1. Het boek van de voorzienigheid — dat leest hij met vrucht wanneer hij regel voor regel opgeschreven ziet hoe God voorzienig met hem handelt en een straal van goddelijk licht elke regel verguldt.
2. Het Woord van God — dat leest hij tot nut wanneer de gezegende Geest het met kracht op zijn ziel toepast.
3. Het boek van zijn eigen hart — dat bestudeert hij met voordeel wanneer hij in de nieuwe mens van de genade het gezegende handelen van God met zijn ziel leest. En in de oude mens van de zonde en de dood leest hij genoeg om hem te vervullen met beschaamdheid van het aangezicht en hem zichzelf te doen verfoeien en verafschuwen in stof en as.
Het hele toestel van de godsdienst
ik bemerke, dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt (Handelingen 17:22)
Een of andere vorm van godsdienst is onmisbaar voor het bestaan van de beschaafde samenleving. Er is een natuurlijke godsdienst — en ook een geestelijke godsdienst. Het natuurlijke geweten is de zetel van de eerste — een geestelijk geweten de zetel van de tweede. De ene is van het vlees — de andere van de Geest. De ene is voor de tijd — de andere voor de eeuwigheid. De ene is voor de wereld — de andere voor de uitverkorenen. De ene dient om mensen te bezielen en te verbinden als bestanddelen van de maatschappij — de andere om de kinderen van God te bezielen en te verbinden als leden van het mystieke lichaam van Christus.
De ware godsdienst is wat de wereld niet wil — en de ware godsdienst wil de wereld ook niet. De twee zijn zo gescheiden als Christus en Belial. Maar enige godsdienst moet de wereld hebben! En omdat zij de ware niet wil en niet kan hebben — wil en moet zij de valse hebben. De ware godsdienst is geestelijk en bevindelijk, hemels en goddelijk, de gave en het werk van God, het geboorterecht en voorrecht van de uitverkorenen en het eigen bezit van de erfgenamen van God. Deze heeft de wereld niet — want zij is Gods vijand en niet Zijn vriend. Zij wandelt op de brede weg die naar het verderf leidt en niet op de smalle weg die naar het eeuwige leven leidt.
Een wereldse godsdienst kan niet bestaan zonder een stand van mensen om haar te onderwijzen en haar plechtigheden te verrichten. Zo ontstaat de geestelijkheid, een erkende priesterkaste. En omdat die om verwarring te voorkomen bestuurd moet worden — alle grote lichamen vragen immers om een leidende macht — ontstaan bisschoppen en aartsbisschoppen, kerkelijke rechtbanken, aartsdiakens en het hele toestel van het kerkelijk bestuur.
De plechtigheden en verordeningen kunnen niet worden uitgevoerd zonder gebouwen die daarvoor zijn afgezonderd — zo ontstaan kerken en kathedralen. Gebed hoort bij alle godsdienstige eredienst en vleselijke mensen kunnen bij gebrek aan de Geest niet geestelijk bidden. Zij moeten dus gebedsvormen kant en klaar hebben — zo ontstaan gebedenboeken en liturgieën.
Er moeten gemeenschappelijke punten van overeenstemming zijn om mensen bijeen te houden. Er moeten dus geschreven leerformules zijn — zo ontstaan artikelen, credo’s en belijdenisgeschriften. En ten slotte zijn er kinderen te onderwijzen. Dat kan niet veilig aan mondeling onderricht worden overgelaten uit vrees voor onwetendheid bij sommigen en dwaling bij anderen. De vorm van het onderwijs moet dus in zoveel woorden worden opgesteld — zo ontstaan catechismussen.
Mensen vragen zich soms af waarom dit en dat in een gevestigde godsdienst bestaat. Waarom hebben wij kerken en geestelijken, tienden en gebedenboeken, universiteiten en catechismussen — en het hele toestel van de godsdienst? Zij zien niet dat dit alles als het ware is voortgekomen uit een zedelijke noodzaak en gegrondvest is op de gesteldheid van de mens zelf. Deze grote en wijdvertakte boom van een menselijke godsdienst heeft zijn diepe wortels in het natuurlijke geweten. En al zijn takken groeien noodzakelijk en vanzelf uit de brede en hoge stam.
De gehechtheid van wereldse mensen aan een wereldse godsdienst is dus geen groot geheim. Het is geen raadsel dat een Simson zou opgeven — of waarvoor een Salomo nodig zou zijn om het op te lossen.
Dingen waarin de engelen begerig zijn in te zien
in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien (1 Petrus 1:12)
Voor het vleselijke, aardse, verlaagde en vernederde verstand van de mens is het geheimenis van de Persoon van Christus, van het kruis, van het lijden, het bloedvergieten en de dood van Jezus — waardoor Hij de zonde heeft weggedaan door Zichzelf te offeren — dwaasheid. Hij ziet geen schoonheid, zaligheid of heerlijkheid in de Persoon van de Zoon van God en geen wijsheid of genade in het verzoenende bloed en de stervende liefde.
Maar zo is het niet met deze heldere en reine wezens! Zij zien in de Persoon en het werk van Christus niet alleen de diepten van oneindige wijsheid in het ontwerp van het hele plan van verlossing en van macht in de uitvoering en volbrenging ervan. Zij zien ook zulke lengten, breedten, diepten en hoogten van liefde dat die hun gemoed met heilig verbazen, bewondering en lof vervullen. Zij zien in Zijn menswording, vernedering, lijden, bloedvergieten en dood zulke onuitsprekelijke schatten van barmhartigheid en genade dat die hun gemoed altijd met verbazing en bewondering vervullen.
Wat een schaamte en verwarring zou ons aangezicht moeten bedekken! Wij zien zo weinig schoonheid en heerlijkheid in dat verlossende bloed en die liefde die het reine gemoed van de engelen met heilige en onophoudelijke bewondering vervult. En zij zijn voortdurend bezig dit hemelse geheimenis te zoeken en te onderzoeken om erin steeds nieuwe en zich openende schatten te ontdekken van de wijsheid, genade, barmhartigheid, waarheid en liefde van God. Wij daarentegen, die belijden door kostbaar bloed verlost te zijn, zijn meestal zo koud en onverschillig in het overdenken en bewonderen ervan.
Deze allerkostbaarste en meest passende Heiland!
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden (Hebreeën 4:15)
Wat een genade is het een getrouwe, genadige en medelevende Hogepriester te hebben, Die kan meevoelen met Zijn arme, beproefde, verzochte familie! Hoe diep zij ook zinken, Zijn meelevend oog kan hen zien in hun lage staat. Zijn genadig oor hoort hun roepen, Zijn liefdevol hart smelt over hen en Zijn sterke arm trekt hen uit hun verderf! O, wat zouden wij doen zonder zo’n genadige en allerpassendste Heiland als de gezegende Jezus!
Hoe lijkt Hij steeds meer te rijzen in onze waardering — in onze gedachten — in onze verlangens — in onze genegenheden — naarmate wij zien en voelen wat een wrak en puinhoop wij zijn. Wij zien wat een vreselijke verwoesting de zonde in lichaam en ziel heeft aangericht en wat een ellendige verstotelingen wij van nature zijn. Maar o, wat is het nodig, beste vriend, in onze ziel te worden neergebracht tot de voornaamste van de zondaren, snoder dan de snoodste en slechter dan de slechtste — opdat wij waarlijk en werkelijk in deze allerkostbaarste en meest passende Heiland geloven en Hem aanhangen!
Mijn pad
Mijn pad is voornamelijk een pad van beproeving en verzoeking geweest en is dat nog steeds. Ik heb zo’n boos hart, zo’n sluwe verzoeker en zo veel kruisen en strikken waarin mijn voeten voortdurend verstrikt en verward raken. Alles hier op aarde is arbeid en verdriet. Onze eigen zonden en de zonden van anderen zullen er altijd een toneel van moeite van maken. O, afschuwelijk monster, zonde! Wat een geweldige macht heeft zij — een macht die alleen genade kan bedwingen. Soms lijkt zij bedwongen en dan staat zij erger dan tevoren weer op. Wel mogen wij uitroepen: Ik ellendig mens! En wel mogen wij de Heere bidden: Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.
De begeerten van het vlees en van het verstand
Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen (Efeze 2:3)
Wij kunnen hier een onderscheid opmerken dat de apostel maakt tussen de begeerten van het vlees en de begeerten van het verstand. Beide zijn tegen God en godzaligheid gekeerd en beide zijn vruchten van onze gevallen natuur. Maar de begeerten van het VLEES lijken die grovere, zinnelijke lusten en driften te zijn die als het ware verbonden zijn met het lagere deel van onze natuur. De begeerten van het VERSTAND zijn die welke verbonden zijn met de hogere eigenschappen ervan.
Zo zijn sommigen tot aan hun lippen toe ondergedompeld in allerlei walgelijke gruwelen van zinnelijke lust, in de bevrediging waarvan zij al hun genot vinden. Anderen verfoeien de lagere lusten van het vlees of worden er althans niet door verzocht. Zij volgen met evenveel vuur de ingevingen van een verfijnder aard en gezindheid.
Er is eerzucht om hogerop te komen in de wereld en dorst naar macht over medemensen. Er is hunkering naar roem en onderscheiding op een bepaald gebied van kunst of wetenschap. Er is ontevredenheid met hun huidige positie in het leven en afgunst op ieder die hen overtreft in geboorte, rijkdom, talent, bekwaamheden, positie of wereldlijk geluk. Er zijn pogingen, min of meer geslaagd, om uit de onbekendheid, armoede en ondergeschiktheid omhoog te komen en zich naam, faam en voorspoed te verwerven. Wat een uitgestrekt veld opent dit voor ons oog als omvattende ‘de begeerten van het VERSTAND’!
En let erop hoe de apostel de begeerten van het vlees en de begeerten van het verstand op één lijn stelt. Hij stempelt ze beide met hetzelfde zwarte merk van ongehoorzaamheid en haar gevolg — de toorn van God. Wij kijken om ons heen. Wij zien de dronkaard in de straat waggelen. Wij horen de vloek van de gewone vloeker. Wij zien hoe de zonen en dochters van Belial al aan hun blik laten zien hoe diep zij in daden van schande zijn gezonken. Deze veroordelen wij meteen.
Maar wat denken wij van de ambitieuze handelaar — de energieke zakenman — de bedrijvige, onvermoeibare speculant — de man die zonder scrupules elk plan en elke list in praktijk brengt om zichzelf vooruit te helpen en groot te maken, zonder zich erom te bekommeren wie zinkt als hij stijgt? Is hij in onze ogen even schuldig? Wat denken wij van de kunstenaar die dag en nacht besteedt aan het vervolmaken van zijn vaardigheid als schilder, bouwmeester of beeldhouwer — van de letterkundige die in zijn boeken is begraven — van de wetenschapper die jaren wijdt aan het vak dat hij heeft gekozen — of van soortgelijke mannen wier hele leven en al wier krachten worden besteed aan het vervullen van de begeerten van hun verstand?
Wat de maatschappij, het algemeen welzijn, het gemak van henzelf en hun gezinnen en de vooruitgang van de wereld betreft, bestaat er een groot verschil tussen deze twee klassen. Wij zouden ons gevoel voor recht geweld aandoen als wij hen op één lijn stelden. Maar wanneer wij de zaak wegen voor het aangezicht van God, met de eeuwigheid voor ogen, en hen beoordelen naar het woord van de waarheid, zien wij meteen dat er geen werkelijk verschil tussen hen is. De dronkaard vervult slechts de begeerten van zijn vlees. En de geleerde, de kunstenaar, de zakenman, de letterkundige — in één woord de mens van de wereld, welke zijn wereld ook is, groot of klein — vervult elk slechts de begeerten van zijn verstand.
Beiden zijn van de aarde, aards. Beiden zijn gezworen vijanden van God en godzaligheid. En kon u tot op de bodem van zijn hart kijken, dan zou u de man van intellect, beschaving en opleiding misschien een grotere vijand van God en Zijn woord vinden dan de dronkaard of de losbol!
De zonde in beiden is één en dezelfde. Zij bestaat hierin dat zij in alles wat zij doen die vleselijke gezindheid willen bevredigen die vijandschap is tegen God, die zich niet aan de wet van God onderwerpt en dat ook niet kan. God is niet in al hun gedachten en eigenlijk in geen ervan. In plaats van te leven voor en tot Hem in Wie zij als schepselen van Zijn hand leven, bewegen en zijn, leven zij geheel voor en tot zichzelf. Zo zijn zij praktische rebellen tegen God, omdat zij Zijn rechtmatige aanspraak op hun gehoorzaamheid verwerpen!
Als u zich thuis voelt in de wereld
Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting (1 Kronieken 29:15)
Als u het geloof van Abraham, Izak en Jakob bezit, belijdt u net als zij dat u een vreemdeling bent — en uw belijdenis ontspringt aan een gelovig hart en een oprechte bevinding. U voelt zich een vreemdeling in deze goddeloze wereld. Het is niet uw element. Het is niet uw thuis. U bent erin gedurende Gods bestemde tijd maar u zwerft rond in deze wereld als een vreemdeling voor haar gezelschap — een vreemdeling voor haar stelregels — een vreemdeling voor haar mode — een vreemdeling voor haar beginselen — een vreemdeling voor haar beweegredenen — een vreemdeling voor haar lusten — een vreemdeling voor haar neigingen — en voor alles waarin deze wereld zich beweegt als in haar eigen element.
De genade heeft u door Gods soevereine macht afgezonderd, zodat u wel in de wereld bent maar niet van haar. Ik zeg u rechtuit: als u zich thuis voelt in de wereld — als de dingen van tijd en zintuig uw element zijn — als u zich één voelt met het gezelschap van de wereld, de stelregels van de wereld, de mode van de wereld en de beginselen van de wereld — dan heeft de genade uw hart niet bereikt. Dan woont het geloof van Gods uitverkorenen niet in uw boezem. Het eerste gevolg van genade is afscheiding.
Zo was het bij Abraham. Hij werd door genade geroepen om het land van zijn vaders te verlaten en uit te gaan naar een land dat God hem zou tonen. En zo is Gods eigen woord aan Zijn volk nog steeds om uit hun midden uit te gaan en zich af te zonderen. Afscheiding, afscheiding, afscheiding van de wereld is het grote onderscheidende kenmerk van levende godzaligheid.
Er kan wel afscheiding van het lichaam zijn waar geen afscheiding van het hart is. Maar wat ik bedoel is afscheiding van het hart — afscheiding van beginsel — afscheiding van genegenheid — afscheiding van geest. En als de genade uw hart heeft aangeraakt en u deel hebt aan het geloof van Gods uitverkorenen, bent u een vreemdeling in de wereld. Dan zult u door uw leven en gedrag openbaar maken dat u dat bent.
Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting (1 Kronieken 29:15)
Dorst
Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden (Mattheüs 5:6)
Dorst als gevoel van de ziel is in geestelijke zin zeker een aanwijzing van goddelijk leven. Het is geestelijk gezien even onmogelijk voor een mens die ‘dood is in de zonde’ om te dorsten naar een levende God als voor een lijk op het kerkhof om te dorsten naar een teug koud water uit de put. Zo’n gevoel als dorsten naar God had geen plaats in mijn boezem totdat het de Heere behaagde mijn ziel tot geestelijk leven te brengen.
Ik had van God gehoord met het gehoor van het oor. Ik had Hem gezien — in de schepping — in de sterrenhemel — in de bulderende zee — in de vruchtbare aarde. Ik had over Hem gelezen in de Bijbel.
Ik had Zijn bestaan geleerd door opvoeding en overlevering. Ik had enig vermoeden van Zijn heiligheid in mijn natuurlijke geweten. Maar van enig geestelijk dorsten naar Hem — enig ernstig verlangen om Hem te vrezen, te kennen, in Hem te geloven of Hem lief te hebben — woonde geen zodanige bevinding of gevoel in mijn boezem! Ik hield te veel van de wereld om op te zien naar Hem Die haar gemaakt heeft — en te warm van mijzelf om Hem te zoeken Die mij zou gebieden dat te kruisigen en te doden.
Een mens moet door geestelijke wedergeboorte levend gemaakt zijn voor God voordat hij een gewaarwording kan ervaren als hier met het beeld ‘dorst’ wordt overgebracht. Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke (Johannes 7:37)
Alle listen van de duivel!
Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend (2 Korinthe 2:11)
Satan is zo sluw — zijn handlangers omringen ons zo — hun plannen zijn zo gemaskerd — hun taal zo aannemelijk — hun manieren zo innemend — hun verschijning vaak zo indrukwekkend — hun argumenten zo spitsvondig — hun bedrijvigheid zo onvermoeibaar — hun inzicht in onze zwakheden zo scherp — hun vijandschap tegen Christus en Zijn evangelie zo onverzoenlijk — hun gebrek aan alle beginsel en alle eerlijkheid zo volkomen — dat het net om ons heen getrokken kan worden voordat wij het minste vermoeden hebben dat deze helse plannen tegen ons gericht zijn!
Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels (Efeze 6:11)
Een natuurlijke godsdienstigheid
Bij sommige mensen is er een natuurlijke godsdienstigheid — dat wil zeggen een neiging om godsdienstig te zijn. Als zij in Turkije waren geboren, zouden zij toegewijde moslims zijn geworden. In Italië zouden zij priesters, monniken of nonnen zijn geworden, even bereid om een ketter te verbranden als hun vaders. En als zij in Engeland waren geboren en getogen, zouden zij toegewijde kerkmensen of vrome dissenters zijn en zo meer — zoals de verschillende omstandigheden van geboorte en opvoeding, gewoonten en omgang hen zouden neigen of bepalen.
Voor deze van nature godsdienstige gemoederen — wanneer zij volgroeid zijn en zich vermengd hebben met een strenge geest van zelfverloochening, die gewoonlijk met die godsdienstigheid samengaat en meegroeit — past geen stelsel zo volkomen als dat van het pausdom. Want het sluit precies aan op die gesteldheid van het gemoed en geeft haar alle ruimte. Zij geeft als klei toe aan elk voorwerp van kruiperige, bijgelovige verering.
Een luider getuigenis
zijt een voorbeeld der gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in den geest, in geloof, in reinheid (1 Timotheüs 4:12)
Een godzalig leven is een luider getuigenis tegen het inconsequente gedrag van losse belijders dan bestraffend gekijf. Er moeten zijn — een tederheid van geest — een heilige voorzichtigheid — een godzalig ontzag voor het woord van de waarheid — en een eerbiedig wandelen voor God. Dat alles spreekt duidelijk tegen de lichte, gemakkelijke, losse, slordige belijdenis van deze tijd.
Kostbaar en heerlijk
Alles wat Jezus is en heeft, alles wat Hij zegt en doet is kostbaar en heerlijk — Zijn wonderen van barmhartigheid terwijl Hij hier beneden was — Zijn woorden zo vol genade, wijsheid en waarheid — Zijn rondgaan en weldoen — Zijn zoete voorbeeld van lijdzaamheid, zachtmoedigheid en onderwerping — Zijn lijden en smart in de hof en aan het kruis — Zijn smetteloze heiligheid en reinheid — Zijn tedere ontferming over arme, verloren zondaren — Zijn verzoenend bloed en rechtvaardigmakende gehoorzaamheid — Zijn stervende liefde, zo sterk en vast — Zijn nederige maar eervolle begrafenis — Zijn heerlijke opstanding — Zijn hemelvaart en tegenwoordig regeren en heersen — Zijn voortdurende voorbede voor Zijn volk.
Wat een schoonheid en heerlijkheid straalt er uit al deze goddelijke werkelijkheden! Een blik op Zijn heerlijkheid en een voorsmaak van de gelukzaligheid die zij meedeelt, heeft een veranderende werking op de ziel.
Wij zijn van nature hoogmoedig, hebzuchtig, wereldsgezind — ernstig verstrikt in allerlei lusten en driften — geneigd tot het kwade, afkerig van het goede — gemakkelijk opgetogen door voorspoed — snel neerslachtig door tegenspoed — mopperig onder beproevingen — opstandig onder zware slagen — ondankbaar voor de dagelijkse gaven van voedsel en kleding — en in andere opzichten steeds onze snode natuur openbarend. Om van de macht van deze overvloedige kwaden te worden verlost, moeten wij aan het beeld van Christus gelijkvormig worden gemaakt.
Dat kan alleen door Zijn heerlijkheid door het geloof te aanschouwen. En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest (2 Korinthe 3:18). Het is dit gelovige aanschouwen van de heerlijkheid van Christus dat ondersteunt onder zware beproevingen en zachtmoedigheid en overgave aan de wil van God teweegbrengt.
Dat was meer dan Zijn heilige ziel kon dragen!
Duizenden zijn in grotere lichamelijke pijn gestorven dan de Heere, want Hij heeft slechts zes uur in het lichaam geleden. Maar van alle geslachten van de mensen heeft niemand ooit gevoeld wat de Heere in Zijn ziel doorstond. Hij moest in Zijn ziel lijden wat de uitverkorenen in de hel zouden hebben moeten lijden als Hij het niet voor hen had geleden.
Wat is het lichaam? Dat is niet de voornaamste zetel van het lijden. Martelaren hebben zich in de vlammen verheugd. Het is de ziel die voelt. Zo was het ook bij Jezus. Zijn lichaam werd weliswaar gefolterd en verscheurd — maar de grootste doodsangst lag in de folteringen van Zijn ziel. En het grootste van alles was de laatste slag die God tot Zijn laatste ogenblikken bewaarde — de laatste druppel van de beker in al zijn bitterheid — namelijk het verbergen van Zijn aangezicht voor Zijn Zoon. Niets anders dan deze laatste bittere druppel perste de kreet van lijden uit Zijn lippen!
Maar toen, als kroon op heel dit tafereel van lijden, de Vader Zijn aangezicht voor Hem verborg — dat was meer dan Zijn heilige ziel kon dragen! Dat perste Hem de smartelijke kreet af — een kreet zoals de aarde nooit tevoren of daarna heeft gehoord. Een kreet die de zon deed verbergen haar gezicht als in een rouwkleed, de vaste aarde deed beven en de graven zelf hun monden deed openen alsof zij hun doden niet langer konden houden! Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten (Mattheüs 27:46)
De godsdienst van de mens
Voor de massa van de mensheid is niets in de godsdienst zo aantrekkelijk als uiterlijke schoonheid en pracht. De geestelijke aanbidding van God — de heerlijkheid van Jezus — de schoonheden van de heiligheid — de stille zachte stem van de Geest — de innerlijke gemeenschap met de Heere — de vertroostingen van Zijn tegenwoordigheid — het smelten van het hart onder de stralen van de Zon van de gerechtigheid — alles wat kracht geeft aan levende godzaligheid — ligt buiten het bereik van de menselijke natuur in haar hoogste vluchten van zinnelijke devotie.
Daar de vleugels van het geloof haar worden ontzegd, moet zij zich op kunstmatige vleugels verheffen en omhoog houden. Die verschaft de Kerk van Rome voor vogels van elke grootte, van de gier tot de winterkoning. Een godsdienst van aanschouwen, gevoel en tasten is de godsdienst van de mens. Op deze verdorven godsdienst — of liever dit bijgeloof — speelt de Kerk van Rome gewillig in.
De vleugels van een vlinder
Wij zijn allemaal wanhopige ongelovigen van hart! Door heel het Woord van God zien wij Zijn voorzienigheid in de kleinste gebeurtenissen oplichten. De Heere Zelf zegt ons dat zelfs de haren van ons hoofd allemaal geteld zijn en dat geen mus op de grond kan vallen zonder Gods voorzienigheid of toelating. En toch gaat het ons natuurlijke geloof zo te boven dat Hij overal zo aanwezig is en overal zo rechtstreeks leeft, beweegt en werkt dat Hij de kleinste omstandigheden van het dagelijks leven regelt en beheerst — dat niets ons dit kan doen geloven dan het geloof dat God Zelf geeft en onderhoudt. En dan nog pas nadat wij er zelf enige persoonlijke bevinding van hebben gehad, zodat wij ons eigen zegel zetten op de werkelijkheid en waarheid ervan.
Velen hebben de vleugels van een vlinder wel opgemerkt en de regelmaat en schoonheid van het patroon gezien. Om dat prachtige regelmatige patroon voort te brengen moeten honderdduizenden, zo niet miljoenen kleine veertjes samenwerken. Moesten wij de precieze vorm, plaats en tint berekenen die elk afzonderlijk deeltje van dit ontelbare veerstof moet hebben om te voorkomen dat het geheel een verward vlek wordt, dan zou dat alle krachten van de menselijke wiskunde te boven gaan — om niet te spreken van alle vermogens van de menselijke geest!
Maar wij zouden net zo goed kunnen geloven dat een groep jongens door jarenlang steen op steen te gooien het paleis van Westminster zou kunnen bouwen — als dat al deze kleine veertjes bij toeval bij elkaar zijn gekomen!
Als wij nu in de ‘schepping’ — en dit is maar één voorbeeld uit een miljoen — gedwongen zijn een goddelijke hand te erkennen in zo’n klein verschijnsel als de tekening op de vleugel van een vlinder, waarom zouden wij dan niet dezelfde hand zien in de kleinste gebeurtenissen van de ‘voorzienigheid’? De grote moeilijkheid is om God überhaupt te zien — ergens of in iets. Zien wij Hem Die onzichtbaar is eenmaal door het geloof en voelen wij de tegenwoordigheid van een God Die nabij is en niet veraf, dan verdwijnen alle andere moeilijkheden! Laat het ons gelukkige deel zijn altijd de hand van God in voorzienigheid en genade gade te slaan, en zeker zullen wij naar geen van beide tevergeefs uitzien!
Geeuwend en lanterfantend hun tijd verdoen
Bedenk deze dingen, wees hierin bezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles (1 Timotheüs 4:15)
Opdat hun vooruitgang voor allen openbaar zij, moeten dienaren zich geheel aan hun werk geven. Elke bezigheid dus, hoe nuttig ook voor andere mensen als deel van hun bedrijf of beroep, die niet tot de dingen van God behoort, belemmert de werkelijke en zichtbare winst van een dienaar van Christus.
Nu geloven wij stellig dat voorgangers het voordeel ervan zouden ondervinden, niet alleen in hun eigen ziel maar ook in de uitoefening van hun bediening — als zij in plaats van geeuwend en lanterfantend hun tijd te verdoen in luiheid en ledigheid of van huis tot huis te roddelen hun gemoed zouden richten op lezen, gebed en overdenking. Als zij meer alleen zouden leven, meer omgang zouden hebben met hun eigen hart, meer afgezonderd zouden zijn van alles wat wereldlijk en vleselijk is en zich meer aan het werk zouden geven, buiten het werk net zo goed als erin, thuis net zo goed als op de kansel!
Van een hart dat gewoonlijk koud, levenloos en onverschillig is en zelden anders — al moet elke dienaar van God zich op verschillende tijden beklagen over zijn koudheid en doodsheid — kan niet worden verwacht dat het de moedeloze, neerslachtige harten van de familie van God verwarmt en opbeurt.
Hoogmoed, wereldsgezindheid en hebzucht
Hoogmoed, wereldsgezindheid en hebzucht kunnen welig tieren — zelfs waar grovere zonden niet worden begaan — of voor het oog van anderen verborgen blijven.
De blinde, driehoofdige afgod
Er is bijna geen waarheid van de goddelijke openbaring die niet ooit is betwist en waartegen niet van enige kant een heel leger van argumenten is opgesteld. Sommige van deze twisters hebben de soevereiniteit van God ontkend en geprobeerd de teugels van het wereldbestuur uit de handen van de Koning van de koningen en de Heere van de heren te rukken. Zij wilden ze toevertrouwen aan de blinde, driehoofdige afgod ‘Geluk, Toeval en Fortuin’ en zo alle gebeurtenissen terugbrengen tot die chaos van verwarring, dat wilde en woeste gebied van onzekerheden waarin hun eigen donkere geest in eindeloze doolhoven verloren dwaalt!
De wereld overwinnen
Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God? (1 Johannes 5:5)
Een mens moet de wereld overwinnen — of door haar overwonnen worden. De wereld overwinnen is gered worden — door haar overwonnen worden is verloren gaan. Wie dan niet gelooft dat Jezus de Zoon van God is, overwint de wereld niet en kan haar niet overwinnen. Hij heeft het geloof van Gods uitverkorenen niet — hij is niet uit God geboren — er is geen goddelijk leven in zijn ziel. Hij heeft daarom geen kracht om de verlokkingen te weerstaan, de hoon te verdragen of boven de frons en de lach van de wereld uit te stijgen — maar wordt erdoor verstrikt, gevangen weggevoerd en vernietigd!
Waar de wereld bemind wordt, wordt het hart noodzakelijk door haar overwonnen. Want in de liefde tot de wereld, zoals in de liefde tot de zonde, ligt alle kracht van de wereld. Tenzij nu de liefde van Christus in de ziel sterker is dan de liefde tot de wereld, moet de zwakkere wijken voor de sterkere. Wie Christus niet liefhebben, kunnen de wereld niet overwinnen. Zij zijn volslagen vreemden voor het geloof dat het hart reinigt van de lust van de wereld, voor de hoop die zich erboven verheft en voor de liefde die de ziel erbovenuit tilt.
Wij moeten door God onderwezen worden
Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke (Johannes 6:44)
Vier dingen moeten absoluut bevindelijk gekend en gevoeld worden voordat wij tot enige zaligmakende of heiligmakende kennis van de waarheid kunnen komen —
1. Goddelijk licht in het verstand.
2. Geestelijk geloof in het hart.
3. Godzalige vrees in het geweten.
4. Hemelse liefde in de genegenheden.
Zonder licht kunnen wij niet zien. Zonder geloof kunnen wij niet geloven. Zonder godzalige vrees kunnen wij niet eerbiedig aanbidden. Zonder liefde kunnen wij Hem niet omhelzen Die de weg, de waarheid en het leven is. Wij moeten door God onderwezen worden en het koninkrijk van de hemel ontvangen als een klein kind — anders zullen wij er nooit in ingaan.
Dit reptielenhart
Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God (Romeinen 8:7)
‘Vijandschap tegen God’ moet niet alleen de zaden van elke andere misdaad in zich dragen maar zelf de ergste van alle misdaden zijn. Een vijand van God te zijn moet een allerverschrikkelijkste positie voor een schepsel zijn — maar vijandschap zelf te zijn moet de geconcentreerde essentie van zonde en ellende zijn! Een vijand kan verzoend, gesust, tot een vriend gemaakt worden — maar vijandschap nooit. Vijandschap kent geen medelijden, voelt geen wroeging, is aan geen bedwang onderworpen, is onverzoenlijk en onbevredigbaar.
En als wij even bedenken Wie en wat de grote en heerlijke God is, tegen Wie dit reptielenhart een zo hardnekkige en zo goddeloze vijandschap koestert — als wij Hem door het oog van het geloof aanschouwen hoe Hij hemel en aarde met Zijn heerlijkheid vervult, in het licht woont waartoe niemand kan naderen en toch dag aan dag al Zijn schepselen met weldaden overlaadt en voor Zijn volk vol is van de tederste liefde en ontferming.
Als wij dan een stervende sterveling zien — die één frons van Hem uit alle trots van gezondheid en kracht in de diepste hel van ellende en wee kan werpen — die als een ellendige pad zijn speeksel en gif uitbraakt tegen de heerlijke Koning van de koningen en Heere van de heren — dan mogen wij wel verbaasd staan over de hoogte van die aanmatiging en de diepte van die goddeloosheid die een ‘worm van de aarde’ zo kan wapenen tegen de ‘Majesteit van de hemel’!
Wat een koud — wat een harteloos werk
Wat is godsdienst zonder een levend geloof in en een levende liefde tot de Heere Jezus Christus? Hoe flauw en slepend, hoe droog en zwaar, wat een last voor de geest en een vermoeidheid voor het vlees is een rondgang van vormen waar het hart niet aan deelneemt en de genegenheden niet worden opgewekt! Lezen, horen, bidden, overdenken, gesprek met het volk van God — wat een koud, wat een hartloos werk als Jezus er niet is! Maar laat Hem verschijnen, laat Zijn tegenwoordigheid en genade gevoeld worden en Zijn gezegende Geest zich bewegen over het hart. Dan is er een heilige zoetheid, een heilige gelukzaligheid in de aanbidding van God en in de gemeenschap met de Heere Jezus die, zolang zij duurt, een stukje hemel op aarde maakt.
Middelen moeten worden gebruikt, verordeningen op prijs gesteld, de Bijbel gelezen, de prediking gehoord, de troon van de genade gezocht en het gezelschap van christelijke vrienden opgezocht. Maar wat zijn al deze dingen als wij Christus er niet in vinden? Hij is het Die leven en gelukzaligheid brengt in alle middelen en verordeningen, in alle gebed, prediking, horen, lezen, praten en alles wat de naam van godsdienst draagt. Zonder Hem is alles donker en dood, koud en troosteloos, onvruchtbaar en kaal!
Dwalende gedachten bij de genadetroon — ongeloof bij de verordening — doodsheid onder het woord — vormelijkheid en lippendienst bij de huisgodsdienst — onachtzaamheid bij de opengeslagen Bijbel — vleselijkheid in het gesprek — en een algemene koudheid en stompzinnigheid over de hele gesteldheid. Zo is de toestand van de ziel wanneer Jezus niet verschijnt en Hij ons laat bewijzen wat wij zijn en wat wij zonder Hem kunnen doen!
Wij zijn meestal zo geketend
Wij zijn meestal zo geketend — door de boeien van tijd en zintuig — door de zorgen van het leven en van het dagelijkse werk — door de zwakheid van ons aardse gestel — door de afleidende eisen van een gezin — door de ellendige vleselijkheid en zinnelijkheid van onze gevallen natuur — dat wij op zijn best een arm, slepend, stervend leven leiden! Wij kunnen geen vermaak vinden in de wereld en ons met een goed geweten niet mengen in haar bezigheden en vermaken. Velen van ons zijn arme, treurige, neerslachtige schepsels door allerlei beproevingen en ellenden. Wij hebben een dagelijks kruis en de voortdurende plaag van een boos hart.
Wij ontvangen weinig troost van de familie van God of van de uiterlijke genademiddelen. Wij kennen onszelf genoeg om te weten dat er in het EIGEN IK noch hulp noch hoop is. Wij verwachten nooit een gladder pad of een beter, wijzer, heiliger hart of dat wij morgen kunnen doen wat wij vandaag niet kunnen. Zoals dan de vermoeide mens rust zoekt, de hongerige voedsel, de dorstige drank en de zieke gezondheid — zo strekken ook wij ons hart en onze armen uit om de Heere Jezus Christus te omhelzen en gemeenschap met Hem gevoelig te ervaren.
Van Hem komen zowel gebed als antwoord — zowel honger als voedsel — zowel verlangen als de boom van het leven. Hij laat ons het kwaad en de ellende van de zonde zien — opdat wij vergeving zoeken in Zijn bloedende wonden en doorboorde zijde. Hij maakt ons onze naaktheid en schaamte bekend en daarmee onze blootstelling aan Gods toorn — opdat wij ons verbergen onder Zijn rechtvaardigmakende mantel. Hij doet gal en alsem in de uitgelezen bekers van de wereld — opdat wij geen zoetheid hebben dan in en van Hem.
Hij houdt ons lang vastend om een kruimel dierbaar te maken — en lang wachtend om een woord kostbaar te maken. Hij wil het hele hart en neemt niet minder. En omdat wij dit niet kunnen geven, neemt Hij het voor Zich door het te ontvoeren met een van Zijn ogen, met één keten van Zijn hals. Als wij Hem liefhebben, is het omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad. En als wij gemeenschap met Hem zoeken, is het omdat Hij Zich aan ons zal openbaren zoals Hij dat niet aan de wereld doet.
Voor eeuwig opgeslokt door Zijn tegenwoordigheid en liefde
Niets onderscheidt de goddelijke godsdienst van het kind van God — niet alleen van de dode goddeloosheid van de openlijk goddelozen maar ook van de vormelijke lippendienst van de levenloze belijder — zo sterk als de gemeenschap met God. God roept uitverkoren zielen — uit de wereld — uit de duisternis — uit zonde en dood — uit vormelijkheid en eigengerechtigheid — uit een bedrieglijke belijdenis — om gemeenschap met Zichzelf te hebben en gezegend te worden met openbaringen van Zijn liefde en barmhartigheid.
Hierop zijn al Zijn handelingen met hun zielen gericht om hen dicht bij Zichzelf te brengen — hiertoe worden al hun beproevingen, moeiten en verdriet gezonden. Door hun hier ‘smaken’ van heilige gemeenschap te geven, schenkt Hij hun voorsmaken van die eeuwigheid van gelukzaligheid die hun deel zal zijn wanneer de tijd niet meer zal zijn — doordat zij voor eeuwig worden opgeslokt door Zijn tegenwoordigheid en liefde!
Zelfs in de eerste ontwakingen van de Geest, in de eerste levendmakingen van Zijn genade, is er in de levende ziel iets dat haar eeuwig onderscheidt van alle anderen. Wat hun belijdenis ook is, hoe gezond of ongezond zij ook zijn in leer, hoe consequent of inconsequent in praktijk — er is, midden in al haar moeite, duisternis, schuld, verwarring en zelfveroordeling, een streven naar gemeenschap met God.
Er is een besef van Zijn grootheid en heerlijkheid — een heilige vrees en godzalig ontzag voor Zijn grote Naam — een beven voor Zijn woord — een gebrokenheid — een verslagenheid — een nederigheid — een eenvoud — een oprechtheid — een zelfvernedering — een wantrouwen jegens zichzelf — een vrees voor huichelarij en zelfbedrog.
Er is ook een komen tot het licht — een worstelen om door de enge poort in te gaan — een tederheid van geweten — een besef van hulpeloosheid en onvermogen — een kreunen onder de schuld en last van de zonde — een snelheid om de werkingen van de zonde te zien en een schrik dat zij zullen losbarsten — dat alles zien wij nooit in een dode, vleselijke belijder — of hij nu de hoogste calvinist of de laagste arminiaan is.


