Het is daarom geen ernstige of onbillijke zijsprong als wij hier twee belangrijke punten bespreken. Zij raken elke ware dienstknecht van de Heere diep en zullen hem altijd bezighouden. Deze twee punten hangen nauw samen. Ze zijn: 1. Wat wordt bedoeld met een roeping tot de bediening en wat ligt erin besloten. 2. Welke toerusting is nodig om de bediening tot eer van God en tot nut van Zijn volk uit te oefenen.
1. Wat wordt bedoeld met een ROEPING tot de bediening en wat ligt erin besloten. Deze roeping hoeft niet zo bijzonder en zo opvallend te zijn als die van de profeten van het Oude Testament. Zij hoeft ook niet te zijn als die van de apostelen onder het Nieuwe Testament, die als zodanig een eigen plaats innemen.
Het is moeilijk en kies om duidelijk vast te leggen wat een voldoende roeping tot de bediening is. Veel van Gods eigen gezonden dienaren zijn volledig aanvaard door het levende gezin van God als Zijn gevolmachtigde gezanten. Toch hadden zij het zwaar om hun roeping tot het werk voor hun eigen gemoed duidelijk te maken. Anderen hebben hoogdravende woorden over hun roeping gesproken. Zij worden door het geweten van Gods volk helemaal niet aanbevolen als mensen die door Hem zijn gezonden om Zijn Woord te prediken.
Sommigen van hen moesten hun prediking opgeven omdat de hoorders wegbleven. Anderen moesten dat doen omdat het weinige dat zij ooit aan gave voor het werk hadden volledig was uitgeput.
Wanneer de bevende en beproefde dienstknecht van de Heere steeds sterker werd en steeds vaster gevestigd raakte in de harten en genegenheden van Gods gezin, werd het steeds duidelijker dat deze aanmatigers door een valse geest werden geleid. Als zij al geen opzettelijke bedriegers waren, dan waren zij toch zelf willens en wetens bedrogen. Wij willen er met nadruk bij zeggen dat naar onze overtuiging elke gezonden dienaar van God vroeg of laat in meerdere of mindere mate in zijn eigen geweten getuigenis ontvangt dat hij tot het werk geroepen is.
Zonder zo’n innerlijk getuigenis zou hij spoedig onder de last bezwijken en altijd als in boeien en ketenen spreken. Het kan wel enige tijd duren voor hij in zijn eigen gemoed duidelijk vaststaat. Bovendien moet hij ook getuigenis hebben in de harten en gewetens van Gods levende volk. Zij kunnen zijn roeping tot het werk vaak beter beoordelen dan hij zelf, vooral als hij zwaar beproefd en verzocht wordt.
Wat voor een roeping tot de bediening wordt gehouden, komt vaker voor dan veel mensen denken. Daarbij zetten wij bewust alle bedenksels van mensen opzij waarmee godsdienstige jongemannen bij de vleet tot predikanten worden gemaakt. Zij kunnen op bestelling worden uitgezonden voor elke kansel en elk volk. Ook laten wij de talloze gevallen buiten beschouwing waarin hoogmoed en onwetendheid, ijdelheid en eigenwaan, liefde voor gemak en afkeer van hard dagelijks werk zich verenigen met enige natuurlijke verstandelijke aanleg en vlotheid van spreken.
Zo wordt een ambitieuze jongeman ervan overtuigd dat de kansel de juiste plaats voor hem is om te sieren en dat de kansel hem moet sieren. Zulke door mensen gemaakte predikanten en zulke zichzelf bewonderende schoonheden hebben geen plaats in de gemeente van Christus. Zij hebben ook geen plaats in het geweten van wie de waarheid in haar kracht kennen en liefhebben.
Neem echter iemand die werkelijk in zijn jeugd door genade is geroepen. De liefde van God is in zijn hart uitgestort en hij bezit een redelijke mate van verstandelijk vermogen, kennis van de Schrift en uitdrukkingsvermogen in het gebed, persoonlijk of in het openbaar. Velen van hen, zo niet de meesten, voelen in de gloed van hun eerste liefde zulke aandriften en bewegingen in hun geest dat zij ernaar verlangen aan allen die het willen horen te getuigen wat God aan hun ziel gedaan heeft. Ze willen zich overgeven aan Zijn dienst.
Die aandriften komen voort uit hun vrijmoedige toegang en vrije uitspraak voor de troon, hun ijver voor de waarheid in haar zuiverheid en kracht, hun sterke genegenheid tot Gods gezin en hun toegewijde hart en bereidheid om voor de Heere te lijden.
Maar de tijd en de omstandigheden laten hen overvloedig zien dat dit geen roeping tot de bediening was. Naarmate hun eerste liefde afnam, namen ook die bewegingen naar de bediening af. Zij zagen duidelijk dat het niet de wil van God was dat zij in Zijn naam zouden optreden. Niet elke heimelijke aandrift of beweging van het gemoed bewijst dus een roeping tot de bediening, ook niet als zij oprecht en eerlijk is. Hetzelfde geldt voor een innerlijke overtuiging van het hart of een verlangen naar het werk.
Veel van zulke bloesems vallen af en komen nooit tot vrucht. Er moeten dus nog andere dingen meewerken met de gevoelens en verlangens die wij noemden om een goddelijke en voldoende roeping te vormen.
1. Allereerst is er meestal een grote TERUGDEINZING voor het werk. Wij zien dat bij Mozes, Jeremia, Jona en Habakuk. Bij de andere profeten wordt het niet uitdrukkelijk vermeld. Toch laten de woorden die zij zo vaak in de mond hadden, de last van de Heere, zien hoe zwaar de bediening op hun geest drukte. Wie God tot het werk roept, ontbloot en ontledigt Hij gewoonlijk zo. Hij haalt hem zo neer, vernedert en verootmoedigt hem. Hij toont hem zo wat de bediening is en hoe ongeschikt hij er zelf voor is.
Daarom deinst hij terug voor zo zwaar en gewichtig een werk en laat hij zich nauwelijks overtuigen dat hij ertoe geroepen is. Wij hoeven nauwelijks op te merken hoezeer dit verschilt van de voorbarige, opdringerige en brutale geest die zo velen tonen. Die geest wil zich in eerzuchtige aanmatiging bijna met geweld een weg naar de kansel banen.
2. Meestal zijn er ook sterke en duidelijke leidingen in de VOORZIENIGHEID. Een reeks omstandigheden is lang aan het werk geweest. Hoe onduidelijk dat destijds ook was, het wordt helder wanneer het ogenblik komt om Gods verborgen raad te ontvouwen. Er waren allerlei hindernissen zoals zakelijke verplichtingen, beroep of werk in het leven, een vaste woonplaats waar geen deur voor het werk openstond en tegenstand van vrouw of familie. Er waren herhaalde teleurstellingen wanneer het vooruitzicht even wat helderder leek, en het onvermogen om vooruit te komen voordat de wolkkolom verder trok.
Deze en soortgelijke hindernissen worden geleidelijk of plotseling weggenomen. Wat gisteren nog een berg was, wordt vandaag een vlakte. Alle moeilijkheden worden zo duidelijk uit de weg geruimd en de hand van de Heere wordt zo duidelijk gezien dat wat eens bijna onmogelijk leek, nu in een ogenblik is volbracht.
3. Meestal brengt het niet alleen lijden mee maar ook OFFER. De arbeider is zijn loon waardig. Wie geestelijke dingen zaait, mag rechtmatig stoffelijk loon oogsten. Maar wie de bediening ingaat voor een stuk brood, om een achtenswaardige positie in het leven te verwerven, of om een heimelijke dorst naar volksgunst en applaus te stillen, wordt meteen als een huurling gebrandmerkt. Dat geldt ook voor wie een iets hogere plaats in de gemeente wil innemen dan een gewone christen. Het geldt voor wie een vermoeiend en hinderlijk beroep wil ruilen voor betrekkelijk gemak en luiheid.
Het geldt voor wie plezier heeft in het horen van zijn eigen stem, wie wil schitteren als een licht en leraar en prediker wil zijn in plaats van onderwezen te worden en een prediking te horen. Al deze lage en onwaardige beweegredenen zijn kenmerken van een huurling. God kan Zijn dienstknechten na een tijd van lijden en offer eren. Hij kan hun zo’n warme plaats in de harten van Zijn volk geven en zo’n hoge positie in de gemeente van Christus dat zij boven hun oorspronkelijke stand worden verheven.
Bunyan werd uit de kar van de ketellapper en Huntington uit de kolenschuit opgeheven tot een eervolle plaats in de gemeente van God. Wij weten echter door welk lijden, welke ontberingen en welke offers deze mannen van God zijn gegaan bij de eerste uitoefening van hun bediening. Deze eer kwam wel achteraf maar was in het begin niet hun doel of bedoeling. Velen van Gods gezonden dienaren, zo niet de meesten, hebben eerst moeten afdalen voor zij opklommen. Zij moesten goede betrekkingen en bezigheden opofferen.
Als die al niet voordelig waren, dan konden zij dat wel worden of zij hadden in elk geval meer waarde dan alles wat zij van de bediening konden verwachten. Dat geldt vooral in onze kring, waar het volk meestal zo arm is en de predikanten zo laag bezoldigd worden.
4. Meestal zal er, waar een roeping tot de bediening is, ook een bijzondere INDRUK onverwacht op het gemoed gelegd zijn. Of er is een heimelijke innerlijke overtuiging dat het de wil van God is dat hij in Zijn naam zal optreden. Of er is een belofte die sterk in die richting wijst en aan het hart is toegepast. Of hij heeft een bijzondere tijd in het gebed meegemaakt.
Toen werd hem toegang gegeven om al zijn verlangens voor de Heere uit te spreiden en rees er een nederig smeekbede op om gebruikt te worden tot Zijn eer. Die leek de oren van de Heere der heirscharen te bereiken. Of hij kreeg bij het horen van het gepredikte Woord of bij het lezen in het verborgene uit de kracht die erbij was een aanwijzing dat een deur zou opengaan om in de naam van de Heere te spreken.
Of hij heeft een intens verlangen naar het heil van zielen en een ernstige begeerte om nuttig te zijn voor de gemeente van God, dat niet onvervuld ter aarde leek te zullen vallen.
Deze en andere soortgelijke indrukken en aanwijzingen zijn als het zuurdeeg in het meel dat de hele massa doet rijzen, gisten en werken. Door deze bijzondere indrukken werken er bijna dag en nacht in het gemoed van wie ze heeft ervaren oefeningen, begeerten, verlangens, roepingen, zuchten en smekingen tot de Heere. Daarmee vermengd zijn er veel vrezen.
Hij vreest bedrogen te worden door valse indrukken, door de satan als een engel des lichts misleid te worden of tot zo groot en zwaar een werk gedreven te worden door hoogmoed, eerzucht, begeerte naar lof en onderscheiding, naam onder de mensen of andere even lage en vleselijke beweegredenen. Maar terwijl deze vrezen werken en de roep opklinkt:
Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij,
wordt de ziel daardoor steeds eerlijker en oprechter. Zij is bereid te gaan of te blijven, te spreken of te zwijgen, de last van de Heere op te nemen of die onaangeroerd te laten. Zij is bereid het zwaard te trekken in de voorhoede of nog te blijven bij de bagage achteraan.
Het kan misschien enige jaren duren voor de weg voldoende duidelijk wordt. Het zijn jaren van angstig wachten en uitkijken, jaren van uitgestelde hoop tot het hart er ziek van wordt en jaren van teleurstelling en ergernis. Toch werkt alles mee tot een vast doel. Het bereidt de man geleidelijk voor om een bekwaam dienaar van het Nieuwe Testament te worden. Hij betreedt de kansel dan niet als een groene rekruut maar als iemand die lijden kan als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.
Hij strijdt dan ernstig voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is. Helaas is de gemeente overstroomd met jongelui en nieuwelingen die proberen te onderwijzen terwijl zij zelf onderwezen moeten worden. Als zij ooit iets leren of ooit van enig nut zijn, leren zij hun vak zoals een slecht opgeleide student in de geneeskunde uiteindelijk een beetje van zijn beroep leert. Zij experimenteren op de zielen van mensen zoals hij op hun lichamen en maken honderd fouten voor één goede of geslaagde behandeling.
5. Meestal is er ook, waar de Heere een man tot het werk heeft geroepen, bij het onderscheidende deel van Gods volk de indruk dat hij eens in Zijn naam zal optreden. Wij zeggen onderscheidende, want de onderscheidingsloze en onervaren mensen, die in de meeste gemeenten zo talrijk zijn, tellen wij niet mee. Die indruk komt soms voort uit het horen van zijn bevinding wanneer hij zich bij de gemeente voegt. Soms komt zij uit zijn bijzondere gave in het gebed of zijn kennis en licht over de Schrift.
Soms komt zij uit zijn geestelijkheid in het gesprek, zijn standvastigheid in de waarheid, zijn warmte en ijver in de verdediging van de zaak van God, zijn behoedzame wandel, zijn afgescheidenheid van de wereld en zijn algemene toewijding in het leven. Dat alles gaat samen met die mate van verstandelijke bekwaamheid die onmisbaar lijkt voor iemand die het Woord van God moet prediken, de onwetenden onderwijzen, de gemeente van Christus stichten en de tegenspreker overtuigen.
Misschien zou geen van de genoemde dingen op zichzelf voldoende zijn als roeping tot de bediening. Maar het samengaan van enkele of vele ervan maakt door hun verbinding Gods bedoeling duidelijker en helderder, zoals vele beekjes samenvloeien tot één stroom. Niet alle werkelijk geroepenen kunnen de kentekenen en bewijzen van hun roeping even duidelijk nagaan. Maar zij kunnen meestal enkele van die mijlpalen aanwijzen die hun pad hebben bepaald. Daardoor zijn zij geleid en bemoedigd om te geloven dat het door de hand van de Heere was.
Wij geloven echter volledig dat, behalve deze bijzondere leidingen, elke ware dienstknecht van God twee getuigen van zijn roeping zal hebben. Zonder hen kan hij nooit werkelijke zekerheid krijgen dat de Heere Zelf hem tot het werk heeft aangesteld. Deze twee getuigen zijn:
1. Het getuigenis in zijn eigen boezem.
2. Het getuigenis in het geweten van het volk van God, met de zegen van God op zijn bediening.
1. Het getuigenis in zijn eigen boezem. Dit stellen wij dan als noodzakelijk voor iemand die er volkomen van overtuigd is dat God hem tot het werk heeft geroepen. Hij zal op tijden het getuigenis daarvan in zijn eigen boezem hebben. De Heere zal soms zijn hart zo verruimen en zijn mond zo openen dat hij op gezegende tijden een instroming van genadige gedachten en gevoelens ervaart.
Hij krijgt daarbij een deur van uitspraak om ze uit te spreken in zulke gepaste en veelzeggende woorden alsof ze niet van hemzelf waren maar hem op dat ogenblik werden gegeven. Er rust een kracht op zijn geest om te getuigen van wat hij van het Woord des levens geproefd, gevoeld en betast heeft. Hij heeft zo’n vrijmoedigheid om het kostelijke van het snode af te scheiden, zodat hij als de mond van God mag zijn.
Er is zo’n heilige gloed in het verkondigen van de hele raad van God en toch geen vreemd vuur in zijn wierookvat maar kolen van het koperen altaar. Hij heeft zo’n vaste, plechtige, gelovig besef van de heilige waarheden die hij predikt. Hij heeft ook zo’n heilig voornemen dat hij liever zijn leven zou verliezen dan de waarheid van God prijsgeven, wat er ook gebeurt en wie hij ook behaagt of beledigt. Dit alles brengt een zoete tevredenheid mee dat de Heere hem tot het werk van de bediening heeft geroepen.
Telkens als deze tijden met meer of minder kracht terugkomen, stelt hij ze tegenover die misschien veel vaker voorkomende tijden van duisternis. Dan is hij zo in zijn ziel opgesloten en de deur van uitspraak zo gesloten dat hij nauwelijks een genadige gedachte, hemels gevoel of gepast woord heeft. Zo verzamelt hij een innerlijk getuigenis dat de Heere hem ondanks al zijn zwakheid en onwaardigheid, twijfels en vrezen tot het werk heeft geroepen. Het verschil tussen hemzelf en hemzelf is daarbij zelf al een bewijs.
Hij zit nu eens in de blokken en dan weer op de toren. Hij is nu opgesloten en dan weer in staat om uit te gaan. Hij hakkelt en stamelt en dan weer is hij verruimd met de zoetste vrijheid van spreken. Hij is vol slavernij en ellende en dan weer vol licht, leven, vrijheid en liefde. Dit contrast, dat hij zo duidelijk voelt, toont hem des te helderder wanneer de Heere met hem is en wanneer niet.
Zo wordt hij door deze veranderingen in zijn ziel, deze komen en gaan van de tegenwoordigheid en kracht van de Heere op zijn geest, ervan verzekerd dat hij niet op eigen kosten strijdt. Hij is uitgekozen tot krijgsman om de oorlogen van de Heere te strijden.
Ook de wijze waarop teksten hem te binnen worden gebracht, voor zijn verstand worden geopend of aan zijn hart worden toegepast, bevestigt hem. Dat geldt ook voor het licht dat bij het spreken over een tekst op een Schriftgedeelte valt, de passende Schriftplaatsen die hem ter bevestiging van zijn inzichten te binnen komen en het zoete genot dat hijzelf tijdens of na het spreken heeft.
Hetzelfde geldt voor het verborgen gebed en de overdenking van het Woord voordat hij de kansel opgaat en de heilige geur die na de arbeid van de dag vaak op zijn geest rust. Het geldt voor het besef van de zaligheid van het werk en zijn bereidheid om te besteden en besteed te worden, te arbeiden en te lijden en te leven en te sterven in de dienst van de Heere.
Deze en soortgelijke ervaringen bevestigen hem in de overtuiging dat de Heere hem tot het werk heeft geroepen en dat Hij er met hem in is.
Hij wordt ertoe gebracht te zien en te voelen dat zijn preken niet de zijne zijn. Hij kan ze niet opnieuw houden met het leven, de kracht en de uitspraak die hem bij zijn tekst gegeven werden. Hoewel hij dezelfde tekst kan nemen, kan hij die niet opnieuw op dezelfde manier behandelen. Hij kan die tekst niet openen, uitbreiden of toepassen zoals eerst. Hij kan zelfs het licht dat toen door de tekst scheen niet terugkrijgen en nog minder de smaak die op zijn geest rustte bij het uiteenzetten ervan.
Maar wij mogen hier niet verder over uitweiden, hoewel wij uit onze eigen lange en afwisselende ervaring veel aan beide kanten van de zaak zouden kunnen zeggen.
2. Maar hij moet ook het getuigenis hebben in de harten en gewetens van het gezin van God. Zonder dit getuigenis van anderen heeft zijn eigen getuigenis weinig waarde. Want niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd. Ook staat er: in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. (2 Korinthe 13:1) Het getuigenis in zijn eigen boezem is de ene getuige. Het getuigenis in het geweten van anderen is de andere. De derde is, zo mogen wij toevoegen, de zegen van God die op zijn bediening rust.
Dit kunnen wij daarom hierna naar voren brengen als een breed zegel op zijn roeping tot het werk. Waar iemand werkelijk door God tot het werk van de bediening geroepen is, zal Zijn zegen min of meer zichtbaar op het Woord rusten. Er zal kracht mee naar het hart van zondaar en heilige gaan en de Heere zal niet toelaten dat het als louter mensenwoord ter aarde valt. Er zullen op verschillende tijden duidelijke gevallen zijn van mensen die uit de duisternis tot het licht worden geroepen.
Anderen worden uit de slavernij verlost tot de vrijheid van het evangelie. Weer anderen worden uit verzoeking en zielennood in een ruime plaats gebracht. Er zijn ook mensen die bijzonder begunstigd worden wanneer zij door beproevingen en verdrukkingen diep terneergeslagen zijn. En er zijn mensen die bemoedigd en versterkt worden om moedig vol te houden in hun strijd tegen ongeloof, zonde en satan.
Behalve deze bijzondere getuigenissen zal er ook een algemene kracht en smaak zijn bij zijn woord. Die verzamelt en bijeenhoudt een levend volk. Dat is misschien klein in aantal maar zeer verbonden met hem en zijn bediening. Zij achten hem hoog in liefde en blijven hem aanhangen om zijn werk. Wij spreken hier niet over partijgangers en vleiers. Zij zijn in werkelijkheid de ergste en gevaarlijkste vijanden van een man, want zij prijzen hem net zo hard aan als zij alle anderen afbreken.
Wij spreken ook niet over die zwakke en zotte oude vrouwen van alle leeftijden en beide geslachten. Zij hebben geen ervaring, oordeel of onderscheidingsvermogen in de dingen van God en kunnen bijna alles in de vorm van een preek aannemen en iedereen in de vorm van een predikant. Evenmin spreken wij over de jonge mensen, en vooral de vrouwelijke onder hen, die de bekoorlijkheden van de man bijna evenveel bewonderen als de predikant.
Wij bedoelen de degelijke, goed onderwezen, nuchtere, beproefde en ervaren kinderen van God. Zij weten wat zij horen en wie zij horen. Zij kunnen het verschil zien tussen kaf en tarwe, letter en geest, woord en kracht, de verderfelijke stank van het schepsel en de zoete geur van Christus. Wij zullen niet beweren dat elke geroepen dienstknecht van God dit duidelijke getuigenis in het geweten van het volk van de Heere meteen zal verkrijgen of in de mate die wij hebben geschetst.
Zij weten immers wat de mens is en hoe gemakkelijk ook de besten bedrogen kunnen worden. Daarom zijn zij traag om welke dienaar dan ook te aanvaarden. Maar vroeg of laat bevestigt de Heere Zijn getuigenis over de roeping van Zijn dienstknecht door die aan te bevelen aan gevoelige harten, onderscheidende geesten en levende gewetens.
2. En nu enkele woorden over de TOERUSTING voor het werk van de bediening. Allen moeten erkennen dat God een man die Hij tot het werk roept, er ook voor toerust. Heeft hij die toerusting niet, dan is er geen reden om te geloven dat God hem gezonden heeft. Maar wat verstaan wij onder toerusting voor de bediening van het Woord? Wij kunnen die onder twee eenvoudige hoofden brengen: 1. Genade. 2. Gaven.
1. En allereerst GENADE. Niets is duidelijker dan dat een man zonder de genade van God in zijn hart part noch deel heeft aan deze zaak. Een man die dood is in zonden of dood in een belijdenis en toch in de naam van de levende God optreedt om tot een levend volk te prediken: wat een vermetele aanmatiging, wat een vreselijke tegenstrijdigheid! En toch zijn er overal in elke richting, partij en gezindte hele scharen mannen. Zij missen het leven van God volkomen en noemen zichzelf dienaren van Christus.
Zij zouden met de bitterste vijandschap de geringste beschuldiging of zelfs verdenking verwerpen dat zij huichelaars of bedriegers zijn. Maar al deze mensen, wie zij ook zijn, leden van de staatskerk of dissenters, hoog of laag, moeten wij meteen opzijzetten. Zij zijn slechts verschrikkelijke indringers in een werk waartoe zij nooit geroepen en waarvoor zij nooit toegerust zijn.
Een man kan echter wel de genade van God in zijn ziel hebben en toch weinig goddelijke geestelijke kennis van de waarheid en weinig ervaring van haar kracht. Niemand die weet wat het werk van de bediening is, kan zeggen dat zo’n beginneling bekwaam is om dienaar van het evangelie te zijn. Hij kan niet voor het beproefde gezin van God als leider en leraar in en uit gaan. Wij kunnen inderdaad niet zeggen hoe God hem mag gebruiken voor beginners zoals hijzelf.
Maar men zou denken dat hij beter in Jericho kon blijven tot zijn baard gegroeid is, dan met slechts een beetje dons op de kin naar Jeruzalem op te gaan.
Een nieuweling (volgens de kanttekening: iemand die pas tot het geloof gekomen is) wordt uitdrukkelijk van het werk van de bediening uitgesloten. Omdat hij pas tot het geloof gekomen is, wordt aangenomen dat hij geloof heeft. Maar hij is nog niet lang genoeg op de weg om te ontkomen aan het opgeblazen worden van hoogmoed of aan het vallen in het oordeel des duivels. (1 Timotheüs 3:6) En toch dringen baardloze jongens zich nu overal in de bediening.
Zij durven grijze, rijpe heiligen de weg van de zaligheid te leren. Die heiligen kenden de Heere al voor zichzelf toen deze jongelui nog in hun luiers lagen. Wat nog erger lijkt: zij worden in de juiste vorm gehamerd en naar een patroon bijgevijld door enkele colleges Grieks en grammatica. Of zij worden in een mal gestopt door een cursus in wat theologie heet, tot zij verstijfd zijn in hoogmoed en verhard in eigenwaan onder wat een voorbereiding op de bediening heet. Helaas voor elk volk waarover geldt: En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen! (Jesaja 3:4)
Wat nodig is als genadige toerusting voor de bediening, is een ervaring van de dingen van God. Dat is een geestelijke, zaligmakende kennis van wet en evangelie, zonde en zaligheid, zelf en Christus, verdrukking en vertroosting, slavernij en vrijheid, verzoeking en verlossing, ellende en barmhartigheid. Ook is kennis nodig van de vreselijke diepten van de val en de wonderbare hoogte van het herstel. Hoe kan iemand Christus prediken die bevindelijk niets weet van Zijn Persoon, werk, bloed, gerechtigheid, dood en opstanding? Van Zijn schoonheid, zaligheid, geschiktheid, genade en heerlijkheid?
Van Zijn liefde en enigermate van haar breedte, lengte, diepte en hoogte en van de rijkdom van Zijn vrije, soevereine en overvloedige genade? En hoe kan hij de beproevingen, verdrukkingen, verzoekingen, lijden en smarten van het arme bedrukte gezin van God binnengaan en bevindelijk beschrijven? Hijzelf is gerust in Sion en weet alleen wat hij weet uit louter theorie, begrip en mening.
Een predikant die zonder enige goede ervaring van de dingen van God probeert te prediken, is als een loods die de leiding neemt over een schip dat het Kanaal opvaart. Hij kent geen enkele landtong, vuurtoren, ton of zandbank van de andere. Hij is ook als een machinist die zich zou aanmatigen een sneltrein te besturen zonder te weten welke hendel hij van zijn locomotief moet overhalen of hoe hij de instrumenten goed moet aflezen. Maar genoeg hiervan. Laten wij overgaan tot de vraag welke toerusting nodig is in de vorm van gaven.
2. Wij zijn dan van mening dat God een man die Hij tot het werk van de bediening roept, daarvoor toerust door hem een geschikte en voldoende GAVE te geven. Wij bedoelen niet louter geleerdheid, opvoeding of grote verstandelijke begaafdheid. Wanneer die geheiligd zijn voor de dienst van het heiligdom, hebben zij echter hun plaats in het werk en moeten zij niet verworpen of veracht worden.
Maar wat wij nodig hebben, is een deur van uitspraak zoals Paulus daarom bad. (Efeze 6:19; Kolossenzen 4:3) Daarmee bedoelen wij niet louter een stroom van woorden die vaak slechts leeg gebabbel is. Wij bedoelen ook niet die vlotheid en woordenvloed van de tong die oor en hart beide vermoeien. Wij bedoelen die nuchtere, degelijke, ernstige, gezonde taal die niet veroordeeld kan worden en waardoor hij machtig is beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen. (Titus 1:9; Titus 2:7-8)
Een predikant moet bekwaam om te leren zijn (1 Timotheüs 3:2) en moet daarom enig vermogen tot onderwijzen hebben. Dat vraagt minstens zulke helderheid van denken en spreken dat hij en zijn hoorders niet verdwalen in een mist van verwarring. De eenvoudigste, gewoonste taal is de beste. Dat een man dit in de hoogste mate kan bezitten en toch geen opleiding of geleerdheid heeft, bewijzen Bunyan en Huntington. Zij waren meesters van de Engelse taal in al haar oorspronkelijke eenvoud, schoonheid en kracht.
Maar hij moet ook goed gevestigd zijn in de waarheid en in staat zijn die te openen en zo nodig te verdedigen. Dwaling vindt men aan alle kanten. Wij pleiten niet voor een twistzieke geest op of buiten de kansel. Toch moet een predikant de waarheid kunnen verdedigen en de dwaling kunnen blootleggen. Hij moet dat op een eenvoudige en toch krachtige manier kunnen doen.
Zo verzwakt hij de kracht van de waarheid niet en maakt hij haar ook niet, zoals sommigen, verachtelijk door haar zo verward en onbeholpen te behandelen dat haar vrienden worden bedroefd en haar vijanden verblijd. Het is verrassend welke kracht en macht er soms in enkele eenvoudige woorden of zelfs in het toepasselijke aanhalen van een tekst met weinig toelichting kan liggen. Welk licht schijnt er voor een hoorder vaak door op de waarheid en hoe valt de dwaling ervoor neer als Dagon voor de ark!
Hij moet ook een goede kennis van het Woord hebben. Die moet niet alleen in zijn geheugen wonen maar ook in zijn hart en geweten. Hij moet het samenhangend en bevindelijk kunnen openen om de zielen van Gods volk te voeden met melk en honing, vlees en merg en hun te drinken te geven van de zuivere wijn van de druif.
Er moet ook enige orde en afwisseling in zijn bediening zijn. Die verkrijgt hij het best door dicht bij zijn tekst te blijven en die in haar breedte en lengte te openen. Dat zal hem veel behoeden voor onsamenhangend dwalen of voor het vervallen in dezelfde kring van bevinding. Hoe goed en gezond die op zichzelf ook is, wordt zij na verloop van tijd vermoeiend door juist die eentonigheid en herhaling.
Maar boven alles moet er die stroom van goddelijk leven in zijn ziel zijn. Er moet een voortdurende vernieuwing en opwekking van de kracht en tegenwoordigheid van God in zijn hart zijn. Dat alleen kan zijn gave leven geven en de wijsheidsbron in hem tot een vloeiende beek maken. Die bevloeit als het ware zowel zijn ziel als zijn bediening uit die rivier van God die vol water is, waarvan de stromen de stad van God verblijden. Zonder dit water dat in hem springt tot in het eeuwige leven zou zijn gave spoedig verwelken en vergaan. In zijn bediening zou niets nieuws, niets verfrissends en niets zoets, smaakvols of aangenaams voor het gezin van God zijn.
Hij kan op zijn Bijbel of de kansel slaan en door lawaai en geschreeuw proberen voor zijn woord een weg naar de harten van de mensen te banen. Maar hij kan alleen hoofdpijn geven en geen hartzeer. Hij kan verdoven, vermoeien en verwarren. Zijn leer zal echter niet druipen als de regen noch zijn rede vloeien als de dauw, tenzij de kostelijke dingen van de hemel en de goedgunstigheid van Hem die in het braambos woonde als een zegen op zijn ziel komen. (Deuteronomium 32:2; Deuteronomium 33:13; Deuteronomium 33:16)
Een kleine gave die gevoed wordt met het leven en de kracht van God, zal niet alleen blijven bestaan wanneer een grote gave zonder hemelse olie verwelkt en vergaat. Zij zal ook gedijen en groeien door oefening en gebruik, door gebed, lezen en overdenking, tot zij steeds helderder schijnt en een steeds breder licht geeft. Maar onze ruimte dwingt ons de pen neer te leggen. De vereiste toerusting voor de bediening is een onderwerp dat onze gedachten veel en lang heeft beziggehouden. Wij hebben er in ons eigen gemoed enkele vaste conclusies over getrokken.
Maar wij hebben veel ruimte nodig om ze onze lezers voor te leggen, ook als wij ooit een zo moeilijk en kies terrein zouden betreden. Laten daarom deze weinige zwakke wenken voorlopig volstaan. Het zou ons inderdaad spijten als iets van wat wij erover hebben laten vallen de zwakste van Gods gezonden dienaren zou ontmoedigen. Of als het ook maar iets zou toevoegen aan de last van de Heere. Die te dragen om Zijn naam is voor Zijn dienaren hun hoogste voorrecht maar vaak ook hun zwaarste beproeving.


