Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Nieuwjaarsboodschap 1864: Het sterven van het jaar en de opstanding van Christus

Het stervende jaar wordt voor Philpot een beeld van de dood, maar Christus is de Opstanding en het Leven. Hij roept de lezers op het woord van God te onderzoeken, vast te staan in de waarheid en biddend te waken tegen de wereld.

Als zichtbare aanduiding van het verstrijken van de tijd herinnert niets ons zo voelbaar aan het heengaan van het leven als het einde van elk jaar. Niets in de steeds wisselende aspecten van de natuur om ons heen brengt ons de zekerheid van de dood zo levendig voor ogen. Het EINDE van het jaar! Wat een doodsklok klinkt er al in dat geluid! Wat een waarschuwend zinnebeeld van het einde van het leven!

Zoals het jaar werd geboren, zo werden ook wij geboren. Zoals het jaar zijn blijde lente had, zijn gloeiende zomer en zijn vruchtbare herfst, zo hadden wij onze vrolijke knapenjaren, onze strevende jeugd en onze bezadigde mannelijkheid. En wat ligt er nu voor ons? Het lijk van het gestorven jaar. Enkele weken lang zagen wij het langzaam wegkwijnen. Wij merkten zijn dagelijkse achteruitgang op totdat zijn laatste uur sloeg en het in een ogenblik iets van het verleden werd.

Zo zullen ook wij, wanneer onze bestemde tijd komt, wegkwijnen, afnemen en sterven. Ons lichaam zal vallen in de aarde waaruit het is genomen zoals het voorbije jaar in zijn graf is gezonken. En wij zullen, zoals dat jaar, van hier gaan en niet meer gezien worden.

Maar behalve dit opvallende zinnebeeld van de dood dat het stervende jaar ons voor ogen stelt, is er iets in het jaargetijde zelf waarin het jaar sterft dat ons bijzonder aan onze eigen sterfelijkheid herinnert. De donkere en sombere dagen, het snelle invallen van de nacht, de nevels en mistbanken die over de aarde hangen, het algemene sterven en vergaan van de natuur die zo kort geleden nog helder en schoon was. De vorst die ons bloed doet stollen of de storm die tegen onze ruiten beukt. De weemoedige overpeinzingen die in dit jaargetijde vaak op onze geest vallen, alsof zij door het winterse tafereel worden ingegeven en ermee in harmonie zijn.

Dit alles brengt ons levendig de ernstige overtuiging voor de geest dat ons leven hier slechts een schaduw is, een droom, een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. In deze mijmerende stemming, die niet geheel zonder getemperde rust en nuttige invloed is, kijken wij terug door het jaar dat nu voorgoed voorbij is. Misschien proberen wij ons levendiger enkele van de omstandigheden te herinneren die daarin een diepe en blijvende indruk op ons geheugen hebben achtergelaten.

1. Onze eerste gedachten gaan uit naar de herinnering aan die persoonlijke vrienden of geliefde verwanten wier bekende gezichten wij niet meer zullen zien en wier vertrouwde stemmen nooit meer teder in onze oren zullen klinken. Zijn sommigen van u, lieve lezers, in het afgelopen jaar niet beroofd van een of meer van uw dierbaarste huisgenoten? Onze maandelijkse rubriek met overlijdensberichten getuigt ervan dat deze regels onder de ogen zullen komen van menige weenende weduwe, van menige rouwende echtgenoot of beroofde ouder.

Tranen zijn de nagedachtenis van de gestorvenen verschuldigd. Bij het graf van Lazarus: Jezus weende. De genade verbiedt de tranen niet, maar zij gebiedt ons niet bedroefd te zijn gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Zou u de dierbare gestorvenen terug willen? Zou u hen, als u het kon, tot het leven terugroepen? Zelfs als er geen hoop in hun einde was, moeten wij ons dan niet toch buigen voor de soevereiniteit van de Almachtige? Immers: zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen? Waarom dan de wond openscheuren door te lang of te diep stil te staan bij het onherroepelijke verleden?

2. Maar misschien zijn wij aan deze snijdende slagen ontsnapt. De dood is misschien niet in ons huis gekomen om dat geliefde gezinshoofd, die tedere echtgenote of dat afgodisch beminde kind weg te rukken, wier afwezigheid de kersttijd tot zo’n treurige leegte heeft gemaakt. Toch kan de laatste vijand een inval hebben gedaan in ons midden, waarvan wij de gevolgen nog lang en steeds dieper zullen voelen. Hij kan, zoals in ons eigen bijzondere geval, in onze gemeente zijn gekomen en leden hebben weggenomen met wie wij lang in de gemeenschap van de gemeente verbonden waren.

Zij zijn heengegaan en hebben ons achtergelaten om nog verder te strijden in de woestijn. Hoewel wij hen niet terug zouden willen, want zij zijn bij Christus, en dat is zeer verre het beste, missen wij hun aanwezigheid in het huis van gebed en aan de tafel van de Heere. Wij missen hun gebeden, zo eenvoudig en vurig, hun vriendelijke woorden van meeleven en genegenheid, hun vriendschappelijke omgang of hun krachtige voorbeeld.

3. Onze gedachten gaan dan misschien uit naar die dierbare en hooggewaardeerde dienaren van God die wij persoonlijk kenden of van wie wij goede berichten hadden en die Hij tot Zichzelf heeft genomen. Wij vragen ons af hoe hun plaatsen kunnen worden vervuld. Wij denken aan hun weduwe geworden gemeenten en verstrooide kudden. Wij voelen wat een bijna onherstelbaar verlies een trouwe en ervaren dienaar van God voor zijn gemeente en zijn hoorders is. Donker is de wolk die boven Sion hangt.

Mannen van degelijke, bevindelijke waarheid, gezond in het geloof, godzalig in hun leven en bekwame dienaren van het Nieuwe Testament, gaan snel heen. Sommigen neemt de Heere tot Zichzelf, anderen legt Hij terzijde door ziekte of zwakheid. Maar kijk waar wij ook kijken, hoe weinigen zien wij er opgewekt worden om hun plaatsen in te nemen. De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt. Intussen neemt de dwaling toe en verspreidt zij zich. Velen zijn er diep door aangestoken, die haar uit voorzichtigheid voorlopig verborgen houden of verhullen onder een vorm van gezonde woorden.

4. Terwijl wij in deze mijmerende stemming verkeren, in harmonie met het jaargetijde, vergeet het drukke geheugen ook de verschillende gebeurtenissen niet die het voorbije jaar min of meer opvallend hebben gekenmerkt wat onze eigen persoonlijke ervaring van verdriet of vreugde, verdrukking of vertroosting betreft. Weldaden zowel als ellende bezaaiden het pad. Honderd weldaden tegen tien ellendes, als het geloof de rekening mocht opmaken en de cijfers van het ongeloof mocht doorstrepen.

Ziekte kan ons op het bed van verdrukking hebben gelegd. Maar waren er hier geen weldaden? Verzorgden geen vriendelijke handen het lichaam? Vrolijkten geen vriendelijke woorden de geest op? Werden er door christenvrienden geen gebeden voor ons opgezonden, geen zorg om ons herstel, geen verlangen dat de beproeving tot zegen voor de ziel mocht zijn? Was er geen verborgen steun op het ziekbed, geen onderwerping aan de wil van God, geen geloof dat op het woord van belofte werd opgewekt? Geen zoete hoop op de Heere van het leven en de heerlijkheid, geen liefde tot Zijn dierbare naam?

Herstel werd ons ook niet onthouden. De zegen van terugkerende gezondheid en kracht werd niet geweigerd aan het gebed, noch de bereidwillige gezindheid verworpen om tijd en kracht en wat er van het leven restte onvoorbehouden aan de Heere en Zijn volk te geven.

5. Andere beproevingen kunnen ons pad hebben getekend, zoals problemen in de gemeente, de zwaarste van alle na die welke de eigen belangen van de ziel het meest rechtstreeks raken. Maar ook deze zullen, zo vertrouwen wij, hoewel zij het gemoed zwaar beproefden, uiteindelijk blijken mee te werken ten goede voor wie God liefhebben en verlangen in Zijn vreze te wandelen. Er zijn weinig scherpere toetsstenen voor de geest van mensen dan de manier waarop zij zich gedragen in die twisten en verdelingen waarvan weinig gemeenten vrij zijn.

Nergens blijkt duidelijker het verschil tussen de geest van toorn en de geest van zachtmoedigheid, de geest van twist en de geest van vrede. Het verschil tussen de heftige, twistzieke, onverzoenlijke geest van sommigen en de verdraagzame, vergevensgezinde en toch vaste en trouwe geest van anderen. Zo wordt zelfs door deze pijnlijke dingen genade beproefd, worden de oprechten openbaar en de gedachten uit vele harten geopenbaard worden. (1 Korinthe 11:19; Lukas 2:35.)

6. Laten wij ook niet vergeten, dierbare vrienden en broeders, te midden van onze vele rijke en onuitsprekelijke weldaden, die uitnemende gunst van het behoud van het goddelijke leven in onze borst. O, wat hebben wij niet gedaan om de heilige vlam te doven! Met welke heiligschennende handen hebben wij stof en puin op Gods altaar gehoopt! Welk ongeloof, welke ontrouw, welke aardsgezindheid en wereldgezindheid, welke hoogmoed en hebzucht, welke overvloedige kwaden van elke vorm en naam hebben in onze vleselijke gezindheid gewerkt om vrucht voor de dood voort te brengen!

Deze en duizend andere kwaden, te laag om te noemen, zouden het leven van God in de ziel doeltreffend hebben gedoofd, zo niet vernietigd, als het niet was onderhouden door Hem Die het eerst gaf. Maar hoe zoet is de belofte en hoe zeker haar vervulling: want Ik leef, en gij zult leven.

De verschillende opwekkingen en vernieuwingen van het leven van God in de borst, die tijdige hulp onderweg, die verkwikkingen van de tegenwoordigheid van de Heere, die genadige bezoekingen waarmee Hij onze geest bewaart, zijn enkele van onze uitgelezenste weldaden van het afgelopen jaar geweest. Want waar zou onze ziel zonder die zijn geweest? In welke diepten van vleselijkheid zou zij niet zijn gezonken? Onder welke lasten van duisternis en dood zou zij niet zijn begraven?

De zoetheid en het genot die wij soms in het woord van God voelden, toen de ogen van het verstand werden verlicht om te zien en het geloof werd opgewekt om zich te vermengen met het goddelijke getuigenis. Het leven en de vrijheid, de toegang en de kracht die wij in het verborgen gebed genoten. De stralen en lichtstralen van goddelijk licht die soms schenen op de heerlijke waarheden die het fundament zijn van ons allerheiligst geloof. De smeltingen van het hart die voor de troon werden gevoeld bij het zien en voelen van onze wrede zonden en van de goedheid en barmhartigheid van de Heere.

Als wij predikant zijn: tijden van verruiming, van vrijmoedigheid en trouw in het hanteren van het woord van het leven. Als wij hoorder zijn: zegeningen die onder de bediening werden meegedeeld om de ziel te doen opleven als het koren en te laten groeien als de wijnstok. En dat alles bij elkaar: als door een wonder in leven te zijn gehouden in een dor en dorstig land waar geen water is, was dat hier geen barmhartigheid?

Heeft 1863 voorbij kunnen gaan zonder een van deze weldaden achter te laten om dankbaar te boeken? Zegt de Heere niet tot ons: Ben Ik Israel een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? (Jeremia 2:31.) En moeten wij niet antwoorden: “Nee, Heere. Zo bent U niet voor ons geweest gedurende het voorbije jaar”?

7. Maar is het ook geen weldaad om op enigerlei wijze te zijn bewaard voor het kwaad, zodat het ons niet bedroeft? Om enigermate teer, omzichtig, eenvoudig en oprecht te zijn gehouden? Om geen benauwende, overweldigende schuld op ons geweten te hebben gebracht door toe te geven aan onbetamelijke lusten? Om geen leed te hebben veroorzaakt aan de dierbare kinderen van God door openlijke inconsequentie?

Wij zijn ons diep bewust van vele afdwalingen van het hart, veel innerlijke afval van de Heere, vele zwakheden van het vlees, veel duisternis van gemoed, koude van genegenheid en doodsheid van gestalte. Maar bewaard te zijn voor gewetensverwoestende zonden is geen geringe weldaad, wanneer wij ons aan alle kanten tot die zonden verzocht voelen.

8. Bewaard te zijn voor de overvloedige dwalingen van de dag en de waarheid nog met vaste en rustige hand te houden. Enigermate gescheiden te hebben gewandeld van die losse, goddeloze belijdenis die deze tijd zo kenmerkt. Enige vereniging en gemeenschap te hebben genoten met de ware heiligen van God en hen te hebben liefgehad en aangekleefd als de uitnemenden van de aarde. Heeft 1863 ons geen van zulke getuigenissen in ons voordeel nagelaten die wij in gedachten willen houden, niet met de roemende hoogmoed van de zelfgerechtige Farizeeër maar met de dankbare erkenning van onze diepe verschuldigdheid aan overvloedige genade?

Maar uw pad kan een pad zijn geweest van diepere beproeving, pijnlijker oefening en zwaardere verzoeking dan wat wij zo hebben geschetst. Het zij zo. Zijn uw verdrukkingen groter geweest, dan zijn ook uw vertroostingen groter geweest. Zijn uw ellenden overvloedig geweest, dan zijn uw weldaden nog overvloediger geweest.

U bent verder en dieper in de woestijn geweest, maar hebt meer manna verzameld. U hebt meer van de storm gevoeld, maar meer van de zon gezien. U hebt meer gemeenschap gehad aan het lijden van Christus, maar meer geweten van de kracht van Zijn opstanding. Zo zijn wij gelijk. U die veel hebt verzameld, hebt niets over. Wij die weinig hebben verzameld, hebben geen gebrek.

Wij hebben dan de grondtoon van onze boodschap aangeslagen: het Oude Jaar en het Nieuwe. Zoals wij het gestorven jaar als zinnebeeld van dood en verval hebben genomen, zo zullen wij nu het Nieuwe Jaar nemen als zinnebeeld van leven en opstanding. Want zoals het gestorven jaar slechts een schimmig zinnebeeld van de dood is, zo is de dood zelf met al haar sombere begeleidende verschijnselen werkelijk slechts de schaduw van een schaduw.

Heeft de Heere niet gedaan wat er staat: opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel? (Hebreeën 2:14.) Is Hij niet degene Die den dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie? (2 Timotheüs 1:10.) Als de dood dan “teniet gedaan” en “afgeschaft” is, kan zij geen werkelijke substantie hebben. En heeft zij geen substantie, dan kan zij geen schaduw hebben.

Maar zij werpt vaak, zult u zeggen, een zeer sombere schaduw over onze gevoelens. Dat is waar. Maar waarom? Omdat wij niet uit haar schaduw zijn opgeheven in het licht van het aangezicht van de Heere.

Dat er van nature iets verschrikkends in de dood is, moet ieder erkennen, want het is wat iedereen moet voelen. Zelfs de omgeving van het graf heeft iets verschrikkelijks voor de natuur. De doodskist, waardoor wij door het deksel heen bijna het bleke lijk in zijn laatste lijkwade lijken te zien. Het open graf, in welks muil wij kijken als in een donker en kil bed. De aardse geur van de vochtige grond waarop wij staan, alsof hij de geur van de dood zelf ademde.

De rouwenden in hun geween of ingehouden smart. Het vallen van de kluiten wanneer alles voorbij is: het laatste gebed is uitgesproken, elk ander geluid is verstomd en er blijft niets meer over dan de dode aan het oog te onttrekken en te begraven. Al deze attributen van de dood, als de donkere lijkwagen en het lijkkleed, spreken zo sterk tot onze natuurlijke zinnen dat er een bijzondere daad van geloof nodig is om erdoorheen en erachter te zien.

Afgezien van deze aanblikken en tonelen van smart, waarin de meesten van ons een misschien nooit te vergeten aandeel hebben gehad, zijn er ook innerlijke oorzaken waarom de dood op verschillende tijden een kille somberheid over het gemoed werpt. Ongeloof, duisternis van gemoed, schuld van geweten, de twijfels en vrezen waarmee de meesten worden geoefend. De natuurlijke vrees voor de dood, de aangeboren liefde voor en het vastklampen aan het leven, de sterke banden van vlees en bloed, misschien een jonge vrouw of klein gezin waarvoor maar een schaarse voorziening is.

Bijzondere omstandigheden in de zaken die alle bedrijvigheid en vaardigheid van persoonlijk beheer vragen en zonder welke ondergang en ruïne dreigend lijken. De plaats die wij op dit moment in de gemeente van Christus innemen met haar bindende eisen. Het verlangen om nog wat langer te leven tot eer van God en tot welzijn van Zijn volk. Wie kan de duizend banden opsommen die het hart aan het leven knopen en een natuurlijk terugdeinzen voor de dood teweegbrengen?

Waarom anders is Jezus nodig op een sterfbed? Wie heeft de steun van de eeuwige armen nodig dan de wegzinkende? Wie heeft de stok en de staf nodig dan de reiziger door het dal van de schaduw van de dood? Alleen roekeloze ongevoeligheid, of stoutmoedig aanmatigend vertrouwen onder de naam van sterke verzekerdheid, ziet de dood zonder terugdeinzen in het gezicht, tenzij de Heere Zelf fluistert: Ik ben het; zijt niet bevreesd.

Maar hoe barmhartig en genadig worden juist deze oefeningen van het gemoed ten goede gekeerd, en welke nuttige invloed hebben zij vaak op het hart! Dagelijks te sterven is een noodzakelijk deel van de christelijke bevinding. De lendenen omgord en het licht brandend te hebben en te wachten op de terugkeer van de Meester, is de meest passende houding van een discipel van Christus. Wij worden vooral gewaarschuwd: wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome. (Lukas 21:34.)

Het zal dan onze wijsheid en barmhartigheid zijn te doen wat er staat: laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn. En wel aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid. Wij doen dat in de zoete zekerheid: God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus; Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden. (1 Thessalonicenzen 5:6; 1 Thessalonicenzen 5:8-10.)

Is Hij voor ons gestorven opdat wij samen met Hem zouden leven, dan is Hij ons leven. En voor zover Hij ons leven is, zal het leven dat wij nu in het vlees leven zijn door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.

Er is geen andere weg om te sterven voor de zonde, voor de wereld, voor de dingen van tijd en zinnen en om voor God te leven. De diepste overtuigingen kunnen ons nog onder de macht van de zonde laten. De zwaarste beproevingen wekken alleen opstandigheid en gemopper op. De meest benauwende verzoekingen slingeren ons alleen heen en weer als de sprinkhaan. En de scherpste smarten veroorzaken alleen de droefheid der wereld, die den dood werkt.

Maar één gelovige blik op de Zoon van God, één ontdekking waarbij onze ogen den Koning zien in Zijn schoonheid, één openbaring aan de ziel van Zijn Persoon en werk, genade en heerlijkheid, tilt haar meteen op naar Hem. Zo draagt Hij haar, zolang het geloof in werkzame oefening is, boven de wereld uit en boven al haar smarten en vreugden, haar knagende zorgen en al haar voorbijgaande ijdelheden. Een gezegende openbaring van Christus aan de ziel te hebben en vereniging en gemeenschap met de Zoon van God te genieten, is het ene grote geheim van de levende godzaligheid.

Maar als dit zo is, en alle heiligen van God hierop hun zegel zetten, hoe moet deze persoonlijke, bevindelijke kennis van Jezus, deze vereniging, deze gemeenschap met Hem en dit levende geloof in Zijn Persoon en werk levend in het hart worden gehouden? O! Hier is de grote strijd van het geloof. Op dit smalle terrein ontmoeten de vijandelijke legers elkaar.

Hier staan zij allemaal opgesteld in hun verschillende regimenten maar onder één vlag, de zwarte vlag, en onder één bevelhebber, de vorst van de hel. Ongeloof, ontrouw, schuld, twijfel en vrees. Hoogmoed, lust en hebzucht, opstandigheid, gemopper en gemelijkheid. Koude, vleselijkheid en dood. Luiheid, verstijving en vleselijk gemak. Vijandschap, vuil en duivelsheid. Duisternis, verlating en wanhoop.

Wat is de grond glibberig van het bloed! Wat een opmarsen, wat een terugtochten, wat een hoop, wat een vrees, wat een wrede wonden, wat een gruwelijke aanblikken, wat een flauwte van hart, wat een bijna zekerheid van nederlaag!

Wat, o wat kan de ziel anders doen dan opzien naar de Overste Leidsman van haar zaligheid en Zijn hulp afsmeken? Wie kan redden dan Hij, over Wie God zegt: Ik heb hulp besteld bij een held? Bevreesde ziel! Is niet deze blik, deze kreet, juist de blik, juist het gebed van het geloof? De strijd is niet de uwe maar die van de Heere. En is het niet Hij Die ook nu zo uw handen onderwijst ten strijde en uw vingers ten oorlog?

Nu wij tot dit punt zijn gebracht, zien en voelen wij onze behoefte aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. Wij smeken u dan, broeders, sta het woord van vermaning toe van iemand die inderdaad de voornaamste van de zondaren is en minder dan de minste van alle heiligen. Toch is hij iemand die ernstig uw geestelijk nut verlangt.

Onze Heere is opgestaan uit de doden en is daardoor krachtelijk bewezen te zijn de Zoon van God. (Romeinen 1:4.) En ook wij die in Zijn naam geloven en levend met Hem verenigd zijn, zijn met Hem opgestaan. Want God heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus. (Kolossenzen 3:1; Efeze 2:6.) Maar wat is ons bewijs hiervan? Hoe weten wij dat wij werkelijk met Christus zijn opgestaan? Door de mededelingen van Zijn genade, door het werk en getuigenis van Zijn Geest, door de ontdekkingen van Zijn Persoon, door het geloof dat Hem aangrijpt, door de hoop die in Hem voor anker gaat en door de liefde die naar Hem uitvloeit.

Wat anders dan een levende Christus is genoeg voor een levende ziel? Hij zegt: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven; En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. (Johannes 11:25-26.) Laten wij dus niet toeven tussen de graven. Wat zoekt gij den Levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan.

Op deze grond, de grond van de opstanding van de Heere Jezus, willen wij een paar woorden richten tot die levende zielen die met Christus zijn opgestaan en hun genegenheid zetten op de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Laat ons dan, niet in een geest van bevelen maar van broederlijke liefde en hartelijke raad, enkele woorden laten vallen die bij deze gelegenheid passend lijken.

Wij nemen aan dat uw ziel oefening heeft over de gewichtige zaken van de eeuwigheid. Wij nemen aan dat u niet tot hen behoort die stijf geworden zijn op hun droesem of gerust zijn te Sion, en nog minder dat u den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.

Voor zulken hebben wij geen boodschap, behalve een woord van ernstige waarschuwing om te bedenken in wat voor gevaarlijke positie zij staan. Maar aan hen wier zielen enigermate levend zijn voor God en bereid zijn een woord van vermaning van ons te ontvangen, willen wij in de liefde en de geest van het evangelie die raad richten die wij in ons eigen hart zouden willen opslaan tot ons eigen nut en onze eigen richting.

1. Het eerste punt waarop wij uw gedachten willen richten is de aanspraak die het woord van God heeft op onze studie en aandacht. Wij leven in een tijd van grote uiterlijke godsdienstige belijdenis en toch van brutaal en tierend ongeloof. Zo zijn wij als het ware door twee vuren omringd. Aan de ene kant staat de belijder met de Bijbel in de hand maar zonder één woord van genade of waarheid in zijn hart. Aan de andere kant staat de ongelovige met de Bijbel onder zijn voeten.

Dit zou ons niet zoveel uitmaken, of althans niet zo gevaarlijk zijn, als wij slechts als toeschouwers konden toekijken of onverschillig konden voorbijgaan, zoals wij door een menigte heen komen zonder ons te bekommeren om wat haar heeft samengebracht. Dat kunnen wij echter niet gemakkelijk doen. Want ons eigen hart is te veel als een stad zonder poorten of muren, die als het ware open ligt voor elke aanval. Er is een verraderlijke partij binnen die een verbond heeft met elke aanvaller buiten. Had de Heere niet voor Zichzelf een kleine burcht gebouwd in het hart van de stad voor Zijn eigen woning, dan waren wij al lang in de hand van onze vijanden verkocht.

Waar deze vijanden niet door openlijk geweld kunnen overwinnen, zoeken zij te overwinnen door sluwheid en list. Zo wil de vormelijkheid ons soms overhalen tevreden te zijn met de loutere letter van de waarheid, met de blote leerstukken van de genade, zonder zoveel te zoeken en te verlangen naar de kracht. Soms dringt het ongeloof erop aan zowel letter als kracht samen op te geven. Ook doen zich soms moeilijkheden en bezwaren voor die wij niet kunnen afwijzen en toch niet kunnen beantwoorden.

Redeneringen, hetzij uit ons eigen gemoed of toevallig in boeken of gesprekken ontmoet, dringen zich evenzeer aan onze gedachten op. Zij hebben de neiging ons oordeel te verwarren of ons geloof aan te vallen en omver te werpen. Zo raken wij in de war en verlegen. Wij benijden dan het eenvoudige geloof van die tedere kinderen van God die geloven met dat kinderlijke, onbezorgde vertrouwen dat wij zo in hen bewonderen en toch zelf niet kunnen bereiken.

Te midden van deze strijd van gedachten zien en voelen wij hoe het leven snel voorbijgaat. De dingen van tijd en zinnen glippen van onder onze voeten weg. De wereld is een tafereel van ijdelheid en moeite. De zonde loopt overal door de straten als water. En, helaas, wat erger is, zij loopt door ons eigen hart en bedroeft en bevlekt voortdurend ons geweten.

Hoezeer hebben wij, te midden van al deze strijd en verwarring en dit rumoer van stemmen buiten en binnen die allemaal gehoord willen worden, een sterke steun nodig waarop de ziel stevig kan leunen, en een wegwijzend licht dat voor de voeten schijnt. Niemand kan ons helpen op dit donkere pad, waar wij vaak ervaren: Wij tasten naar den wand, gelijk de blinden, en, gelijk die geen ogen hebben, tasten wij. Daarom voelen wij onze dringende behoefte aan een sterke en vriendelijke hand om ons recht te leiden en veilig door het verwarde doolhof te brengen.

Dit vinden wij, en alleen vinden wij, in het woord van God, als leven en geest gemaakt voor de ziel door Hem Die het genadig heeft ingegeven. Hoe veilig, hoe zoet is het, na zulk rusteloos heen en weer slingeren als wij hebben beschreven, te rusten in het vaste woord van belofte en toevlucht te nemen tot twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege: het woord en de eed. (Hebreeën 6:18.) Welk een schuld van dankbaarheid hebben wij aan de God van alle genade voor de gave van Zijn heilige woord, dat dit licht, deze steun en deze gids voor ons is!

En hoe tonen wij onze waardering en dankbaarheid voor deze goddelijke gave het best? Door het dicht tegen ons hart te binden, door het dagelijks te doorzoeken als naar verborgen schat, door het te bestuderen en te trachten door te dringen tot zijn innerlijkste zin en betekenis, merg en pit, geest en kracht.

Niet door er als een schooljongen doorheen te hollen voor zijn les of als een sloofster voor haar werk, en het niet te lezen met een lusteloos oog en een dwalende geest, blij genoeg om de bladzijden te sluiten en het weer op de plank te zetten. Maar door ons te voeden met de melk en de honing, het vlees en het merg en de vrolijkmakende wijn waarmee de Heere van het huis Zijn tafel heeft voorzien.

Het langste leven, het onvermoeidste onderzoek, de diepste studie van de Schriften zou ons nog altijd leerlingen laten. Hoe kunnen wij dan verwachten ze te begrijpen en door te dringen in hun heilige wijsheid? Hoe kunnen wij ons hart en geweten onder hun invloed en kracht brengen, hun schoonheid en samenhang zien en de stempel van Gods gezag erin voelen? Hoe kunnen wij in hun hemelse vorm worden gegoten en de stem van de Heere die erin tot onze binnenste ziel spreekt geloven, bewonderen en aanbidden, tenzij wij enige moeite doen om ze tot onze boezemvriend en raadsman te maken? Neem het woord van God uit onze handen en ons hart, en wij dwalen in de schaduwen van de dichtste nacht.

2. Samenhangend met deze dagelijkse studie van het woord van God moeten wij ernstig verlangen goed gevestigd te zijn in de waarheid zoals zij in Jezus is. Hoeveel mensen zijn er in een belijdenis van godsdienst die altijd leren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen. Anderen, bijna even talrijk, zijn zoals zij die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer.

Geen nieuwigheid kan zich in de godsdienstige wereld vertonen, geen vermetele nieuweling of aanmatigende ellendeling een oude ketterij onder een nieuwe naam voortbrengen, geen gemene of verdoemelijke dwaling kan op de vleugels van de wind komen aanvliegen, of er zijn er die erdoor gegrepen en erin verstrikt raken. En wie zijn soms de allereersten die haar ontvangen, aan hun borst drukken en hemel en aarde bewegen om haar te verspreiden? Het zijn soms enkele van onze oude calvinistische belijders, mannen en vrouwen die jarenlang onder het geluid van de waarheid hebben gezeten.

Dit zijn de onvaste zielen voor wie dwalende mensen op de loer liggen om hen te misleiden, en die zij graag verlokken. Vooral als zij wat van de goederen van deze wereld hebben om hun beurs te vullen of hun hoogmoed te bevredigen. Maar wat een betreurenswaardig gezicht is het om oude belijders, die pijlers van de waarheid zouden moeten zijn, heen en weer te zien schommelen onder de windstoten van de dwaling, zoals de bomen van het bos door de wind worden bewogen. Of om hen halsoverkop in het moeras van een of andere verdoemelijke leer te zien storten.

En waarom? Omdat zij nooit geworteld en gegrond waren in de waarheid door de onderwijzing en het getuigenis, het werk en de betuiging van de Heilige Geest. Hoe noodzakelijk is het dan, als wij zo’n vreselijke val willen ontlopen, goed gevestigd te zijn in de waarheid. Want deze winden van dwaling waaien vaak met grote heftigheid en uit de meest onverwachte en gevaarlijke hoeken.

Wij moeten dan altijd wijsheid drinken aan de oorsprong. Wij moeten altijd opzien naar de Heere voor Zijn bijzondere onderwijzing en alles wat wij hebben rechtstreeks van Hem te ontvangen. Van de Heere Jezus staat geschreven: Die ons geworden is wijsheid van God. (1 Korinthe 1:30.) En Hij deelt haar mee door Zijn Geest en genade. Wij zullen daarom steeds meer bevinden dat al onze wijsheid in Hem en van Hem is, en dat elke goddelijke waarheid die Hij met kracht aan de ziel bekendmaakt, van Hem getuigt en in Hem haar middelpunt heeft.

Zijn heerlijke Persoon, als Immanuël, God met ons, is het voorwerp van ons geloof. En van Hem, als de heerlijke Zon der gerechtigheid, wordt elke straal en elke lichtstraal van goddelijke waarheid in het hart verspreid. Hij verlicht het geschreven woord met de stralen van Zijn heerlijkheid. Hij is de som en de inhoud van elke leerstelling, de grond en het middelpunt van elke belofte en het leven en de kracht van elk gebod.

Zijn goddelijk Zoonschap, Zijn voleindigde werk, Zijn verzoenend bloed, Zijn rechtvaardigmakende gehoorzaamheid, Zijn dood en opstanding, Zijn hemelvaart en verheerlijking, Zijn tegenwoordige voorspraak en voorbede aan de rechterhand van de Vader, Zijn koninklijke regering, Zijn tegenwoordigheid en macht overal en Zijn wederkomst op de wolken van de hemel vormen allemaal het voedsel van het geloof. Zonder dit kwijnt en verslapt het en verliest het zijn werkzaamheid, energie en kracht.

Hoe noodzakelijk is het dus goed gevestigd te zijn in de waarheid, zodat zij ons eten en drinken is en wij dagelijks leven in het besef, zo niet in het zoete genot ervan. Maar dit zal niet onze blijvende bevinding zijn totdat diepe nood ons heeft laten voelen hoe berooid wij voor God zijn, hoe behoeftig voor mensen, hoe naakt voor onze vijanden, hoe niet in staat te leven en hoe onvoorbereid om te sterven zonder een levend belang bij en zonder een bevindelijke kennis van de waarheden van het eeuwige evangelie.

Welke duisternis is er in het gemoed wanneer het licht van de waarheid niet in het hart schijnt! Welke verwarring in de gedachten wanneer er geen helder uitzicht is, geen gelovig vatten van de genade van het evangelie. Welk ongeloof wanneer de Persoon en het werk, de liefde en het bloed, de tegenwoordigheid en kracht van de Heere Jezus uit het zicht zijn! Maar zodra de kostbare waarheden van het eeuwige evangelie dichtbij worden gebracht en wij, terwijl wij in Gods licht licht zien, ze in geloof en genegenheid omhelzen, want het geloof, door de liefde werkende, worden zij het eigenlijke voedsel van onze ziel, onze hoop, ons alles.

God heeft Zijn dierbare Zoon niet gezonden om te bloeden en te sterven voor arme verloren zondaren, opdat zij zouden spelen met Zijn bloedende, stervende liefde of met hun eigen onsterfelijke zielen. God heeft Hem niet uit de doden opgewekt en aan Zijn eigen rechterhand in de hemelse gewesten gezet opdat mensen over leerstellingen in de letter zouden speculeren en redetwisten, of ze netjes zouden ordenen tot een belijdenis om in een zakboekje rond te dragen of als een oude almanak in de consistoriekamer op te hangen.

God heeft geen apostelen en profeten gezonden om een heerlijk evangelie te verkondigen, noch heeft Hij het geopenbaard als met een lichtstraal in de Schriften van de waarheid, noch doet Hij nu Zijn eigen dienaren opstaan om het woord van het leven te prediken opdat sommigen het zouden tegenstaan, anderen het verachten en weer anderen het in ongerechtigheid ten onder houden.

De zon kweekt maden in een asbelt en trekt koorts en pest op uit het schadelijke moeras. Maar de zon is niet voor dat doel geschapen.

Zo heeft God Zijn dierbare Zoon gezonden om een uitverkoren geslacht te redden en opdat Hij een volk zou hebben in wie Hij eeuwig verheerlijkt zou worden. Er zullen maden zijn in harten als een asbelt. Er zullen verderfelijke leerstellingen zijn in kerken en gemeenten. Maar dit is het misbruik en niet het gebruik van evangelielicht. Hoe zijn wij dan door elke zoete dwang van Zijn liefde gebonden om in Zijn naam te geloven, naar Hem op te zien, op Hem en voor Hem te leven! Maar die waarheden kunnen niet worden genoten zonder een andere zegen, waarop wij nu uw aandacht willen vestigen.

3. Een geest van gebed en smeking, gegeven en onderhouden door de God van alle genade. Er is het nauwste en meest innige verband tussen elke genade in de ziel en de geest van gebed in de borst. Het leven van God in de borst van de gelovige daalt en stijgt, ebt en vloeit in precieze verhouding tot en in volkomen overeenstemming met het binnenkomen en uitgaan van de Geest van genade en smeking.

Geloof en gebed gaan hand in hand naar de troon en versterken elkaar wederzijds in hun opmars naar de genadestoel. Hoe meer ik de geest van het geloof heb, hoe meer ik de geest van het gebed heb. Het geloof houdt de zegen in het oog, het gebed pleit om haar genot. Het geloof sterkt het gebed om te vragen, het gebed stelt het geloof in staat vaster te geloven, en hun vereniging brengt de barmhartigheid in persoonlijk bezit: Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden. (Markus 11:24.)

Toen Mozes zijn handen ophief, was Israel de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste. (Exodus 17:11.) Maar omdat deze geest van geloof gemakkelijk wordt gedoofd, want zelfs Mozes, de man van God, kon zijn handen niet lang achtereen omhooghouden, zal het onze wijsheid en barmhartigheid zijn:

4. Die dingen te vermijden waarvan wij uit eerdere ervaring weten dat ze het geloof verzwakken en het gebed belemmeren.

Verstrikking in wereldse zaken, meer dan absoluut noodzakelijk is, is een van de zekerste belemmeringen voor het leven van God die op ons pad kunnen komen. Sommigen van het gezin van God zijn in hun zaken of dagelijks werk zo geplaatst dat zij noodzakelijk veel met de wereld te maken hebben. Maar dat zal noch hun verzoeking noch hun zonde zijn als zij er niet in verstrikt raken of door haar geest worden overwonnen. Jozef aan het hof van Farao en Daniël als de eerste van de drie presidenten aan wie honderdtwintig vorsten rekenschap gaven, behielden niet alleen hun wereldse positie maar ook hun goddelijke genade.

Het is dus niet het in de wereld zijn maar het van de wereld zijn waarin het gevaar ligt. Houd de wereld op een armlengte afstand en zij zal u niet schaden. Laat u haar omhelzen, dan zult u spoedig bezwijken voor haar verleidelijke invloed.

Maar wereldse belijders zijn bijna gevaarlijker dan de wereld zelf. Zes dagen kan de wereld uw lichaam opeisen, ook al verstrikt zij uw hart niet. Maar de dag van de Heere is helemaal voor de ziel. Wat dan? Moeten wij ook de dag van de Heere verliezen? Moeten wij die dag van alle dagen opofferen aan hetzelfde wereldse gezelschap en dezelfde vleselijke geest die het hart de hele week hebben doen zuchten en kermen? Zullen zij ons volgen naar het huis van gebed, ons in de kapel op en neer achtervolgen, ons in de consistorie bespoken en ons op straat beroven en plunderen?

En toch, wat zijn veel plaatsen van eredienst anders dan louter wereldse bijeenkomsten? In kleding, in houding, in de vrolijke gezichten, in het ontbreken van alle eerbied en ernst, in de lichtzinnigheid van de kansel, in de zorgeloosheid en lusteloosheid van de kerkbank, in het ijdele gesprek voor en na de dienst: welk verschil is er tussen de preek in de kapel en de lezing in het Mechanics Institute? Zelfs als zij vrij zijn van zulke gruwelen, is er op plaatsen van heldere leerstellige, bevindelijke waarheid vaak veel dat de geest bedroeft, zo niet het hart van het kind van God geheel verstrikt.

Houd u dan afgezonderd, u die het heil van uw eigen ziel op prijs stelt, van die wereldse belijders die altijd te vinden zijn waar de waarheid wordt gepredikt. U zult ze spoedig herkennen aan de wijze waarop u hen uw ziel voelt beroven en plunderen. Hebt u met enig echt gevoel gehoord, is uw hart week geworden en gesmolten onder het woord en geniet uw ziel een zoete zegen, of is zij althans plechtig gestemd en onder de indruk van het gewicht van de eeuwige dingen, dan wordt u beroofd voordat u honderd stappen hebt gedaan, als u in gesprek raakt met een van deze dieven.

Zorg dan voor uw zegen zoals u voor uw beurs zou zorgen in een Londense menigte. Wees even op uw hoede met uw gesprek als een zedige vrouw met het hare is in een spoorwegcoupé vol mannen. De dag van de Heere is van u en van de Heere. Houd die dag helemaal voor uzelf. Zijn tegenwoordigheid is het waard te hebben, Zijn zegen is het waard te koesteren, Zijn liefde is het waard te genieten. Ruil al deze uitgelezen weldaden niet in voor een beetje geklets, ook al zit uw spraakzame vriend in dezelfde bank, prijst dezelfde preek en roemt dezelfde predikant.

En bedenk dat de dag van de Heere niet eindigt met de diensten. Hoe zoet is het om naar bed te gaan met de smaak van de dag van de Heere op de geest en neer te liggen in het genot van die rust waarvan de sabbat slechts een zwak voorbeeld is! Maar wij zullen u vermoeien met ons lange en saaie advies. Veel moet daarom ongezegd blijven dat best stof had kunnen geven voor onze boodschap.

Maar wij kunnen niet besluiten zonder erbij te voegen dat wij het een gunst en een voorrecht achten dat het ons opnieuw is vergund het jaar te openen met deze vriendelijke groet aan onze vele lezers. En als wij daarbij liever in de leraarsstoel zijn gaan zitten, vergeef ons dan dit onrecht. Wij hebben u alleen zaken voorgelegd waarvan wij zelf de waarde hebben bevonden. En wij willen, als de Heere ons daartoe in staat stelt, al de raad die wij u hebben gegeven ook tot onszelf nemen.

Moge de zegen van God, die rijk maakt, op onze bladzijden rusten. Mogen de ogen van de Heere ten goede op ons zijn van het begin van het jaar tot het einde van het jaar. En omdat wij vertrouwen dat wij Zijn eer en het welzijn van Zijn volk verlangen, moge Hij ons niet weigeren wat onze lippen voortdurend vragen.

Broeders, bid voor ons.
Uw liefhebbende vriend en dienaar,
de Redacteur

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!