En nu volgen twee uitdrukkingen die haast meer dan alle andere de troosteloze en ellendige toestand beschrijven van de mens die vervreemd is van het leven van God. Dat gebeurt door de onwetendheid die in hem is, vanwege de verharding van zijn hart: geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
We volgen dus ons vaste spoor en gaan nu verder met onze uitleg van het hoofdstuk dat voor ons ligt.
1. De eerste uitdrukking die onze aandacht vraagt is geen hoop hebbende. Zij beschrijft in het bijzonder de staat en toestand van de heidense wereld van nature voor God. Met “geen hoop hebbende” wordt bedoeld dat zij geen gegronde hoop hadden. Zij hadden geen hoop die God zou erkennen of waaraan zaligheid verbonden was (Romeinen 8:24). De reden was dat Gods Woord hun geen bijzondere beloften had gegeven. Het had hun ook geen uitzicht op bevrijding geboden uit hun staat van dood in zonde of uit Gods toorn, die zij als zondaars verdiend hadden. Er was voor hen geen verbond waaraan God kon denken.
Ze mochten kreunen onder hun ellende. De hele aarde mocht vol zijn van woonplaatsen van wreedheid. Weduwen en wezen mochten beroofd en onderdrukt worden. Stromen onschuldig bloed mochten vloeien, de goddeloosheid mocht triomferen, de misdaad ongestraft blijven. De aarde mocht een slachthuis zijn waarin de slachtoffers van eerzucht en oorlog bij myriaden werden afgeslacht, zonder hulp of hoop.
Zoals Elihu zei: Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege den arm der groten. Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, Die de psalmen geeft in den nacht? (Job 35:9-10). Geen van de onderdrukten kon zeggen: Waar is God, mijn Maker? Aan niemand van hen werden psalmen gegeven in den nacht, in de hoop op bevrijding. Zij kwamen om in zwijgend somber lijden of in roekeloze wanhoop.
Wat zij ook leden, het ging niet met hen zoals met de kinderen van Israël in Egypte. God hoorde daar het gekerm van de gevangenen. Hij had toch een verbond met hen of voor hen gemaakt waaraan Hij moest denken (Exodus 2:24).
Aan de kant van God hadden de heidenen dus geen hoop. Hij was niet gebonden om op hen te zien of hen aan te zien. Aan hun eigen kant hadden zij geen verbond om op te zien, want een verbond veronderstelt twee partijen. Er waren in zo’n verbond geen beloften van barmhartigheid voor hen opgenomen. Zij hadden ook geen geschreven openbaring van Gods gedachten en wil. Ze hadden niets dan de flauwe resten van overlevering, zoals offers, waarvan zij misbruik maakten.
Ze konden alleen leren wat te leren was van Gods eeuwige kracht en Goddelijkheid. Die onzienlijke dingen moesten uit de schepselen worden verstaan en doorzien. Maar omdat zij dat niet in hun kennis bewaarden, werden zij verijdeld in hun overleggingen en werd hun onverstandig hart verduisterd (Romeinen 1:20-21).
Wat een verschil met de toestand van Israël! Een Israëliet die onderdrukt werd of in nood was, had een verbond waarnaar hij kon opzien, vol beloften. Hij had offers die tot een verlicht verstand spraken van verzoening door het bloed van de komende Messias. Hij had een geschreven openbaring die hij kon lezen en die hem Gods gedachten en wil ontvouwde. Hij had priesters die hem konden onderwijzen (Maleachi 2:6-7) en profeten die hem konden waarschuwen, vermanen of bemoedigen.
Het gebed van de Levieten (Nehemia 9:5-37) ontvouwt zeer mooi en ontroerend de bijzondere voorrechten van Israël. Het laat ook zien hoe zij die misbruikten en hoe de oneindige, onveranderlijke barmhartigheid van God toch bleef, ondanks hun ongehoorzaamheid. Misschien misbruikten de kinderen van Israël al deze voorrechten persoonlijk of zelfs grotendeels als volk. Misschien deden zij Gods naam lasteren onder de heidenen (Romeinen 2:24). Dat veranderde niets aan hun betrekking tot God door het uiterlijke verbond. Het deed Zijn beloften aan hen ook niet teniet.
Voor de Jood was er dus hoop, want hem behoorden de beloften toe. Maar voor de heiden was er geen hoop. God had met hem geen verbond gemaakt en er waren voor hem daarom op die grond geen beloften.
Daarom zien we dat de apostelen het evangelie anders predikten aan Joden dan aan heidenen. Aan de Joden werd het gepredikt als vervulling van het verbond en van de beloften aan hun vaderen. Zo zegt Petrus aan het slot van zijn rede. Eerst heeft hij hun gezegd dat de God van Abraham, Izak en Jakob, de God van hun vaderen, Zijn Zoon Jezus verheerlijkt had. Zij hadden Hem verloochend en gedood. Dan zegt hij:
Gijlieden zijt kinderen der profeten, en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden (Handelingen 3:25-26).
Op bijna dezelfde manier predikte Paulus tot de Joden te Antiochië in Pisidië: En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft. Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd (Handelingen 13:32-33).
Maar toen zij tot de heidenen predikten, predikten zij eenvoudig geloof en bekering: Dezen geven getuigenis al de profeten, dat een iegelijk, die in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn Naam (Handelingen 10:43). En: God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren. Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft (Handelingen 17:30-31).
Onze ruimte laat niet toe hier verder bij stil te staan. Maar als dit niet duidelijk gezien en begrepen wordt, blijft veel van de Handelingen en de brieven donker en onduidelijk. Het was in feite de grote en alles opslokkende vraag van die dag.
Terug dan naar onze uitleg: geen hoop hebbende. Wat een doodsklok lijken deze woorden voor de hele heidense wereld te luiden! Geen hoop! Stel u een landverhuizersschip voor, vol passagiers, dat midden op zee op een verborgen rots is gelopen en langzaam wegzinkt in het diepe water. Stel u hun schrik voor als de kapitein elke verdere poging opgeeft om het schip te redden en zegt: “Er is nu geen hoop meer!”
Of denk aan een geliefde echtgenoot op zijn sterfbed. Stel u de angst voor van zijn arme, bedroefde vrouw, die spoedig een verlaten weduwe zal zijn, als de dokter zegt: “Er is geen hoop!” Of, wat nog dichterbij komt: stel u een stervende voor die bijna of geheel in de kaken van de wanhoop is. Hij voelt en roept uit: “Er is geen hoop! Ik moet naar de hel, met al mijn zonden op mijn hoofd!”
Hoe troosteloos en hoe vreselijk zijn al deze gevallen! Alle hoop verloren hebben is verliezen wat vaak onze voornaamste steun is bij pijn, moeite en verdriet. Die dragen wij slechts met enige lijdzaamheid doordat wij hoopvol uitzien naar verbetering.
Maar neem aan dat net op het moment dat het schip zal zinken er redding komt doordat een ander vaartuig nadert. Of dat de ziekte van de stervende een gunstige wending neemt. Of dat de Heere doorbreekt in de ziel van de arme, wanhopige zondaar. Dan is er hoop, en de hoop beschaamt niet (Romeinen 5:5). De passagiers en bemanning zijn gered. De stervende echtgenoot is hersteld. De wanhopige zondaar is gezegend met vergeving en vrede. Zo is het evangelie voor de arme heiden wanneer het voor hem een kracht Gods tot zaligheid wordt. Het is des te meer gewaardeerd en kostbaar omdat het tot hem komt wanneer hij zonder hoop is.
2. Nu komt het laatste en als het ware afrondende trekje van deze krachtige beschrijving van de heidense Efeziërs voordat zij door genade geroepen werden: en zonder God in de wereld. Het woord dat met “zonder God” is weergegeven, is letterlijk “atheïsten”. Wat een levensecht beeld geeft dit ene trekje van de vleselijke, goddeloze, atheïstische toestand van de heidense wereld!
Zij waren onwetend over Hem in Wie zij leefden, zich bewogen en bestonden en Die hun leven en adem en alle dingen had gegeven. Daarom dachten, spraken en handelden zij alsof zij geen Schepper hadden die hen tot aanzijn had geroepen. Alsof zij geen Onderhouder hadden die hun bestaan in stand hield, geen Rechter aan wie zij rekenschap moesten geven van hun daden, geen Wreker van onderdrukking en geen Beschermer van de onderdrukten.
Zij waren atheïsten in de ware en eigenlijke zin van het woord. Hun goden waren immers stomme afgodsbeelden van hout en steen of vergoddelijkte vertegenwoordigers van elke lust en misdaad die de menselijke natuur beneden de dieren had vernederd. Jupiter was hun opperste god en de Olympus beefde voor zijn wenken. Hij was schuldig aan bloedschande, overspel, verkrachting en andere misdaden. In dit land zou hij daarvoor zijn opgehangen. Bacchus was een dronken losbol. Mercurius was een volleerde dief en Venus een hoer.
Zo vernederde en onteerde hun godsdienst, zoals die was, hun geest. Zij voedde elke gemene lust en hartstocht door het voorbeeld van hun goden. En zij was werkelijk, zoals de apostel verklaart (1 Korinthe 10:20-21), een dienst en een offer aan duivelen. Maar we hoeven dit punt niet verder uit te werken, want het is duidelijk genoeg.
Laten we deze beschrijving van de staat van de heidenen van nature nu toepassen op onszelf. Het is waar dat wij uiterlijk bekeken niet precies in dezelfde positie staan als de heidense volken. Wij leven in een nominaal christelijk land. Het Woord van God is tot ons gekomen in Oude en Nieuwe Testament. Het evangelie wordt in ons midden min of meer duidelijk gepredikt. Dagelijks hebben wij voorbeelden van christelijke mannen en vrouwen voor ogen. Wij hadden ouders, onderwijzers of vrienden die iets wisten van de enige ware God en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft. Onze toestand was van nature dus uiterlijk niet zo hopeloos en onze staat niet zo door en door atheïstisch als die van de Efeze heidenen.
We zouden de voorzienigheid van God vergeten en ondankbaar zijn als wij al deze voorrechten als waardeloos zouden verachten. Hij heeft ons immers laten geboren worden in dit zo begunstigde land. En toch was er, geestelijk en bevindelijk bezien en voor zover het de zaligheid van onze ziel betreft, weinig werkelijk verschil tussen ons en hen. Wij hadden geen gegronde hoop op het eeuwige leven. En als wij al niet in theorie en openlijk ongelovigen of atheïsten waren, dan waren wij in de praktijk en in werkelijkheid zonder God in de wereld.
Met onze lippen erkenden wij Hem, maar in ons hart en door ons leven verloochenden wij Hem. Als wij geen goden van hout en steen aanbaden of onze lusten niet vergoddelijkten, dan vulden toch afgoden elke nis van ons hart. Wij leefden in opstandige trots tegen de God van de hemel. Zo dachten, spraken en handelden wij als praktische, zo niet theoretische ongelovigen en atheïsten. We deden alsof er geen God was Die ons hart doorzocht, onze woorden hoorde, onze daden gadesloeg, onze zonden haatte of ons daarvoor in het gericht zou brengen.
Zo waren wij. Zo zouden wij zijn gebleven. Zo zouden wij hebben geleefd en zo zouden wij zijn gestorven, zonder de soevereine, overvloedige genade van God.
“O, hoe diep sta ik in de schuld van de genade!”
Alleen door onze staat van nature te bekijken en te zien en te voelen waarvan de genade ons heeft verlost, leren wij hoe vrij, hoe vol en hoe overvloedig de genade is.
Nadat de apostel de staat van nature en de levenswandel van deze heidense Efeziërs zo mooi en beeldend heeft beschreven, gaat hij nu aantonen hoe barmhartigheid, louter barmhartigheid, hun geval bereikte: Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus (Efeze 2:13).
Hoe voortdurend brengt de apostel ons de vereniging met Christus Jezus voor als de grondslag van alle geestelijke zegeningen! Wie het eerste hoofdstuk van deze brief aandachtig leest, ziet hoe hij steeds weer zegt: in Christus Jezus, in Christus, in den Geliefde, “in Wie”. Het is alsof hij bij deze vereniging blijft stilstaan zoals een bij op een bloem, om al haar zoetheid te zuigen en de honing ook voor anderen mee te nemen.
Let er ook op dat zonder Christus zijn betekent: geen hoop hebben en zonder God zijn in de wereld. Zo betekent in Christus zijn: dicht bij God gebracht zijn door Zijn dierbaar bloed. Als arme heidense zondaars waren wij verre. De zonde had ons op oneindige afstand van God gezet. Voor ons was er geen hoop.
Wij waren dood door de misdaden en de zonden. Wij stonden onder de invloed en leiding van den overste van de macht der lucht. Wij waren kinderen des toorns, gelijk ook de anderen, zonder Christus, zonder hoop en zonder God in de wereld. Zo ver van God als zonde en Satan ons konden zetten, zo ver waren wij.
Vanwaar kwam dan de barmhartigheid tot ons in onze lage en verloren staat, en waarom? De sleutel ligt in de woorden in Christus Jezus. Deze drie eenvoudige woorden brengen de twee hoofdstukken in samenklank. Ze voeren ons terug naar de eeuwige uitverkiezing in Christus en naar de verlossing door Zijn bloed. Ze vertellen ons waarom deze arme, hopeloze en goddeloze heidenen, en wij onder hen, die eens (dat wil zeggen vroeger) verre waren, nabij gebracht zijn door het bloed van Christus.
Het is dus niet de hele heidense wereld die nabij gebracht is door het bloed van Christus, of door een algemene verlossing, of zoals moderne godgeleerden leren, in een zogenaamde zaligbare staat is gebracht. Het zijn degenen die vóór de grondlegging van de wereld in Christus gezegend waren met alle geestelijke zegeningen. Zij hadden dus deel aan dat eeuwige verbond, dat zowel eerder was als hoger stond dan het verbond met Abraham, Izak en Jakob.
Er is geen verbond gemaakt met het hele lichaam van de heidenen zoals met het hele lichaam van de Joden. Daarom is het hele lichaam van de heidenen ook niet nabij gebracht door het bloed van Christus, zoals het hele lichaam van de Joden dat was door het bloed van de offers. Het bloed van het eeuwige verbond is vergoten voor uitverkoren heidenen en uitverkoren Joden. Alleen zij worden daardoor nabij God gebracht.
Alleen doordat zij een eeuwige vereniging met Christus hadden, in Hem voor de grondlegging van de wereld uitverkoren waren en als vrucht van die vereniging verlossing hadden door Zijn dierbaar bloed, werden deze arme, goddeloze heidenen nabij God gebracht. Alleen zij zijn door genade geroepen. Alleen zij worden levend gemaakt uit een dood in zonde. Want alleen uit genade, dat is door de vrije, onderscheidende gunst van God, worden zij behouden.
We lezen daarom: En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden. Het woord kan ook worden weergegeven als: “die zalig zouden worden” (Handelingen 2:47). En weer: er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Handelingen 13:48).
We moeten zorgvuldig onderscheid maken tussen de wereld in het algemeen en de uitverkorenen, Jood of heiden. Anders raken we in verwarring. Welk onderscheid er ook was tussen Jood en heiden wat uiterlijk voorrecht betreft, los van de Persoon en het werk van de Heere Jezus Christus en onafhankelijk daarvan, zo’n onderscheid bestaat niet tussen hen als zij in vereniging met Hem worden bezien. In Hem verdwijnen al zulke verschillen.
Als uitverkoren in Zijn dierbare Zoon, als gezegend met alle geestelijke zegeningen in Hem, als aangenomen in de Geliefde en als verlost door Zijn dierbaar bloed staan alle uitverkorenen van God, Jood of heiden, voor Hem als één in Christus Jezus. Maar hoe worden zij door het bloed van Christus nabij gebracht? Zij worden dat in twee opzichten: 1. wat hun personen betreft en 2. wat hun bevinding betreft.
1. Als verlost door het bloed van Christus zijn de scheiding en de afstand tot God, door de zonde veroorzaakt, weggedaan en verwijderd. Het was de zonde die scheiding maakte tussen hen en God (Jesaja 59:2). Omdat zij door booze werken vijanden waren in hun verstand, waren zij verre van Hem. Maar toen Christus de zonde teniet deed door de offerande van Zichzelf (Hebreeën 9:26), verzoende Hij door Zijn dierbaar bloed hun personen met God. Zo bracht Hij hen nabij Zich.
2. En wanneer zij de verzoening ontvangen (in de Engelse Bijbel “atonement”, met als kanttekening “reconciliation”; Romeinen 5:11), dat wil zeggen in hun hart en geweten, dan worden zij in hun eigen gelukkige bevinding nabij God gebracht. Er is geen andere weg om nabij God gebracht te worden, noch wat de aanvaarding van onze personen betreft, noch wat de toegang tot Zijn tegenwoordigheid betreft.
Maar let nu op welke verdere weldaden en zegeningen voortkomen uit het zo nabij gebracht zijn door het bloed van Christus: Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende (Efeze 2:14). Hij is onze vrede. Dit vloeit noodzakelijk voort uit verzoend en nabij gebracht zijn door het bloed van Christus.
De zonde heeft ons niet alleen tot vijanden van God gemaakt, maar ook God tot een vijand voor ons. Welke vrede kan er dan tussen ons zijn zolang wij zo wederzijds vijanden zijn? Vrede is er tussen vrienden, niet tussen vijanden. Zolang er die staat van vijandschap en oorlog is, is er geen werkelijke vrede en kan er dus ook geen gevoelde of genoten vrede zijn. Maar het wegnemen van de oorzaak van de oorlog brengt vrede, eerst in werkelijkheid en dan in de bevinding. Christus heeft vrede gemaakt door het bloed van Zijn kruis (Kolossenzen 1:20).
Aan Gods kant is er nu geen vijandschap meer, want het was een wetsvijandschap. God heeft Zijn volk in Christus altijd liefgehad. En omdat Hij onveranderlijk is, kon en wilde Hij hen nooit haten. Maar zoals een rechter een vijand is van een misdadiger, ook al is die misdadiger zijn eigen zoon, zo was God als Rechter en Wetgever een vijand van Zijn eigen uitverkorenen, gezien als wetsovertreders.
Maar toen de wet vervuld was en alle overtredingen ervan verzoend waren door de gehoorzaamheid en de dood van Zijn dierbare Zoon, was deze wetsvijandschap weggenomen. De toorn van God tegen de zonde en de zondaar was gestild. Nu de zonde is weggedaan, is dus de hele oorzaak van die wetsvijandschap weggenomen. Als wij in de Zoon van God geloven en de verzoening door Zijn dierbaar bloed ontvangen, is er aan onze kant geen vijandschap meer. Want de goedheid, barmhartigheid en liefde van God doen het hart smelten tot de zoetste nederigheid, genegenheid en liefde jegens en voor Hem.
Maar Christus is onze vrede ook in een andere zin, en dit lijkt hier de hoofdstrekking van de apostel te zijn. Er bestond een dodelijke vijandschap tussen Jood en heiden. De Jood verafschuwde en verfoeide de heiden en de heiden haatte en minachtte de Jood. Voor de Jood was de heiden een onreine hond. Met hem wilde hij niet eten of drinken, zijn aanraking alleen al was ontheiliging en zijn aanwezigheid in het land Judea een hatelijke en ondraaglijke last. Voor de heiden was de Jood weerzinwekkend door zijn bekrompen onverdraagzaamheid, zijn halsstarrigheid, zijn weigering van alle gemeenschap, zijn hebzuchtige gierigheid en zijn haat tegen een vreemd juk.
Toen uitverkoren Jood en uitverkoren heiden beiden nabij gebracht waren door het bloed van Christus, moesten ze dus ook met elkaar verzoend worden en niet alleen met God. Alle onderscheidingen die hen gescheiden hadden gehouden waren in Christus weggedaan. Zij moesten dus verenigd worden door de nauwste banden van genegenheid en liefde. Als één in Christus moesten zij ook één met elkaar zijn. In die zin is Christus onze vrede.
De apostel voegt daarom toe: en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende. Er lijkt hier een zinspeling te zijn op de tempel te Jeruzalem. Daar scheidde een lage muur het voorhof van de heidenen van het binnenste voorhof, dat alleen Joden mochten betreden. Er is een soortgelijke zinspeling in Openbaring 11:1-2, waar het buitenste voorhof van de tempel aan de heidenen wordt gegeven. Deze middelmuur van afscheiding verbeeldde dus de scheiding tussen Jood en heiden, die een oorzaak van de vijandschap tussen hen was.
De Jood beschouwde het binnengaan van een heiden in de tempel, of zelfs voorbij het buitenste voorhof, als een ontheiliging van de heilige plaats en als een misdaad die de dood waard was, zoals we zien in Handelingen 21:28-31. En de heiden nam deze uitsluiting zo kwalijk dat het doel van elke buitenlandse veroveraar, zoals bij Antiochus, Heliodorus, Pompejus en anderen, was om door deze beperking heen te breken en persoonlijk het heilige van de heiligen binnen te gaan en te ontwijden.
Zolang de middelmuur van afscheiding stond, waren Jood en heiden dus van elkaar gescheiden. Maar de gezegende Heere verenigde als onze vrede uitverkoren Jood en uitverkoren heiden in Zijn eigen mystieke lichaam en maakte hen zo één in Zichzelf. Zo brak Hij de middelmuur van afscheiding tussen hen af (letterlijk: Hij “maakte hem los” of “loste hem op”). Zo is elk onderscheid tussen Jood en heiden opgelost en verdwenen. Er scheidt hen nu geen middelmuur meer, want zij zijn één in Christus Jezus.
Dit alles lijkt ons misschien heel duidelijk en eenvoudig. Dat was het niet toen het voor het eerst werd geopenbaard en bekendgemaakt. Het was zelfs de verborgenheid die aan Paulus door een bijzondere openbaring werd bekendgemaakt: Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb; Waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus), Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest; Namelijk dat de heidenen zijn medeerfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie (Efeze 3:3-6).
Deze verborgenheid betekent eigenlijk: dit hemelse geheim. Het was van het begin van de wereld af verborgen in Gods schoot. Het was de vereniging van uitverkoren Joden en uitverkoren heidenen tot één mystiek lichaam, waarvan Christus het eeuwig levende en heerlijke Hoofd zou zijn. Hij moest daarom alle oorzaken van scheiding tussen hen uit de weg ruimen en zo de middelmuur van afscheiding afbreken.
Maar er was nog een andere oorzaak van scheiding, waarvan de middelmuur in de tempel slechts een symbool was: Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende (Efeze 2:15). De Joden hadden een wet die de heidenen niet hadden. Deze wet noemt de apostel de wet der geboden in inzettingen bestaande.
Daaronder verstaan we hoofdzakelijk de ceremoniële wet, die hij de vijandschap noemt, omdat zij de hoofdoorzaak was van de vijandschap tussen Jood en heiden. Door de ceremoniële wet was de Jood in het bijzonder van de heiden gescheiden. Aan de berg Sinaï gaf God niet alleen de tien geboden, of de zedenwet, maar ook al die verordeningen van de eredienst die wij ceremonieel noemen. Zij bestonden hoofdzakelijk uit het uitvoeren van een aantal voorgeschreven riten en plechtigheden.
Deze riten en plechtigheden waren alleen voor Israël bedoeld. Ze moesten hun niet alleen een juiste en aanvaardbare aanbidding van God geven, maar hen ook gescheiden houden van alle andere volken. Door de verdorvenheid van het mensenhart wekten ze vijandschap tegen de heidenen. God gebood afzondering als noodzakelijk voor hun behoud als Zijn bijzondere volk. Maar hun nationale en godsdienstige trots maakte van afzondering vijandschap. Evenzo gloeide de heiden van vijandschap tegen de Jood vanwege zijn uitsluitende geest en tegen de verordeningen die die geest veroorzaakten en de daaruit voortkomende vijandschap voedden.
Deze wet van geboden in verordeningen heeft Jezus afgeschaft in Zijn vlees, dat wil zeggen in en door Zijn menswording. Door Zijn lijden, bloedstorting en dood heeft Hij niet alleen de zedenwet vervuld maar ook de ceremoniële wet. Alle offers, riten en plechtigheden van die lastige wet heeft Hij vervuld door Zijn ene grote offer. Al die voorbeelden en voorafbeeldingen heeft Hij, het Tegenbeeld, volbracht. Zij hadden hun bestemde doel gediend en waren daarna feitelijk afgeschaft.
Toen Hij dus in Zijn vlees de wet van geboden in verordeningen afschafte, schafte Hij tegelijk de vijandschap tussen Jood en heiden af door de oorzaak van die vijandschap weg te nemen. Alles wat hen gescheiden had en gescheiden hield, was nu verwijderd. Besnijdenis, offer, tempeldienst, reine en onreine spijzen, vasten en feesten en het hele Joodse ritueel waren feitelijk afgeschaft. Nu deze oorzaken van scheiding weggenomen waren, viel ook de wederzijdse vijandschap tussen Jood en heiden weg.
Nu alle oorzaken van vijandschap zo weggenomen waren, kon de Heere die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens scheppen, vrede makende. Maar de bespreking van dit punt moeten we uitstellen tot ons volgende stuk.


