Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Jezus, de grote Hogepriester — hoofdstuk 4: Brandoffer en zondoffer

Philpot vergelijkt brandoffer en zondoffer als twee kanten van het ene offer van Christus. Hij toont dat Jezus Zich vrijwillig overgaf en toch door Zijn verbondsbeloften gebonden was het lijden als Borg tot het einde te dragen.

Het priesterschap van de Heere Jezus Christus valt uiteen in twee onderscheiden takken. Die komen overeen met twee machtige werken van genade en liefde, waarvan het ene door Hem op aarde is voltooid en het andere nu door Hem in de hemel wordt voortgezet. Die twee onderscheiden werken waren: 1, het brengen van een offer voor de zonde; 2, het doen van voorbede voor Zijn volk. Wij noemen ze onderscheiden werken eerder om onze voorstelling te helpen dan met de bedoeling ze werkelijk te scheiden.

In feite zijn zij namelijk het nauwst en innigst met elkaar verbonden en tot op zekere hoogte in elkaar vervlochten. Toen onze gezegende Heere Zichzelf vlekkeloos aan God opofferde, deed Hij voorbede door Zijn bloed. En nu Hij in de hemel is, pleiten de verdiensten van dat bloed nog steeds voor de troon.

Zo vinden wij de profeet het dragen van de zonde verbinden met de voorbede voor zondaars in die treffende woorden dat Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft. (Jesaja 53:12.) Zijn voorbede voor overtreders werd gedaan op het ogenblik en door het middel van het dragen van hun zonde. Vader, vergeef het hun was Zijn biddende adem toen Hij de zonde droeg in Zijn eigen lichaam op het hout. (Lukas 23:34.)

Zo nam in type en beeld de hogepriester op de grote verzoendag van het bloed van het zondoffer binnen het voorhangsel en sprenkelde het op en voor het verzoendeksel. Zo verbond hij het offer bij het altaar buiten met de voorbede in het heilige der heiligen binnen. Wanneer wij bij dat deel van ons onderwerp komen waarin wij onze genadige Heere moeten beschouwen als Hem Die nu aan de rechterhand van de Vader voor ons bidt (Romeinen 8:34), zullen wij met Gods hulp en zegen trachten dieper in te gaan op het verband tussen Zijn dragen van de zonde aan het kruis en Zijn voorbede in de hemel.

Ons voornaamste doel is nu echter het geheim te ontvouwen van stervende liefde en verzoenend bloed dat in de hof en aan het kruis voltooid werd. De Levitische offers werpen veel licht op het ene offer waarmee Jezus, naar de Schrift, in eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd worden. Wij hebben er daarom al veel gebruik van gemaakt. Als onze ruimte het toeliet, zouden wij er graag nog uitvoeriger op ingaan, op hun aard en geestelijke uitleg. Maar omdat onze ruimte noodzakelijk beperkt is, achten wij het het best ons te bepalen tot twee offers die onder de wet waren voorgeschreven: het brandoffer en het zondoffer.

Dit waren niet alleen de twee belangrijkste offers van de Levitische bedeling, die daarom met name genoemd worden in Psalm 40:7: brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist. Zij hebben ook een bijzondere aanspraak op onze aandacht omdat zij onze lijdende Hogepriester voorstellen onder twee onderscheiden aspecten, beide vol van genade en heerlijkheid. Het brandoffer stelt Hem, zoals wij al hebben aangewezen, voornamelijk voor zoals Hij voor God was. Het zondoffer stelt Hem voor zoals Hij voor de mens is.

In beide werd Hij voorgesteld als zondedrager. In beide offers werd de zonde overgedragen doordat de priester zijn hand op het hoofd van het slachtoffer legde. (Leviticus 1:4; Leviticus 4:4.) In beide werd het bloed van het slachtoffer vergoten en gesprengd. (Leviticus 1:5; Leviticus 4:4-6.) In beide werd verzoening gedaan voor de zonde. (Leviticus 1:4; Leviticus 4:20.) En beide werden geheel of gedeeltelijk op het altaar verbrand. (Leviticus 1:9; Leviticus 4:9-10.) Dat waren hun punten van overeenkomst. Zij zijn nauw genoeg om te tonen dat zij overeenkwamen in het voorstellen van het offer dat onze grote Hogepriester aan het kruis bracht.

Maar er waren onderscheidende verschillen tussen beide, van een zo duidelijk karakter dat zij tonen dat zij dit offer onder verschillende aspecten voorstelden. Zo was het brandoffer vrijwillig en het zondoffer verplicht. Het brandoffer werd gevild, in stukken gesneden en het ingewand en de schenkels werden met water gewassen. Geen van deze drie dingen was vereist bij het zondoffer.

Het bloed van het brandoffer werd slechts rondom op het altaar gesprengd. (Leviticus 1:11.) Maar het bloed van het zondoffer werd op de hoornen van het altaar gedaan, zevenmaal gesprengd voor het aangezicht van de Heere voor het voorhangsel van het heiligdom en uitgegoten aan de voet van het altaar van het brandoffer. (Leviticus 4:6-7.) Het hele brandoffer werd op het altaar verbrand. (Leviticus 1:13.) Van het zondoffer werd alleen het vet verbrand, dat is het inwendige vet dat de nieren bedekt. Want de huid en het vlees, ja de hele var, moesten buiten het leger worden gebracht naar een reine plaats en daar met vuur op het hout worden verbrand. (Leviticus 4:11-12.)

Wij zien dus dat het brandoffer en het zondoffer in sommige punten op elkaar leken maar in andere wijd uiteen liepen. En omdat wij er zeker van kunnen zijn dat de Heilige Geest door die verschillen onderwijs wilde geven, kunnen wij met Zijn hulp en zegen nu trachten in hun mystieke en geestelijke betekenis in te gaan.

1. Het brandoffer was geheel vrijwillig. Dit was een van zijn meest onderscheidende kenmerken. Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen. Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN. (Leviticus 1:2-3.)

Maar het zondoffer was verplicht. Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden des HEEREN, dat niet zou gedaan worden, en tegen een van die zal gedaan hebben; Indien de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld des volks, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, den HEERE ten zondoffer. (Leviticus 4:2-3.)

Toen de zonde ontdekt was, werd er geen keus gelaten of er verzoening voor zou worden gedaan. Het was dwingend vereist dat het zondoffer werd gebracht. Het heet inderdaad een zonde van onwetendheid, maar met die uitdrukking en met het zondoffer dat daarvoor werd gebracht werd veel meer bedoeld dan op het eerste gezicht lijkt. Wij zullen daarom straks trachten uit te leggen wat met “zonden van onwetendheid” bedoeld werd. Maar ons doel is nu het onderscheid te tonen tussen het brandoffer en het zondoffer, namelijk dat het eerste vrijwillig en het tweede verplicht was.

In één opzicht was het offer van de gezegende Heere vrijwillig, in een ander opzicht verplicht. Zo stellen de twee soorten offers deze twee onderscheiden trekken voor van die ene verzoening voor de zonde die Hij aan het kruis bracht. Het woord van de waarheid houdt ons in verschillende gedeelten beide aspecten van onze lijdende Hogepriester zeer levendig en duidelijk voor.

Zo lezen wij dat Jezus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven. (Efeze 5:25.) Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft, zegt de apostel. (Galaten 2:20.) En Jezus zelf zegt: Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen. Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen. (Johannes 10:15; Johannes 10:17-18.)

In deze plaatsen wordt onze gezegende Heere voorgesteld als vrijelijk liefhebbend en Zichzelf vrijelijk gevend voor Zijn gemeente en volk. Hij legt vrijwillig Zijn leven af voor Zijn schapen en neemt het vrijelijk weer. Hier is geen dwang. Zoals Juda zich vrijelijk aan zijn vader Jakob aanbood om borg te worden voor Benjamin (Genesis 43:9), zo bood Jezus Zichzelf vrijelijk aan Zijn hemelse Vader aan om Borg te worden voor Zijn broeders. Hij kon daarom zeggen: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands. (Psalm 40:8-9.)

In dit vrijwillig aanbieden van Zichzelf om de wil van de Vader te doen wordt de genade van de Heere Jezus Christus op uitnemende wijze getoond. Zij blijkt uit deze aandriften van liefde om Zichzelf voor de gemeente te geven. Zij blijkt uit dit werken van zuivere barmhartigheid om uit de schoot van de Vader voort te komen en de plaats van de zondaar in te nemen. En zij blijkt uit Zijn gehoorzaamheid als lijdende Borg van Zijn volk tot de dood, ja tot de dood aan het kruis.

Waar is een liefde gelijk aan Zijn liefde? Waar was een smart gelijk aan Zijn smart? Deze aandriften en werkingen van zuivere, vrije en vrijwillige liefde, door een levend geloof gevat en in zoete bevinding beleefd, maken de Heere Jezus Christus onuitsprekelijk dierbaar voor gelovige harten. Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden, zegt de apostel. (2 Korinthe 8:9.) Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft, zegt de heilige Johannes. (1 Johannes 4:19.)

Deze zuivere, onverdiende liefde van Jezus om een verzoenend offer voor onze zonden te worden, zoals die door de Heilige Geest in het hart wordt uitgestort, dringt verloste en wedergeboren zondaars Hem lief te hebben en tot Zijn lof te leven. Zo getuigde een van hen, aan wie het niet alleen gegeven was in Hem te geloven maar ook voor Hem te lijden: Want de liefde van Christus dringt ons; Als die dit oordelen, dat, indien Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is. (2 Korinthe 5:14-15.)

In onze beschouwingen van Jezus als Hogepriester moeten wij daarom ons oog strak richten op het vrije en vrijwillige karakter van Zijn onderneming. In de raadsvergaderingen van het eeuwige verbond nam Hij genadig op Zich de Knecht van de Vader te worden. Hoewel Hij Zoon was, een eeuwige, ware en wezenlijke Zoon, is van Hem te zeggen dat Hij gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden, en dat nam Hij vrijwillig op Zich. Deze kant van het karakter van onze gezegende Verlosser wordt prachtig afgebeeld door het brandoffer.

Maar toen Hij in de raadsvergaderingen van de eeuwigheid, bekrachtigd door het eeuwige verbond dat in alles wel geordend en gewis is, op Zich had genomen Borg te worden, werd wat tevoren zuiver vrij en vrijwillig was in zekere zin verplichtend. Er is een zin, een genadige zin, waarin het woord dwang zelfs van God Zelf gebruikt kan worden. Toen Hij bijvoorbeeld bij Zichzelf had gezworen Abraham te zegenen (Genesis 22:16-17), was Hij, om zo te zeggen, door Zijn eigen eed gebonden te doen wat Hij had beloofd. Daarom zegt de apostel dat het was om de erfgenamen van de belofte des te overvloediger de onveranderlijkheid van Zijn raad te tonen.

Toen Mozes pleitte voor het volk dat het gouden kalf had aanbeden, bracht hij daarom deze eed naar voren. Het was zijn krachtigste pleitgrond: Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israel, Uw knechten, aan welke Gij bij Uzelven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels; en dit gehele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan ulieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. (Exodus 32:13.)

Zoals God dus, toen Hij Zich bij eed gebonden had Abraham te zegenen, als het ware door Zijn eigen eed gebonden was, zo was onze gezegende Heere, toen Hij Zich eenmaal door verbondsverplichtingen had gebonden om in de plaats en stede van Zijn volk te staan, niet langer vrij. Hij was geworden als de Hebreeuwse dienstknecht. Die was vrij om in het zevende jaar uit te gaan, maar als hij zei: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan, en zijn heer ter uitvoering van dat vrije besluit zijn oor aan de deurpost had doorboord, was hij daarna niet langer vrij.

Zo was onze gezegende Heere, toen Hij tot Zijn hemelse Vader zei: Gij hebt mij de oren doorboord, niet langer vrij. (De kanttekening heeft “gegraven”, met bijzondere verwijzing naar deze vrijwillige dienstbaarheid van de Hebreeuwse dienstknecht.) Hij was nu Gods Knecht: Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft. (Jesaja 42:1.) Hij was Zijn Knecht door Welken Ik verheerlijkt zal worden, gegeven als een Licht der heidenen, om Zijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. (Jesaja 49:3; Jesaja 49:6.)

Niet dat Hij wenste vrij te zijn en niet dat Hij berouw had van Zijn eeuwige verbintenissen. Integendeel kon Hij in de dagen van Zijn vlees zeggen: Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij. (Lukas 12:50.) Maar wij zien uit verschillende plaatsen, die ons als het ware een blik geven in de diepten van Zijn lijdensbevinding, dat Zijn heilige ziel terugdeinsde voor de beker die Hij op Zich genomen had te drinken.

Zo zei Hij, nog voor het uur van het lijden in Gethsemané, alsof dat lijden toen al in afwachting zijn sombere schaduw over Hem wierp: Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. (Johannes 12:27.) Vader, verlos Mij uit deze ure: daar is het terugdeinzen van het slachtoffer. Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen: daar is de heilige overgave aan de wil van de Vader.

Wij zien Hem in die overweldigende benauwdheid van ziel waarvan Hij zegt: Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij. (Psalm 69:3.) Wij zien Hem in Gethsemané’s sombere hof in zwaren strijd, toen zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen. (Lukas 22:44.) Wij zien Hem voor de overpriesters en oudsten en de hele raad zwijgen (Jezus zweeg stil, Mattheüs 26:63). Wij zien Hem in de tegenwoordigheid van Pontius Pilatus niet op een enig woord antwoorden (Mattheüs 27:14). Zo vervulde Hij de profetische verklaring: als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. (Jesaja 53:7.)

En vooral aan het kruis verborg de Vader als het bitterste bestanddeel van Zijn lijdensbeker Zijn aangezicht voor Hem. In al deze omstandigheden van smart, schande en smaad zien wij niet alleen wat de gezegende Heere leed toen Hij het gewicht van de zonde droeg. Wij zien ook waarom Zijn heilige ziel terugdeinsde bij het vooruitzicht die last te dragen. Dat Hij vrijwillig op Zich nam te lijden maakte het lijden niet geringer. Nee, het gewicht van het lijden verhoogde de vrijheid van Zijn genade.

Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan was slechts de uiting van de doodsstrijd van Zijn heilige ziel bij het eerste proeven van de toorn van de Vader. Het was Hij Die, gebogen onder smart en droefheid, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende. (Hebreeën 5:7.) Maar Hij had op Zich genomen en moest er doorheen.

Het woord was uitgegaan: Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar. (Psalm 118:27.) Het zondoffer moest nu geofferd worden. Als brandoffer had Jezus Zich vrijwillig overgegeven om geheel verteerd te worden in de vlammen van goddelijke toorn en toch van zichzelf opofferende liefde. Maar nu staat Hij als zondoffer bij het altaar, want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt. (2 Korinthe 5:21.)

Zoals het letterlijke slachtoffer met koorden aan de hoornen van het altaar werd gebonden opdat zijn worstelingen bedwongen zouden worden terwijl zijn bloed werd vergoten, zo was ook zijn Tegenbeeld, het heilige Lam van God, geestelijk aan de hoornen van het altaar gebonden. Dat gebeurde niet alleen door de koorden van Zijn eigen liefdevolle hart en niet alleen door de vaste koorden van de onveranderlijke wil van Zijn hemelse Vader. Het gebeurde ook door de even sterke koorden van Zijn eigen eeuwige verbondsverplichtingen. Hij had beloofd en moest uitvoeren. Zo was Hij, hoewel vrij, gebonden.

Deze vereniging van volkomen vrijheid en zelfopgelegde gebondenheid zien wij niet alleen bij de Hebreeuwse dienstknecht die wij al hebben aangehaald. Wij zien haar ook voortdurend in de ervaring van het menselijk leven. Zo kan mij gevraagd worden borg te worden voor iemand. Ik ben vrij het verzoek aan te nemen of het af te wijzen. Maar als ik het aanneem en zijn borg word, ben ik niet langer vrij. Dan ben ik gebonden door mijn verbintenis en door de nog sterkere banden van de wet.

Of als een vriend mijn hulp nodig heeft, ben ik vrij die te geven of die te onthouden. Maar als ik eenmaal beloof zijn verzoek in te willigen, ben ik niet langer een vrij handelend persoon maar gebonden mijn belofte na te komen. Prediker zegt: wat gij zult beloofd hebben, betaal het. Het is beter, dat gij niet belooft, dan dat gij belooft en niet betaalt. (Prediker 5:3-4.)

Jezus was dus door Zijn eigen verbintenissen gebonden het werk te voltooien dat de Vader Hem te doen had gegeven. De gerechtigheid greep Hem aan, omdat Hij op de plaats van de zondaar stond. Omdat Hij geworden onder de wet was, (Galaten 4:4,) viel de vloek van de wet op Hem, want Hij was een vloek geworden zijnde voor ons. (Galaten 3:13.) En omdat Hij Borg was geworden voor Zijn broeders en zij de zware schuld niet konden betalen, kreunde Hij daaronder (Spreuken 11:15), om haar tot de laatste penning te voldoen.

2. En dit brengt ons bij een ander kenmerk van het zondoffer, waarin deze plaatsvervanging van Christus in de plaats van de zondaar duidelijker en nadrukkelijker wordt afgebeeld. Voordat de offerende priester het slachtoffer slachtte, legde hij zijn hand op zijn hoofd. Indien de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld des volks, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, den HEERE ten zondoffer. En hij zal die var brengen tot de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN; en hij zal zijn hand op het hoofd van dien var leggen, en hij zal dien var slachten voor het aangezicht des HEEREN. (Leviticus 4:3-4.)

Deze handeling stelde de overdracht van de zonde van de overtreder op het slachtoffer voor. Zij vereenzelvigde als het ware de een met de ander. Zij was een type van de plaatsvervanging van de overtreder door het slachtoffer en verklaarde door een zichtbaar teken dat het zijn zonden droeg en de straf ervan onderging, namelijk lijden en dood. Watts heeft de gevoelens van een gelovig hart dat deze plaatsvervanging beseft goed uitgedrukt toen hij schreef: “Mijn geloof zou haar hand leggen op dat dierbare hoofd van U, terwijl ik als een boetvaardige sta en daar mijn zonde belijd.”

Maar omdat deze overdracht van zonde vollediger en volkomener naar voren kwam bij de zondebok, willen wij de aandacht van onze lezers richten op die plechtige handeling op de grote verzoendag. En Aaron zal beide zijn handen op het hoofd van den levenden bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israels, en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd des boks leggen, en zal hem door de hand eens mans, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten. (Leviticus 16:21.)

Hoe treffend is het beeld waarin Aäron beide zijn handen, als waren zij gevuld met de zonden van Israël, op het hoofd van de levende bok legt. Hij belijdt al de ongerechtigheden der kinderen Israels, en al hun overtredingen, naar al hun zonden en legt ze op het hoofd des boks. Hoe zien wij door het geloof alle ongerechtigheden van de kinderen van God en al hun overtredingen gelegd op het heilige hoofd van Jezus! Wij zien hun droevige uitglijders en vallen, al hun lage afvalligheden en alle gruwelijke misdaden die met zoveel schuld en gewicht op hun bloedende gewetens hebben gelegen.

Zij werden “samengebracht”, zoals de profeet het in de kanttekening uitdrukt (Jesaja 53:6), als een machtige vloed die uit duizend samenvloeiende stromen op Hem afstormde. Jezus was vanaf Zijn eerste intrede in deze boze wereld een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Als het Lam van God droeg Hij de zonde van de wereld (Johannes 1:29, kanttekening) op het moment dat Johannes de Doper in de woestijn van Hem getuigde.

Toen Hij nog rondging en in de uitoefening van Zijn openbare bediening goed deed aan de lichamen en zielen van de mensen, nam Hij door toerekening onze krankheden op Zich en droeg Hij onze ziekten. Zo werd vervuld wat gesproken was door de profeet Jesaja: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen. (Mattheüs 8:17.) Maar in de hof en aan het kruis droeg het Lam van God vooral het gewicht van de toegerekende zonde.

Zoals Berridge zegt: “Het tafereel in de hof begint Zijn smarten.” Niet dat zij niet eerder waren begonnen, maar tot dan toe had Hij slechts de bittere beker geproefd die Hij daar tot op de bodem leegdronk. Dit begin van het uur van lijden deed Hem zeggen aan het begin van Zijn voorbedegebed, toen Hij, zoals wij eerder hebben getoond, volledig Zijn priesterambt aanvaardde: Vader, de ure is gekomen. (Johannes 17:1.)

Welk uur was dit anders dan het uur van het doodsangstige lijden, toen Zijn ziel zeer bedroefd was tot de dood toe en toch het uur waarvoor Hij in de wereld gekomen was? (Johannes 12:27.) Het was het uur van goddeloze mensen en van de macht der duisternis. (Lukas 22:53.) Het was het uur waarin de Vader luid riep: Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen. (Zacharia 13:7.)

Willen wij dus de buitengewone zondigheid van de zonde zien, voelen en beseffen, dan is het niet door de bliksemflitsen te bekijken en de donderslagen te horen van Sinaï’s vurige top. Het is door de doodsangst en het bloedige zweet te zien en het kreunen en de kreten te horen van de lijdende Zoon van God, gemaakt tot zonde voor ons, in de hof en aan het kruis. Wie op Hem ziet Dien wij doorstoken hebben, wordt in hart en ogen vervuld met godzalig leed over de zonde. Hij wordt vervuld met een heilige rouw om en over een gemartelde en gekrenkte Heere. (Zacharia 12:10.)

Het oog van het geloof, zoals dat aan de ziel geopenbaard wordt door de kracht van God, ziet de geliefde Zoon van God gebonden, gegeseld, geslagen, bespuwd en bespot. Het ziet Hem dan, als hoogtepunt van wrede hoon en hellewrede wreedheid, gekruisigd tussen twee dieven. Dit gelovig aanschouwen, deze gemeenschap aan het lijden van Christus, zal het hardste hart tot berouw en bekering doen smelten.

Maar wanneer wij door het oog van het geloof zien dat dit het kleinste deel van Zijn lijden was, wordt het nog veel ernstiger. Er waren diepten van zielenood, van onverdraaglijke angst en doodsstrijd uit de hand van God als een verterend vuur, van onbuigzame gerechtigheid en rechtvaardige verontwaardiging tegen de zonde waar zij ook en in wie zij ook gevonden wordt. Onze gezegende Heere moest de toorn van God dragen totdat Hij uitgestort als water werd en Zijn zachte, tedere hart in de vlammen van de gramschap als was werd en in Hem smolt. (Psalm 22:15.) Dan kunnen wij enigszins bevatten wat Hij op Zich nam toen Hij een zondoffer werd.

Want toen alle zonden van Zijn volk op Hem gelegd werden, viel de toorn van God die daarvoor verschuldigd was op Hem! Toen Jozefs beker in Benjamins zak gevonden werd, viel de straf van de overtreding op de schuldige. Die had kunnen zeggen: wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven. Zo behandelde de gerechtigheid Hem, toen de zonden van de uitverkorenen op het hoofd van Christus gevonden werden, als de schuldige misdadiger, hoewel Hij werkelijk onschuldig was en slechts door toerekening schuldig.

Scheiding van God, onder een besef van Zijn vreselijk misnoegen, en wel vanwege de zonde, dat gruwelijke ding dat Zijn heilige ziel haat: is dat niet de hel? Dit was dan de hel die de lijdende Verlosser onderging toen, naar het woord van de profeet, de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. (Jesaja 53:6.)

Welk hart kan bevatten of welke tong uitdrukken wat de gevoelens van de ziel van de Verlosser moeten zijn geweest? Hij was de geliefde Zoon van God. Hij had van alle eeuwigheid in de schoot van de Vader gelegen. Zijn hele vreugde lag in hun wederzijdse liefde en gemeenschap. Zijn onuitsprekelijke zaligheid was het altijd te zijn wat Spreuken 8:30 zegt: Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende. En nu werd Hij, de eniggeboren Zoon van de Vader, als het ware uit Zijn schoot weggestoten als, door toerekening, een zondaar.

In verhouding tot Zijn liefde voor de Vader waren Zijn nood en doodsstrijd over het misnoegen van de Vader. In verhouding tot Zijn intense heiligheid was Zijn smart omdat Hij als overtreder werd behandeld. De profeet zegt tot de bedroefde gemeente van God: Want de HEERE heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest. (Jesaja 54:6.)

Wat is zo bitter voor de geest van een liefhebbende vrouw, een vrouw die getrouwd was in alle warmte en genegenheid van de jeugd, als door haar man verlaten te worden en dat al haar pogingen tot verzoening geweigerd worden? Maar wat is haar geestelijke smart, wat zijn al haar diepe wonden van lijdende liefde vergeleken bij de smart van geest die de Zoon van God voelde toen Zijn Vader, Zijn eigen Vader, Zijn aangezicht voor Hem verborg?

Dit bracht de pijnen van de hel in Zijn boezem. Want laten wij altijd bedenken dat de toorn van God, zoals gevoeld in het hart van Jezus, een plechtige en vreselijke werkelijkheid was. Was het lichamelijk lijden aan het kruis niet werkelijk? Doorboorden de nagels niet werkelijk de tedere handen en voeten, terwijl elke zenuw van het gefolterde lichaam tot de uiterste en folterendste hoogte van pijn werd opgespannen? Niet minder werkelijk en veel zwaarder waren de doodsstrijden van Zijn ziel. Want de toorn van God in het hart van de Verlosser was even werkelijk als de nagels die Zijn handen en voeten doorboorden!

Wat is lichamelijke pijn vergeleken met zielenangst? Onder de zwaarste lichamelijke pijn hebben martelaars zich in de vlammen verheugd, maar een gewonde geest, wie kan die dragen? Van alle benauwdheid is zielsbenauwdheid de zwaarste. En van alle zielsbenauwdheid, wat is te vergelijken met het besef van Gods toorn die de geest zelf opdrinkt en in het geweten brandt tot in de diepste hel?

Toch heeft Jezus de diepten van deze benauwdheid gedragen toen Hij onze zonden droeg in Zijn eigen lichaam op het hout. Als mens had Hij in die diepten niet kunnen standhouden zonder de schragende kracht van Zijn eigen inwonende Godheid en de genadige ondersteuning van de eeuwige Geest. Wij hebben nog verscheidene andere punten van het zondoffer te overwegen. Omdat die veel geestelijk onderwijs bevatten, stellen wij hun overweging uit tot ons volgende hoofdstuk, waarin wij hopen onze overdenkingen over het priesterschap van Jezus te besluiten.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!