Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Meer parels van Philpot — Neerkijken in een vuile put: het verdorven hart en de strijd van de christen (deel 1 van 2)

Philpot laat zien hoe diep het verdorven hart reikt en hoe de christen vreemdeling is in de wereld. Hij beschrijft de strijd tegen zonde en zelf en wijst op de genade die redt.

Soms zijn wij zo verbaasd … over wat wij zijn, over wat wij geweest zijn of waartoe wij in staat zijn.

Wij staan soms stil om naar ons hart te kijken en zien dan wat daar kookt en borrelt en bruist! Wij kijken ernaar met verontwaardigde verbazing, zoals wij zouden kijken in een poel van vuile zwarte modder die krioelt en leeft van allerlei afschuwelijke wezens!

Zo is het ook wanneer een mens zijn eigen hart bekijkt … de vreselijke huichelarij, de gemene opstandigheid, de beangstigende bedrieglijkheid en de wanhopige boosheid ervan, en waartoe zijn hart in staat is aan plannen smeden en aan kwaad bedenken en verzinnen. Dan is het alsof hij neerkeek in een vuile put. Met verbazing vermengd met zelfverafschuw ziet hij wat zijn hart is: de bron van alle ongerechtigheid.

Een mens moet enige kennis van zijn eigen hart hebben om zulke taal te begrijpen.

U die zo buitengewoon “vroom” bent en zo “bijzonder goed” en bij wie de sluier nooit van het hart is weggenomen om u te tonen wat u bent, denkt misschien dat ik een karikatuur teken van de menselijke natuur en haar afschilder als de schuilplaats van dieven en hoeren.

Kon de sluier maar van uw hart worden weggenomen! Dan zou u zien dat u in staat was tot al die goddeloosheid die anderen hebben bedreven of kunnen bedrijven!

Door dit zicht op onszelf leren wij wat een wonderlijke God wij te maken hebben. Niemand waardeert de genade van God zo zeer als zij die het diepst worden geleid in de kennis van de val en van de verwoesting en het verderf en de schuld en ellende die zij in ons eigen hart heeft gebracht.

Het grootste stuk van de zoetgesuikerde taart

en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. (Hebreeën 11:13)

Velen belijden dat zij vreemdelingen en pelgrims zijn hier beneden. Maar zij zorgen ervoor zoveel van de gemakken van deze wereld te hebben als zij maar bij elkaar kunnen schrapen met alle mogelijke middelen.

Zij praten over “vreemdelingen” en kunnen toch innig bevriend zijn met mensen van de wereld. En als u hen zag op de beurs, op de markt, achter de toonbank of thuis met hun gezin, dan zou u niet één kenmerk vinden waarmee zij zich van de goddelozen onderscheiden!

Toch komen zij naar de kapel. En als zij gevraagd worden te bidden, vertellen zij de mensen dat zij “arme vreemdelingen en pelgrims in een dal van tranen” zijn. Maar al die tijd is hun hart in de wereld. Hun ogen puilen uit van vet en zij zijn zo luchtig en oppervlakkig als een toneelkomiek. Zij hebben geen andere zorg dan het grootste stuk van de zoetgesuikerde taart te krijgen die de wereld hun voorzet!

Niet de “louter lippenbelijdenis” maakt iemand tot een vreemdeling en pelgrim maar de “genade in het hart”.

Gods volk zijn vreemdelingen en bijwoners. De wereld is hun thuis niet en zij kunnen er geen behagen in scheppen. De zonde is vaak een last voor hen. De schuld ligt vaak als een zwaar gewicht op hun consciëntie. Duizend moeiten kwellen hun gemoed en duizend verlegenheden drukken hun ziel. Zij kunnen hun gedachten niet begraven in zaken en al hun geluk putten uit hun successen. Want zij voelen dat deze aarde hun thuis niet is. Zij zijn vaak neergeslagen en worstelen omdat zij met zo’n goddeloos hart in zo’n goddeloze wereld moeten leven.

en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. (Hebreeën 11:13)

De dingen die mensen verachten

want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God. (Lukas 16:15)

De hoogmoed, de eerzucht, de genoegens en de vermaken waarin wij duizenden en tienduizenden zien opgaan, terwijl zij de stroom af varen naar een vreselijke afgrond van de eeuwigheid, zijn allemaal een gruwel in de ogen van God!

Maar de dingen die mensen verachten, zoals … geloof, hoop en liefde, nederigheid en een gebroken hart, een tere consciëntie en een verslagen geest, droefheid over de zonde en zelfverachting, zelfvernedering en opzien tot Jezus, het kruis opnemen en zichzelf verloochenen, en wandelen op het smalle pad dat leidt tot het eeuwige leven: dit alles wordt door allen veracht. En door niemand zo sterk als door louter verstandelijke godsdienstige belijders die de naam hebben dat zij leven terwijl zij dood zijn.

want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God. (Lukas 16:15)

Kunnen zij dit monster terugdrijven naar zijn vuile hol?

Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn (Psalm 119:117)

Het volk van de Heere is een verzocht volk. De satan staat voortdurend aan hun poort te wachten. Hij fluistert hun voortdurend alle hatelijke en onbetamelijke gedachten in. Hij stookt onophoudelijk de opstand en de vijandschap van hun vleselijke gezindheid aan en kwelt, tergt en belegert hen op duizend manieren!

Kunnen zij hem terugdrijven?

Kunnen zij dit monster terugdrijven naar zijn vuile hol?

Kunnen zij deze leviatan terugdrijven? Dat kunnen zij niet. Zij voelen dat zij het niet kunnen. Zij weten dat niets dan de stem van Jezus, die innerlijk met kracht tot hun ziel spreekt, de leeuw van de bodemloze put kan terugdrijven! Eén gefluister, één zacht woord van de lippen van Zijn genadige Majesteit kan en zal elke verzoeking op de vlucht jagen!

vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland (Jesaja 43:1-3)

Wanneer de wereld komt in de gedaante van een vriend

hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen. (Johannes 16:33)

Laat dit niet zien dat de wereld een vijand is van de Heere en van het volk van de Heere? En nooit is zij zozeer een vijand en nooit is zij zozeer te vrezen als wanneer zij komt in de gedaante van een vriend. Wanneer zij … zich in uw hart sluipt, uw gedachten in beslag neemt, uw genegenheden wint en uw gemoed van God afleidt, dan is zij te vrezen.

Wanneer de wereld ons als vijand slaat, zijn haar slagen niet te vrezen. Wanneer zij ons als vriend toelacht, is zij het meest te vrezen.

Als onze ogen haar beginnen in te drinken, onze oren naar haar stem gaan luisteren, onze harten verstrikt raken in haar bekoringen, onze gemoederen zich vullen met haar zorgen en onze genegenheden zich van de Heere afkeren en zich hechten aan de dingen van de tijd en van de zintuigen, dan is de wereld te vrezen.

Kanaänitische afgoden en heidense gruwelen

hun altaren zult gij afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden. (Deuteronomium 7:5)

Ons hart is van nature vol Kanaänitische afgoden en heidense gruwelen die verwoest moeten worden!

Er zijn begeerten naar het kwade, overspelige voorstellingen, afgodische verlangens en sterk hunkeren naar de zonde. Daarbij komt het kwaad dat de brutaliteit heeft een godsdienstig kleed te dragen, zoals … hoogdravende gedachten over ons eigen vermogen, behaaglijke dromen van heiligheid van schepselen en opzwellingen van hoogmoed. Alles opgetuigd en beschilderd in alle opzichtige kleuren van satanisch bedrog. Hoe kunnen deze gruwelen toch worden toegelaten om te woekeren in het menselijk hart?

De altaren en de godsdienstige gebruiken van de Kanaänieten moesten even zeker verwoest worden als hun afgoden! Zo kunnen wij zeggen van dat zeer godsdienstige wezen, de mens, dat zijn valse eredienst en zijn heidense denkbeelden over God verwoest moeten worden, evenals zijn grovere maar niet gevaarlijker begeerten en gruwelen.

Het vonnis over beide luidt: “Verdoe ze!” Zij mogen niet naast Immanuël blijven staan. Hij moet in alle dingen de voorrang hebben en Hij is de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste.

En o, wat een genade is het dat zowel onze VLEESELIJKE als onze GODSDIENSTIGE gruwelen worden verwoest! Want ik weet zeker dat God en het zelf nooit in hetzelfde hart kunnen heersen. Christus en de duivel kunnen nooit in dezelfde boezem regeren en elk de oppermacht opeisen!

Deze innerlijke strijd

Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. (Romeinen 7:18)

Dit nu is wat het volk van de Heere zo’n beladen volk maakt. Het maakt hen in hun ziel zo bedrukt dat zij dagelijks en soms ieder uur tegen zichzelf uitroepen dat zij zijn wat zij zijn. Zij willen geestelijk zijn maar zijn vleselijk. Zij willen heilig zijn maar zijn onheilig. Zij willen zoete gemeenschap met Jezus hebben maar hebben zo’n zinnelijke band met de dingen van de tijd en van de zintuigen. Zij willen christenen zijn in woord, gedachte en daad. Maar ondanks alles voelen zij hoe hun vleselijke gezindheid en hun ellendige verdorvenheid zich door elkaar vlechten en strengelen en naar buiten stromen. Met hun onreine stroom besmetten zij alles buiten hen en in hen. Daarom moeten zij zuchten en kreunen en beladen uitroepen: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:24)

Hij zou in deze strikken niet verstrikt willen zijn voor tienduizend werelden. Hij haat het kwaad van zijn hart en treurt over de verdorvenheden van zijn natuur. Zij doen de tranen uit zijn ogen vallen en het snikken uit zijn borst opstijgen. Zij maken hem tot een ellendig mens en vervullen hem dag na dag met droefheid, bitterheid en angst.

Alleen een behouden ziel kan onder goddelijk onderwijs dit kwaad zien. Alleen zij kan treuren en zuchten onder de verdorvenheid, het bederf, het ongeloof, de vleselijkheid, de boosheid en de bedrieglijkheid van zijn boze hart. Deze innerlijke strijd, dit zware leed en deze innerlijke last waarmee heel het gezin van God wordt geplaagd, is een bewijs dat het leven en de genade van God in hun boezem zijn.

Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere. (Romeinen 7:25)

Wie kent het?

Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? (Jeremia 17:9)

Zonder kennis van de verdorvenheden en het overvloedige kwaad van ons arglistige en dodelijke hart … ongeloof en goddeloosheid, hoogmoed en huichelarij, werelds gezind zijn en vleselijkheid, zinnelijkheid en zelfzucht … zal er geen nederigheid zijn en geen walging van onszelf. Er zal geen vrees zijn om te vallen en geen verlangen om bewaard te worden. Ook zal er geen kennis zijn van de overvloed van genade boven de overvloed van zonde.

Zo veel waarlijk oprechte en godsdienstige mensen

Godzalig en vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende. (Handelingen 10:2)

Toch waren Cornelius en zijn huis niet zalig! (Handelingen 11:14)

– Een milde hoofdman bouwt een synagoge. (Lukas 7:3-5)

– Een jongeman onderhoudt de geboden van zijn jeugd af. (Lukas 18:21)

– Bileam profeteert. (Numeri 23:16)

– Saul weent. (1 Samuël 24:17)

– Judas predikt het evangelie. (Mattheüs 10:5-8)

Toch was niemand van deze mannen zalig!

Het kan soms het hart vervullen met verbazing en droefheid tegelijk om zo veel waarlijk oprechte en godsdienstige mensen te zien wier godsdienst hen tekort zal laten komen van het eeuwige leven omdat zij verstoken zijn van zaligmakende genade.

Zoveel … beminnelijkheid en welwillendheid, toewijding en zelfverloochening, vrijgevigheid en innemend karakter, oprechtheid en een consequent leven zien stukslaan tegen de rots van de onbuigzame gerechtigheid! Het wordt daar verbrijzeld en gaat verloren. Het wordt met zijn ongelukkige bezitters verzwolgen in de woedende golven beneden. Zo’n gezicht zou ons, als wij niet wisten dat de Rechter van de hele aarde geen onrecht kan doen, inderdaad doen wankelen tot in het diepst van ons wezen!

Ziek van de ZONDE, ziek van het ZELF, ziek van de WERELD

En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten. (Psalm 37:4)

Van nature vermaken wij ons in de ZONDE. Zij is het eigenlijke element van onze natuur. Zelfs nadat de Heere ons door Zijn genade heeft geroepen en door Zijn Geest levend heeft gemaakt, is dezelfde liefde tot de zonde in het hart als tevoren. Wij vermaken ons erin. Wij zouden er graag in rondwentelen, er volop van genieten en erin zwemmen zoals een vis zwemt in het water van de zee!

Van nature neigen wij ook tot AFGODERIJ. Het zelf is het grote voorwerp van al onze zinnelijke en vleselijke aanbidding. Onze eigen verhoging, ons eigen vermaak, ons eigen genot, onze eigen bevrediging. Iets waardoor het ZELF … gevleid, bewonderd, aanbeden en verblijd kan worden, is het grote doel en streven van de natuurlijke aanbidding van de mens.

Van nature vermaken wij ons ook in de WERELD. Zij is … ons element, ons thuis, waarmee onze vleselijke harten innig vermengd zijn. Van al deze dingen die in wezen kwaad zijn en die een zuivere en heilige God met volstrekte afschuw moet haten, moeten wij gespeend en doeltreffend gescheiden worden. Wij moeten ze bitter gemaakt krijgen.

Al die tijd dat wij het zelf eer en aanbidding brengen, de wereld liefhebben, ons in de zonde vermaken en afgoden oprichten in de geheime kamers van onze verbeelding, vermaken wij ons niet in de Heere.

Wij kunnen ons niet in de Heere vermaken voor wij gereinigd zijn van de liefde tot het schepsel. Dat is pas zo wanneer de afgoderij van ons hart niet alleen openbaar wordt maar gehaat en verafschuwd wordt. Daartoe worden wij gebracht door … snijdende verzoekingen, scherpe oefeningen, pijnlijke verlegenheden en velerlei smarten, totdat wij … ziek zijn van de ZONDE, ziek van het ZELF en ziek van de WERELD.

Zolang wij onszelf niet gaan verafschuwen, zijn wij niet gebracht op die plek waar niemand dan God Zelf de ziel kan troosten, behagen of werkelijk gelukkig maken.

De middelen die God gebruikt om ons de wereld te verbitteren zijn juist snijdende en smartelijke beschikkingen. Dat zijn onverwachte tegenslagen in ons fortuin of kwalen van lichaam, gezin of ziel. Maar dezelfde middelen die de Heere gebruikt om onze vleselijke band met de wereld te verbreken, wekken het zelfmedelijden, het morren, het gemopper en de opstandigheid van onze natuur op. Zo denken wij dat wij heel hard worden behandeld doordat wij op dit zware pad moeten wandelen.

Maar alleen door deze snijdende beschikkingen worden wij uiteindelijk gebracht om ons te vermaken in Hem Die ons de begeerten van ons hart zal geven.

Hoe lang u op dit pijnlijke pad zult wandelen, hoe zwaar uw beproevingen zullen zijn, hoe lang zij zullen duren, hoe diep u moet wegzinken en hoe snijdend uw lijden van lichaam of ziel zal zijn, heeft God niet bepaald en kunnen wij niet bepalen. Maar zij moeten werken totdat zij dit resultaat hebben bereikt. Zij moeten ons spenen, scheiden en afzonderen van alles wat wij van nature liefhebben en afgodisch aanhangen en van alles waarachter wij overspelig aan zwerven. Als onze beproevingen dit niet hebben gedaan, moeten zij doorgaan totdat zij dat effect hebben.

De last moet op de rug worden gelegd, het lijden moet het gemoed beproeven en verlegenheden moeten de voeten belemmeren, totdat wij zover zijn gebracht dat niemand dan de Heere Zelf ons hart kan troosten of ons de innerlijke vrede en vreugde kan geven waarnaar onze ziel leert hunkeren. Dat gebeurt door een smaak van Zijn stervende liefde.

Honderd leerstellingen die in het hoofd zweven

Door vijf minuten echte gemeenschap met de Heere … leren wij meer, weten wij meer, ontvangen wij meer, voelen wij meer en ervaren wij meer dan door duizend jaar louter de Schrift te bestuderen of uiterlijke vormen, riten en ceremoniën te gebruiken.

Eén waarheid die door de Geest in het hart is geschreven, brengt meer vrucht voort in het leven dan honderd leerstellingen die in het hoofd zweven.

Hoe diep wij ook zinken

Wat een genade is het een getrouwe, genadige en medelijdende Hogepriester te hebben Die kan meevoelen met Zijn arme, beproefde en verzochte gezin! Zo kan, hoe diep wij ook zinken … Zijn meelijdend oog ons zien in onze lage staat, Zijn genadig oor onze kreten horen, Zijn liefdevol hart over ons smelten en Zijn sterke arm ons rukken uit ons verderf!

O, wat zouden wij doen zonder zo’n genadige en zo passende Zaligmaker als onze gezegende Jezus! Hoe lijkt Hij steeds hoger te rijzen … in onze schatting, in onze gedachten, in onze verlangens en in onze genegenheden naarmate wij zien en voelen … wat een wrak en puinhoop wij zijn, welke vreselijke verwoesting de zonde in ons heeft aangericht en wat ellendige verstotelingen wij van nature zijn.

Maar o, wat is het nodig, beste vriend, in onze ziel neergebracht te worden om de … voornaamste van de zondaars te zijn, vuiler dan de vuilste en slechter dan de slechtste. Zo kunnen wij waarlijk geloven in deze zeer kostbare en passende Zaligmaker en Hem aanhangen!

Uw liefhebbende in de Heere, J. C. Philpot, 1 oktober 1868

Niets dan een slaaf!

dat gij wel dienstknechten der zonde waart (Romeinen 6:17)

Wat een beeld tekent dit van onze droevige toestand toen wij wandelden in de duisternis en de dood van de onwedergeboortheid!

De Heilige Geest stelt hier de Zonde voor als een harde meester die tirannieke heerschappij voert over zijn slaven! Hoe beeldt dit onze staat en toestand uit in de onwedergeboorte: slaven van de zonde!

Zoals een meester zijn slaaf beveelt hierheen en daarheen te gaan, hem zekere taken oplegt en volledig en willekeurig gezag over hem heeft, zo had de zonde … volledige heerschappij over ons. Zij gebruikte ons naar haar eigen willekeur en genoegen en dreef ons heen en weer op haar bevel.

Maar hierin verschilden wij van lichamelijke slaven dat wij onder ons juk niet mopperden maar alle bevelen van de zonde graag en vrolijk gehoorzaamden en nooit moe werden van het meest slaafse zwoegen!

Zo hebben sommigen de zonde gehad als een zeer ruwe en tirannieke meester die hen dreef tot openlijke daden van dronkenschap, onreinheid en losbandigheid, ja tot alles wat laag, gemeen en slecht is.

Anderen zijn door opvoeding, door de waakzaamheid en het voorbeeld van ouders of door andere zedelijke beperkingen bewaard gebleven voor zulke openlijke uitersten van ongerechtigheid en voor het uiterlijk uitbreken van het kwaad. Maar toch regeerde de zonde heimelijk in hun hart. Hoogmoed, wereldsgezindheid, liefde voor de dingen van de tijd en van de zintuigen, haat tegen God en afkeer van Zijn heilige wil, zelfzucht en koppigheid in al hun gedaanten hadden volledige heerschappij over hen! En hoewel de zonde over hen regeerde als een heer, hield hij hen in een verfijndere maar niet minder echte of volstrekte slavernij. Wat de zonde hun ook gebood, dat deden zij, even onvoorwaardelijk als de laagste slaaf ooit het bevel van een tirannieke meester gehoorzaamde.

Wat een beeld tekent de Heilige Geest hier van wat een mens is! Niets dan een slaaf! En de zonde, zijn meester, drijft hem eerst op Gods zwaard en geeft hem dan de eeuwige dood als loon!

Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde (Kolossenzen 1:13)

Een heerlijkheid, een schoonheid en een zoetheid

Wat is het zoet de hand van de Heere in de voorzienigheid na te speuren … terug te kijken op het wisselvallige pad waarlangs Hij ons heeft geleid, te zien hoe Zijn hand ons ten goede is geweest, door welke moeilijkheden Hij ons heen heeft gebracht, in welke nood Hij is verschenen, hoe Hij in de zwaarste dingen redding heeft gewrocht en hoe Hij ons tot op dit uur heeft ondersteund.

Wat zijn voorzienige gunsten zoet wanneer zij komen met dit opschrift gestempeld: “Dit is van de Heere!” Hoe kostbaar wordt elke tijdelijke barmhartigheid, zelfs ons eten, onze woning en onze kleding!

Hoe zoet is het kleinste ding wanneer het tot ons komt als uit Gods handen! Een mens kan de zoetheid van zijn dagelijks brood niet kennen voor hij ziet dat God het hem geeft. Hij kent evenmin de zaligheid van enige beschikking van de voorzienigheid voor hij kan zeggen: “God heeft dit voor mij gedaan en mij dat gegeven.” Wanneer een mens de voorzienigheid van God gestempeld ziet op elke handeling van het leven, werpt dat een heerlijkheid, een schoonheid en een zoetheid over elke dag van zijn leven!

Niets hebbende en toch alles bezittende

als niets hebbende, en nochtans alles bezittende (2 Korinthe 6:10)

Hoe kan deze schijnbare tegenstrijdigheid worden verzoend?

Zij wordt zo opgelost: niets hebbende in onszelf en alles bezittende in Christus.

En juist in de mate waarin ik uit bevinding niets in mijzelf heb, bezit ik alles in Christus.

Mijn eigen bedelarij leidt mij uit mijzelf naar Zijn rijkdom.

Mijn eigen onrechtvaardigheid leidt mij uit mijzelf naar de gerechtigheid van Christus.

Mijn eigen bevlekking leidt mij uit mijzelf naar de heiliging van Christus.

Mijn eigen zwakheid leidt mij uit mijzelf naar de kracht van Christus.

Mijn eigen ellende leidt mij uit mijzelf naar de barmhartigheid van Christus.

als niets hebbende, en nochtans alles bezittende (2 Korinthe 6:10)

Deze twee takken van de goddelijke waarheid botsen niet met elkaar maar harmoniëren lieflijk, heerlijk en gezegend. En juist in de mate waarin wij geestelijk, bevindelijk en levend weten van niets hebbende in onszelf, zullen wij geestelijk, bevindelijk en levend weten van alles bezittende in Christus.

Rijkdom, eer en gemak

Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten (2 Korinthe 4:7)

Hoe anders is de schatting die de christen maakt van rijkdom, eer en gemak dan die van de wereld en het vlees!

Het idee van de wereld over rijkdom is alleen wat bestaat uit goud en zilver, huizen, land of ander tastbaar bezit.

De schatting van de wereld over eer is alleen wat mensen kunnen schenken.

De opvatting van de wereld over gemak is doende den wil des vleses en der gedachten (Efeze 2:3).

Maar de ware christen denkt hier anders over en voelt dat … de enige ware rijkdom die van Gods genade in het hart is, de enige werkelijke eer die is welke van God komt en het enige degelijke gemak datgene is wat de Heilige Geest meedeelt aan een gebroken en verslagen geest.

Naarmate wij vervuld zijn van de Geest van God, zullen wij de schatting van het geloof hebben over rijkdom, eer en gemak. En naarmate wij doordrenkt zijn van de geest van de wereld, zullen wij de schatting van het vlees over deze dingen hebben.

Toen het oog van de wereld de apostelen aanzag, zag het hen als een gezelschap van arme onwetende mannen, een stel dwepers die het land doortrokken en Jezus predikten van Wie zij zeiden dat Hij gekruisigd was en uit de doden was opgestaan. Het natuurlijke oog zag geen schoonheid, geen kracht en geen heerlijkheid in de waarheden die zij brachten. Het zag ook niet dat de arme vergankelijke lichamen van deze verstoten mannen een hemelse schat bevatten. Het zag niet dat zij eens zouden stralen als de sterren voor eeuwig en altijd, terwijl wie hun woord verachtten zouden wegzinken in eindeloos wee.

De geest van de wereld kan de dingen van de eeuwigheid nooit begrijpen of liefhebben. Hij kan alleen naar de arme vergankelijke dingen van de tijd en van de zintuigen kijken en alleen daarop rusten.

Het voortdurende onderwijs van de Geest

Wanneer wij door de werking van de Geest op onze consciëntie zijn ontdaan van … vormendienst, bijgeloof, eigengerechtigheid, huichelarij, aanmatiging en de andere zinsbegoochelingen van het vlees die zich verbergen onder het masker van godsdienst, hebben wij het verschil gevoeld. Dan voelden wij het verschil tussen de naam hebben dat men leeft terwijl men dood is en de kracht van levende godzaligheid. En naarmate een mate van goddelijk leven in het hart is gevloeid uit de volheid van de Zoon van God, verlangen wij geen andere godsdienst dan die welke staat in de kracht van God. Alleen daardoor kunnen wij leven en alleen daardoor voelen wij dat wij kunnen sterven.

En eindelijk worden wij gebracht tot deze overtuiging en plechtige slotsom: er is geen andere ware godsdienst dan die welke bestaat in het voortdurende onderwijs van de Geest en de mededelingen van het leven van God aan de ziel.

Met het onderwijs van de Geest zijn verbonden … alle werkingen van het geloof in de ziel, alle verankeringen van de hoop in het hart en alle uitstromen van de liefde. Ook elke traan van oprecht berouw die langs de wangen vloeit, elke zucht van godvruchtige droefheid die uit de borst opstijgt, elke kreet en kreun vanwege het lichaam van de zonde en elke ademtocht van geestelijk gebed uit het hart horen daarbij. Dat geldt evenzo voor elk werpen van onze ziel op Christus, alle onderwerping aan Hem, alle gemeenschap met Hem, alle genieten van Hem en alle innerlijke omhelzingen van Hem in Zijn geschiktheid en kostbaarheid.

Het zal binnenkomen door elke kier en spleet!

Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont (Romeinen 7:18)

De wereld in ons is tienduizend keer erger dan de wereld buiten ons!

Wij kunnen onze deuren sluiten en grendelen en de wereld buiten ons buitensluiten. Maar de wereld in ons kan zo niet buitengesloten worden! Meer nog: wij zouden ons kunnen verbergen in een kluizenaarsgrot en nooit meer het gezicht van een mens zien. Toch zouden wij daar even vleselijk en werelds zijn alsof wij in Kermis van de IJdelheid woonden!

Wij kunnen de wereld niet buitensluiten. Zij komt binnen door elke kier en spleet! Deze ellendige wereld dringt zich op in elke gedachte en elk beeld van onze verbeelding!

Ik weet niet hoe het bij u is. Maar ik heb niet meer macht om het werken van de zonde in mijn hart buiten te houden dan ik macht heb om met mijn opgeheven hand de regen tegen te houden die op de aarde neerdaalt! De zonde zal binnenkomen door elke scheur en spleet en zich openbaren in de ellendige werkingen van een boos hart!

De zaden van elke misdaad zijn in onze natuur. Daarom zou er, als uw vlees vrij spel had, in Londen geen verdorvener ellendeling zijn dan u!

Om de duivel eindelijk te bedriegen!

Als God uw meester niet is, zal de duivel het zijn.

Als de genade niet regeert, zal de zonde heersen.

Als Christus niet uw alles in allen is, zal de wereld het zijn.

Het is niet zo dat wij in volkomen vrijheid kunnen rondzwerven. Wij moeten een meester hebben van de ene of de andere soort.

En wat is het beste?

Een milde en welwillende Weldoener, een barmhartige en tedere Ouder, een goede en vergevende Vader en Vriend, een teerhartige en medelijdende Verlosser?

OF

Een wrede duivel, een ellendige wereld, een boos, gemeen en afschuwelijk hart?

Wat is beter?

Te leven onder de zoete drang van de stervende liefde van een dierbare Verlosser, onder … evangelische invloeden, evangelische beginselen, evangelische beloften en evangelische bemoedigingen?

OF

Te wandelen in een ingebeelde vrijheid met de zonde in ons hart, die daar heerschappij en meesterschap uitoefent en ons met ijzeren ketenen bindt aan het oordeel van de grote dag?

Zelfs als wij alleen het tegenwoordige leven nemen, is er meer echt genoegen, voldoening en degelijk geluk in een half uur met God. Dat geldt voor zoete vereniging en gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid, voor het lezen van Zijn Woord met een gelovig hart en voor toegang vinden tot Zijn heilige tegenwoordigheid. Ook het enigszins kennen van het druppelen van Zijn gunst en barmhartigheid geeft meer dan … alle genoegens van de zonde, alle lusten van het vlees, alle hoogmoed van het leven en alle vermaken die de wereld ooit heeft bedacht om de tijd te doden en zichzelf te bedriegen. Men denkt dan met een berouw op het sterfbed eindelijk de duivel te bedriegen!

Zo zegt de Heere

Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt! (Jeremia 17:5)

De Heere legt hier niet het zedelijke of onzedelijke karakter van een mens neer als toets voor zaligheid. Hij zegt niet: “Vervloekt is … de dief, de overspeler, de afperser, de moordenaar, de man die in openlijke goddeloosheid leeft.”

Hij laat dat alles terzijde en richt Zijn oog en legt Zijn hand op één kenmerk dat kan bestaan bij de grootste zedelijkheid en bij de hoogste belijdenis van godsdienst.

“Ik zal u zeggen,” zegt de Heere, “wie onder Mijn vloek zijn: de mens die op een mens vertrouwt, die vlees tot zijn arm stelt en daardoor met zijn hart van Mij afwijkt.”

Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt! (Jeremia 17:5)

Die afschuwelijke afgod ZELF in zijn kleine heiligdom

en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God. (Hosea 14:4)

De hoofdzonde van Israël was het aanbidden van afgoden.

Misschien bent u wel eens in het Britse Museum geweest en hebt u de afgoden gezien die vroeger op de Zuidzee-eilanden werden aanbeden. Dan hebt u zich verbaasd dat redelijke wezens zich ooit konden neerbuigen voor zulke lelijke monsters.

Maar verschilt het hart van een Zuidzee-eilander van het hart van een Engelsman? Helemaal niet! Deze laatste heeft misschien meer beschaving en ontwikkeling maar zijn hart is hetzelfde! En hoewel u zich niet hebt neergebogen voor zulke monsterlijke voorwerpen en afschuwelijke beelden, kan er in uw hart een even vuile afgod zijn. Waar is een vuilere afgod dan de begeerten en hartstochten van de gevallen natuur van de mens?

U hoeft niet naar het Britse Museum te gaan om vuile afgoden en beschilderde beelden te zien. Kijk binnenin!

Waar is een lagere en kruipender afgod dan Mammon en de hebzucht van ons hart? U hoeft zich niet te verbazen over heidenen die afschuwelijke afgoden aanbidden wanneer u hoogmoed en hebzucht hebt en bovenal die afschuwelijke afgod ZELF in zijn kleine heiligdom. Hij verbergt zich voor de ogen van de mensen maar u brengt hem zo vaak uw dagelijkse en uurlijkse eredienst!

Als iemand niet ziet dat de wortel van alle afgoderij het ZELF is, weet hij weinig van zijn hart.

Zo’n voortdurende en onophoudelijke strijd?

Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:15, 18-19, 21, 24)

Wat een beeld van wat zich afspeelt in de boezem van een godvrezend mens! Hij heeft in zich twee onderscheiden beginselen, twee verschillende naturen. De ene is … heilig, hemels en geestelijk. Zij hijgt naar de Heere en vindt in de dingen van God haar element.

En toch is er in dezelfde boezem een beginsel dat … totaal verdorven is, grondig en geheel bedorven. Het strijdt voortdurend tegen het heilige beginsel binnenin en begeert onophoudelijk het kwaad. Het is gekant tegen elke leiding van de Geest in de ziel en probeert tegen elke prijs zijn vuile begeerten te bevredigen!

Moet er nu niet een gevoel van ellende zijn in de boezem van een mens wanneer deze twee legers voortdurend met elkaar strijden? Wanneer hij het goede wil doen, ligt het kwade hem bij. Wanneer hij heilig zou willen zijn, hemels gezind, teerhartig en liefdevol, op zoek naar Gods eer en genietend van zoete gemeenschap met Jehova, is er een laag, zinnelijk, aards hart voortdurend aan het werk. Het giet zijn verderfelijke vergif in elke gedachte, werkt elk verlangen tegen en sleept hem van de hemel waarheen hij zou opstijgen neer naar de hel van vleselijkheid en vuil.

Er is een heilig, hemels beginsel in de boezem van een mens dat God kent, vreest, liefheeft en zich in Hem verblijdt. Toch vindt hij die zonde in zichzelf die geheel tegen de gezindheid van Christus is en die begeert wat hij haat. Moet er geen droefheid en leed zijn in de boezem van die man om zo’n voortdurende en onophoudelijke strijd te voelen?

Wordt deze jammerlijke kreet u ooit door schuld, schaamte en droefheid uit de boezem geperst: “O, ik ellendig mens!” Zo niet, wees er dan van overtuigd dat u dood bent in de zonde of dood in een belijdenis.

Maar wie is onze grootste vijand?

De hoogmoed van ons hart, de aanmatiging van ons hart, de huichelarij van ons hart en de intense zelfzucht van ons hart zijn vaak voor ons verborgen.

Deze listige duivel, het zelf, kan zulke maskers dragen en zulke vormen aannemen.

Deze slang, het zelf, kan zo kruipen en glibberen, zo draaien en keren en zich zo vermommen onder valse schijn dat hij vaak voor onszelf verborgen blijft.

Wie is de grootste vijand die wij moeten vrezen?

Wij hebben allemaal onze vijanden.

Maar wie is onze grootste vijand?

Hij die u in uw eigen boezem draagt, uw dagelijkse, uurlijkse en altijd aanwezige metgezel die zich slingert om bijna elke gedachte van uw hart. Hij die … soms opzwelt van hoogmoed, soms ontvlamt van begeerte, soms opblaast van aanmatiging en soms werkt onder gehuichelde nederigheid en vleselijke heiligheid.

God is vastbesloten de trots van menselijke glorie te bevlekken. Hij zal nooit toestaan dat het zelf, dat slechts een ander woord is voor het schepsel, de kroon van de overwinning draagt. Het moet worden gekruisigd, verloochend en gedood.

Dit zelf moet nu worden overwonnen. De weg om het zelf te overwinnen is uit het zelf weg te zien naar Hem Die aan de boom van Golgotha werd gekruisigd. Dan ontvangt u Zijn beeld in uw hart, wordt u bekleed met Zijn gelijkenis en drinkt u Zijn geest in en ontvangt u, naar het woord uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade (Johannes 1:16).

Wij hebben genade nodig, vrije genade

Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onzen Heere (2 Petrus 1:2)

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!