New Year’s Address, January 1864
Als zichtbare aanduiding van het verstrijken van de tijd herinnert niets ons zo voelbaar aan het heengaan van het leven als het einde van elk jaar. Niets in de steeds wisselende aspecten van de natuur om ons heen brengt ons de zekerheid van de dood zo levendig voor ogen. Het EINDE van het jaar! Wat een doodsklok klinkt er al in dat geluid! Wat een waarschuwend zinnebeeld van het einde van het leven!
Zoals het jaar werd geboren, zo werden ook wij geboren. Zoals het jaar zijn blijde lente had, zijn gloeiende zomer en zijn vruchtbare herfst, zo hadden wij onze vrolijke knapenjaren, onze strevende jeugd en onze bezadigde mannelijkheid. En wat ligt er nu voor ons? Het lijk van het gestorven jaar. Enkele weken lang zagen wij het langzaam wegkwijnen. Wij merkten zijn dagelijkse achteruitgang op totdat zijn laatste uur sloeg en het in een ogenblik iets van het verleden werd.
Zo zullen ook wij, wanneer onze bestemde tijd komt, wegkwijnen, afnemen en sterven. Ons lichaam zal vallen in de aarde waaruit het is genomen zoals het voorbije jaar in zijn graf is gezonken. En wij zullen, zoals dat jaar, van hier gaan en niet meer gezien worden.
Maar behalve dit opvallende zinnebeeld van de dood dat het stervende jaar ons voor ogen stelt, is er iets in het jaargetijde zelf waarin het jaar sterft dat ons bijzonder aan onze eigen sterfelijkheid herinnert. De donkere en sombere dagen, het snelle invallen van de nacht, de nevels en mistbanken die over de aarde hangen, het algemene sterven en vergaan van de natuur die zo kort geleden nog helder en schoon was. De vorst die ons bloed doet stollen of de storm die tegen onze ruiten beukt. De weemoedige overpeinzingen die in dit jaargetijde vaak op onze geest vallen, alsof zij door het winterse tafereel worden ingegeven en ermee in harmonie zijn.
Dit alles brengt ons levendig de ernstige overtuiging voor de geest dat ons leven hier slechts een schaduw is, een droom, een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. In deze mijmerende stemming, die niet geheel zonder getemperde rust en nuttige invloed is, kijken wij terug door het jaar dat nu voorgoed voorbij is. Misschien proberen wij ons levendiger enkele van de omstandigheden te herinneren die daarin een diepe en blijvende indruk op ons geheugen hebben achtergelaten.
1. Onze eerste gedachten gaan uit naar de herinnering aan die persoonlijke vrienden of geliefde verwanten wier bekende gezichten wij niet meer zullen zien en wier vertrouwde stemmen nooit meer teder in onze oren zullen klinken. Zijn sommigen van u, lieve lezers, in het afgelopen jaar niet beroofd van een of meer van uw dierbaarste huisgenoten? Onze maandelijkse rubriek met overlijdensberichten getuigt ervan dat deze regels onder de ogen zullen komen van menige weenende weduwe, van menige rouwende echtgenoot of beroofde ouder.
Tranen zijn de nagedachtenis van de gestorvenen verschuldigd. Bij het graf van Lazarus: Jezus weende. De genade verbiedt de tranen niet, maar zij gebiedt ons niet bedroefd te zijn gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Zou u de dierbare gestorvenen terug willen? Zou u hen, als u het kon, tot het leven terugroepen? Zelfs als er geen hoop in hun einde was, moeten wij ons dan niet toch buigen voor de soevereiniteit van de Almachtige? Immers: zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen? Waarom dan de wond openscheuren door te lang of te diep stil te staan bij het onherroepelijke verleden?
2. Maar misschien zijn wij aan deze snijdende slagen ontsnapt. De dood is misschien niet in ons huis gekomen om dat geliefde gezinshoofd, die tedere echtgenote of dat afgodisch beminde kind weg te rukken, wier afwezigheid de kersttijd tot zo’n treurige leegte heeft gemaakt. Toch kan de laatste vijand een inval hebben gedaan in ons midden, waarvan wij de gevolgen nog lang en steeds dieper zullen voelen. Hij kan, zoals in ons eigen bijzondere geval, in onze gemeente zijn gekomen en leden hebben weggenomen met wie wij lang in de gemeenschap van de gemeente verbonden waren.
Zij zijn heengegaan en hebben ons achtergelaten om nog verder te strijden in de woestijn. Hoewel wij hen niet terug zouden willen, want zij zijn bij Christus, en dat is zeer verre het beste, missen wij hun aanwezigheid in het huis van gebed en aan de tafel van de Heere. Wij missen hun gebeden, zo eenvoudig en vurig, hun vriendelijke woorden van meeleven en genegenheid, hun vriendschappelijke omgang of hun krachtige voorbeeld.
3. Onze gedachten gaan dan misschien uit naar die dierbare en hooggewaardeerde dienaren van God die wij persoonlijk kenden of van wie wij goede berichten hadden en die Hij tot Zichzelf heeft genomen. Wij vragen ons af hoe hun plaatsen kunnen worden vervuld. Wij denken aan hun weduwe geworden gemeenten en verstrooide kudden. Wij voelen wat een bijna onherstelbaar verlies een trouwe en ervaren dienaar van God voor zijn gemeente en zijn hoorders is. Donker is de wolk die boven Sion hangt.
Mannen van degelijke, bevindelijke waarheid, gezond in het geloof, godzalig in hun leven en bekwame dienaren van het Nieuwe Testament, gaan snel heen. Sommigen neemt de Heere tot Zichzelf, anderen legt Hij terzijde door ziekte of zwakheid. Maar kijk waar wij ook kijken, hoe weinigen zien wij er opgewekt worden om hun plaatsen in te nemen. De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt. Intussen neemt de dwaling toe en verspreidt zij zich. Velen zijn er diep door aangestoken, die haar uit voorzichtigheid voorlopig verborgen houden of verhullen onder een vorm van gezonde woorden.
4. Terwijl wij in deze mijmerende stemming verkeren, in harmonie met het jaargetijde, vergeet het drukke geheugen ook de verschillende gebeurtenissen niet die het voorbije jaar min of meer opvallend hebben gekenmerkt wat onze eigen persoonlijke ervaring van verdriet of vreugde, verdrukking of vertroosting betreft. Weldaden zowel als ellende bezaaiden het pad. Honderd weldaden tegen tien ellendes, als het geloof de rekening mocht opmaken en de cijfers van het ongeloof mocht doorstrepen.
Ziekte kan ons op het bed van verdrukking hebben gelegd. Maar waren er hier geen weldaden? Verzorgden geen vriendelijke handen het lichaam? Vrolijkten geen vriendelijke woorden de geest op? Werden er door christenvrienden geen gebeden voor ons opgezonden, geen zorg om ons herstel, geen verlangen dat de beproeving tot zegen voor de ziel mocht zijn? Was er geen verborgen steun op het ziekbed, geen onderwerping aan de wil van God, geen geloof dat op het woord van belofte werd opgewekt? Geen zoete hoop op de Heere van het leven en de heerlijkheid, geen liefde tot Zijn dierbare naam?
Herstel werd ons ook niet onthouden. De zegen van terugkerende gezondheid en kracht werd niet geweigerd aan het gebed, noch de bereidwillige gezindheid verworpen om tijd en kracht en wat er van het leven restte onvoorbehouden aan de Heere en Zijn volk te geven.
5. Andere beproevingen kunnen ons pad hebben getekend, zoals problemen in de gemeente, de zwaarste van alle na die welke de eigen belangen van de ziel het meest rechtstreeks raken. Maar ook deze zullen, zo vertrouwen wij, hoewel zij het gemoed zwaar beproefden, uiteindelijk blijken mee te werken ten goede voor wie God liefhebben en verlangen in Zijn vreze te wandelen. Er zijn weinig scherpere toetsstenen voor de geest van mensen dan de manier waarop zij zich gedragen in die twisten en verdelingen waarvan weinig gemeenten vrij zijn.
Nergens blijkt duidelijker het verschil tussen de geest van toorn en de geest van zachtmoedigheid, de geest van twist en de geest van vrede. Het verschil tussen de heftige, twistzieke, onverzoenlijke geest van sommigen en de verdraagzame, vergevensgezinde en toch vaste en trouwe geest van anderen. Zo wordt zelfs door deze pijnlijke dingen genade beproefd, worden de oprechten openbaar en de gedachten uit vele harten geopenbaard worden. (1 Korinthe 11:19; Lukas 2:35.)
6. Laten wij ook niet vergeten, dierbare vrienden en broeders, te midden van onze vele rijke en onuitsprekelijke weldaden, die uitnemende gunst van het behoud van het goddelijke leven in onze borst. O, wat hebben wij niet gedaan om de heilige vlam te doven! Met welke heiligschennende handen hebben wij stof en puin op Gods altaar gehoopt! Welk ongeloof, welke ontrouw, welke aardsgezindheid en wereldgezindheid, welke hoogmoed en hebzucht, welke overvloedige kwaden van elke vorm en naam hebben in onze vleselijke gezindheid gewerkt om vrucht voor de dood voort te brengen!
Deze en duizend andere kwaden, te laag om te noemen, zouden het leven van God in de ziel doeltreffend hebben gedoofd, zo niet vernietigd, als het niet was onderhouden door Hem Die het eerst gaf. Maar hoe zoet is de belofte en hoe zeker haar vervulling: want Ik leef, en gij zult leven.
De verschillende opwekkingen en vernieuwingen van het leven van God in de borst, die tijdige hulp onderweg, die verkwikkingen van de tegenwoordigheid van de Heere, die genadige bezoekingen waarmee Hij onze geest bewaart, zijn enkele van onze uitgelezenste weldaden van het afgelopen jaar geweest. Want waar zou onze ziel zonder die zijn geweest? In welke diepten van vleselijkheid zou zij niet zijn gezonken? Onder welke lasten van duisternis en dood zou zij niet zijn begraven?
De zoetheid en het genot die wij soms in het woord van God voelden, toen de ogen van het verstand werden verlicht om te zien en het geloof werd opgewekt om zich te vermengen met het goddelijke getuigenis. Het leven en de vrijheid, de toegang en de kracht die wij in het verborgen gebed genoten. De stralen en lichtstralen van goddelijk licht die soms schenen op de heerlijke waarheden die het fundament zijn van ons allerheiligst geloof. De smeltingen van het hart die voor de troon werden gevoeld bij het zien en voelen van onze wrede zonden en van de goedheid en barmhartigheid van de Heere.
Als wij predikant zijn: tijden van verruiming, van vrijmoedigheid en trouw in het hanteren van het woord van het leven. Als wij hoorder zijn: zegeningen die onder de bediening werden meegedeeld om de ziel te doen opleven als het koren en te laten groeien als de wijnstok. En dat alles bij elkaar: als door een wonder in leven te zijn gehouden in een dor en dorstig land waar geen water is, was dat hier geen barmhartigheid?
Heeft 1863 voorbij kunnen gaan zonder een van deze weldaden achter te laten om dankbaar te boeken? Zegt de Heere niet tot ons: Ben Ik Israel een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? (Jeremia 2:31.) En moeten wij niet antwoorden: “Nee, Heere. Zo bent U niet voor ons geweest gedurende het voorbije jaar”?
7. Maar is het ook geen weldaad om op enigerlei wijze te zijn bewaard voor het kwaad, zodat het ons niet bedroeft? Om enigermate teer, omzichtig, eenvoudig en oprecht te zijn gehouden? Om geen benauwende, overweldigende schuld op ons geweten te hebben gebracht door toe te geven aan onbetamelijke lusten? Om geen leed te hebben veroorzaakt aan de dierbare kinderen van God door openlijke inconsequentie?
Wij zijn ons diep bewust van vele afdwalingen van het hart, veel innerlijke afval van de Heere, vele zwakheden van het vlees, veel duisternis van gemoed, koude van genegenheid en doodsheid van gestalte. Maar bewaard te zijn voor gewetensverwoestende zonden is geen geringe weldaad, wanneer wij ons aan alle kanten tot die zonden verzocht voelen.
8. Bewaard te zijn voor de overvloedige dwalingen van de dag en de waarheid nog met vaste en rustige hand te houden. Enigermate gescheiden te hebben gewandeld van die losse, goddeloze belijdenis die deze tijd zo kenmerkt. Enige vereniging en gemeenschap te hebben genoten met de ware heiligen van God en hen te hebben liefgehad en aangekleefd als de uitnemenden van de aarde. Heeft 1863 ons geen van zulke getuigenissen in ons voordeel nagelaten die wij in gedachten willen houden, niet met de roemende hoogmoed van de zelfgerechtige Farizeeër maar met de dankbare erkenning van onze diepe verschuldigdheid aan overvloedige genade?
Maar uw pad kan een pad zijn geweest van diepere beproeving, pijnlijker oefening en zwaardere verzoeking dan wat wij zo hebben geschetst. Het zij zo. Zijn uw verdrukkingen groter geweest, dan zijn ook uw vertroostingen groter geweest. Zijn uw ellenden overvloedig geweest, dan zijn uw weldaden nog overvloediger geweest.
U bent verder en dieper in de woestijn geweest, maar hebt meer manna verzameld. U hebt meer van de storm gevoeld, maar meer van de zon gezien. U hebt meer gemeenschap gehad aan het lijden van Christus, maar meer geweten van de kracht van Zijn opstanding. Zo zijn wij gelijk. U die veel hebt verzameld, hebt niets over. Wij die weinig hebben verzameld, hebben geen gebrek.
Wij hebben dan de grondtoon van onze boodschap aangeslagen: het Oude Jaar en het Nieuwe. Zoals wij het gestorven jaar als zinnebeeld van dood en verval hebben genomen, zo zullen wij nu het Nieuwe Jaar nemen als zinnebeeld van leven en opstanding. Want zoals het gestorven jaar slechts een schimmig zinnebeeld van de dood is, zo is de dood zelf met al haar sombere begeleidende verschijnselen werkelijk slechts de schaduw van een schaduw.
Heeft de Heere niet gedaan wat er staat: opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel? (Hebreeën 2:14.) Is Hij niet degene Die den dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie? (2 Timotheüs 1:10.) Als de dood dan “teniet gedaan” en “afgeschaft” is, kan zij geen werkelijke substantie hebben. En heeft zij geen substantie, dan kan zij geen schaduw hebben.
Maar zij werpt vaak, zult u zeggen, een zeer sombere schaduw over onze gevoelens. Dat is waar. Maar waarom? Omdat wij niet uit haar schaduw zijn opgeheven in het licht van het aangezicht van de Heere.
Dat er van nature iets verschrikkends in de dood is, moet ieder erkennen, want het is wat iedereen moet voelen. Zelfs de omgeving van het graf heeft iets verschrikkelijks voor de natuur. De doodskist, waardoor wij door het deksel heen bijna het bleke lijk in zijn laatste lijkwade lijken te zien. Het open graf, in welks muil wij kijken als in een donker en kil bed. De aardse geur van de vochtige grond waarop wij staan, alsof hij de geur van de dood zelf ademde.
De rouwenden in hun geween of ingehouden smart. Het vallen van de kluiten wanneer alles voorbij is: het laatste gebed is uitgesproken, elk ander geluid is verstomd en er blijft niets meer over dan de dode aan het oog te onttrekken en te begraven. Al deze attributen van de dood, als de donkere lijkwagen en het lijkkleed, spreken zo sterk tot onze natuurlijke zinnen dat er een bijzondere daad van geloof nodig is om erdoorheen en erachter te zien.
Afgezien van deze aanblikken en tonelen van smart, waarin de meesten van ons een misschien nooit te vergeten aandeel hebben gehad, zijn er ook innerlijke oorzaken waarom de dood op verschillende tijden een kille somberheid over het gemoed werpt. Ongeloof, duisternis van gemoed, schuld van geweten, de twijfels en vrezen waarmee de meesten worden geoefend. De natuurlijke vrees voor de dood, de aangeboren liefde voor en het vastklampen aan het leven, de sterke banden van vlees en bloed, misschien een jonge vrouw of klein gezin waarvoor maar een schaarse voorziening is.
Bijzondere omstandigheden in de zaken die alle bedrijvigheid en vaardigheid van persoonlijk beheer vragen en zonder welke ondergang en ruïne dreigend lijken. De plaats die wij op dit moment in de gemeente van Christus innemen met haar bindende eisen. Het verlangen om nog wat langer te leven tot eer van God en tot welzijn van Zijn volk. Wie kan de duizend banden opsommen die het hart aan het leven knopen en een natuurlijk terugdeinzen voor de dood teweegbrengen?
Waarom anders is Jezus nodig op een sterfbed? Wie heeft de steun van de eeuwige armen nodig dan de wegzinkende? Wie heeft de stok en de staf nodig dan de reiziger door het dal van de schaduw van de dood? Alleen roekeloze ongevoeligheid, of stoutmoedig aanmatigend vertrouwen onder de naam van sterke verzekerdheid, ziet de dood zonder terugdeinzen in het gezicht, tenzij de Heere Zelf fluistert: Ik ben het; zijt niet bevreesd.
Maar hoe barmhartig en genadig worden juist deze oefeningen van het gemoed ten goede gekeerd, en welke nuttige invloed hebben zij vaak op het hart! Dagelijks te sterven is een noodzakelijk deel van de christelijke bevinding. De lendenen omgord en het licht brandend te hebben en te wachten op de terugkeer van de Meester, is de meest passende houding van een discipel van Christus. Wij worden vooral gewaarschuwd: wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome. (Lukas 21:34.)
Het zal dan onze wijsheid en barmhartigheid zijn te doen wat er staat: laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn. En wel aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid. Wij doen dat in de zoete zekerheid: God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus; Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden. (1 Thessalonicenzen 5:6; 1 Thessalonicenzen 5:8-10.)
Is Hij voor ons gestorven opdat wij samen met Hem zouden leven, dan is Hij ons leven. En voor zover Hij ons leven is, zal het leven dat wij nu in het vlees leven zijn door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.
Er is geen andere weg om te sterven voor de zonde, voor de wereld, voor de dingen van tijd en zinnen en om voor God te leven. De diepste overtuigingen kunnen ons nog onder de macht van de zonde laten. De zwaarste beproevingen wekken alleen opstandigheid en gemopper op. De meest benauwende verzoekingen slingeren ons alleen heen en weer als de sprinkhaan. En de scherpste smarten veroorzaken alleen de droefheid der wereld, die den dood werkt.
Maar één gelovige blik op de Zoon van God, één ontdekking waarbij onze ogen den Koning zien in Zijn schoonheid, één openbaring aan de ziel van Zijn Persoon en werk, genade en heerlijkheid, tilt haar meteen op naar Hem. Zo draagt Hij haar, zolang het geloof in werkzame oefening is, boven de wereld uit en boven al haar smarten en vreugden, haar knagende zorgen en al haar voorbijgaande ijdelheden. Een gezegende openbaring van Christus aan de ziel te hebben en vereniging en gemeenschap met de Zoon van God te genieten, is het ene grote geheim van de levende godzaligheid.
Maar als dit zo is, en alle heiligen van God hierop hun zegel zetten, hoe moet deze persoonlijke, bevindelijke kennis van Jezus, deze vereniging, deze gemeenschap met Hem en dit levende geloof in Zijn Persoon en werk levend in het hart worden gehouden? O! Hier is de grote strijd van het geloof. Op dit smalle terrein ontmoeten de vijandelijke legers elkaar.
Hier staan zij allemaal opgesteld in hun verschillende regimenten maar onder één vlag, de zwarte vlag, en onder één bevelhebber, de vorst van de hel. Ongeloof, ontrouw, schuld, twijfel en vrees. Hoogmoed, lust en hebzucht, opstandigheid, gemopper en gemelijkheid. Koude, vleselijkheid en dood. Luiheid, verstijving en vleselijk gemak. Vijandschap, vuil en duivelsheid. Duisternis, verlating en wanhoop.
Wat is de grond glibberig van het bloed! Wat een opmarsen, wat een terugtochten, wat een hoop, wat een vrees, wat een wrede wonden, wat een gruwelijke aanblikken, wat een flauwte van hart, wat een bijna zekerheid van nederlaag!
Wat, o wat kan de ziel anders doen dan opzien naar de Overste Leidsman van haar zaligheid en Zijn hulp afsmeken? Wie kan redden dan Hij, over Wie God zegt: Ik heb hulp besteld bij een held? Bevreesde ziel! Is niet deze blik, deze kreet, juist de blik, juist het gebed van het geloof? De strijd is niet de uwe maar die van de Heere. En is het niet Hij Die ook nu zo uw handen onderwijst ten strijde en uw vingers ten oorlog?
Nu wij tot dit punt zijn gebracht, zien en voelen wij onze behoefte aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. Wij smeken u dan, broeders, sta het woord van vermaning toe van iemand die inderdaad de voornaamste van de zondaren is en minder dan de minste van alle heiligen. Toch is hij iemand die ernstig uw geestelijk nut verlangt.
Onze Heere is opgestaan uit de doden en is daardoor krachtelijk bewezen te zijn de Zoon van God. (Romeinen 1:4.) En ook wij die in Zijn naam geloven en levend met Hem verenigd zijn, zijn met Hem opgestaan. Want God heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus. (Kolossenzen 3:1; Efeze 2:6.) Maar wat is ons bewijs hiervan? Hoe weten wij dat wij werkelijk met Christus zijn opgestaan? Door de mededelingen van Zijn genade, door het werk en getuigenis van Zijn Geest, door de ontdekkingen van Zijn Persoon, door het geloof dat Hem aangrijpt, door de hoop die in Hem voor anker gaat en door de liefde die naar Hem uitvloeit.
Wat anders dan een levende Christus is genoeg voor een levende ziel? Hij zegt: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven; En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. (Johannes 11:25-26.) Laten wij dus niet toeven tussen de graven. Wat zoekt gij den Levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan.
Op deze grond, de grond van de opstanding van de Heere Jezus, willen wij een paar woorden richten tot die levende zielen die met Christus zijn opgestaan en hun genegenheid zetten op de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Laat ons dan, niet in een geest van bevelen maar van broederlijke liefde en hartelijke raad, enkele woorden laten vallen die bij deze gelegenheid passend lijken.
Wij nemen aan dat uw ziel oefening heeft over de gewichtige zaken van de eeuwigheid. Wij nemen aan dat u niet tot hen behoort die stijf geworden zijn op hun droesem of gerust zijn te Sion, en nog minder dat u den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.
Voor zulken hebben wij geen boodschap, behalve een woord van ernstige waarschuwing om te bedenken in wat voor gevaarlijke positie zij staan. Maar aan hen wier zielen enigermate levend zijn voor God en bereid zijn een woord van vermaning van ons te ontvangen, willen wij in de liefde en de geest van het evangelie die raad richten die wij in ons eigen hart zouden willen opslaan tot ons eigen nut en onze eigen richting.
1. Het eerste punt waarop wij uw gedachten willen richten is de aanspraak die het woord van God heeft op onze studie en aandacht. Wij leven in een tijd van grote uiterlijke godsdienstige belijdenis en toch van brutaal en tierend ongeloof. Zo zijn wij als het ware door twee vuren omringd. Aan de ene kant staat de belijder met de Bijbel in de hand maar zonder één woord van genade of waarheid in zijn hart. Aan de andere kant staat de ongelovige met de Bijbel onder zijn voeten.
Dit zou ons niet zoveel uitmaken, of althans niet zo gevaarlijk zijn, als wij slechts als toeschouwers konden toekijken of onverschillig konden voorbijgaan, zoals wij door een menigte heen komen zonder ons te bekommeren om wat haar heeft samengebracht. Dat kunnen wij echter niet gemakkelijk doen. Want ons eigen hart is te veel als een stad zonder poorten of muren, die als het ware open ligt voor elke aanval. Er is een verraderlijke partij binnen die een verbond heeft met elke aanvaller buiten. Had de Heere niet voor Zichzelf een kleine burcht gebouwd in het hart van de stad voor Zijn eigen woning, dan waren wij al lang in de hand van onze vijanden verkocht.
Waar deze vijanden niet door openlijk geweld kunnen overwinnen, zoeken zij te overwinnen door sluwheid en list. Zo wil de vormelijkheid ons soms overhalen tevreden te zijn met de loutere letter van de waarheid, met de blote leerstukken van de genade, zonder zoveel te zoeken en te verlangen naar de kracht. Soms dringt het ongeloof erop aan zowel letter als kracht samen op te geven. Ook doen zich soms moeilijkheden en bezwaren voor die wij niet kunnen afwijzen en toch niet kunnen beantwoorden.
Redeneringen, hetzij uit ons eigen gemoed of toevallig in boeken of gesprekken ontmoet, dringen zich evenzeer aan onze gedachten op. Zij hebben de neiging ons oordeel te verwarren of ons geloof aan te vallen en omver te werpen. Zo raken wij in de war en verlegen. Wij benijden dan het eenvoudige geloof van die tedere kinderen van God die geloven met dat kinderlijke, onbezorgde vertrouwen dat wij zo in hen bewonderen en toch zelf niet kunnen bereiken.
Te midden van deze strijd van gedachten zien en voelen wij hoe het leven snel voorbijgaat. De dingen van tijd en zinnen glippen van onder onze voeten weg. De wereld is een tafereel van ijdelheid en moeite. De zonde loopt overal door de straten als water. En, helaas, wat erger is, zij loopt door ons eigen hart en bedroeft en bevlekt voortdurend ons geweten.
Hoezeer hebben wij, te midden van al deze strijd en verwarring en dit rumoer van stemmen buiten en binnen die allemaal gehoord willen worden, een sterke steun nodig waarop de ziel stevig kan leunen, en een wegwijzend licht dat voor de voeten schijnt. Niemand kan ons helpen op dit donkere pad, waar wij vaak ervaren: Wij tasten naar den wand, gelijk de blinden, en, gelijk die geen ogen hebben, tasten wij. Daarom voelen wij onze dringende behoefte aan een sterke en vriendelijke hand om ons recht te leiden en veilig door het verwarde doolhof te brengen.
Dit vinden wij, en alleen vinden wij, in het woord van God, als leven en geest gemaakt voor de ziel door Hem Die het genadig heeft ingegeven. Hoe veilig, hoe zoet is het, na zulk rusteloos heen en weer slingeren als wij hebben beschreven, te rusten in het vaste woord van belofte en toevlucht te nemen tot twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege: het woord en de eed. (Hebreeën 6:18.) Welk een schuld van dankbaarheid hebben wij aan de God van alle genade voor de gave van Zijn heilige woord, dat dit licht, deze steun en deze gids voor ons is!
En hoe tonen wij onze waardering en dankbaarheid voor deze goddelijke gave het best? Door het dicht tegen ons hart te binden, door het dagelijks te doorzoeken als naar verborgen schat, door het te bestuderen en te trachten door te dringen tot zijn innerlijkste zin en betekenis, merg en pit, geest en kracht.
Niet door er als een schooljongen doorheen te hollen voor zijn les of als een sloofster voor haar werk, en het niet te lezen met een lusteloos oog en een dwalende geest, blij genoeg om de bladzijden te sluiten en het weer op de plank te zetten. Maar door ons te voeden met de melk en de honing, het vlees en het merg en de vrolijkmakende wijn waarmee de Heere van het huis Zijn tafel heeft voorzien.
Het langste leven, het onvermoeidste onderzoek, de diepste studie van de Schriften zou ons nog altijd leerlingen laten. Hoe kunnen wij dan verwachten ze te begrijpen en door te dringen in hun heilige wijsheid? Hoe kunnen wij ons hart en geweten onder hun invloed en kracht brengen, hun schoonheid en samenhang zien en de stempel van Gods gezag erin voelen? Hoe kunnen wij in hun hemelse vorm worden gegoten en de stem van de Heere die erin tot onze binnenste ziel spreekt geloven, bewonderen en aanbidden, tenzij wij enige moeite doen om ze tot onze boezemvriend en raadsman te maken? Neem het woord van God uit onze handen en ons hart, en wij dwalen in de schaduwen van de dichtste nacht.
2. Samenhangend met deze dagelijkse studie van het woord van God moeten wij ernstig verlangen goed gevestigd te zijn in de waarheid zoals zij in Jezus is. Hoeveel mensen zijn er in een belijdenis van godsdienst die altijd leren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen. Anderen, bijna even talrijk, zijn zoals zij die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer.
Geen nieuwigheid kan zich in de godsdienstige wereld vertonen, geen vermetele nieuweling of aanmatigende ellendeling een oude ketterij onder een nieuwe naam voortbrengen, geen gemene of verdoemelijke dwaling kan op de vleugels van de wind komen aanvliegen, of er zijn er die erdoor gegrepen en erin verstrikt raken. En wie zijn soms de allereersten die haar ontvangen, aan hun borst drukken en hemel en aarde bewegen om haar te verspreiden? Het zijn soms enkele van onze oude calvinistische belijders, mannen en vrouwen die jarenlang onder het geluid van de waarheid hebben gezeten.
Dit zijn de onvaste zielen voor wie dwalende mensen op de loer liggen om hen te misleiden, en die zij graag verlokken. Vooral als zij wat van de goederen van deze wereld hebben om hun beurs te vullen of hun hoogmoed te bevredigen. Maar wat een betreurenswaardig gezicht is het om oude belijders, die pijlers van de waarheid zouden moeten zijn, heen en weer te zien schommelen onder de windstoten van de dwaling, zoals de bomen van het bos door de wind worden bewogen. Of om hen halsoverkop in het moeras van een of andere verdoemelijke leer te zien storten.
En waarom? Omdat zij nooit geworteld en gegrond waren in de waarheid door de onderwijzing en het getuigenis, het werk en de betuiging van de Heilige Geest. Hoe noodzakelijk is het dan, als wij zo’n vreselijke val willen ontlopen, goed gevestigd te zijn in de waarheid. Want deze winden van dwaling waaien vaak met grote heftigheid en uit de meest onverwachte en gevaarlijke hoeken.
Wij moeten dan altijd wijsheid drinken aan de oorsprong. Wij moeten altijd opzien naar de Heere voor Zijn bijzondere onderwijzing en alles wat wij hebben rechtstreeks van Hem te ontvangen. Van de Heere Jezus staat geschreven: Die ons geworden is wijsheid van God. (1 Korinthe 1:30.) En Hij deelt haar mee door Zijn Geest en genade. Wij zullen daarom steeds meer bevinden dat al onze wijsheid in Hem en van Hem is, en dat elke goddelijke waarheid die Hij met kracht aan de ziel bekendmaakt, van Hem getuigt en in Hem haar middelpunt heeft.
Zijn heerlijke Persoon, als Immanuël, God met ons, is het voorwerp van ons geloof. En van Hem, als de heerlijke Zon der gerechtigheid, wordt elke straal en elke lichtstraal van goddelijke waarheid in het hart verspreid. Hij verlicht het geschreven woord met de stralen van Zijn heerlijkheid. Hij is de som en de inhoud van elke leerstelling, de grond en het middelpunt van elke belofte en het leven en de kracht van elk gebod.
Zijn goddelijk Zoonschap, Zijn voleindigde werk, Zijn verzoenend bloed, Zijn rechtvaardigmakende gehoorzaamheid, Zijn dood en opstanding, Zijn hemelvaart en verheerlijking, Zijn tegenwoordige voorspraak en voorbede aan de rechterhand van de Vader, Zijn koninklijke regering, Zijn tegenwoordigheid en macht overal en Zijn wederkomst op de wolken van de hemel vormen allemaal het voedsel van het geloof. Zonder dit kwijnt en verslapt het en verliest het zijn werkzaamheid, energie en kracht.
Hoe noodzakelijk is het dus goed gevestigd te zijn in de waarheid, zodat zij ons eten en drinken is en wij dagelijks leven in het besef, zo niet in het zoete genot ervan. Maar dit zal niet onze blijvende bevinding zijn totdat diepe nood ons heeft laten voelen hoe berooid wij voor God zijn, hoe behoeftig voor mensen, hoe naakt voor onze vijanden, hoe niet in staat te leven en hoe onvoorbereid om te sterven zonder een levend belang bij en zonder een bevindelijke kennis van de waarheden van het eeuwige evangelie.
Welke duisternis is er in het gemoed wanneer het licht van de waarheid niet in het hart schijnt! Welke verwarring in de gedachten wanneer er geen helder uitzicht is, geen gelovig vatten van de genade van het evangelie. Welk ongeloof wanneer de Persoon en het werk, de liefde en het bloed, de tegenwoordigheid en kracht van de Heere Jezus uit het zicht zijn! Maar zodra de kostbare waarheden van het eeuwige evangelie dichtbij worden gebracht en wij, terwijl wij in Gods licht licht zien, ze in geloof en genegenheid omhelzen, want het geloof, door de liefde werkende, worden zij het eigenlijke voedsel van onze ziel, onze hoop, ons alles.
God heeft Zijn dierbare Zoon niet gezonden om te bloeden en te sterven voor arme verloren zondaren, opdat zij zouden spelen met Zijn bloedende, stervende liefde of met hun eigen onsterfelijke zielen. God heeft Hem niet uit de doden opgewekt en aan Zijn eigen rechterhand in de hemelse gewesten gezet opdat mensen over leerstellingen in de letter zouden speculeren en redetwisten, of ze netjes zouden ordenen tot een belijdenis om in een zakboekje rond te dragen of als een oude almanak in de consistoriekamer op te hangen.
God heeft geen apostelen en profeten gezonden om een heerlijk evangelie te verkondigen, noch heeft Hij het geopenbaard als met een lichtstraal in de Schriften van de waarheid, noch doet Hij nu Zijn eigen dienaren opstaan om het woord van het leven te prediken opdat sommigen het zouden tegenstaan, anderen het verachten en weer anderen het in ongerechtigheid ten onder houden.
De zon kweekt maden in een asbelt en trekt koorts en pest op uit het schadelijke moeras. Maar de zon is niet voor dat doel geschapen.
Zo heeft God Zijn dierbare Zoon gezonden om een uitverkoren geslacht te redden en opdat Hij een volk zou hebben in wie Hij eeuwig verheerlijkt zou worden. Er zullen maden zijn in harten als een asbelt. Er zullen verderfelijke leerstellingen zijn in kerken en gemeenten. Maar dit is het misbruik en niet het gebruik van evangelielicht. Hoe zijn wij dan door elke zoete dwang van Zijn liefde gebonden om in Zijn naam te geloven, naar Hem op te zien, op Hem en voor Hem te leven! Maar die waarheden kunnen niet worden genoten zonder een andere zegen, waarop wij nu uw aandacht willen vestigen.
3. Een geest van gebed en smeking, gegeven en onderhouden door de God van alle genade. Er is het nauwste en meest innige verband tussen elke genade in de ziel en de geest van gebed in de borst. Het leven van God in de borst van de gelovige daalt en stijgt, ebt en vloeit in precieze verhouding tot en in volkomen overeenstemming met het binnenkomen en uitgaan van de Geest van genade en smeking.
Geloof en gebed gaan hand in hand naar de troon en versterken elkaar wederzijds in hun opmars naar de genadestoel. Hoe meer ik de geest van het geloof heb, hoe meer ik de geest van het gebed heb. Het geloof houdt de zegen in het oog, het gebed pleit om haar genot. Het geloof sterkt het gebed om te vragen, het gebed stelt het geloof in staat vaster te geloven, en hun vereniging brengt de barmhartigheid in persoonlijk bezit: Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden. (Markus 11:24.)
Toen Mozes zijn handen ophief, was Israel de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste. (Exodus 17:11.) Maar omdat deze geest van geloof gemakkelijk wordt gedoofd, want zelfs Mozes, de man van God, kon zijn handen niet lang achtereen omhooghouden, zal het onze wijsheid en barmhartigheid zijn:
4. Die dingen te vermijden waarvan wij uit eerdere ervaring weten dat ze het geloof verzwakken en het gebed belemmeren.
Verstrikking in wereldse zaken, meer dan absoluut noodzakelijk is, is een van de zekerste belemmeringen voor het leven van God die op ons pad kunnen komen. Sommigen van het gezin van God zijn in hun zaken of dagelijks werk zo geplaatst dat zij noodzakelijk veel met de wereld te maken hebben. Maar dat zal noch hun verzoeking noch hun zonde zijn als zij er niet in verstrikt raken of door haar geest worden overwonnen. Jozef aan het hof van Farao en Daniël als de eerste van de drie presidenten aan wie honderdtwintig vorsten rekenschap gaven, behielden niet alleen hun wereldse positie maar ook hun goddelijke genade.
Het is dus niet het in de wereld zijn maar het van de wereld zijn waarin het gevaar ligt. Houd de wereld op een armlengte afstand en zij zal u niet schaden. Laat u haar omhelzen, dan zult u spoedig bezwijken voor haar verleidelijke invloed.
Maar wereldse belijders zijn bijna gevaarlijker dan de wereld zelf. Zes dagen kan de wereld uw lichaam opeisen, ook al verstrikt zij uw hart niet. Maar de dag van de Heere is helemaal voor de ziel. Wat dan? Moeten wij ook de dag van de Heere verliezen? Moeten wij die dag van alle dagen opofferen aan hetzelfde wereldse gezelschap en dezelfde vleselijke geest die het hart de hele week hebben doen zuchten en kermen? Zullen zij ons volgen naar het huis van gebed, ons in de kapel op en neer achtervolgen, ons in de consistorie bespoken en ons op straat beroven en plunderen?
En toch, wat zijn veel plaatsen van eredienst anders dan louter wereldse bijeenkomsten? In kleding, in houding, in de vrolijke gezichten, in het ontbreken van alle eerbied en ernst, in de lichtzinnigheid van de kansel, in de zorgeloosheid en lusteloosheid van de kerkbank, in het ijdele gesprek voor en na de dienst: welk verschil is er tussen de preek in de kapel en de lezing in het Mechanics Institute? Zelfs als zij vrij zijn van zulke gruwelen, is er op plaatsen van heldere leerstellige, bevindelijke waarheid vaak veel dat de geest bedroeft, zo niet het hart van het kind van God geheel verstrikt.
Houd u dan afgezonderd, u die het heil van uw eigen ziel op prijs stelt, van die wereldse belijders die altijd te vinden zijn waar de waarheid wordt gepredikt. U zult ze spoedig herkennen aan de wijze waarop u hen uw ziel voelt beroven en plunderen. Hebt u met enig echt gevoel gehoord, is uw hart week geworden en gesmolten onder het woord en geniet uw ziel een zoete zegen, of is zij althans plechtig gestemd en onder de indruk van het gewicht van de eeuwige dingen, dan wordt u beroofd voordat u honderd stappen hebt gedaan, als u in gesprek raakt met een van deze dieven.
Zorg dan voor uw zegen zoals u voor uw beurs zou zorgen in een Londense menigte. Wees even op uw hoede met uw gesprek als een zedige vrouw met het hare is in een spoorwegcoupé vol mannen. De dag van de Heere is van u en van de Heere. Houd die dag helemaal voor uzelf. Zijn tegenwoordigheid is het waard te hebben, Zijn zegen is het waard te koesteren, Zijn liefde is het waard te genieten. Ruil al deze uitgelezen weldaden niet in voor een beetje geklets, ook al zit uw spraakzame vriend in dezelfde bank, prijst dezelfde preek en roemt dezelfde predikant.
En bedenk dat de dag van de Heere niet eindigt met de diensten. Hoe zoet is het om naar bed te gaan met de smaak van de dag van de Heere op de geest en neer te liggen in het genot van die rust waarvan de sabbat slechts een zwak voorbeeld is! Maar wij zullen u vermoeien met ons lange en saaie advies. Veel moet daarom ongezegd blijven dat best stof had kunnen geven voor onze boodschap.
Maar wij kunnen niet besluiten zonder erbij te voegen dat wij het een gunst en een voorrecht achten dat het ons opnieuw is vergund het jaar te openen met deze vriendelijke groet aan onze vele lezers. En als wij daarbij liever in de leraarsstoel zijn gaan zitten, vergeef ons dan dit onrecht. Wij hebben u alleen zaken voorgelegd waarvan wij zelf de waarde hebben bevonden. En wij willen, als de Heere ons daartoe in staat stelt, al de raad die wij u hebben gegeven ook tot onszelf nemen.
Moge de zegen van God, die rijk maakt, op onze bladzijden rusten. Mogen de ogen van de Heere ten goede op ons zijn van het begin van het jaar tot het einde van het jaar. En omdat wij vertrouwen dat wij Zijn eer en het welzijn van Zijn volk verlangen, moge Hij ons niet weigeren wat onze lippen voortdurend vragen.
Broeders, bid voor ons.
Uw liefhebbende vriend en dienaar,
de Redacteur
Nothing, as a visible record of the lapse of time, more sensibly reminds us of the passing away of life; nothing, among the ever-changing aspects of surrounding nature, more vividly brings before our eyes the certainty of death than the close of each succeeding year. The END of the year!What a funeral knell is in the very sound! What a warning emblem of the end of life! As the year was born, so were we; as the year had its joyous spring, its glowing summer, its fruitful autumn, so had we our merry boyhood, our aspiring youth, our sober manhood. And now what lies before us? The corpse of the departed year. For several weeks we saw it gradually droop. We marked its daily decline, until its last hour struck, and in a moment it became a thing of the past. So shall we, when our appointed time comes, droop, decline, and die; our body will fall into its native earth, as the past year has sunk into its grave, and we, like it, shall go hence and be no more seen.
But besides this striking emblem of death, presented to our view by the dying year, there is something in the very season at which the year dies, which is peculiarly fitted to remind us of our own mortality. The dark and gloomy days; the rapid setting in of night; the mists and fogs which lower over the earth— the general death and decay of nature, lately so bright and fair; the frost which chills our blood, or the storm which beats against our windows; the melancholy musings which often fall upon our spirit at this season of the year, as if prompted by, and in unison with the wintry scene, all tend vividly to bring before us the solemn conviction that our life here is but a shadow, a dream, a vapor that appears for a little time, and then vanishes away. In this musing mood, which is not altogether without its chastened calm or its profitable influence, we look back through the year now forever gone, and seek perhaps to recall more vividly to our mind some of those circumstances in it which have left a deep and abiding mark on our memory.
1. Our first thoughts turn to the memory of those personal friends, or beloved relatives, whose well-known faces we shall see no more, whose familiar voices will never again sound tenderly in our ears. Have not some of you, dear readers, during the year now past, been robbed of one or more of your most cherished household treasures? Our very monthly Obituary testifies that there lines will meet the eye of many a weeping widow, of many a mourning husband, or bereaved parent. Tears are due to the memory of the departed. At the grave of Lazarus, Jesus wept. Grace does not forbid the tear, but it bids us “sorrow not, even as others who have no hope.” Would you wish the dear departed back? Would you, if you could, recall them to life? Even if there were no hope in their end, must we not still bow to the sovereignty of the almighty? “Shall not the Judge of all the earth do right?” Why, then, tear open the wound by dwelling too long or too deeply on the irrevocable past?
2. But we may have been spared these cutting strokes. Death may not have come into our home and torn away that beloved head of the family, that tender wife, that idolized child, whose absence has made the Christmas season so mournful a blank. Still the last enemy may have made an inroad into our midst, the effects of which we shall long deeply and increasingly feel. He may, as in our own peculiar case, have come into our church, and borne away members with whom we had been long united in church fellowship. They are gone, and have left us still to struggle on in the wilderness. But though we would not wish them back, for they are with Christ, which is far better, yet we miss their presence in the house of prayer and at the Lord’s table; we miss their prayers, so simple and fervent, their kind words of sympathy and affection, their friendly communion, or their forcible example.
3. Our thoughts then, perhaps, turn to those dear and highly-valued servants of God whom we knew personally or by favorable report, whom he has taken home to himself, and we wonder how their places can be supplied. We think of their widowed churches and scattered flocks, and feel what an almost irreparable loss a faithful and experienced servant of God is to his church and congregation. Dark is the cloud that hangs over Zion. Men of sterling, experimental truth, sound in the faith, godly in life, able ministers of the New Testament, are fast passing away. Some the Lord is taking home to himself, and others he is laying aside by sickness or infirmity. But look where we may, how few do we see raised up to take their places. “The righteous perishes, and no man lays it to heart.” Meanwhile error abounds and spreads; and many are deeply infected with it, who, from prudential motives, keep it at present out of sight, or disguise it under a form of sound words.
4. Nor, while in this musing mood, in harmony with the season, does busy memory forget the various incidents which have more or less strikingly marked the past year as regards our own personal experience of sorrow or joy, affliction or consolation. Mercies as well as miseries strewed the path— a hundred mercies to ten miseries, were faith allowed to make up the reckoning, and strike out unbelief’s figures. Illness may have laid us on the bed of affliction; but, were there no mercies here? Did no kind hands nurse the body? Did no kind words cheer the spirit? Were no prayers offered up on our behalf by Christian friends— no solicitude for our recovery; no desire that the affliction might be blessed to the soul? Was there no secret support given on the bed of languishing; no submission granted to the will of God; no faith drawn forth on the word of promise; no sweet hope in the Lord of life and glory; no love to his dear name? Nor was recovery denied, or the blessing of returning health and strength refused to prayer, or the willing mind rejected to give time and strength and what remained of life more unreservedly to the Lord and his people.
5. Other trials may have marked our path, such as church troubles, the heaviest of all next to those which more peculiarly touch the soul’s own immediate interests. But even these, we trust, though they severely tried the mind, will be found eventually to work for good to those who love God and desire to walk in his fear. There are few keener tests of men’s spirits than the way in which they bear themselves in those strifes and divisions from which few churches are exempt. Nowhere is more manifestly seen the difference between the spirit of wrath and the spirit of meekness, the spirit of strife and the spirit of peace, the violent, contentious, unforgiving spirit of some, and the forbearing, forgiving, and yet firm and faithful spirit of others. Thus, even by these painful things, grace is tried, the approved made manifest, and the thoughts of many hearts revealed. (1 Cor. 11:19; Luke 2:35.)
6. Nor let us forget, dear friends and brethren, amid our many rich and unspeakable mercies, that eminent favor of the maintenance of divine life in our breast. O what have we not done to quench the sacred flame? With what sacrilegious hands have we piled dust and rubbish on God’s altar! What unbelief, what infidelity, what earthliness and worldly-mindedness, what pride and covetousness, what abounding evils of every shape and name have worked in our carnal mind to bring forth fruit unto death. How these and a thousand other evils, too base to name, would have effectually damped, if not destroyed, the life of God in the soul, had it not been maintained by Him who first gave it. But how sweet the promise, how sure its fulfillment. “Because I live, you shall live also.” The various revivals, then, and renewals of the life of God in the bosom, those seasonable helps by the way, those refreshings from the presence of the Lord, those gracious visitations whereby he preserves our spirit, have been some of our choicest past year’s mercies; for where would our soul have been without them? Into what depths of carnality would it not have sunk? Under what loads of darkness and death would it not have been buried?
The sweetness and delight sometimes felt in the word of God, as the eyes of the understanding were enlightened to see, and faith was raised up to mix with the divine testimony; the life and liberty, access and power enjoyed in secret prayer; the rays and beams of divine light which sometimes shone upon the glorious truths which are the very foundation of our most holy faith; the meltings of heart felt before the throne, under a sight and sense of our cruel sins and of the Lord’s goodness and mercy; if a minister, seasons of enlargement, of boldness and faithfulness in handling the word of life; if a hearer, blessings communicated under the ministry, to make the soul revive as the corn, and grow as the vine— to have been thus, as if miraculously, kept alive in a dry and thirsty land where no water is, was not mercy here? Has 1863 passed away and left none of these mercies to be thankfully recorded? Does not the Lord say to us, “Have I been a wilderness unto Israel? a land of darkness?” (Jer. 2:31;) and must we not answer, “No, Lord; you have not been thus to us during the year now past?”
7. But is it not a mercy also to have been in any way kept from evil that it should not grieve us; to have been in any measure preserved tender, circumspect, simple and sincere; to have brought no distressing, overwhelming guilt upon our consciences by giving way to unseemly lusts; to have caused no grief to the dear children of God by open inconsistency? We are deeply conscious of many wanderings of heart, much inward backsliding from the Lord, many infirmities of the flesh, much darkness of mind, coldness of affection, and deadness of frame; but to have been kept from conscience-wasting sins is no small mercy, when we feel ourselves tempted to them on every hand.
8. To have been preserved from the abounding errors of the day, and still to hold the truth with firm and steady hand; to have walked in any measure separate from that loose, ungodly profession which so marks the present day; to have enjoyed any union and communion with the real saints of God; and to have loved and cleaved to them as the excellent of the earth— has 1863 left no such testimonies in our favor, which we wish to bear in mind, not with the boasting pride of the self-righteous Pharisee, but the thankful acknowledgment of our deep indebtedness to super-abounding grace?
But your path may have been one of deeper trial, more painful exercise, and more severe temptation, than that which we have thus sketched out. Be it so. Then if your afflictions have been greater, greater have been your consolations; if your miseries have abounded, your mercies have super-abounded. You have been further and deeper in the wilderness, but have gathered more manna; have felt more of the storm, but have seen more of the sun; have had more fellowship of the sufferings of Christ, but have known more of the power of his resurrection. Thus are we even. You who have gathered much, have nothing over; we who have gathered little, have no lack.
We have struck, then, the keynote of our Address— the Old Year and the New; for as we have taken the departed year as the emblem of death and decay, so will we now take the New Year as the emblem of life and resurrection. For as the departed year is but a shadowy emblem of death, so death itself, with all its gloomy accompaniments, is really but the shadow of a shade. Has not the Lord destroyed death and him who had the power of death, that is, the devil?” (Heb. 2:14.) Has he not “abolished death, and brought life and immortality to light through the gospel?” (2 Tim. 1:10.) If death then be “destroyed” and “abolished,” it can have no real substance; and if it has no substance, it can have no shadow. But it often casts, you will say, a very gloomy shadow over our feelings. It is true; but why? Because we are not raised out of its shadow into the light of the Lord’s countenance. That there is something naturally appalling in death, all must admit, for it is what all must feel. The very surroundings of the grave have in them something terrible to nature. The coffin, through whose lid we almost seem to see the pale corpse in its last shroud; the open grave into whose mouth we look as its dark and chilly bed— the earthy smell of the damp mold on which we stand, as if it breathed the very odor of death— the mourners in their weeping or subdued agony— the falling of the clods when all is over, the last prayer uttered, and every other sound stilled, and nothing now remains but to bury the dead out of sight— all these trappings of death, like the dark hearse and the funeral pall, speak so strongly to our natural senses, that to look through them, and beyond them, needs a special net of faith.
Apart, too, from these sights and scenes of woe, in which most of us have taken a perhaps never-to-be-forgotten part, there are internal causes why death casts at various times over the mind a chilling gloom. Unbelief, darkness of mind, guilt of conscience, the doubts and fears with which most are exercised; the natural apprehension of death, the innate love of, and clinging to life— the strong ties of flesh and blood, perhaps a young wife or little family for whom there is but slender provision; peculiar circumstances in business which need all the activity and skill of personal management, and without which wreck and ruin seem imminent— the place at present occupied in the church of Christ, with its binding claims; the desire to live a little longer for the glory of God and the good of his people— who can enumerate the thousand bonds which knit the heart to life, and produce a natural shrinking from death? But why else the need of Jesus on a dying bed? Who needs the support of everlasting arms but the sinking? Who needs the rod and the staff, but the traveler through the valley of the shadow of death? It is but reckless insensibility, or bold, presumptuous confidence, veiled under the name of strong assurance, which looks death in the face without shrinking, unless the Lord himself whispers, “It is I; be not afraid.”
But how mercifully and graciously are these very exercises of mind overruled for spiritual good, and what a profitable influence do they often produce upon the heart. To die daily is a needful part of Christian experience. To have the loins girt, and the light burning, and to be waiting for the Master’s return, is the most fitting posture of a disciple of Christ. We are especially warned to “take heed to ourselves, lest at any time our hearts be overcharged with surfeiting and drunkenness and cares of this life, and so that day come upon us unawares.” (Luke 21:34.) It will be then our wisdom and mercy “not to sleep as do others, but to watch and be sober, putting on the breastplate of faith and love, and for a helmet the hope of salvation,” in the sweet confidence that “God has not appointed us to wrath, but to obtain salvation by our Lord Jesus Christ, who died for us, that, whether we wake or sleep, we should live together with him.” (1 Thess. 5:8, 10.)
If he died for us that we should live together with him, he is “our life;” and so far as he is our life, the life which we now live in the flesh will be by the faith of the Son of God, who loved us and gave himself for us. There is no other way of dying to sin, to the world, to the things of time and sense, and of living unto God. The deepest convictions may still leave us under the power of sin— the heaviest trials stir up only rebellion and fretfulness; the most distressing temptations only toss us up and down like the locust; and the acutest griefs cause only the sorrow of the world which works death. But one believing sight of the Son of God, one discovery of the King in his beauty, one manifestation to the soul of his Person and work, grace and glory, at once lifts it up to himself; and thus, while faith is in active exercise, bears it up above the world and all its sorrows as well as joys, its carking cares as well as all its passing vanities. To have a blessed revelation of Christ to the soul, and to enjoy union and communion with the Son of God, is the one grand secret of vital godliness.
But if it be so, and to this all the saints of God set to their seal, how is this personal, experimental knowledge of Jesus, this union, this communion with him, this living faith in his Person and work, to be maintained alive in the heart? O! Here is the grand fight of faith. On this narrow ground the hostile armies meet. Here unbelief, infidelity, guilt, doubt, and fear; pride, lust, and covetousness, rebellion, murmuring, and fretfulness; coldness, carnality, and death; sloth, torpor, and fleshly ease; enmity, filth, and devilism; darkness, desertion, and despair— here are they all ranged in their different regiments, but all under one flag— the black flag; and under one commander— the prince of hell. How slippery the ground with blood! What advancings, what retreatings, what hopes, what fears, what cruel wounds, what horrid sights, what faintness of heart, what almost certainty of defeat!
What, O what can the soul do but look up to the Captain of its salvation and implore his help? Who can save but He upon whom help has been laid, as one that is mighty? Timid soul! Is not this look, this cry, the very look, the very prayer of faith? The battle is not yours, but the Lord’s— and is not he even now thus teaching your hands to war and your fingers to fight?
Now, as we are brought to this point, we see and feel our need of “the whole armor of God, that we may be able to withstand in the evil day, and having done all to stand.” We beseech you, then, brethren, allow the word of exhortation from one who is indeed the chief of sinners, and less than the least of all saints; and yet one who earnestly desires your spiritual profit.
Our Lord is risen from the dead, and was thereby declared to be the Son of God with power. (Rom. 1:4.) And we, too, who believe in his name and have vital union with him, are risen with him; for God “has raised us up together, and made us sit together in heavenly places in Christ Jesus.” (Col. 3:1; Eph. 2:6.) But what is our evidence of this? How do we know we are indeed risen with Christ? By the communications of his grace; by the work and witness of his Spirit; by the discoveries of his Person; by the faith which lays hold of him; by the hope which anchors in him; and by the love which flows out towards him. What but a living Christ will do for a living soul? He is “the resurrection and the life;” so that “he that believes in him, though he were dead, yet shall he live; and whoever lives and believes in him shall never die.” (John 11:25, 26.) Let us not, then, tarry among the tombs. Why seek we the living among the dead? He is not here; he has risen.
On this ground, then— the ground of the resurrection of the Lord Jesus, would we address a few words to those living souls who are risen with Christ, and are setting their affections on things above, where Christ sits on the right hand of God. Let us, then, not in a spirit of dictation, but of brotherly love and affectionate counsel, drop a few words that may seem suitable to the present occasion. We assume that your soul is exercised on the weighty matters of eternity, that you are not settled on your lees or are at ease in Zion, still less have a name to live and are dead. To such we have no message, except it be a word of solemn warning, to consider in what a perilous position they stand. But to those whose souls are in any measure alive unto God, and who are willing to receive a word of exhortation from us, we would, in the love and spirit of the gospel, address such counsel as we would desire to lay up in our own heart for our own profit and direction.
1. The first point to which we would direct your thoughts is— the claim that the word of God has upon our study and attention. We live in a day of great outward religious profession, and yet of bold and rampant infidelity. Thus we are surrounded as if by two fires. On one side is the professor with the Bible in his hand, but with no one word of grace or truth in his heart; on the other stands the infidel with the Bible under his feet. But this would not so much matter to us, or at least would not be so dangerous, if we could merely look on as spectators, or pass indifferently by them, as we get through a crowd without troubling ourselves about what has collected it together. This, however, we cannot easily do; for our own heart is too much like a city without gates or walls, lying as it were open to every attack; and there is a traitorous party within, who are at league with every assailant without; so that had not the Lord built for himself a little citadel in the very center of the city for his own habitation, we would long ago have been sold into the hand of our enemies.
Where, too, these foes cannot prevail by open violence, they seek to overcome by subtlety and craft. Thus sometimes formality would persuade us to be satisfied with the mere letter of truth, with the bare doctrines of grace, without so much seeking and longing after the power; sometimes infidelity would urge us to give up both letter and power together. Difficulties also and objections sometimes present themselves which we cannot dismiss, and yet cannot answer. Reasonings, either from our own mind or accidentally met with in books or conversation, similarly force themselves upon our thoughts, the tendency of which is either to confuse our judgment, or assault and overthrow our faith. Thus we get puzzled and perplexed, envying the simple faith of those tender-hearted children of God who believe with all that childlike, confiding trust, which we so admire in them, yet cannot attain to ourselves.
Amid all this conflict of thought we see and feel how life is fast passing away; the things of time and sense slipping from under our feet— the world a scene of vanity and trouble; sin everywhere running down the streets like water; and, alas! what is worse, running through our own heart, ever grieving and defiling our conscience. How deeply, amid all this conflict and confusion, this hubbub of voices without and within all clamoring to be heard, we need a strong prop on which the soul may firmly lean, a directing light to shine before the feet— and as none can give us any help in this dark path, where “we often grope for the wall, like the blind, and grope as if we had no eyes,” we feel our urgent need of some strong and friendly hand to guide us right and bring us safely through the tangled maze.
This we find, and find only in the word of God, as made life and spirit to the soul by Him who graciously inspired it. How safe, how sweet it is, after such restless tossings to and fro as we have described, to rest in the sure word of promise, and to take refuge in the two immutable things— the word and the oath, in which it was impossible for God to lie. (Heb. 6:18.) What a debt of gratitude, then, do we owe to the God of all grace for the gift of his holy word, to be to us this light, this prop, this guide. And how do we best show our appreciation of, our gratitude, for this divine gift? By binding it close to our heart— by searching it daily, as for hidden treasure— by studying it, and seeking to penetrate into its inmost mind and meaning, pith and marrow, spirit and power— not scuffling over it as a schoolboy over his task, or some drudge over her work— not reading it with a listless eye and wandering mind, glad enough to close its pages, and put it back on the shelf— but feeding upon the milk and honey, the meat and marrow, and sipping the cheering wine with which the Lord of the house has furnished his table.
The longest life, the most unwearied search, the deepest study of the Scriptures would leave us but learners still. How, then, can we expect to understand them, penetrate into their holy wisdom, have our heart and conscience brought under their influence and power, see their beauty and connection, feel the impress of God’s authority in them, be cast into their heavenly mold, and believe, admire, and adore the voice of the Lord speaking in them to our inmost soul, unless we take some pains to make them our bosom friend and counselor? Take the word of God out of our hands and heart, and we wander in shadows of thickest night.
2. Connected with this daily study of the word of God, we should earnestly desire to be well established in the truth as it is in Jesus.How many in a profession of religion are “ever learning, and never able to come to a knowledge of the truth;” while others, scarcely less numerous, are “tossed to and fro and carried about with every wind of doctrine.” Not a novelty can show its face in the religious world— not a daring novice or presumptuous wretch put forth an old heresy under a new name— not a vile or damnable error can come flying abroad on the wings of the wind, but some are caught by and entangled with it. And who are sometimes the very first to entertain it, hug it to their breast, and move earth and hell to spread it? Why, some of our old Calvinistic professors, men and women who have sat under the sound of truth for years. These are “the unstable souls” whom erroneous men “lie in wait to deceive,” and whom they love to beguile; especially if they have a little of this world’s goods to fill their purse or gratify their pride. But what a lamentable sight it is to see old professors, who ought to be pillars of truth, rocking to and fro under the gusts of error, as the trees of the woods are moved with the wind; or hurled headlong into the very slough of some damnable doctrine.
And why? Because they were never rooted and grounded in the truth by the teaching and testimony, work and witness of the Holy Spirit. How needful, then, if we would escape such a dreadful downfall, it is to be well established in the truth— for these winds of error often blow with great violence, and from most unexpected and dangerous quarters. We need, then, ever to be drinking wisdom at the fountain-head; to be ever looking unto the Lord for his special teaching, and to get all that we have immediately from him.
The Lord Jesus is made unto us the wisdom of God, (1 Cor. 1:30,) and he communicates it by his Spirit and grace. We shall find, therefore, more and more that all our wisdom is in him and from him; and that every divine truth which he makes known with power to the soul testifies of him, and centers in him. His glorious Person, as Immanuel, God with us, is the object of our faith; and from him, as the glorious Sun of righteousness, every ray and beam of divine truth is shed abroad in the heart. He illuminates the written word with the beams of his glory; he is the sum and substance of every doctrine, the ground and center of every promise, and the life and power of every precept. His divine Sonship, his finished work, his atoning blood, his justifying obedience, his death and resurrection, his ascension and glorification, his present advocacy and intercession at the right hand of the Father, his royal government, his universal presence and power, and his second coming in the clouds of heaven, all form the food of faith, without which it droops and languishes, and loses its activity, energy, and power. How needful, then, to be well established in the truth, that it may be our food and drink, and we be daily living in the realization, if not the sweet enjoyment of it.
But this will not be our abiding experience until deep necessity has made us feel how destitute before God, how needy before man, how naked before our enemies, how unable to live, how unprepared to die we are without a vital interest in, without an experimental knowledge of the truths of the everlasting gospel. What darkness there is in the mind, when the light of truth does not shine into the heart! What confusion in the thoughts when there is no clear view, no believing apprehension of the grace of the gospel; what unbelief when the Person and work, love and blood, presence and power of the Lord Jesus are out of sight! But as the precious truths of the everlasting gospel are brought near, and we, seeing light in God’s light, embrace them in faith and affection, for faith works by love, they become the very food of our soul, our hope, our all. God did not send his dear Son to bleed and die for poor lost sinners that they should trifle with his bleeding, dying love, nor with their own immortal souls. God did not raise him from the dead, and set him at his own right hand in heavenly places, that men should speculate and argue about doctrines in the letter, or neatly arrange them into a creed to be carried about in a pocket-book, or be hung up in the vestry like an old almanac. God did not send apostles and prophets to proclaim a glorious gospel, nor did he reveal it as with a ray of light in the Scriptures of truth, nor does he now raise up his own servants to preach the word of life, that some should oppose it, others despise it, and others hold it in unrighteousness.
The sun breeds maggots in an ash-heap, and draws up fever and pestilence from the noxious marsh; but the sun was not created for that purpose. So God sent his dear Son to save a chosen race, and that he might have a people in whom he should be eternally glorified. There will be maggots in ash-heap hearts, there will be pestilent doctrines in churches and congregations; but this is the abuse, not the use of gospel light. How bound then we are by every sweet constraint of his love to believe in his name, to look unto him, to live on him and unto him! But they cannot be enjoyed without another blessing, to which we would next call your attention.
3. A spirit of prayer and supplication given and maintained by the God of all grace. There is the closest and most intimate connection between every grace in the soul and the spirit of prayer in the breast. Indeed, the life of God in the believer’s bosom sinks and rises, ebbs and flows in exact proportion to, in thorough unison with the incoming and outgoing of the Spirit of grace and supplication. Faith and prayer go hand in hand to the throne, mutually strengthening each other in their advance to the mercy seat. The more I have of the spirit of faith, the more I have of the spirit of prayer. Faith eyes the blessing, prayer pleads for its enjoyment; faith strengthens prayer to ask; prayer enables faith more firmly to believe; and their union brings the mercy into personal possession— “What things soever you desire, when you pray, believe that you receive them, and you shall have them.” (Mark 11:24.) When Moses held up his hands, Israel prevailed; when Moses let down his hands, Amalek prevailed. (Exod. 17:11.)
But as this spirit of faith is easily damped, for even Moses, the man of God, could not hold up his hands long at a time, it will be our wisdom and mercy,
4. To avoid these things, which we know, from past experience, weaken faith and hinder prayer.
Entanglement in worldly matters, beyond what is absolutely necessary, is one of the surest hindrances to the life of God which can come across our path. Some of the family of God are so circumstanced in business or in their daily employment that they must necessarily have much to do with the world. But this will be neither their temptation nor their sin if they are not entangled in, nor overcome by its spirit. Joseph in the court of Pharaoh, Daniel as the first of the three presidents to whom a hundred and twenty princes gave their accounts, maintained not only their worldly position, but their divine grace. It is not then being in the world, but of the world in which the danger lies. Keep the world at arms’ length, and it will not hurt you; allow it to embrace you, and you will soon yield to its seductive influence.
But, worldly professors are almost more dangerous than the world itself. Six days the world may claim your body, even though it may not entangle your heart. But the Lord’s day is all for the soul. What then? Must we lose the Lord’s day too? Must we sacrifice that day of days to the same worldly company and carnal spirit which have made the heart sigh and groan all through the week? Shall they follow us into the house of prayer, dodge us up and down in the chapel, haunt us in the vestry, and rob and plunder us in the very street? And yet, what are many places of worship but mere worldly assemblies? In dress, in deportment, in the merry faces, in the absence of all reverence and solemnity, in the levity of the pulpit, in the carelessness and listlessness of the pew, in the vain conversation before and after service, what difference is there between the sermon in the chapel and the lecture in the Mechanics Institute? Even when separate from such abominations, in places of clear doctrinal, experimental truth, there is often much to grieve the spirit, if not altogether to entangle the heart of the child of God.
Keep separate, then, you who value your own souls’ good, from those worldly professors who are ever to be found where truth is preached. You will soon discover them by the way in which they will be felt to rob and plunder your soul. If you have heard with a little real feeling, and if your heart is softened and melted under the word, and your soul is in the sweet enjoyment of a blessing, or at least solemnized and impressed with the weight of eternal things, you will be robbed before you have gone a hundred steps, if you drop into conversation with one of these thieves.
Take then as much care of your blessing as you would of your purse in a London crowd— be as wary of your discourse as a modest female is of hers in a railway-carriage full of men. The Lord’s day is yours and the Lord’s; have it and keep it all to yourselves. His presence is worth having, his blessing worth cherishing, his love worth enjoying. Don’t barter all these choice mercies away for a little chit-chat, even though your chatty friend sits in the same pew, praises the same sermon, and extols the same minister. And remember that the Lord’s day does not end with the services. How sweet to go to bed with the savor of the day of the Lord on the spirit, and to lie down in the enjoyment of that rest of which the Sabbath is but a feeble type!
But we shall weary you with our long and prosy advice. Much, therefore, must be left unsaid which might well afford subject for our Address. But we cannot close without adding that we esteem it a favor and a privilege that we are again allowed to open the year with this friendly greeting to our numerous readers; and if we have, in so doing, rather seated ourselves in the teacher’s chair, forgive us this wrong. We have only laid before you such things as we have ourselves proved the value of; and we desire to take to ourselves, if the Lord would enable, all the advice which we have given to you. May the blessing of God, which makes rich, rest on our pages; may the eyes of the Lord be upon us for good from the beginning of the year to the end of the year; and as we trust we desire his glory and his people’s good, may he not deny us the continual request of our lips.
Brethren, pray for us.
Your affectionate Friend and Servant,
The Editor