2 de enero
Richt u merktekenen op, stelt u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op de weg, die gij gewandeld hebt.
Jeremia 31:21
Op de weg die achter ons ligt, ligt vaak een gezegende bemoediging voor de toekomst. Als wij reizigers zijn op de weg naar Sion, zullen wij ook onze verschillende merktekens hebben. Een zichtbare roeping, een zichtbare verlossing, of een genadige openbaring van Christus. Hier weer een ontvangen belofte en daar een antwoord op het gebed, of een bijzondere zegen onder de prediking van het Woord. Een vriendelijke verzekering van ons deel in het bloed van het Lam. Een doorbraak van goddelijk licht, wanneer wij in grote duisternis wandelen. Een lieflijk teugje troost in een tijd van zorgen en benauwdheid. Het tot rust komen van de winden en golven binnen en buiten ons, door de woorden: „Ik ben het, vreest niet.” Het is een zegen om zulke tekens te kunnen oprichten, want het is een bewijs dat we op de goede weg zijn.
En al kunnen velen die God waarlijk vrezen zulke zichtbare tekens niet oprichten, toch zijn zij niet zonder, en hun getuigenis is even zeker en daarom niet minder toereikend. De godsvrucht in een zuiver geweten, de Geest van genade en gebed in hun harten, hun verbondenheid met het volk van God in een hartelijke genegenheid. Hun liefde tot de Waarheid in haar zuiverheid en kracht, hun ernstig verlangen, hun groeiende hoop, hun bange vrees, hun eerlijkheid en eenvoud, die hen jaloers maken op zichzelf, omdat ze bang zijn zichzelf te bedriegen of te misleiden. Hun afscheiding van de wereld, hun nederigheid, hun zachtmoedigheid, hun stilheid en hun algemene bezorgdheid, die vaak krachtigere uitdrukkingen en hogere eisen beschamen. Deze en soortgelijke bewijzen kenmerken velen als kinderen van God, terwijl zij hun aanspraak op dat voorrecht en die zegen niet helder kenbaar maken.
Maar of de merktekens nu groot of klein zijn, of zij nu schitteren in het zonlicht of verdonkerd zijn in de schemering, de jonkvrouw van Israël wordt altijd opgeroepen „om zich op te richten” en haar hart te richten op de weg die zij gegaan is.
Gedenk aan ’t woord, gesproken tot Uw knecht,
Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven;
Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd,
Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;
Al ’t geen Uw mond aan mij had toegezegd,
Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.
Ps. 119:25
Aan de lezer…
Vermoeide pelgrim, wanneer u omziet op de weg die achter u ligt, wat vindt u daar? Misschien geen grote en schitterende merktekens: geen helder uur van verlossing, geen woord dat als een bliksem in uw ziel sloeg. En nu vreest u dat u buiten staat. Maar zie dan eens eerlijk naar wat de Heere wél in u gewrocht heeft: een teder geweten, een zucht om genade, een hartelijke liefde tot Zijn volk, een bange vrees om uzelf te bedriegen. Zulke stille tekenen worden niet in een dood hart gevonden.
Het zijn kleine pilaren, soms in de schemering, maar zij staan langs de weg naar Sion. Richt ze dan op, niet om op uzelf te roemen, maar om Hem te gedenken Die ze daar gezet heeft. Hij, Die eens tot de bevreesde discipelen zei: „Ik ben het, vreest niet”, spreekt nog tot de bestreden ziel. Zet uw hart op de weg die u gegaan bent, en u zult merken dat het bloed van het Lam u daar al die tijd voorging.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Richt u merktekenen op, stelt u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op de weg, die gij gewandeld hebt.
Jeremia 31:21
Op de weg die achter ons ligt, ligt vaak een gezegende bemoediging voor de toekomst. Als wij reizigers zijn op de weg naar Sion, zullen wij ook onze eigen merktekens hebben. Dat kan een duidelijke roeping zijn, een duidelijke verlossing of een genadige openbaring van Christus. Hier is het een belofte die wij ontvingen, daar een antwoord op het gebed, of een bijzondere zegen onder de prediking van het Woord. Het kan een vriendelijke verzekering zijn dat wij deel hebben aan het bloed van het Lam, of een doorbraak van goddelijk licht wanneer wij in grote duisternis wandelen. Soms is het een lieflijke teug troost in een tijd van zorg en benauwdheid, of het tot rust komen van de winden en golven binnen en buiten ons door de woorden: „Ik ben het, vreest niet.” Het is een zegen om zulke tekens te kunnen oprichten, want het is een bewijs dat we op de goede weg zijn.
Velen die God waarlijk vrezen, kunnen zulke duidelijke tekens niet oprichten. Toch zijn zij er niet zonder, en hun getuigenis is even zeker en daarom niet minder toereikend. Denk aan de godsvrucht in een zuiver geweten, de Geest van genade en gebed in hun harten, en hun hartelijke genegenheid voor het volk van God. Denk aan hun liefde tot de Waarheid in haar zuiverheid en kracht, hun ernstig verlangen, hun groeiende hoop en hun bange vrees. Denk aan hun eerlijkheid en eenvoud, die hen waakzaam maken over zichzelf, omdat ze bang zijn zichzelf te bedriegen of te misleiden. Denk aan hun afscheiding van de wereld, hun nederigheid, hun zachtmoedigheid, hun stilheid en hun algemene bezorgdheid, die vaak krachtigere uitspraken en hogere aanspraken beschamen. Deze en soortgelijke bewijzen tekenen velen als kinderen van God, ook al kunnen zij hun aanspraak op dat voorrecht en die zegen niet helder onder woorden brengen.
Maar of de merktekens nu groot of klein zijn, of zij schitteren in het zonlicht of verduisterd zijn in de schemering, de jonkvrouw van Israël wordt altijd opgeroepen „om zich op te richten” en haar hart te zetten op de weg die zij gegaan is.
Gedenk aan ’t woord, gesproken tot Uw knecht,
Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven;
Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd,
Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;
Al ’t geen Uw mond aan mij had toegezegd,
Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.
Ps. 119:25
Aan de lezer…
Vermoeide pelgrim, wanneer u terugkijkt op de weg die achter u ligt, wat vindt u daar? Misschien geen grote en schitterende merktekens: geen helder uur van verlossing, geen woord dat als een bliksem in uw ziel sloeg. En nu vreest u dat u erbuiten staat. Maar kijk dan eens eerlijk naar wat de Heere wél in u gewerkt heeft: een teder geweten, een zucht om genade, een hartelijke liefde tot Zijn volk, een bange vrees om uzelf te bedriegen. Zulke stille tekenen worden niet in een dood hart gevonden.
Het zijn kleine pilaren, soms in de schemering, maar zij staan langs de weg naar Sion. Richt ze dan op, niet om op uzelf te roemen, maar om Hem te gedenken Die ze daar gezet heeft. Hij Die eens tot de bevreesde discipelen zei: „Ik ben het, vreest niet”, spreekt nog steeds tot de bestreden ziel. Zet uw hart op de weg die u gegaan bent, en u zult merken dat het bloed van het Lam u daar al die tijd voorging.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Set thee up waymarks, make thee high heaps: set thine heart toward the highway, even the way which thou wentest: turn again, O virgin of Israel, turn again to these thy cities.
Jeremiah 31:21
To look at the past is often a blessed encouragement for the future. If we are travelers in the way Zionward, we shall have our various waymarks. A conspicuous call, or a signal deliverance, or a gracious manifestation of Christ; a promise applied here, or a marked answer to prayer there; a special blessing under the preached Word; a soft and unexpected assurance of an interest in the blood of the Lamb; a breaking in of divine light when walking in great darkness; a sweet sip of consolation in a season of sorrow and trouble; a calming down of the winds and waves without and within by, “It is I, be not afraid”—such and similar waymarks it is most blessed to be able to set up as evidences that we are in the road.
And if many who really fear God cannot set up these conspicuous waymarks, yet they are not without their testimonies equally sure, if not equally satisfying. The fear of God in a tender conscience, the spirit of grace and of supplications in their breast, their cleaving to the people of God in warm affection, their love for the truth in its purity and power, their earnest desires, their budding hopes, their anxious fears, their honesty and simplicity making them jealous over themselves lest they be deceived or deluded, their separation from the world, their humility, meekness, quietness, and general consistency often putting to shame louder profession and higher pretensions—these and similar evidences mark many as children of God who cannot read their title clear to such a privilege and such a blessing.
But whether the waymarks be high or low, shining in the sun or obscure in the dawn, the virgin of Israel is still bidden to “set them up,” and to “set also her heart toward the highway, even the way by which she came.”
To the reader…
Weary pilgrim, when you look back on the road behind you, what do you find there? Perhaps no great and shining waymarks: no bright hour of deliverance, no word that struck your soul like lightning. And now you fear that you stand outside. But look honestly at what the Lord has indeed wrought in you: a tender conscience, a longing for grace, a warm love for His people, an anxious fear of deceiving yourself. Such quiet tokens are not found in a dead heart.
They are small pillars, sometimes in the half-light, but they stand along the road to Zion. Set them up, then, not to boast in yourself, but to remember Him Who placed them there. He Who once said to His frightened disciples, “It is I; be not afraid,” still speaks to the tried and troubled soul. Set your heart toward the way by which you came, and you will find that the blood of the Lamb went before you there all along.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Establécete señales, ponte majanos altos; nota atentamente la calzada, el camino por donde viniste: vuélvete, virgen de Israel, vuélvete a estas tus ciudades.
Jeremías 31:21
Mirar al pasado es muchas veces un bendito aliento para el futuro. Si somos viajeros en el camino hacia Sion, tendremos nuestras diversas señales. Un llamamiento notable, o una liberación señalada, o una manifestación misericordiosa de Cristo; una promesa aplicada aquí, o una respuesta clara a la oración allá; una bendición especial bajo la Palabra predicada; una seguridad suave e inesperada de tener parte en la sangre del Cordero; una irrupción de luz divina cuando se andaba en gran oscuridad; un dulce sorbo de consuelo en un tiempo de dolor y angustia; un calmarse de los vientos y las olas, por fuera y por dentro, mediante aquel “Yo soy, no temáis”: es sumamente bendito poder levantar tales señales, y otras semejantes, como evidencias de que estamos en el camino.
Y si muchos que de veras temen a Dios no pueden levantar estas señales llamativas, no por eso carecen de testimonios igualmente seguros, aunque no igualmente satisfactorios. El temor de Dios en una conciencia tierna, el espíritu de gracia y de oración en su pecho, su apego al pueblo de Dios con cálido afecto, su amor por la verdad en su pureza y poder, sus anhelos fervientes, sus esperanzas incipientes, sus temores inquietos, su honradez y sencillez que los hacen celosos de sí mismos no sea que estén engañados o ilusionados, su separación del mundo, su humildad, mansedumbre, quietud y coherencia general, que muchas veces avergüenzan a profesiones más ruidosas y pretensiones más altas: estas y otras evidencias semejantes señalan como hijos de Dios a muchos que no pueden leer con claridad su derecho a tal privilegio y a tal bendición.
Pero sean las señales altas o bajas, brillen al sol u oscuras en el alba, a la virgen de Israel se le manda todavía que “las establezca”, y que “note atentamente la calzada, el camino por donde vino”.
Al lector…
Peregrino cansado, cuando mira atrás al camino recorrido, ¿qué encuentra allí? Quizá ninguna señal grande y brillante: ninguna hora luminosa de liberación, ninguna palabra que hiriera su alma como un relámpago. Y ahora teme estar fuera. Pero mire con sinceridad lo que el Señor ha obrado de veras en usted: una conciencia tierna, un anhelo de gracia, un cálido amor por Su pueblo, un temor inquieto de engañarse a sí mismo. Tales señales calladas no se hallan en un corazón muerto.
Son pequeños pilares, a veces en la penumbra, pero están a lo largo del camino a Sion. Establézcalos, pues, no para gloriarse en sí mismo, sino para recordar a Aquel que los puso allí. Él, que una vez dijo a Sus discípulos asustados: “Yo soy, no temáis”, habla todavía al alma probada y afligida. Ponga su corazón hacia el camino por donde vino, y hallará que la sangre del Cordero le precedió allí todo el tiempo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl