darkness of mind, as regards the Scriptures, is not merely a negative evil; it inevitably produces effects almost more dangerous than the very blindness itself. A blind man, as long as he sits still, may keep from stumbling. It is when he begins to move, to walk, that he tumbles about and breaks his limbs or his neck. So in religion; it is when the blind begin to move, and think they certainly will become religious, that they stumble and fall into one error after another. Without divine teaching, they cannot but go wrong; without divine light, they cannot but fall. We do not say they have not some natural light; but what is seen by them is seen from a wrong point of view; what is done by them is done from wrong motives; their faint and flickering views of right and wrong only mislead them into self-righteousness; and the very duties they try to perform only blind them more to the way of salvation by sovereign grace. Like a man lost in a wood, every seeming step out is to them, but a farther step in; or, like one benighted on a moor, or in a bog, every attempt at extrication wearies and fatigues, but only ends in deeper entanglement.
Ministers of truth are thought sometimes to speak too strongly of the dreadful state of man through the fall; but, in fact, it is impossible to exaggerate in language the blindness and darkness of the human heart; nor can pen or tongue adequately set forth the misery and utter helplessness of a condition such as the Scriptures describe in two most solemn passages—“Therefore they could not believe, because that Elijah said again, He has blinded their eyes, and hardened their heart; that they should not see with their eyes, nor understand with their heart, and be converted, and I should heal them”; (John 12:39, 40); “But if our gospel be hid, it is hid to them that are lost; in whom the god of this world has blinded the minds of them which believe not, lest the light of the glorious gospel of Christ, who is the image of God, should shine unto them.” (2 Cor. 4:3, 4.)
Now, contrast with this dreadful condition, so clearly, so graphically described, the state of the soul into which the true light, what the Lord calls “the light of life,” has shone. This is beautifully described in two passages of scripture, which we will quote as counterparts of those just brought forward—“Through the tender mercy of our God, whereby the dayspring from on high has visited us, to give light to them that sit in darkness, and in the shadow of death, to guide our feet into the way of peace;” (Luke 1:78, 79); “For God, who commanded the light to shine out of darkness, has shined in our hearts, to give the light of the knowledge of the glory of God in the face of Jesus Christ.” (2 Cor. 4:6.)
Many sweet and simple testimonies are there in the word of truth to this work of the Spirit on the heart, whereby he enlightens it with the light of the living. “The entrance of your words gives light.” “In your light shall we see light.” “The eyes of your understanding being enlightened.” “He who believes in me shall not walk in darkness, but shall have the light of life.” Happy the man thus enlightened by the Spirit from on high. He no longer walks on in darkness and in the shadow of death. Like Moses, he now sees him who is invisible. As this light penetrates into the dark corners and recesses of the heart—the true “candle of the Lord, searching all the inward parts of the belly.”
It discovers to him his own case and state as a fallen sinner; and as it shines upon the holiness and justice of God, as revealed in the Scripture, it makes known the breadth and spirituality of the law, the wrath of God due to sin, and his righteous judgment on all transgressors. Nor does the blessed Spirit stop here. He goes on to enlighten the soul to see the way of salvation. His special office is to take of the things of Christ and to reveal them to the soul. He therefore casts a light upon the mercy of God as revealed in his dear Son; shows how the soul is washed in his blood, and clothed in his righteousness; and not only so, but applies the blood, and brings near the righteousness; and blessing him with a manifestation of Christ, and a testimony to his interest in him, leads him onward to see more and more of the beauty of his Person, the riches of his grace, the breadth, length, depth, and height of his dying love, his suitability in all his covenant characters and offices, and what he is to all who love and confide in his name.
This same light, we, may further observe, spreads itself over the word of truth, as he reads from time to time the inspired page. We have often thought of the words, “Then he opened their understanding, that they might understand the Scriptures.” Until this is done, the Scriptures are not understood. The eye, indeed, looks at them, but much as it looks at objects through a telescope before it gets the right focus. Everything is dim and distorted, hazy and obscure. Without Christ—the light of Christ in the understanding, and the life of Christ in the heart; without faith in his Person, hope in his mercy, or love to his name, the Scriptures are all a dark enigma. Not a doctrine can be understood, not an experience entered into, not a precept performed, not a promise believed, not an invitation accepted, not a truth enjoyed, without a living faith in the divine Revealer of them all.
The Scriptures are much and widely read, it is true, but merely as a duty, a daily or weekly self-imposed task, a religious performance in which a certain amount of merit is invested. It thus becomes a mere sop for conscience in some, and in others amounts at best to a perusing with the eye a certain quantity of words and letters, chapters and verses, unwillingly taken up, badly laid down. The beauty and blessedness, divine sweetness and inexpressible power and savor, seen and felt in the Scriptures by a believing heart are, to the unbelieving multitude unknown, untasted, unfelt, uncared for. Whatever be the subject, however solemn or weighty—and what can be so solemn and weighty as the soul’s eternal happiness or misery?—the word of truth, without a divine application, absolutely makes no impression on the conscience. The threatenings produce no terror or trembling, create no fear or conviction, draw out neither sigh nor groan, no, nor raise up one faint, feeble cry, “God be merciful to me a sinner.” The promises, the invitations, the portions that speak of Christ and his sufferings neither melt nor move, touch nor soften their conscience.The unregenerate heart responds to neither judgment nor mercy. Nothing stirs it Godwards. Hard as a stone, cold as ice, motionless as a corpse, it lies dead in trespasses and sins.
But not so with the heart which the finger of God has touched. It fears, it trembles, it melts, it softens; it is lifted up, it is cast down; it sighs, it prays, it believes; it hopes, it loves; it mourns, it rejoices; it grieves, it repents—in a word, it lives the life of God, and breathes, acts, and moves just as the Blessed Spirit visits and works in it by his gracious power and influence. Under his teaching, the Scriptures become a new book, read, as it, were, with new eyes, heard with new ears, thought and pondered over with new feelings, understood with a new understanding, and felt in a new conscience.
But apart from any special light which a man taught of God may have on particular passages of Scripture, such, for instance, as have been peculiarly opened up, applied, and blessed to his soul, there is what we may perhaps call a general light on the word of truth. There is harmony in God’s word. Indeed, it cannot be otherwise. It would be treason against the Blessed Spirit to think there could be any real discrepancy, any positive contradiction, in the inspired page. When, then, we are favored with a spiritual, experimental knowledge of God’s truth, it is putting into our hands a master-key to open cabinets closed against the wise and prudent, a clue to guide the feet amid the mazes where learned doctors and studious theologians wander and are lost, a light penetrating and pervading the hidden depths of the sanctuary, on the threshold of which the scribe and the Pharisee stumble and fall.
There is one deep mine especially in Scripture, in which an amazing amount of profitable instruction is stored up, but which, without divine light, cannot be penetrated into and explored, and its golden treasure, for “it has dust of gold,” laid bare. We mean the characters of Scripture, what may be called Scripture biography, as distinct from Scripture history. And as the Bible gives us the lives and actions of sinners as well as of saints, of professors as well as possessors, Scripture biography has two phases corresponding to these characters.
Take, for instance, the character of Saul. What a mine of instruction—fearful indeed, but profitable—is laid up in his history! What a description inside and out of a professor of religion, from the beginning to the end of his course! It is the history of a man upon whom worldly honor and a prominent position in the church of God are thrust in spite of himself, wrecked and ruined for the non-possession of grace. It seems as if God would show us in him that the fairest beginnings, brightest prospects, and most signal gifts serve only to thrust a man into deeper perdition, if he has not a living principle of faith, fear, and obedience in his soul. There are in the history of Saul elements of character given, from which, without the slightest exaggeration in drawing or coloring, a full-length portrait might be painted which would make a tender-hearted child of God tremble to the very center.
Take, again, the character of David, as brought out in the same way by his words and actions, and fixing your eye on that point, steadily pursue it through all his history. God seems to have designed to give us in him the counterpart of the character of Saul, and thus to show that, as without grace nothing can save, so with grace nothing can damn. Just where Saul stumbles and falls, David stands. All things, the brightest and the fairest, tend to Saul’s downfall; all things, the darkest and foulest, tend to David’s rise. Victory and defeat are alike ruinous to Saul; for when he conquers Agag, he destroys himself by sparing him; and when the Philistines prevail, he falls on his own sword. Victory and defeat are alike a blessing to David. If he conquers, as when he slew Goliath, it was, as winning the confidence and affections of the people, a step towards the throne; and if he is hunted as a partridge on the mountains, it is but a wholesome discipline and a needful training him to wear more steadily the crown. Yet, in reading their history, we cannot but own that Saul is justly punished, and David justly blessed. We fully acquiesce in the sentence of each. Nothing in either shocks our moral perceptions of right and wrong. The crookedness, selfishness, hypocrisy, disobedience, murderous, revengeful disposition and conduct of Saul we see justly to draw down upon him the vengeance of God.
Yet we feel, and in this much consists the instruction contained in his miserable history, that human nature being what it is, and circumstances being what they were, he could hardly act otherwise; though, at the same time, we feel that otherwise he would have acted, had he but possessed grace. We read his end, close the book, and tremble; but does the thought rise up as if God were unjust in letting him perish so miserably? Did he not sin against the clearest directions, the strongest warnings; and when once he began to turn aside, did he not go from sin to sin, from murder to witchcraft, until mercy herself turned aside her face, unable to say a word why the stroke of justice should not fall? David, on the other hand, not merely shows the triumph of grace as a saving principle, confirming and establishing us thereby in its sovereign efficacy, but shines forth as a living evidence of what grace is as an active, influential principle. David is not borne on passively, mechanically to the throne, carried as if in a chariot from Bethlehem’s sheepfolds to Hebron’s court. Grace is seen not merely working in him, but worked out by him. His prayers, his tears, his faith, his obedience, his sincerity, his humility, his confiding trust, yes, and all his fears and conflicts too, are brought out; and what grace is, does, and can do is as clearly seen in him, as what nature is, does, and can do is seen in Saul.