Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Overdenkingen over Efeze 1 en 2 — deel 5: Geschapen tot goede werken, en vreemdelingen van de verbonden der belofte

Philpot toont dat goede werken in het evangelie van genade een hoge plaats hebben, omdat God ze verordent, schept en werkt. Daarna schetst hij hoe vreemd de heidenen stonden tegenover Israëls verbonden der belofte.

Onder de ontelbare bewijzen van Gods oneindige wijsheid die het evangelie van Zijn genade heeft geopenbaard en aan het licht gebracht hoort ook de bijzondere voorziening die Hij getroffen heeft. Goede werken moeten daarin een passende en gepaste plaats innemen. Een van de sterkste bezwaren die haarkloovers en tegenstanders in alle tijden hebben ingebracht tegen de leer van het heil geheel en alleen uit genade is dit: zij maakt goede werken overbodig. Daardoor worden ze, als ze al niet teniet worden gedaan, toch tot onbeduidendheid teruggebracht en wordt direct of indirect een deur geopend voor losbandigheid.

Als deze beschuldiging bewezen kon worden, zou dat bijna dodelijk zijn voor de aanspraak van de vrije genade als goddelijke openbaring. Een heilige God kan immers geen heilsweg goedkeuren, laat staan bedenken en openbaren, die door de zonde aan te moedigen de grenzen van de zedelijke rechtschapenheid zelf omverhaalt. Zelfs ons natuurlijk geweten, onze vage en nevelige begrippen van goed en kwaad, deugd en ondeugd, zou ervan schrikken en zich verzetten tegen elke conclusie die de heiligheid van God aantast. Het zou Hem voorstellen als iemand die de zonde goedkeurt of toestaat.

Om het evangelie tegen zo noodlottig een beschuldiging te beschermen heeft God daarom bijzonder voorzien. Goede werken zullen daarin een hoge en eervolle plaats innemen. Dat goede werken zouden zaligmaken is één ding. Dat ze helemaal terzijde worden geschoven is iets anders. Volgens Gods bestel worden ze dus niet terzijde geschoven. Ze worden zelfs verheven in waarde. Ze worden een middel om God te verheerlijken, en dat drukt er een hoger en edeler stempel op dan wanneer ze alleen de zaligheid van de mens hadden bewerkt of daaraan hadden meegewerkt.

Ze worden gedaan uit hogere, betere en reinere beweegredenen. De gezegende Geest werkt ze. God neemt ze aan en keurt ze goed als vruchten van gerechtigheid, die groeien aan de levende ranken van de enige ware Wijnstok en die ranken openbaar maken. Maar laten we de draad van onze uitleg weer oppakken en nauwkeuriger bekijken welke plaats de apostel in dit hoofdstuk aan goede werken geeft: Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen (Efeze 2:10). Er zijn hier verschillende punten die onze aandacht verdienen.

1. Let allereerst op wat hier gezegd wordt van hen die uit genade door het geloof zalig worden. Zij zijn Gods maaksel. Het woord dat hier met “maaksel” vertaald is, wijst in het oorspronkelijke Grieks niet zozeer op de daad of het kunstvermogen van de werker. Het wijst op het gevolg en het voortbrengsel van die daad en dat kunstvermogen. Het kan dus eenvoudiger met “werk” worden weergegeven. Wij zijn Zijn werk, de vrucht en het voortbrengsel van Zijn scheppende hand.

Alles wat wij zijn en alles wat wij hebben dat geestelijk is en God welgevallig, danken wij dus aan de bijzondere werking van Zijn kracht. Er is geen gedachte van ons hart, geen woord van onze lippen en geen werk van onze handen dat werkelijk heilig en hemels is, onschuldig en oprecht, God verheerlijkend of de mens nuttig, waarvan Hij niet door Zijn Geest en genade de goddelijke en onmiddellijke Schepper is.

Hoe mooi wordt dit uitgedrukt door de gemeente van het oude verbond. En wat een weerklank vindt haar spraak in elk genadig hart: Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk (Jesaja 64:8). Wat een passend en veelzeggend beeld is dat van het leem en de pottenbakker! Kijk naar de vochtige klei in de handen van de pottenbakker. Hoe zacht, hoe week en hoe gedwee is de klei. Hoe sterk en hoe bekwaam zijn de handen die haar vormen.

Terwijl het wiel draait, geeft elke beweging van de vingers van de pottenbakker vorm aan de meegaande klei. Met wat een fijne vaardigheid drukt elke zachte aanraking en elke onmerkbare beweging precies die vorm in de klei die hij in zijn gedachten had. Hoe soeverein was de hand die de klei eerst nam, zoals de apostel verklaart: Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere? (Romeinen 9:21). En zoals de goddelijke soevereiniteit de klei eerst nam, zo geeft diezelfde soevereiniteit haar ook vorm.

Goede werken in de eigenlijke zin ontspruiten dus aan de inwendige werking van Gods genade. Door de boom goed te maken maakt Hij de vrucht goed (Mattheüs 12:33). Hij werkt eerst in ons het willen van wat goed is en geeft ons dan het vermogen. Zo werkt Hij in ons beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen (Filippenzen 2:13). Onder de werking van Zijn genade worden wij veranderd door de vernieuwing van ons gemoed opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij (Romeinen 12:2). Waar die wil gezocht wordt om hem te kennen en te doen, volgen goede werken als noodzakelijke vrucht.

Alle daden van liefde en genegenheid, van vriendelijkheid, medeleven en mildheid jegens het volk van de Heere vallen hieronder. Dat geldt ook voor al het zelfverloochenend lijden liever dan onrecht te doen en voor al het onbaatzuchte verlangen om al het goed te doen dat wij naar ons vermogen, onze positie en onze levensomstandigheden kunnen doen. Zo ook het streven naar rechtschapenheid in alle zaken en bij alles wat ons is toevertrouwd, en het strikt en nauwgezet houden van ons woord, zelfs tot eigen schade.

Daartoe behoort verder de christelijke vervulling van onze onderlinge plichten en van de maatschappelijke verhoudingen van man en vader, vrouw en moeder, zoals de Schrift die voorschrijft. Kortom: alle werken die bijna eenstemmig door mensen “goed” worden genoemd zijn alleen werkelijk en waarachtig goed als ze door de kracht van God in hart, lippen en leven zijn gewrocht.

Maar we moeten niet te lang blijven stilstaan bij dit ene kenmerk van goede werken. We gaan door om te laten zien hoe ze de vrucht zijn van een bijzondere verordening. Zo wordt gezegd dat wij geschapen zijn in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren verordend heeft opdat wij daarin zouden wandelen. Volgens dit getuigenis van de apostel wordt het verrichten van goede werken door Gods volk door drie dingen verzekerd: 1. soevereine verordening, 2. daadwerkelijke schepping en 3. krachtdadige werking. Het laatste punt hebben we eerst behandeld, omdat de apostel het eerst noemt als hij verklaart dat wij Gods “maaksel” zijn. De twee andere punten bekijken we nu kort.

2. Let dan op dat God tevoren heeft verordend dat wij in goede werken zouden wandelen, dat wil zeggen in het verrichten ervan. Goede werken zijn dus onderwerp van een goddelijk besluit. Dat verzekert hun uitvoering. Ze zijn evenzeer een zaak van voorbeschikking als de personen van de uitverkorenen zelf. Petrus verklaart daarom dat wij uitverkoren zijn tot gehoorzaamheid (1 Petrus 1:2).

Uitverkiezing tot het eeuwige leven, tot zaligheid en tot de besprenging met bloed horen velen graag. Ze aanvaarden en belijden die. Dat is, zeggen ze, een zoete en kostbare leer. En dat is ze ook. Maar vinden of voelen ze ook zoveel zoetheid en kostbaarheid in uitverkoren en verordend zijn om Gods wil te kennen en te doen? Zien en voelen ze de zaligheid dat niet alleen de belofte maar ook het gebod door een goddelijk besluit verzekerd is?

Beseffen ze dat er een dringende kracht is in de liefde van Christus? Onder die kracht ondervinden wij een heilig en gewijd genoegen in niet meer voor onszelf te leven maar voor Hem Die voor ons gestorven en opgestaan is. Dat genoegen is gelijk van aard, zij het niet van mate, aan het genoegen dat zij ondervinden in de wetenschap dat zij tot het eeuwige leven verordend zijn.

We horen veel over uitverkiezing tot zaligheid. Velen prediken haar en meer mensen belijden haar. Maar hoeveel van die predikers en van die belijders van de leer van de uitverkiezing prediken of horen graag over uitverkoren zijn tot gehoorzaamheid of verordend zijn tot het verrichten van goede werken? En waarom niet? Omdat naar het oordeel van hun eigen geweten hun gebrek aan gehoorzaamheid hun uitverkiezing zou weerleggen. Hun nalaten van goede werken zou aantonen dat zij part noch deel hebben aan deze goddelijke verordening.

Zolang die gehoorzaamheid niet wordt betoond en die goede werken niet worden voortgebracht, wordt de helft van de zoetheid en gezaligdheid van de ware godsdienst en van het heil uit genade niet gevoeld of gekend. Dan is ook de vrijheid van het evangelie niet volledig verwezenlijkt of genoten. Het evangelie moet immers gehoorzaamd en geleefd worden, evengoed als ontvangen en geloofd. Alleen zo kunnen de volle bevrijdende en heiligende invloeden ervan ervaren worden, als verzoeting van het smalle en ruwe pad van het doen en lijden van de gehele wil van God.

3. Let verder op dat gelovigen geschapen zijn in Christus Jezus tot goede werken. Het woordje “tot” betekent “met het doel van”. Een van de doelen dus waarom gelovigen nieuwe schepselen in Christus worden, is dat zij vruchtbaar zijn in alle goed woord en werk. Deze schepping in Christus Jezus tot goede werken voert hun verordening daartoe uit. Omdat zij tot het eeuwige leven verordend waren, werden zij door genade geroepen, zodat de krachtdadige roeping uit hun voorbeschikking volgt en die bewijst. Zo zijn zij ook geschapen tot het verrichten van goede werken, omdat zij daartoe verordend waren.

Deze schepping is die nieuwe schepping waarvan de apostel elders spreekt: Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel, of, nauwkeuriger weergegeven, een nieuwe “schepping” (2 Korinthe 5:17). Zo ook in deze brief: En den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid (Efeze 4:24). En weer: En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft (Kolossenzen 3:10).

Al deze teksten spreken dezelfde duidelijke taal. Goede werken zijn vruchten van die nieuwe natuur, dat hemelse en goddelijke beginsel dat, uit de Geest geboren, geest is. Dit plaatst goede werken op een zeer hoge, heilige en eervolle plaats. Het onderscheidt ze ook krachtig van de goede werken van beminnelijke, welwillende, bedrijvige en ijverige mensen. Die zijn misschien nuttig en weldadig voor lijdende mensen, maar ze zijn niet door de kracht van God in hen gewrocht en ook niet de vruchten van een nieuwe schepping in Christus Jezus.

Door dicht bij de ingegeven taal van de apostel te blijven, vermijden we twee grote misvattingen over goede werken. 1. We negeren ze niet, verwaarlozen ze niet en maken ze niet gering. Wie ze nooit noemt en er nooit bij stilstaat of erop aandringt, zet ze feitelijk terzijde. 2. We maken er geen wet van en dus ook geen juk van slavernij. Ze zijn niet de boom en niet het sap van de boom, maar de VRUCHTEN van de boom. Daaraan worden de aard en de goedheid van de boom openbaar en zichtbaar en wordt hij gekend.

Zoals de goedheid van de wijnstok blijkt en gekend wordt aan de goedheid van de druiven, zo is het ook met de goede werken van de heiligen van God. Aantal, kleur, grootte en smaak van de druiven tonen aan ieder die ze ziet en proeft precies de soort, de verzorging en de aard van de wijnstok zelf. Zo zijn goede werken uiterlijke kenmerken en bewijzen van de inwendige genade van God. Daaraan blijken de ware heiligen van God eikebomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde (Jesaja 61:3).

Aan het ontbreken ervan worden juist de dode belijders herkend, die in onze tijd zo talrijk zijn. Judas spreekt over hen als over bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld (Judas 1:12). Maar we prediken hier niet over goede werken. We proberen dit hoofdstuk te openen in de weg van een eenvoudige, bevindelijke uitleg. Daarom gaan we nu verder met de apostel.

Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt; Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld (Efeze 2:11-12).

Hier zit een breuk in het onderwerp. Tot hier toe, vanaf het allereerste begin van de brief, had de apostel stilgestaan bij de rijke en wonderlijke zegeningen die God in Zijn genade had geschonken aan de heiligen te Efeze en aan de gelovigen in Christus Jezus. Hij begon bij hun uitverkiezing in Christus en volgde zegen na zegen in Hem. Zo bracht hij hen naar voren als eikebomen der gerechtigheid die overvloedig vrucht dragen en daardoor God verheerlijken.

Maar nu herinnert hij hen aan hun lage afkomst, opdat zij zich niet zouden verheffen en niet zouden denken dat er iets in hen was boven anderen, waardoor die bijzondere onderscheidende gunsten op hen waren neergedaald. Hij herinnert hen vooral aan dit feit: zij waren heidenen en hadden als zodanig geen deel aan de beloften die aan het letterlijke Israël waren gedaan.

De besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt, dat wil zeggen het letterlijke Israël, Israël naar het vlees, de rechtstreekse nakomelingen van Abraham en de Joden, had deel aan de beloften. Het had vooral deel aan de grote belofte van de Messias, Die uit Israël en tot Israël zou komen. Omdat het natuurlijke Israël een tijd lang van Gods gunst is verstoten, zien wij de voorrechten die het bezat gemakkelijk over het hoofd. Veel onderzoek van de Schriften, van Oude en Nieuwe Testament, en eenvoudig vasthouden aan het getuigenis van God daarin, ondanks onze sterke vooroordelen en heersende meningen, is nodig om de gedachte van de Geest over de oude familie van God te verstaan.

Paulus somt de voorrechten van het oude Israël zeer duidelijk en beknopt op: Welke Israelieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen; Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen (Romeinen 9:4-5).

Het zou ons te ver van ons onderwerp brengen om de zo opgesomde voorrechten uit te leggen en de positie van het natuurlijke Israël aan te wijzen, zowel toen het evangelie voor het eerst werd gepredikt als nu. Die positie wordt goed en duidelijk geopend in de toespraak van Petrus tot hen (Handelingen 3:22-26) en door Paulus en Barnabas (Handelingen 13:46-47).

In Christus, als in Hem uitverkoren en gezegend, is er geen onderscheid tussen Jood en heiden. Zo spreekt Paulus: Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was (Galaten 4:28). En weer: Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen (Kolossenzen 3:11).

Maar er is wel een onderscheid in voorrecht. Dat onderscheid wordt duidelijk geopend in de woorden: En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen; En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen (Romeinen 15:8-9). Wat de Jood ontving bij de eerste verkondiging van het evangelie, ontving hij dus krachtens belofte. Wat de heiden ontving, ontving hij uit louter barmhartigheid. We kunnen het onderscheid zo toelichten.

Stel dat twee mannen even behoeftig zijn. Aan de ene heb ik hulp beloofd en aan de andere niet. Als ik de eerste dan een gift geef, geef ik die volgens belofte. Als ik de tweede een gift geef, geef ik die uit louter gunst. Als heidenen hadden deze Efeziërs dus geen aanspraak op God. Zij waren geen kinderen van enig verbond dat God met hun vaders had gemaakt.

Aanwijzingen van het voorgenomen erbarmen met de heidenen waren wel verspreid over de Schriften. De apostel haalt er enkele aan in Romeinen 15:10-12. De grote belofte aan Abraham, dat in zijn zaad alle volken der aarde gezegend zouden worden, sloot heiden en Jood in haar alomvattende armen. Maar als heidenen waren zij ver van God. En hun goddeloze leven, hun vuile afgoderij, hun grove bijgeloof, hun dichte onwetendheid, hun natuurlijke goddeloosheid en ongeloof plaatsten hen nog verder weg. De apostel houdt hun daarom hun staat als heidenen voor. Zo kan hij hun verplichtingen jegens de vrije, soevereine en overvloedige genade duidelijker en krachtiger bij hen inprenten.

Zo gaat hij verder met te zeggen: Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld (Efeze 2:12). In hun natuurlijke staat, voordat zij goddelijk levend gemaakt waren voor God, waren zij zonder Christus, dat wil zeggen zonder zichtbare vereniging en gemeenschap met Hem.

Het woord dat met “zonder” is vertaald, is hetzelfde als in de uitdrukking want zonder Mij kunt gij niets doen. Daar lezen we in de kanttekening: “gescheiden van Mij”. Zij waren in Gods raadsbesluiten en door hun eeuwige uitverkiezing in Christus wel leden van Zijn mystieke lichaam. Toch waren zij door de Geest nog niet in Christus gedoopt om levende leden van Zijn geestelijk lichaam, de gemeente, te worden (1 Korinthe 12:13). Daarom hadden zij Christus ook nog niet aangedaan (Galaten 3:27).

Zoals zij waren, zo waren ook wij. In onze heidense dagen waren wij zonder Christus. Hij had geen plaats in onze gedachten. Wij wisten niets van Zijn Persoon en werk, Zijn bloed en gerechtigheid, Zijn schoonheid en gezaligdheid, Zijn genade en heerlijkheid. Hij was ons een wortel uit een dorre aarde en in onze ogen had Hij geen gedaante noch heerlijkheid (Jesaja 53:2). Zijn naam was misschien op onze lippen, maar Zijn Geest en genade waren niet in ons hart.

Als de zaken nu enigszins anders met ons staan, als er enig geloof in Hem is, hoop op Hem of liefde tot Hem, dan heeft genade dat alles gewerkt. Laten we nooit vergeten wat wij waren voordat wij door genade geroepen werden. Laat de herinnering aan onze zonden en aan de hele neiging en loop van ons leven bitter voor ons zijn. Dan waarderen en bewonderen wij des te meer de rijkdom van die soevereine genade die zich tot ons verlaagde in onze lage en verloren staat.

Het paaslam moest met bittere kruiden worden gegeten. De herinnering aan de Egyptische slavernij moet altijd het genieten van de evangelievrijheid begeleiden. Zo moet ook godzalig leedwezen over de zonde het eten van het vlees van Christus begeleiden.

Zij waren ook vervreemd van het burgerschap Israels. Het is nu moeilijk voor ons te beseffen welke bijzondere positie Israël innam als het uiterlijke volk van God. Het woord “burgerschap” betekent eigenlijk “staatsbestel”, en dat is de letterlijke vertaling. Onder het staatsbestel van Israël moeten wij heel hun burgerlijke, godsdienstige en nationale opbouw verstaan.

God Zelf had hen opgebouwd tot een volk dat anders was dan alle andere volken. Hij had hun een bijzonder land aangewezen en het hun in bezit gegeven. Hij gaf hun een wetboek, zedelijk, burgerlijk en godsdienstig. Hij stelde riten en offers in waarmee Hij benaderd en aanbeden moest worden. Hij zonderde een bijzondere stam af, die van Levi, om in Zijn dienst te bedienen. Uit die stam zonderde Hij een bijzonder geslacht af, het huis van Aaron, om bij Zijn altaar en in Zijn tabernakel te dienen. Zo maakte Hij van Israël een bijzonder gemenebest, of liever een staatsbestel. Als zodanig had het voorrechten die het alleen bezat en die geen ander volk op aarde ooit heeft gehad.

Nu waren de heiligen te Efeze, en alle andere gelovigen uit de heidenen met hen, vervreemd van het burgerschap Israels. Zij hadden dus geen deel en geen belang bij de wetten, voorrechten, offers en plechtigheden van dat bijzondere volk. Toen de zegeningen van het evangelie zich tot hen uitstrekten, ging God, om zo te zeggen, uit Zijn weg. Dat was niet buiten de weg van Zijn verborgen wil en de vaste besluiten van het eeuwige verbond, maar wel buiten de weg die in de lijnen van Zijn Woord was aangegeven.

Toen Israël als volk door de stem van zijn leiders de Zoon van God verwierp en de Heere der heerlijkheid kruisigde, werd de stroom van zegen van zijn natuurlijke en voorgeschreven loop afgeleid en gericht naar de heidense wildernis. Zo werd het woord vervuld: de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos (Jesaja 35:1).

Evenzo waren zij vreemdelingen van de verbonden der belofte. Er is hier een kleine schijnbare moeilijkheid in het woord “verbond”, dat in het meervoud staat en niet in het enkelvoud. Gods verbond met Israël naar het vlees was in werkelijkheid immers maar één. De apostel spreekt er ook zo over: Galaten 3:15-17; Galaten 4:24; Hebreeën 8:9; Hebreeën 8:13; Hebreeën 9:1. Maar in Romeinen 9:4 spreekt hij ook van de verbonden als bijzonder voorrecht van Israël.

Wij lossen de moeilijkheid zo op. Het verbond met Israël was inderdaad maar één. Maar omdat het bij meer dan één gelegenheid is gegeven en vernieuwd, kan het als meerdere worden beschouwd. Er waren twee bijzondere gelegenheden waarbij dit verbond met Israël werd gemaakt. 1. Het werd eerst gemaakt met Abraham (Genesis 15:18; Genesis 17:2-8). 2. Het werd ten tweede gemaakt met de kinderen van Israël aan de berg Sinaï (Exodus 34:10; Exodus 34:27; Deuteronomium 5:2).

Hoewel het verbond met Israël dus in werkelijkheid maar één was, kan het toch, doordat het zo is herhaald en uitgebreid en voorzien van volledigere en duidelijkere beloften, als meer dan één worden aangeduid. Op dezelfde manier spreken wij van “de oorkonden” van onze vroege Engelse koningen. Toch is de Magna Charta in werkelijkheid de grote en enige oorkonde, waarvan alle latere oorkonden slechts de vernieuwing, uitbreiding en herbevestiging waren.

Deze verbonden bevatten beloften, sommige onvoorwaardelijk en andere voorwaardelijk. Daarom heten ze de verbonden der belofte. De oorspronkelijke beloften aan Abraham waren absoluut en onvoorwaardelijk. Het waren er hoofdzakelijk drie. 1. Dat de Heere voor Abraham en voor zijn nageslacht na hem een God zou zijn. 2. Dat in zijn zaad, Christus (Galaten 3:16), alle volken der aarde gezegend zouden worden. 3. Dat Hij het land Kanaän aan hem en zijn nakomelingen zou geven als eeuwig bezit.

Deze beloften waren absoluut en onvoorwaardelijk en zijn nooit ingetrokken, hoewel de eerste en de derde in de wacht staan. Maar de beloften aan de berg Sinaï waren voorwaardelijk. Zie bijvoorbeeld Deuteronomium 28:1-68 en let op hoe voorwaardelijk de beloften daarin zijn. Elke zegen werd hun beloofd als zij gehoorzaam waren en elke vloek werd hun gedreigd als zij ongehoorzaam waren. Het voorwaardelijke karakter van die zegeningen wordt goed samengevat in Deuteronomium 30:15-20.

De heidenen nu waren vreemdelingen van die verbonden der belofte. Ze waren niet helemaal zonder beloften, want ze hadden belang bij die ene grote belofte, naast verspreide beloften van voorgenomen barmhartigheid. Maar er waren hun geen beloften gedaan in en door een bijzonder geopenbaard verbond. Barmhartigheid komt dus tot hen uit de overstromingen van Gods genade. En dat maakt haar dubbel kostbaar.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!