More Pearls from Philpot — Looking Down into a Filthy Pit (Part 1 of 2)
Soms zijn wij zo verbaasd … over wat wij zijn, over wat wij geweest zijn of waartoe wij in staat zijn.
Wij staan soms stil om naar ons hart te kijken en zien dan wat daar kookt en borrelt en bruist! Wij kijken ernaar met verontwaardigde verbazing, zoals wij zouden kijken in een poel van vuile zwarte modder die krioelt en leeft van allerlei afschuwelijke wezens!
Zo is het ook wanneer een mens zijn eigen hart bekijkt … de vreselijke huichelarij, de gemene opstandigheid, de beangstigende bedrieglijkheid en de wanhopige boosheid ervan, en waartoe zijn hart in staat is aan plannen smeden en aan kwaad bedenken en verzinnen. Dan is het alsof hij neerkeek in een vuile put. Met verbazing vermengd met zelfverafschuw ziet hij wat zijn hart is: de bron van alle ongerechtigheid.
Een mens moet enige kennis van zijn eigen hart hebben om zulke taal te begrijpen.
U die zo buitengewoon “vroom” bent en zo “bijzonder goed” en bij wie de sluier nooit van het hart is weggenomen om u te tonen wat u bent, denkt misschien dat ik een karikatuur teken van de menselijke natuur en haar afschilder als de schuilplaats van dieven en hoeren.
Kon de sluier maar van uw hart worden weggenomen! Dan zou u zien dat u in staat was tot al die goddeloosheid die anderen hebben bedreven of kunnen bedrijven!
Door dit zicht op onszelf leren wij wat een wonderlijke God wij te maken hebben. Niemand waardeert de genade van God zo zeer als zij die het diepst worden geleid in de kennis van de val en van de verwoesting en het verderf en de schuld en ellende die zij in ons eigen hart heeft gebracht.
Het grootste stuk van de zoetgesuikerde taart
en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. (Hebreeën 11:13)
Velen belijden dat zij vreemdelingen en pelgrims zijn hier beneden. Maar zij zorgen ervoor zoveel van de gemakken van deze wereld te hebben als zij maar bij elkaar kunnen schrapen met alle mogelijke middelen.
Zij praten over “vreemdelingen” en kunnen toch innig bevriend zijn met mensen van de wereld. En als u hen zag op de beurs, op de markt, achter de toonbank of thuis met hun gezin, dan zou u niet één kenmerk vinden waarmee zij zich van de goddelozen onderscheiden!
Toch komen zij naar de kapel. En als zij gevraagd worden te bidden, vertellen zij de mensen dat zij “arme vreemdelingen en pelgrims in een dal van tranen” zijn. Maar al die tijd is hun hart in de wereld. Hun ogen puilen uit van vet en zij zijn zo luchtig en oppervlakkig als een toneelkomiek. Zij hebben geen andere zorg dan het grootste stuk van de zoetgesuikerde taart te krijgen die de wereld hun voorzet!
Niet de “louter lippenbelijdenis” maakt iemand tot een vreemdeling en pelgrim maar de “genade in het hart”.
Gods volk zijn vreemdelingen en bijwoners. De wereld is hun thuis niet en zij kunnen er geen behagen in scheppen. De zonde is vaak een last voor hen. De schuld ligt vaak als een zwaar gewicht op hun consciëntie. Duizend moeiten kwellen hun gemoed en duizend verlegenheden drukken hun ziel. Zij kunnen hun gedachten niet begraven in zaken en al hun geluk putten uit hun successen. Want zij voelen dat deze aarde hun thuis niet is. Zij zijn vaak neergeslagen en worstelen omdat zij met zo’n goddeloos hart in zo’n goddeloze wereld moeten leven.
en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. (Hebreeën 11:13)
De dingen die mensen verachten
want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God. (Lukas 16:15)
De hoogmoed, de eerzucht, de genoegens en de vermaken waarin wij duizenden en tienduizenden zien opgaan, terwijl zij de stroom af varen naar een vreselijke afgrond van de eeuwigheid, zijn allemaal een gruwel in de ogen van God!
Maar de dingen die mensen verachten, zoals … geloof, hoop en liefde, nederigheid en een gebroken hart, een tere consciëntie en een verslagen geest, droefheid over de zonde en zelfverachting, zelfvernedering en opzien tot Jezus, het kruis opnemen en zichzelf verloochenen, en wandelen op het smalle pad dat leidt tot het eeuwige leven: dit alles wordt door allen veracht. En door niemand zo sterk als door louter verstandelijke godsdienstige belijders die de naam hebben dat zij leven terwijl zij dood zijn.
want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God. (Lukas 16:15)
Kunnen zij dit monster terugdrijven naar zijn vuile hol?
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn (Psalm 119:117)
Het volk van de Heere is een verzocht volk. De satan staat voortdurend aan hun poort te wachten. Hij fluistert hun voortdurend alle hatelijke en onbetamelijke gedachten in. Hij stookt onophoudelijk de opstand en de vijandschap van hun vleselijke gezindheid aan en kwelt, tergt en belegert hen op duizend manieren!
Kunnen zij hem terugdrijven?
Kunnen zij dit monster terugdrijven naar zijn vuile hol?
Kunnen zij deze leviatan terugdrijven? Dat kunnen zij niet. Zij voelen dat zij het niet kunnen. Zij weten dat niets dan de stem van Jezus, die innerlijk met kracht tot hun ziel spreekt, de leeuw van de bodemloze put kan terugdrijven! Eén gefluister, één zacht woord van de lippen van Zijn genadige Majesteit kan en zal elke verzoeking op de vlucht jagen!
vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland (Jesaja 43:1-3)
Wanneer de wereld komt in de gedaante van een vriend
hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen. (Johannes 16:33)
Laat dit niet zien dat de wereld een vijand is van de Heere en van het volk van de Heere? En nooit is zij zozeer een vijand en nooit is zij zozeer te vrezen als wanneer zij komt in de gedaante van een vriend. Wanneer zij … zich in uw hart sluipt, uw gedachten in beslag neemt, uw genegenheden wint en uw gemoed van God afleidt, dan is zij te vrezen.
Wanneer de wereld ons als vijand slaat, zijn haar slagen niet te vrezen. Wanneer zij ons als vriend toelacht, is zij het meest te vrezen.
Als onze ogen haar beginnen in te drinken, onze oren naar haar stem gaan luisteren, onze harten verstrikt raken in haar bekoringen, onze gemoederen zich vullen met haar zorgen en onze genegenheden zich van de Heere afkeren en zich hechten aan de dingen van de tijd en van de zintuigen, dan is de wereld te vrezen.
Kanaänitische afgoden en heidense gruwelen
hun altaren zult gij afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden. (Deuteronomium 7:5)
Ons hart is van nature vol Kanaänitische afgoden en heidense gruwelen die verwoest moeten worden!
Er zijn begeerten naar het kwade, overspelige voorstellingen, afgodische verlangens en sterk hunkeren naar de zonde. Daarbij komt het kwaad dat de brutaliteit heeft een godsdienstig kleed te dragen, zoals … hoogdravende gedachten over ons eigen vermogen, behaaglijke dromen van heiligheid van schepselen en opzwellingen van hoogmoed. Alles opgetuigd en beschilderd in alle opzichtige kleuren van satanisch bedrog. Hoe kunnen deze gruwelen toch worden toegelaten om te woekeren in het menselijk hart?
De altaren en de godsdienstige gebruiken van de Kanaänieten moesten even zeker verwoest worden als hun afgoden! Zo kunnen wij zeggen van dat zeer godsdienstige wezen, de mens, dat zijn valse eredienst en zijn heidense denkbeelden over God verwoest moeten worden, evenals zijn grovere maar niet gevaarlijker begeerten en gruwelen.
Het vonnis over beide luidt: “Verdoe ze!” Zij mogen niet naast Immanuël blijven staan. Hij moet in alle dingen de voorrang hebben en Hij is de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste.
En o, wat een genade is het dat zowel onze VLEESELIJKE als onze GODSDIENSTIGE gruwelen worden verwoest! Want ik weet zeker dat God en het zelf nooit in hetzelfde hart kunnen heersen. Christus en de duivel kunnen nooit in dezelfde boezem regeren en elk de oppermacht opeisen!
Deze innerlijke strijd
Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. (Romeinen 7:18)
Dit nu is wat het volk van de Heere zo’n beladen volk maakt. Het maakt hen in hun ziel zo bedrukt dat zij dagelijks en soms ieder uur tegen zichzelf uitroepen dat zij zijn wat zij zijn. Zij willen geestelijk zijn maar zijn vleselijk. Zij willen heilig zijn maar zijn onheilig. Zij willen zoete gemeenschap met Jezus hebben maar hebben zo’n zinnelijke band met de dingen van de tijd en van de zintuigen. Zij willen christenen zijn in woord, gedachte en daad. Maar ondanks alles voelen zij hoe hun vleselijke gezindheid en hun ellendige verdorvenheid zich door elkaar vlechten en strengelen en naar buiten stromen. Met hun onreine stroom besmetten zij alles buiten hen en in hen. Daarom moeten zij zuchten en kreunen en beladen uitroepen: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:24)
Hij zou in deze strikken niet verstrikt willen zijn voor tienduizend werelden. Hij haat het kwaad van zijn hart en treurt over de verdorvenheden van zijn natuur. Zij doen de tranen uit zijn ogen vallen en het snikken uit zijn borst opstijgen. Zij maken hem tot een ellendig mens en vervullen hem dag na dag met droefheid, bitterheid en angst.
Alleen een behouden ziel kan onder goddelijk onderwijs dit kwaad zien. Alleen zij kan treuren en zuchten onder de verdorvenheid, het bederf, het ongeloof, de vleselijkheid, de boosheid en de bedrieglijkheid van zijn boze hart. Deze innerlijke strijd, dit zware leed en deze innerlijke last waarmee heel het gezin van God wordt geplaagd, is een bewijs dat het leven en de genade van God in hun boezem zijn.
Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere. (Romeinen 7:25)
Wie kent het?
Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? (Jeremia 17:9)
Zonder kennis van de verdorvenheden en het overvloedige kwaad van ons arglistige en dodelijke hart … ongeloof en goddeloosheid, hoogmoed en huichelarij, werelds gezind zijn en vleselijkheid, zinnelijkheid en zelfzucht … zal er geen nederigheid zijn en geen walging van onszelf. Er zal geen vrees zijn om te vallen en geen verlangen om bewaard te worden. Ook zal er geen kennis zijn van de overvloed van genade boven de overvloed van zonde.
Zo veel waarlijk oprechte en godsdienstige mensen
Godzalig en vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende. (Handelingen 10:2)
Toch waren Cornelius en zijn huis niet zalig! (Handelingen 11:14)
– Een milde hoofdman bouwt een synagoge. (Lukas 7:3-5)
– Een jongeman onderhoudt de geboden van zijn jeugd af. (Lukas 18:21)
– Bileam profeteert. (Numeri 23:16)
– Saul weent. (1 Samuël 24:17)
– Judas predikt het evangelie. (Mattheüs 10:5-8)
Toch was niemand van deze mannen zalig!
Het kan soms het hart vervullen met verbazing en droefheid tegelijk om zo veel waarlijk oprechte en godsdienstige mensen te zien wier godsdienst hen tekort zal laten komen van het eeuwige leven omdat zij verstoken zijn van zaligmakende genade.
Zoveel … beminnelijkheid en welwillendheid, toewijding en zelfverloochening, vrijgevigheid en innemend karakter, oprechtheid en een consequent leven zien stukslaan tegen de rots van de onbuigzame gerechtigheid! Het wordt daar verbrijzeld en gaat verloren. Het wordt met zijn ongelukkige bezitters verzwolgen in de woedende golven beneden. Zo’n gezicht zou ons, als wij niet wisten dat de Rechter van de hele aarde geen onrecht kan doen, inderdaad doen wankelen tot in het diepst van ons wezen!
Ziek van de ZONDE, ziek van het ZELF, ziek van de WERELD
En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten. (Psalm 37:4)
Van nature vermaken wij ons in de ZONDE. Zij is het eigenlijke element van onze natuur. Zelfs nadat de Heere ons door Zijn genade heeft geroepen en door Zijn Geest levend heeft gemaakt, is dezelfde liefde tot de zonde in het hart als tevoren. Wij vermaken ons erin. Wij zouden er graag in rondwentelen, er volop van genieten en erin zwemmen zoals een vis zwemt in het water van de zee!
Van nature neigen wij ook tot AFGODERIJ. Het zelf is het grote voorwerp van al onze zinnelijke en vleselijke aanbidding. Onze eigen verhoging, ons eigen vermaak, ons eigen genot, onze eigen bevrediging. Iets waardoor het ZELF … gevleid, bewonderd, aanbeden en verblijd kan worden, is het grote doel en streven van de natuurlijke aanbidding van de mens.
Van nature vermaken wij ons ook in de WERELD. Zij is … ons element, ons thuis, waarmee onze vleselijke harten innig vermengd zijn. Van al deze dingen die in wezen kwaad zijn en die een zuivere en heilige God met volstrekte afschuw moet haten, moeten wij gespeend en doeltreffend gescheiden worden. Wij moeten ze bitter gemaakt krijgen.
Al die tijd dat wij het zelf eer en aanbidding brengen, de wereld liefhebben, ons in de zonde vermaken en afgoden oprichten in de geheime kamers van onze verbeelding, vermaken wij ons niet in de Heere.
Wij kunnen ons niet in de Heere vermaken voor wij gereinigd zijn van de liefde tot het schepsel. Dat is pas zo wanneer de afgoderij van ons hart niet alleen openbaar wordt maar gehaat en verafschuwd wordt. Daartoe worden wij gebracht door … snijdende verzoekingen, scherpe oefeningen, pijnlijke verlegenheden en velerlei smarten, totdat wij … ziek zijn van de ZONDE, ziek van het ZELF en ziek van de WERELD.
Zolang wij onszelf niet gaan verafschuwen, zijn wij niet gebracht op die plek waar niemand dan God Zelf de ziel kan troosten, behagen of werkelijk gelukkig maken.
De middelen die God gebruikt om ons de wereld te verbitteren zijn juist snijdende en smartelijke beschikkingen. Dat zijn onverwachte tegenslagen in ons fortuin of kwalen van lichaam, gezin of ziel. Maar dezelfde middelen die de Heere gebruikt om onze vleselijke band met de wereld te verbreken, wekken het zelfmedelijden, het morren, het gemopper en de opstandigheid van onze natuur op. Zo denken wij dat wij heel hard worden behandeld doordat wij op dit zware pad moeten wandelen.
Maar alleen door deze snijdende beschikkingen worden wij uiteindelijk gebracht om ons te vermaken in Hem Die ons de begeerten van ons hart zal geven.
Hoe lang u op dit pijnlijke pad zult wandelen, hoe zwaar uw beproevingen zullen zijn, hoe lang zij zullen duren, hoe diep u moet wegzinken en hoe snijdend uw lijden van lichaam of ziel zal zijn, heeft God niet bepaald en kunnen wij niet bepalen. Maar zij moeten werken totdat zij dit resultaat hebben bereikt. Zij moeten ons spenen, scheiden en afzonderen van alles wat wij van nature liefhebben en afgodisch aanhangen en van alles waarachter wij overspelig aan zwerven. Als onze beproevingen dit niet hebben gedaan, moeten zij doorgaan totdat zij dat effect hebben.
De last moet op de rug worden gelegd, het lijden moet het gemoed beproeven en verlegenheden moeten de voeten belemmeren, totdat wij zover zijn gebracht dat niemand dan de Heere Zelf ons hart kan troosten of ons de innerlijke vrede en vreugde kan geven waarnaar onze ziel leert hunkeren. Dat gebeurt door een smaak van Zijn stervende liefde.
Honderd leerstellingen die in het hoofd zweven
Door vijf minuten echte gemeenschap met de Heere … leren wij meer, weten wij meer, ontvangen wij meer, voelen wij meer en ervaren wij meer dan door duizend jaar louter de Schrift te bestuderen of uiterlijke vormen, riten en ceremoniën te gebruiken.
Eén waarheid die door de Geest in het hart is geschreven, brengt meer vrucht voort in het leven dan honderd leerstellingen die in het hoofd zweven.
Hoe diep wij ook zinken
Wat een genade is het een getrouwe, genadige en medelijdende Hogepriester te hebben Die kan meevoelen met Zijn arme, beproefde en verzochte gezin! Zo kan, hoe diep wij ook zinken … Zijn meelijdend oog ons zien in onze lage staat, Zijn genadig oor onze kreten horen, Zijn liefdevol hart over ons smelten en Zijn sterke arm ons rukken uit ons verderf!
O, wat zouden wij doen zonder zo’n genadige en zo passende Zaligmaker als onze gezegende Jezus! Hoe lijkt Hij steeds hoger te rijzen … in onze schatting, in onze gedachten, in onze verlangens en in onze genegenheden naarmate wij zien en voelen … wat een wrak en puinhoop wij zijn, welke vreselijke verwoesting de zonde in ons heeft aangericht en wat ellendige verstotelingen wij van nature zijn.
Maar o, wat is het nodig, beste vriend, in onze ziel neergebracht te worden om de … voornaamste van de zondaars te zijn, vuiler dan de vuilste en slechter dan de slechtste. Zo kunnen wij waarlijk geloven in deze zeer kostbare en passende Zaligmaker en Hem aanhangen!
Uw liefhebbende in de Heere, J. C. Philpot, 1 oktober 1868
Niets dan een slaaf!
dat gij wel dienstknechten der zonde waart (Romeinen 6:17)
Wat een beeld tekent dit van onze droevige toestand toen wij wandelden in de duisternis en de dood van de onwedergeboortheid!
De Heilige Geest stelt hier de Zonde voor als een harde meester die tirannieke heerschappij voert over zijn slaven! Hoe beeldt dit onze staat en toestand uit in de onwedergeboorte: slaven van de zonde!
Zoals een meester zijn slaaf beveelt hierheen en daarheen te gaan, hem zekere taken oplegt en volledig en willekeurig gezag over hem heeft, zo had de zonde … volledige heerschappij over ons. Zij gebruikte ons naar haar eigen willekeur en genoegen en dreef ons heen en weer op haar bevel.
Maar hierin verschilden wij van lichamelijke slaven dat wij onder ons juk niet mopperden maar alle bevelen van de zonde graag en vrolijk gehoorzaamden en nooit moe werden van het meest slaafse zwoegen!
Zo hebben sommigen de zonde gehad als een zeer ruwe en tirannieke meester die hen dreef tot openlijke daden van dronkenschap, onreinheid en losbandigheid, ja tot alles wat laag, gemeen en slecht is.
Anderen zijn door opvoeding, door de waakzaamheid en het voorbeeld van ouders of door andere zedelijke beperkingen bewaard gebleven voor zulke openlijke uitersten van ongerechtigheid en voor het uiterlijk uitbreken van het kwaad. Maar toch regeerde de zonde heimelijk in hun hart. Hoogmoed, wereldsgezindheid, liefde voor de dingen van de tijd en van de zintuigen, haat tegen God en afkeer van Zijn heilige wil, zelfzucht en koppigheid in al hun gedaanten hadden volledige heerschappij over hen! En hoewel de zonde over hen regeerde als een heer, hield hij hen in een verfijndere maar niet minder echte of volstrekte slavernij. Wat de zonde hun ook gebood, dat deden zij, even onvoorwaardelijk als de laagste slaaf ooit het bevel van een tirannieke meester gehoorzaamde.
Wat een beeld tekent de Heilige Geest hier van wat een mens is! Niets dan een slaaf! En de zonde, zijn meester, drijft hem eerst op Gods zwaard en geeft hem dan de eeuwige dood als loon!
Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde (Kolossenzen 1:13)
Een heerlijkheid, een schoonheid en een zoetheid
Wat is het zoet de hand van de Heere in de voorzienigheid na te speuren … terug te kijken op het wisselvallige pad waarlangs Hij ons heeft geleid, te zien hoe Zijn hand ons ten goede is geweest, door welke moeilijkheden Hij ons heen heeft gebracht, in welke nood Hij is verschenen, hoe Hij in de zwaarste dingen redding heeft gewrocht en hoe Hij ons tot op dit uur heeft ondersteund.
Wat zijn voorzienige gunsten zoet wanneer zij komen met dit opschrift gestempeld: “Dit is van de Heere!” Hoe kostbaar wordt elke tijdelijke barmhartigheid, zelfs ons eten, onze woning en onze kleding!
Hoe zoet is het kleinste ding wanneer het tot ons komt als uit Gods handen! Een mens kan de zoetheid van zijn dagelijks brood niet kennen voor hij ziet dat God het hem geeft. Hij kent evenmin de zaligheid van enige beschikking van de voorzienigheid voor hij kan zeggen: “God heeft dit voor mij gedaan en mij dat gegeven.” Wanneer een mens de voorzienigheid van God gestempeld ziet op elke handeling van het leven, werpt dat een heerlijkheid, een schoonheid en een zoetheid over elke dag van zijn leven!
Niets hebbende en toch alles bezittende
als niets hebbende, en nochtans alles bezittende (2 Korinthe 6:10)
Hoe kan deze schijnbare tegenstrijdigheid worden verzoend?
Zij wordt zo opgelost: niets hebbende in onszelf en alles bezittende in Christus.
En juist in de mate waarin ik uit bevinding niets in mijzelf heb, bezit ik alles in Christus.
Mijn eigen bedelarij leidt mij uit mijzelf naar Zijn rijkdom.
Mijn eigen onrechtvaardigheid leidt mij uit mijzelf naar de gerechtigheid van Christus.
Mijn eigen bevlekking leidt mij uit mijzelf naar de heiliging van Christus.
Mijn eigen zwakheid leidt mij uit mijzelf naar de kracht van Christus.
Mijn eigen ellende leidt mij uit mijzelf naar de barmhartigheid van Christus.
als niets hebbende, en nochtans alles bezittende (2 Korinthe 6:10)
Deze twee takken van de goddelijke waarheid botsen niet met elkaar maar harmoniëren lieflijk, heerlijk en gezegend. En juist in de mate waarin wij geestelijk, bevindelijk en levend weten van niets hebbende in onszelf, zullen wij geestelijk, bevindelijk en levend weten van alles bezittende in Christus.
Rijkdom, eer en gemak
Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten (2 Korinthe 4:7)
Hoe anders is de schatting die de christen maakt van rijkdom, eer en gemak dan die van de wereld en het vlees!
Het idee van de wereld over rijkdom is alleen wat bestaat uit goud en zilver, huizen, land of ander tastbaar bezit.
De schatting van de wereld over eer is alleen wat mensen kunnen schenken.
De opvatting van de wereld over gemak is doende den wil des vleses en der gedachten (Efeze 2:3).
Maar de ware christen denkt hier anders over en voelt dat … de enige ware rijkdom die van Gods genade in het hart is, de enige werkelijke eer die is welke van God komt en het enige degelijke gemak datgene is wat de Heilige Geest meedeelt aan een gebroken en verslagen geest.
Naarmate wij vervuld zijn van de Geest van God, zullen wij de schatting van het geloof hebben over rijkdom, eer en gemak. En naarmate wij doordrenkt zijn van de geest van de wereld, zullen wij de schatting van het vlees over deze dingen hebben.
Toen het oog van de wereld de apostelen aanzag, zag het hen als een gezelschap van arme onwetende mannen, een stel dwepers die het land doortrokken en Jezus predikten van Wie zij zeiden dat Hij gekruisigd was en uit de doden was opgestaan. Het natuurlijke oog zag geen schoonheid, geen kracht en geen heerlijkheid in de waarheden die zij brachten. Het zag ook niet dat de arme vergankelijke lichamen van deze verstoten mannen een hemelse schat bevatten. Het zag niet dat zij eens zouden stralen als de sterren voor eeuwig en altijd, terwijl wie hun woord verachtten zouden wegzinken in eindeloos wee.
De geest van de wereld kan de dingen van de eeuwigheid nooit begrijpen of liefhebben. Hij kan alleen naar de arme vergankelijke dingen van de tijd en van de zintuigen kijken en alleen daarop rusten.
Het voortdurende onderwijs van de Geest
Wanneer wij door de werking van de Geest op onze consciëntie zijn ontdaan van … vormendienst, bijgeloof, eigengerechtigheid, huichelarij, aanmatiging en de andere zinsbegoochelingen van het vlees die zich verbergen onder het masker van godsdienst, hebben wij het verschil gevoeld. Dan voelden wij het verschil tussen de naam hebben dat men leeft terwijl men dood is en de kracht van levende godzaligheid. En naarmate een mate van goddelijk leven in het hart is gevloeid uit de volheid van de Zoon van God, verlangen wij geen andere godsdienst dan die welke staat in de kracht van God. Alleen daardoor kunnen wij leven en alleen daardoor voelen wij dat wij kunnen sterven.
En eindelijk worden wij gebracht tot deze overtuiging en plechtige slotsom: er is geen andere ware godsdienst dan die welke bestaat in het voortdurende onderwijs van de Geest en de mededelingen van het leven van God aan de ziel.
Met het onderwijs van de Geest zijn verbonden … alle werkingen van het geloof in de ziel, alle verankeringen van de hoop in het hart en alle uitstromen van de liefde. Ook elke traan van oprecht berouw die langs de wangen vloeit, elke zucht van godvruchtige droefheid die uit de borst opstijgt, elke kreet en kreun vanwege het lichaam van de zonde en elke ademtocht van geestelijk gebed uit het hart horen daarbij. Dat geldt evenzo voor elk werpen van onze ziel op Christus, alle onderwerping aan Hem, alle gemeenschap met Hem, alle genieten van Hem en alle innerlijke omhelzingen van Hem in Zijn geschiktheid en kostbaarheid.
Het zal binnenkomen door elke kier en spleet!
Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont (Romeinen 7:18)
De wereld in ons is tienduizend keer erger dan de wereld buiten ons!
Wij kunnen onze deuren sluiten en grendelen en de wereld buiten ons buitensluiten. Maar de wereld in ons kan zo niet buitengesloten worden! Meer nog: wij zouden ons kunnen verbergen in een kluizenaarsgrot en nooit meer het gezicht van een mens zien. Toch zouden wij daar even vleselijk en werelds zijn alsof wij in Kermis van de IJdelheid woonden!
Wij kunnen de wereld niet buitensluiten. Zij komt binnen door elke kier en spleet! Deze ellendige wereld dringt zich op in elke gedachte en elk beeld van onze verbeelding!
Ik weet niet hoe het bij u is. Maar ik heb niet meer macht om het werken van de zonde in mijn hart buiten te houden dan ik macht heb om met mijn opgeheven hand de regen tegen te houden die op de aarde neerdaalt! De zonde zal binnenkomen door elke scheur en spleet en zich openbaren in de ellendige werkingen van een boos hart!
De zaden van elke misdaad zijn in onze natuur. Daarom zou er, als uw vlees vrij spel had, in Londen geen verdorvener ellendeling zijn dan u!
Om de duivel eindelijk te bedriegen!
Als God uw meester niet is, zal de duivel het zijn.
Als de genade niet regeert, zal de zonde heersen.
Als Christus niet uw alles in allen is, zal de wereld het zijn.
Het is niet zo dat wij in volkomen vrijheid kunnen rondzwerven. Wij moeten een meester hebben van de ene of de andere soort.
En wat is het beste?
Een milde en welwillende Weldoener, een barmhartige en tedere Ouder, een goede en vergevende Vader en Vriend, een teerhartige en medelijdende Verlosser?
OF
Een wrede duivel, een ellendige wereld, een boos, gemeen en afschuwelijk hart?
Wat is beter?
Te leven onder de zoete drang van de stervende liefde van een dierbare Verlosser, onder … evangelische invloeden, evangelische beginselen, evangelische beloften en evangelische bemoedigingen?
OF
Te wandelen in een ingebeelde vrijheid met de zonde in ons hart, die daar heerschappij en meesterschap uitoefent en ons met ijzeren ketenen bindt aan het oordeel van de grote dag?
Zelfs als wij alleen het tegenwoordige leven nemen, is er meer echt genoegen, voldoening en degelijk geluk in een half uur met God. Dat geldt voor zoete vereniging en gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid, voor het lezen van Zijn Woord met een gelovig hart en voor toegang vinden tot Zijn heilige tegenwoordigheid. Ook het enigszins kennen van het druppelen van Zijn gunst en barmhartigheid geeft meer dan … alle genoegens van de zonde, alle lusten van het vlees, alle hoogmoed van het leven en alle vermaken die de wereld ooit heeft bedacht om de tijd te doden en zichzelf te bedriegen. Men denkt dan met een berouw op het sterfbed eindelijk de duivel te bedriegen!
Zo zegt de Heere
Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt! (Jeremia 17:5)
De Heere legt hier niet het zedelijke of onzedelijke karakter van een mens neer als toets voor zaligheid. Hij zegt niet: “Vervloekt is … de dief, de overspeler, de afperser, de moordenaar, de man die in openlijke goddeloosheid leeft.”
Hij laat dat alles terzijde en richt Zijn oog en legt Zijn hand op één kenmerk dat kan bestaan bij de grootste zedelijkheid en bij de hoogste belijdenis van godsdienst.
“Ik zal u zeggen,” zegt de Heere, “wie onder Mijn vloek zijn: de mens die op een mens vertrouwt, die vlees tot zijn arm stelt en daardoor met zijn hart van Mij afwijkt.”
Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt! (Jeremia 17:5)
Die afschuwelijke afgod ZELF in zijn kleine heiligdom
en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God. (Hosea 14:4)
De hoofdzonde van Israël was het aanbidden van afgoden.
Misschien bent u wel eens in het Britse Museum geweest en hebt u de afgoden gezien die vroeger op de Zuidzee-eilanden werden aanbeden. Dan hebt u zich verbaasd dat redelijke wezens zich ooit konden neerbuigen voor zulke lelijke monsters.
Maar verschilt het hart van een Zuidzee-eilander van het hart van een Engelsman? Helemaal niet! Deze laatste heeft misschien meer beschaving en ontwikkeling maar zijn hart is hetzelfde! En hoewel u zich niet hebt neergebogen voor zulke monsterlijke voorwerpen en afschuwelijke beelden, kan er in uw hart een even vuile afgod zijn. Waar is een vuilere afgod dan de begeerten en hartstochten van de gevallen natuur van de mens?
U hoeft niet naar het Britse Museum te gaan om vuile afgoden en beschilderde beelden te zien. Kijk binnenin!
Waar is een lagere en kruipender afgod dan Mammon en de hebzucht van ons hart? U hoeft zich niet te verbazen over heidenen die afschuwelijke afgoden aanbidden wanneer u hoogmoed en hebzucht hebt en bovenal die afschuwelijke afgod ZELF in zijn kleine heiligdom. Hij verbergt zich voor de ogen van de mensen maar u brengt hem zo vaak uw dagelijkse en uurlijkse eredienst!
Als iemand niet ziet dat de wortel van alle afgoderij het ZELF is, weet hij weinig van zijn hart.
Zo’n voortdurende en onophoudelijke strijd?
Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:15, 18-19, 21, 24)
Wat een beeld van wat zich afspeelt in de boezem van een godvrezend mens! Hij heeft in zich twee onderscheiden beginselen, twee verschillende naturen. De ene is … heilig, hemels en geestelijk. Zij hijgt naar de Heere en vindt in de dingen van God haar element.
En toch is er in dezelfde boezem een beginsel dat … totaal verdorven is, grondig en geheel bedorven. Het strijdt voortdurend tegen het heilige beginsel binnenin en begeert onophoudelijk het kwaad. Het is gekant tegen elke leiding van de Geest in de ziel en probeert tegen elke prijs zijn vuile begeerten te bevredigen!
Moet er nu niet een gevoel van ellende zijn in de boezem van een mens wanneer deze twee legers voortdurend met elkaar strijden? Wanneer hij het goede wil doen, ligt het kwade hem bij. Wanneer hij heilig zou willen zijn, hemels gezind, teerhartig en liefdevol, op zoek naar Gods eer en genietend van zoete gemeenschap met Jehova, is er een laag, zinnelijk, aards hart voortdurend aan het werk. Het giet zijn verderfelijke vergif in elke gedachte, werkt elk verlangen tegen en sleept hem van de hemel waarheen hij zou opstijgen neer naar de hel van vleselijkheid en vuil.
Er is een heilig, hemels beginsel in de boezem van een mens dat God kent, vreest, liefheeft en zich in Hem verblijdt. Toch vindt hij die zonde in zichzelf die geheel tegen de gezindheid van Christus is en die begeert wat hij haat. Moet er geen droefheid en leed zijn in de boezem van die man om zo’n voortdurende en onophoudelijke strijd te voelen?
Wordt deze jammerlijke kreet u ooit door schuld, schaamte en droefheid uit de boezem geperst: “O, ik ellendig mens!” Zo niet, wees er dan van overtuigd dat u dood bent in de zonde of dood in een belijdenis.
Maar wie is onze grootste vijand?
De hoogmoed van ons hart, de aanmatiging van ons hart, de huichelarij van ons hart en de intense zelfzucht van ons hart zijn vaak voor ons verborgen.
Deze listige duivel, het zelf, kan zulke maskers dragen en zulke vormen aannemen.
Deze slang, het zelf, kan zo kruipen en glibberen, zo draaien en keren en zich zo vermommen onder valse schijn dat hij vaak voor onszelf verborgen blijft.
Wie is de grootste vijand die wij moeten vrezen?
Wij hebben allemaal onze vijanden.
Maar wie is onze grootste vijand?
Hij die u in uw eigen boezem draagt, uw dagelijkse, uurlijkse en altijd aanwezige metgezel die zich slingert om bijna elke gedachte van uw hart. Hij die … soms opzwelt van hoogmoed, soms ontvlamt van begeerte, soms opblaast van aanmatiging en soms werkt onder gehuichelde nederigheid en vleselijke heiligheid.
God is vastbesloten de trots van menselijke glorie te bevlekken. Hij zal nooit toestaan dat het zelf, dat slechts een ander woord is voor het schepsel, de kroon van de overwinning draagt. Het moet worden gekruisigd, verloochend en gedood.
Dit zelf moet nu worden overwonnen. De weg om het zelf te overwinnen is uit het zelf weg te zien naar Hem Die aan de boom van Golgotha werd gekruisigd. Dan ontvangt u Zijn beeld in uw hart, wordt u bekleed met Zijn gelijkenis en drinkt u Zijn geest in en ontvangt u, naar het woord uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade (Johannes 1:16).
Wij hebben genade nodig, vrije genade
Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onzen Heere (2 Petrus 1:2)
Sometimes we are so astonished . . . at what we are, at what we have been, or at what we are capable of.
We stand sometimes and look at our heart, and see what a seething, boiling, and bubbling is there!
And we look at it with indignant astonishment, as we would look into a pool of filthy black mud, all swarming and alive with every hideous creature!
So when a man takes a view of his own heart . . . its dreadful hypocrisy, its vile rebellion, its alarming deceitfulness, its desperate wickedness, of what his heart is capable of plotting, of what evil it can conceive and imagine, it is as if he stood looking down into a filthy pit and saw with astonishment, mingled with self-abhorrence, what his heart is, as the fountain of all iniquity.
A man must have some knowledge of his own heart to understand such language as this.
You that are so exceedingly ‘pious’ and so ‘extra good’, and from whose heart the veil has never been taken away to show you what you are, will perhaps think that I am drawing a caricature of human nature, and painting it as the haunt of thieves and prostitutes.
Could you but have the veil taken off your heart, you would see that you were capable of doing all that wickedness that others have done, or can do!
By this sight of ourselves, we learn what a wonderful God we have to deal with! Surely none so highly prize the grace of God as those who are most led into a knowledge of the fall, and the havoc and ruin, and the guilt and misery which it has brought into our own hearts.
The largest slice of the well-sugared cake
“They confessed that they were strangers and pilgrims on the earth.” — Hebrews 11:13
Many profess that they are strangers and pilgrims here below. But they take care to have as much of this world’s comforts as they can scrape together by hook and by crook.
They talk about being ‘strangers’, yet can be in close friendship with men of the world. And could you see them at the exchange, at the market, behind the counter, or at home with their families—you would not find one mark to distinguish them from the ungodly!
Yet they come to chapel—and if called upon to pray, they will tell the people they are “poor strangers and pilgrims in a valley of tears”—while all the time their hearts are in the world—and their eyes stand out with fatness—and they are as light and trifling as a comic actor—and have no concerns except to get the largest slice of the well-sugared cake that the world sets before them!
It is not the ‘mere profession of the lips’—but ‘grace in the heart’, that makes a man a stranger and a pilgrim.
God’s people are strangers and sojourners—the world is not their home—nor can they take pleasure in it. Sin is often a burden to them—guilt often lies as a heavy weight upon their conscience—a thousand troubles harass their minds —a thousand perplexities oppress their souls. They cannot bury their minds in business and derive all their happiness from their successes, for they feel that this earth is not their home. They are often cast down and exercised, because they have to live with such an ungodly heart in such an ungodly world.
“They confessed that they were strangers and pilgrims on the earth.” — Hebrews 11:13
The things which men despise
“The things which are highly esteemed among men are an abomination in the sight of God!” — Luke 16:15
The pride, ambition, pleasures, and amusements, in which we see thousands and tens of thousands engaged —and sailing down the stream into a dreadful gulf of eternity—are all an abomination in the sight of God!
Whereas the things which men despise, such as . . . faith, hope, love, humility, brokenness of heart, tenderness of conscience, contrition of spirit, sorrow for sin, self-loathing, self-abasement, looking to Jesus, taking up the cross, denying one’s self, walking in the narrow path that leads to eternal life, —are despised by all—and by none so much as mere heady religious professors—who have a name to live, while dead.
“The things which are highly esteemed among men are an abomination in the sight of God.” — Luke 16:15
Can they beat back this monster to his filthy den?
“Hold me up, and I shall be safe!” — Psalm 119:117
The Lord’s people are a tempted people. Satan is ever waiting at their gate, constantly suggesting every hateful and improper thought—perpetually inflaming the rebellion and enmity of their carnal mind—and continually plaguing, harassing, and besieging them in a thousand ways!
Can they repel him? Can they beat back this monster to his filthy den?
Can they beat back this leviathan? They cannot—they feel they cannot. They know that nothing but the voice of Jesus, inwardly speaking with power to their souls, can beat back the lion of the bottomless pit! One whisper, one soft word from the lips of His gracious Majesty, can and will put every temptation to flight!
“Do not be afraid, for I have ransomed you. I have called you by name—you are Mine! When you go through deep waters and great trouble—I will be with you! When you go through rivers of difficulty—you will not drown! When you walk through the fire of oppression—you will not be burned up—the flames will not consume you. For I am the Lord, your God, the Holy One of Israel—your Savior!”
Isaiah 43:1-3
When it comes in the guise of a friend
“Be of good cheer, I have overcome the world.”
Does not this show that the world is an enemy to the Lord, and to the Lord’s people? and never so much an enemy—never to be so much dreaded—as when it comes in the guise of a friend. When it . . . steals upon your heart, engrosses your thoughts, wins your affections, draws away your mind from God, —then it is to be dreaded.
When the world smites us as an enemy—its blows are not to be feared. It is when it smiles upon us as a friend—it is most to be dreaded.
When our eyes begin to drink it in, when our ears begin to listen to its voice, when our hearts become entangled in its fascinations, when our minds get filled with its anxieties, when our affections depart from the Lord and cleave to the things of time and sense, —then the world is to be dreaded.
Canaanitish idols and heathenish abominations
“You shall destroy their altars, and break down their images, and cut down their groves, and burn their engraved images with fire!” — Deuteronomy 7:5
Our hearts are by nature full of Canaanitish idols and heathenish abominations, which must be destroyed!
Lusts after evil things, adulterous images, idolatrous desires, strong hankerings after sin— along with evils which have the impudence to wear a religious garb—such as . . . towering thoughts of our own ability, pleasing dreams of creature holiness, swellings up of pride—dressed out and painted in all the tawdy colors of Satanic delusion—how can these abominations be allowed to run rampant in the human heart?
The altarsand religious rites of Canaanites were to be destroyed as much as their idols! And thus we may say of that very religious being—man, that his false worship and heathenish notions of God must be destroyed—as well as his more flagrant, though not more dangerous, lusts and abominations.
The sentence against both is, “Destroy them!” They must not stand side by side with Immanuel, who is to have the preeminence in all things, and who is “the Alpha and the Omega—the first and the last.”
And O what a mercy it is to have both our FLESHLY and RELIGIOUS abominations both destroyed! For I am sure that God and self never can rule in the same heart—that Christ and the devil can never reign in the same bosom —each claiming the supremacy!
This inward conflict
“I know that nothing good lives in me—that is, in my sinful nature. For I have the desire to do what is good—but I cannot carry it out.” — Romans 7:18
Now it is this which makes the Lord’s people such a burdened people—that makes them so oppressed in their souls as to cry out against themselves daily, and sometimes hourly—that they are what they are —that they would be spiritual, yet are carnal—that they would be holy, yet are unholy—that they would have sweet communion with Jesus, yet have such sensual alliance with the things of time and sense— that they would be Christians in word, thought, and deed; yet, in spite of all, they feel their carnal mind, their wretched depravity intertwining, interlacing, gushing forth—contaminating with its polluted stream everything without and within—so as to make them sigh, groan, and cry being burdened, “What a wretched man I am! Who will rescue me from this body of death?”
Romans 7:24 He would not be entangled in these snares for ten thousand worlds—he hates the evils of his heart, and mourns over the corruptions of his nature. They make the tear fall from his eye, and the sob to heave from his bosom—they make him a wretched man—and fill him day after day with sorrow, bitterness, and anguish.
None but a saved soul, under divine teaching, can see this evil—and mourn and sigh under the depravity, the corruption, the unbelief, the carnality, the wickedness, and the deceitfulness of his evil heart.
This inward conflict, this sore grief, this internal burden, that all the family of God are afflicted with—is an evidence that the life and grace of God are in their bosoms.
“Thank God! The answer is in Jesus Christ our Lord! So you see how it is—in my mind I really want to obey God’s law, but because of my sinful nature I am a slave to sin.” — Rom. 7:25
Who really knows how bad it is?
“The human heart is most deceitful and desperately wicked! Who really knows how bad it is?” — Jeremiah 17:9
Without a knowledge of the corruptions and abounding evils of our deceitful and desperately wicked heart . . . unbelief, infidelity, pride, hypocrisy, worldly mindedness, carnality, sensuality, selfishness; there will be . . . no humility, no self loathing, no dread of falling, no desire to be kept, no knowledge of the super-aboundings of grace, over the aboundings of sin.
So many truly sincere and religious people
“Cornelius and all his family were devout and God-fearing; he gave generously to those in need and prayed to God regularly.” — Acts 10:2
Yet Cornelius and his family weren’t saved! (Acts 11:14) —A generous centurion build a synagogue. (Luke 7:3-5) —A young man keeps the commandments from his youth up. (Luke 18:21) —Balaam prophesies. (Numbers 23:16) —Saul weeps. (1 Samuel 24:16) —Judas preaches the gospel. (Matthew 10:5-8) Yet none of these men were saved!
It is at times, enough to fill one’s heart with mingled astonishment and sorrow, to see so many truly sincere and religious people, whose religion will leave them short of eternal life—because they are destitute of saving grace.
To see so much . . . amiability, benevolence, devotedness, self-denial, liberality loveliness of character, integrity, consistency of life, all inescapably dashed against the rock of inflexible justice, and there shattered and lost—swallowed up with its unhappy possessors in the raging billows beneath—such a sight, did we not know that the Judge of the whole earth cannot do wrong, would indeed stagger us to the very center of our being!
Sick of SIN, sick of SELF, sick of the WORLD
“Delight yourself in the LORD and He will give you the desires of your heart.” — Psalm 37:4
By nature we delight in SIN. It is the very element of our nature—and even after the Lord has called us by His grace and quickened us by his Spirit—there is the same love to sin in the heart as there was before.
We delight in it—we would wallow in it—take our full enjoyment of it—and swim in it as a fish swims in the waters of the sea!
By nature we also are prone to IDOLATRY. Self is the grand object of all our sensual and carnal worship.
Our own exaltation, our own amusement, our own pleasure, our own gratification.
Something whereby SELF may be . . . flattered, admired, adored, delighted, is the grand end and aim of man’s natural worship.
By nature we also delight in the WORLD. It is . . . our element, our home, what our carnal hearts are intimately blended with.
From all these things, then, which are intrinsically evil—which a pure and holy God must hate with absolute abhorrence—we must be weaned and effectually divorced—we need to have these things embittered to us.
All the time we are doing homage and worship to self—all the time we are loving the world—all the time we delight in sin—all the time we are setting up idols in the secret chambers of imagery—there is no delighting ourselves in the Lord.
We cannot delight ourselves in the Lord until we are purged of creature love—until the idolatry of our hearts is not merely manifested, but hated and abhorred—until by . . . cutting temptations, sharp exercises, painful perplexities, and various sorrows, we are brought to this state—to be . . . sick of SIN, sick of SELF, sick of the WORLD.
Until we are brought to loathe ourselves, we are not brought to that spot where none but God Himself can comfort, please, or make the soul really happy.
Now the very means that God employs to embitter the world to us are cutting and grievous dispensations—as unexpected reverses in fortune—or afflictions of body, of family, or of soul. But these very means that the Lord employs to divorce our carnal union from the world, stir up the self-pity, the murmuring, the peevishness, and the rebelliousness of our nature. So that we think we are being very harshly dealt with, in being compelled to walk in this trying path.
But only by these cutting dispensations we are eventually brought to delight ourselves in Him, who will give us the desires of our heart.
How long you shall be walking in this painful path— how heavy your trials—what their duration shall be—how deep you may have to sink—how cutting your afflictions may be in body or soul, God has not defined, and we cannot.
But they must work until they have produced this result— weaned, divorced, and separated us from all that we naturally love and idolatrously cleave unto—and all that we adulterously roam after. If our trials have not done this, they must go on until they produce that effect.
The burden must be laid upon the back, affliction must try the mind, perplexities must encumber the feet, until we are brought to this point—that none but the Lord Himself, with a taste of His dying love, can comfort our hearts, or give us that inward peace and joy which our soul is taught to crave after.
A hundred doctrines floating in the head
By five minutes real communion with the Lord . . . we learn more, we know more, we receive more, we feel more, and we experience more than by a thousand years of merely studying the Scriptures, or using external forms, rites, and ceremonies.
One truth written by the Spirit in the heart, will bring forth more fruit in the life, than a hundred doctrines floating in the head.
However low we may sink
What a mercy it is to have a faithful, gracious, and compassionate High Priest who can sympathize with His poor, tried, tempted family—so that however low we may sink . . .
His piteous eye can see us in our low estate, His gracious ear hear our cries, His loving heart melt over us, and His strong arm pluckus from our destructions!
Oh, what would we do without such a gracious and most suitable Savior as our blessed Jesus! How He seems to rise more and more . . . in our estimation, in our thoughts, in our desires, in our affections, as we see and feel . . . what a wreck and ruin we are, what dreadful havoc sin has made with us, what miserable outcasts we are by nature.
But oh, how needful it is, dear friend, to be brought down in our soul to be the . . . chief of sinners, viler than the vilest, worse than the worst, that we may really and truly believe in, and cleave unto, this most precious and suitable Savior! Yours affectionately in the Lord, J. C. Philpot, October 1, 1868
Nothing but a slave!
“Once you were slaves of sin!” — Romans 6:17
What a picture does this draw of our sad state, while walking in the darkness and death of unregeneracy!
The Holy Spirit here sets forth Sin as a harsh master, exercising tyrannical dominion over his slaves! How this portrays our state and condition in a state of unregeneracy—slaves to sin!
Just as a master commands his slave to go here and there—imposes on him certain tasks—and has entire and despotic authority over him—so sin . . . had a complete mastery over us, used us at its arbitrary will and pleasure, drove us here and there on its commands.
But in this point we differed from physical slaves— that we did not murmur under our yoke—but gladly and cheerfully obeyed all sin’s commands—and never tired of doing the most servile drudgery!
Thus some have had sin as a very vulgar and tyrannical master, who drove them into open acts of drunkenness, uncleanness, and profligacy—yes, everything base, vile, and evil.
Others have been preserved through education, through the watchfulness and example of parents, or other moral restraints, from going into such open lengths of iniquity—and outward breakings forth of evil. But still sin secretly reigned in their hearts . . . pride, worldliness, love of the things of time and sense, hatred to God and aversion to His holy will, selfishness and stubbornness, in all their various forms, had a complete mastery over them! And though sin ruled over them more as a gentleman—he kept them in a more refined, though not less real or absolute slavery! Whatever sin bade them do, that they did, as implicitly as the most abject slave ever obeyed a tyrannical master’s command.
What a picture does the Holy Spirit here draw of what a man is! Nothing but a slave!—and sin, as his master, first driving him upon God’s sword, and then giving him eternal death as his wages!
“He has rescued us from the dominion of darkness—and He has brought us into the Kingdom of His dear Son!” — Col. 1:13
A glory, a beauty, and a sweetness
How sweet it is to trace the Lord’s hand in providence . . . to look back on the chequered path that He has led us by; to see how His hand has been with us for good; what difficulties He has brought us through; in what straits He has appeared; how in things most trying He has wrought deliverance; and how He has sustained us to the present hour.
How sweet are providential favors when they come stamped with this inscription, “This is from the Lord!”
How precious every temporal mercy becomes—our very food, lodging, and clothing!
How sweet is the least thing when it comes down to us as from God’s hands! A man cannot know the sweetness of his daily bread until he sees that God gives it to him—nor the blessedness of any providential dealing until he can say, “God has done this for me—and given that to me.” When a man sees the providence of God stamped on every action of life, it casts a glory, a beauty, and a sweetness over every day of his life!
Having nothing—and yet possessing all things.
“Having nothing—and yet possessing all things.” — 2 Cor. 6:10
How can this apparent contradiction be reconciled?
It is resolved thus— “having nothing” in self, “possessing all things” in Christ.
And just in proportion as I have nothing in self experimentally—so I possess all things in Christ.
My own beggary leads me out of self into His riches.
My own unrighteousness leads me out of self into Christ’s righteousness.
My own defilement leads me out of self into Christ’s sanctification.
My own weakness leads me out of self into Christ’s strength.
My own misery leads me out of self into Christ’s mercy.
“Having nothing—and yet possessing all things.” — 2 Cor. 6:10
These two branches of divine truth, so far from clashing with each other—sweetly, gloriously, and blessedly harmonize.
And just in proportion as we know spiritually, experimentally, and vitally of “having nothing,” in self—just so much shall we know spiritually, experimentally, and vitally of “possessing all things” in Christ.
Riches, honors, and comforts
“But we have this precious treasure in earthen vessels.” — 2 Cor. 4:7
How different is the estimate that the Christian makes of riches, honors, and comforts—from that made by the world and the flesh!
The world’s idea of riches are only such as consist in gold and silver, in houses, lands, or other tangible property.
The world’s estimate of honors, are only such as man has to bestow.
The world’s notion of comfort, is “fulfilling the desires of the flesh and of the mind.”
But the true Christian takes a different estimate of these matters, and feels that . . . the only true riches are those of God’s grace in the heart, the only real honor is that which comes from God, the only solid comfort is that which is imparted by the Holy Spirit to a broken and contrite spirit.
Now, just in proportion as we are filled by the Spirit of God—shall we take faith’s estimate of riches, honors, and comforts. And just so much as we are imbued with the spirit of the world—shall we take the flesh’s estimate of these things.
When the eye of the world looked on the Apostles, it viewed them as a company of poor ignorant men—a set of wild enthusiasts, who traveled about the country preaching Jesus, who they said, had been crucified, and was risen from the dead. The natural eye saw no beauty, no power, no glory in the truths they brought forth. Nor did it see that the poor perishing bodies of these outcast men contained in them a heavenly treasure—and that they would one day shine as the stars forever and ever—while those who despised their word would sink into endless woe.
The spirit of the world can never understand or love the things of eternity—it can only look to, and can only rest upon, the poor perishing things of time and sense.
The continued teachings of the Spirit When once, by the operation of the Spirit on our conscience, we have been stripped of . . . formality, superstition, self-righteousness, hypocrisy, presumption, and the other delusions of the flesh that hide themselves under the mask of religion—we have felt the difference between having a name to live while dead, and the power of vital godliness—and as a measure of divine life has flowed into the heart out of the fullness of the Son of God—we desire no other religion but that which stands in the power of God—by that alone can we live, and by that alone we feel that we can die.
And, at last, we are brought to this conviction and solemn conclusion—that there is no other true religion but that which consists in the continued teachings of the Spirit, and the communications of the life of God to the soul.
And with the Spirit’s teachings are connected . . . all the actings of faith in the soul, all the anchorings of hope in the heart, all the flowings forth of love, every tear of genuine contrition that flows down the cheeks, every sigh of godly sorrow that heaves from the bosom, every cry and groan because of the body of sin, every breath of spiritual prayer that comes from the heart, every casting of our souls upon Christ, all submission to Him, all communion with Him, all enjoyment of Him, and all the inward embracements of Him in His suitability and preciousness.
It will come in at every chink and crevice!
“I know that nothing good lives in me.” — Romans 7:18
The world within us is ten thousand times worse than the world outside of us!
We may shut and bar our doors, and exclude the outside world—but the world within cannot be so shut out! More—we might go and hide ourselves in a hermit’s cave, and never see the face of man again—but even there we would be as carnal and worldly as if we lived in Vanity Fair!
We cannot shut out the world—it will come in at every chink and crevice! This wretched world will intrude itself into our every thought and imagination!
I don’t know how it may be with you, but I have no more power to keep out the workings of sin in my heart—than I have power by holding up my hand to stop the rain from coming down to the earth! Sin will come in at every crack and crevice, and manifest itself in the wretched workings of an evil heart!
The seeds of every crime are in our nature—and therefore, could your flesh have its full swing—there would not be a viler wretch in London than you!
At last to cheat the devil!
If God is not your master—the devil will be.
If grace does not rule—sin will reign.
If Christ is not your all in all—the world will be.
It is not as though we could roam abroad in total liberty. We must have a master of one kind, or another.
And which is best?
A bounteous, benevolent Benefactor, a merciful, loving, and tender Parent, a kind, forgiving Father and Friend, a tender-hearted, compassionate Redeemer?
OR A cruel devil, a miserable world, a wicked, vile, abominable heart?
Which is better? To live under the sweet constraints of the dying love of a dear Redeemer—under . . . gospel influences, gospel principles, gospel promises, and gospel encouragements?
OR To walk in imagined liberty, with sin in our heart, exercising dominion and mastery there—and binding us in iron chains to the judgment of the great day?
Even taking the present life—there is more real pleasure, satisfaction, and solid happiness in half an hour with God, in sweet union and communion with the Lord of life and glory, in reading His word with a believing heart, in finding access to His sacred presence, in knowing something of the droppings in of His favor and mercy—than in . . . all the delights of sin, all the lusts of the flesh, all the pride of life, and all the amusements that the world has ever devised to kill time and cheat self—thinking, by a death-bed repentance—at last to cheat the devil!
This is what the Lord says
This is what the Lord says—“Cursed is the one who trusts in man, who depends on flesh for his strength and whose heart turns away from the Lord.” — Jer. 17:5
The Lord here does not lay down a man’s moral or immoral character as a test of salvation.
He does not say, “Cursed is . . . the thief, the adulterer, the extortioner, the murderer, the man that lives in open profanity.”
He puts all that aside, and fixes His eye and lays His hand upon one mark—which may exist with the greatest morality and with the highest profession of religion.
“I will tell you,” the Lord says, “who are under My curse—the person who trusts in man—who depends on flesh for his strength—and in so doing, his heart turns away from Me.”
This is what the Lord says—“Cursed is the one who trusts in man, who depends on flesh for his strength and whose heart turns away from the Lord.” — Jer. 17:5
That hideous idol SELF in his little shrine
Never again will we say any more to the work of our hands—“You are our gods!” — Hosea 14:3
The besetting sin of Israel was the worship of idols.
Perhaps, if you have walked into the British Museum, and seen the idols that were worshiped in former days in the South Sea Islands, you have been amazed that rational beings could ever bow down before such ugly monsters.
But does the heart of a South Sea Islander differ from the heart of an Englishman? Not a bit! The latter may have more civilization and cultivation—but his heart is the same! And though you have not bowed down to these monstrous objects and hideous figures—there may be as filthy an idol in your heart! Where is there a filthier idol than the lusts and passions of man’s fallen nature?
You need not go to the British Museum to see filthy idols and painted images. Look within!
Where is there a more groveling idol than Mammon, and the covetousness of our heart? You need not wonder at heathens worshiping hideous idols—when you have pride, covetousness, and above all that hideous idol SELF in his little shrine, hiding himself from the eyes of man—but to which you are so often rendering your daily and hourly worship!
If a person does not see that the root of all idolatry is SELF, he knows but little of his heart.
Such a perpetual and unceasing conflict?
“I do not understand what I do! For what I want to do I do not do; but what I hate I do. I know that nothing good lives in me, that is, in my sinful nature. For I have the desire to do what is good, but I cannot carry it out. For what I do is not the good I want to do; no, the evil I do not want to do —this I keep on doing. So I find this law at work: When I want to do good, evil is right there with me. What a wretched man I am! Who will rescue me from this body of death?” — Rom. 7:15,18,19,21,24
What a picture of that which passes in a godly man’s bosom! He has in him two distinct principles, two different natures—one . . . holy, heavenly, spiritual, panting after the Lord, and finding the things of God its element.
And yet in the same bosom a principle . . . totally corrupt, thoroughly and entirely depraved, perpetually striving against the holy principle within, continually lusting after evil, opposed to every leading of the Spirit in the soul, and seeking to gratify its filthy desires at any cost!
Now, must there not be a feeling of misery in a man’s bosom to have these two armies perpetually fighting?
That when he desires to do good, evil is present with him—when he would be holy, heavenly minded, tender hearted, loving, seeking God’s glory, enjoying sweet communion with Jehovah—there is a base, sensual, earthly heart perpetually at work—infusing its baneful poison into every thought, counteracting every desire, and dragging him from the heaven to which he would mount, down to the very hell of carnality and filth?
There is a holy, heavenly principle in a man’s bosom that knows, fears, loves, and delights in God. Yet he finds that sin in himself, which is altogether opposed to the mind of Christ, and lusts after that which he hates.
Must there not be sorrow and grief in that man’s bosom to feel such a perpetual and unceasing conflict?
Is there ever this piteous cry forced by guilt, shame, and sorrow out of your bosom, “O wretched man that I am!” If not, be assured that you are dead in sin, or dead in a profession.
But who is our greatest enemy?
The pride of our heart, the presumption of our heart, the hypocrisy of our heart, the intense selfishness of our heart, are often hidden from us.
This wily devil, self, can wear such masks and assume such forms.
This serpent, self, can so creep and crawl, can so twist and turn, and can disguise itself under such false appearances, that it is often hidden from ourselves.
Who is the greatest enemy we have to fear?
We all have our enemies.
But who is our greatest enemy? He who you carry in your own bosom—your daily, hourly, and ever-present companion, that entwines himself in nearly every thought of your heart—that . . . sometimes puffs up with pride, sometimes inflames with lust, sometimes inflates with presumption, and sometimes works under feigned humility and fleshly holiness.
God is determined to stain the pride of human glory. He will never let self (which is but another word for the creature) wear the crown of victory.
It must be crucified, denied, and mortified.
Now this self must be overcome. The way to overcome self is by looking out of self to Him who was crucified upon Calvary’s tree—to receive His image into your heart—to be clothed with His likeness—to drink into His spirit—and “receive out of His fullness grace for grace.”
We need grace, free grace
“May grace and peace be multiplied unto you.” — 2 Peter 1:2